← Alle artikelen

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:20 BW

In deze vorm in werking sinds 1 januari 2022, laatst gewijzigd bij Stb. 2021, 310

1

Een rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.

2

In ieder geval in strijd met de openbare orde is het doel dat of de werkzaamheid die leidt of klaarblijkelijk dreigt te leiden tot een bedreiging van de nationale veiligheid of de internationale rechtsorde of tot de ontwrichting van de democratische rechtsstaat of het openbaar gezag.

3

In strijd met de openbare orde wordt vermoed te zijn het doel dat of de werkzaamheid die leidt of klaarblijkelijk dreigt te leiden tot aantasting van de menselijke waardigheid, geweld of het aanzetten tot haat of discriminatie.

4

Een rechtspersoon vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 (PbEG L 344), in Bijlage I van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 (PbEG L 139) of is vermeld en met een ster aangemerkt in de Bijlage bij het Gemeenschappelijk Standpunt nr. 2001/931 van de Raad van 27 december 2001 (PbEG L 344) is van rechtswege verboden en niet bevoegd tot het verrichten van rechtshandelingen.

5

Bij de verbodenverklaring kan de rechter de betrokken rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken in het belang van de openbare orde bevelen om bepaalde maatregelen te nemen of gedragingen na te laten, uiterlijk totdat over de verboden verklaring onherroepelijk is beslist.

6

De verbodenverklaring en de daarbij gegeven bevelen zijn uitvoerbaar bij voorraad. Het instellen van een rechtsmiddel schorst de werking niet.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:20 BW (13)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (5)

  • Hoge Raad · 15 juli 2022

    Verbodenverklaring en ontbinding overkoepelende motorclub wegens strijd met openbare orde

    “Het OM verzoekt in deze procedure – voor zover in cassatie van belang – om op de voet van art. 10:122 BW voor recht te verklaren dat de werkzaamheid van HAMC in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW en om op de voet van art. 2:20 BW HAMC Holland verboden te verklaren en te ontbinden.”

    r.o. 2.2

    ECLI:NL:HR:2022:1114

  • Hoge Raad · 24 april 2020

    Verbod Bandidos-motorclub: corporatiebegrip en reikwijdte verbod voor zelfstandige chapters

    “Het OM heeft in deze procedure verzocht de informele vereniging BMC Holland op grond van art. 2:20 BW verboden te verklaren, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde. Daarnaast heeft het OM op grond van art. 10:122 BW een verklaring voor recht gevraagd dat de werkzaamheid van de buitenlandse corporatie BMC Internationaal in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW.”

    r.o. 2.3

    “[…] in Nederland wordt beëindigd. Daarvoor had het OM moeten verzoeken om de chapters verboden te verklaren en te ontbinden. (rov. 4.33) Dat het voor het OM heel moeilijk wordt om de aanwezigheid van Bandidos in Nederland te beëindigen als het OM van elke chapter met eigen rechtspersoonlijkheid een verbod en ontbinding moet vragen, maakt het voorgaande niet anders. De mogelijkheden die art. 2:20 BW biedt hebben uitdrukkelijk betrekking op rechtspersonen. Daarbij, en bij de door de rechter bij de toepassing van art. 2:20 BW geboden terughoudendheid en het recht van een rechtspersoon om zich tegen een dergelijk verzoek te kunnen verweren, past dat in beginsel voor elke rechtspersoon afzonderlijk moet worden vastgesteld of sprake is van een werkzaamheid in strijd met de openbare orde. (rov. 4.34)”

    r.o. 2.7

    “[…] en in ieder geval onjuiste eisen gesteld aan het zijn van een corporatie, althans aan hetgeen het OM daaromtrent aannemelijk moet maken, aldus het onderdeel. 3.2.3 Art. 10:122 lid 1 BW bepaalt dat het OM kan verzoeken voor recht te verklaren dat het doel of de werkzaamheid van een corporatie die niet is een Nederlandse rechtspersoon, in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW. Blijkens art. 10:117, aanhef en onder a, BW wordt hierbij onder ‘corporatie’ verstaan “een vennootschap, vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, stichting en ieder ander als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam en samenwerkingsverband”. 3.2.4 Uit de parlementaire geschiedenis van art. 10:117 BW volgt dat het begrip ‘corporatie’ een ruim te interpreteren verzamelbegrip is voor die naar buiten tredende lichamen en samenwerkingsverbanden die door het recht als zodanig worden erkend. Niet is vereist dat sprake is van een rechtspersoon. Evenmin is vereist dat de bevoegdheid bestaat drager te zijn van rechten en verplichtingen, rechtshandelingen te verrichten of in rechte op te treden. Voldoende is dat als zelfstandige eenheid naar buiten […]”

    r.o. 3.1

    “Art. 10:122 lid 1 BW bepaalt dat het OM kan verzoeken voor recht te verklaren dat het doel of de werkzaamheid van een corporatie die niet is een Nederlandse rechtspersoon, in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW. Blijkens art. 10:117, aanhef en onder a, BW wordt hierbij onder ‘corporatie’ verstaan “een vennootschap, vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, stichting en ieder ander als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam en samenwerkingsverband”.”

    r.o. 3.2.3

    ECLI:NL:HR:2020:797

  • Hoge Raad · 18 april 2014

    Verbod en ontbinding vereniging wegens strijd met openbare orde (pedofielenvereniging)

    “In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie (het OM) een verzoek gedaan tot ontbinding van de vereniging op de voet van art. 2:20 BW. Het OM heeft aangevoerd dat de vereniging kinderen bedreigt in hun lichamelijke, emotionele en seksuele integriteit en hun rechten en vrijheden aantast. Daarom is de werkzaamheid van de vereniging in strijd met de openbare orde. De vereniging heeft als verweer aangevoerd (i) dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging zich verzetten tegen toewijzing van het verzoek. Zij heeft voorts aangevoerd (ii) dat op haar doelstelling ingevolge art. 2 van haar statuten niets is aan te merken, namelijk: "Het bespreekbaar maken van en het streven naar wettelijke en maatschappelijke acceptatie van ouderen-jongeren relaties", (iii) dat haar leden op haar website uitdrukkelijk wordt geadviseerd zich aan de wet te houden, en ten slotte (iv) dat op deze website uitsluitend niet-strafbare uitingen en afbeeldingen openbaar worden gemaakt. 3.2.1 De rechtbank heeft het verzoek toewijsbaar geacht, de vereniging verboden en ontbonden, een vereffenaar en een rechter-commissaris benoemd, en haar beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Zij overwoog […]”

    r.o. 3.1

    “[…] aan dat ons burgerlijk procesrecht niet de regel kent dat een partij recht heeft op een beoordeling van haar zaak in twee feitelijke instanties, en voegt daaraan toe dat in elk geval een niet-bestaande rechtspersoon geen recht van hoger beroep heeft. Het hof heeft zijn oordeel als volgt gemotiveerd: “4.2.2. Bij beëindiging van een rechtspersoon onderscheidt de wetgever in de artikelen 2:19 en 2:20 BW het moment waarop de rechtspersoon wordt ontbonden van het moment waarop zij ophoudt te bestaan. Die twee momenten kunnen in de tijd samenvallen (art. 2:19 lid 4 BW) maar noodzakelijk is dat niet. De rechtspersoon blijft na haar ontbinding bijvoorbeeld voortbestaan, voor zover nodig voor de afwikkeling van haar vermogen (art. 2:19 lid 5 BW). Ook in de rechtspraak wordt het hier bedoelde onderscheid gehanteerd. Zo kan een ontbonden rechtspersoon strafrechtelijk worden vervolgd, zelfs zonder dat er bekende baten voorhanden zijn (HR 2 oktober 2007, LJN: BA5825, NJ 2008, 550 en HR 16 november 2010, LJN: BM3630, NJ 2010, 625). Ook kan van een ontbonden vennootschap het faillissement worden uitgelokt (Hof Amsterdam 31 maart 2011, LJN: BQ1156, JOR 2011, 307) en kan een ontbonden […]”

    r.o. 3.3.1

    “Op zichzelf terecht voert het onderdeel aan dat ons burgerlijk procesrecht niet de regel kent dat een partij recht heeft op een beoordeling van haar zaak in twee feitelijke instanties. Dit neemt niet weg dat als uitgangspunt aan de wet ten grondslag ligt dat uitspraken vatbaar zijn voor hoger beroep, tenzij het tegendeel uit de wet voortvloeit. Geen specifieke wetsbepaling houdt in of brengt mee dat op dit uitgangspunt een uitzondering wordt gemaakt in het geval van ontbinding van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 BW. In zoverre faalt het onderdeel dus.”

    r.o. 3.3.3

    “[…] van de ontbonden rechtspersoon te vereffenen, en dat daartoe niet behoort de behartiging van de belangen die zijn betrokken bij het voortbestaan van de rechtspersoon, kan het door het onderdeel verdedigde standpunt niet worden aanvaard. De ontbinding heeft tot gevolg dat de vereffenaars in de plaats treden van de bestuurders. Indien de rechter evenwel de rechtspersoon op de voet van art. 2:20 BW ontbindt en daarbij een of meer vereffenaars benoemt die niet voor de ontbinding bestuurder van de rechtspersoon waren, brengt de fundamentele aard van de, door art. 8 Gw en art. 11 EVRM gewaarborgde, vrijheid van vereniging mee, dat de bestuurders wat betreft de bevoegdheid tot het instellen van hoger beroep of cassatie tegen de rechterlijke uitspraak waarin de vereniging is ontbonden, pas defungeren als de ontbinding onherroepelijk wordt. Opdracht tot het instellen van hoger beroep tegen de onderhavige uitspraak kon dus nog worden gegeven door het bestuur, dat in zoverre nog bevoegd was de vereniging te vertegenwoordigen (art. 2:45 lid 1 BW). Klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk was het hof van oordeel dat het hoger beroep is ingesteld in opdracht van het bestuur van de […]”

    r.o. 3.3.4

    ECLI:NL:HR:2014:948

  • Hoge Raad · 21 januari 2011

    Beklemd vermogen artikel 2:18 lid 6 BW na omzetting pensioenstichting in NV; jaarrekening

    “[…] op alle (individuele) activa en passiva van de omgezette stichting. Die opvatting is onjuist. Tekst noch strekking van dit voorschrift nopen tot een dergelijke strikte opvatting. Ook in de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is daarvoor geen aanknopingspunt te vinden. Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1982-1983, 17 725, nr. 3, p. 64) werd het voordien geldende art. 2:20 lid 3 BW, waarin was bepaald dat gedurende tien jaren na de omzetting een besluit tot ontbinding slechts geldig was, wanneer de bestemming van het batig saldo der vereffening door de minister van Justitie was goedgekeurd, minder doeltreffend geacht wegens de beperking tot tien jaar en omdat bijvoorbeeld een contributieverlaging of uitgaven ten gunste van leden niet onder het verbod vielen. Met het oog op de in het voorgestelde art. 2:18 voorziene bescherming heeft de minister van Justitie voorts een wettelijke reserve ter grootte van het oorspronkelijke stichtingsvermogen niet nodig geacht (vgl. 14e vergadering: Vaste commissie voor Justitie, 18 november 1987, p. 14-17) en deze is in art. 2:373 lid 4 BW ook niet voorgeschreven. Een aanwijzing dat de wetgever heeft beoogd dat de […]”

    r.o. 3.3.4 · lid 3

    ECLI:NL:HR:2011:BN8852

  • Hoge Raad · 26 juni 2009

    Verbod en ontbinding Hells Angels-stichting en -vereniging wegens strijd met openbare orde

    “Het Openbaar Ministerie heeft in deze procedure, tot heden tevergeefs, verzocht op de voet van art. 2:20 BW over te gaan tot het verboden verklaren en ontbinden van de stichting en de vereniging, waarin Hells Angels in Harlingen en omstreken zich hebben verenigd en hun activiteiten hebben georganiseerd.”

    r.o. 3.2

    “Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Art. 2:20 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde door de rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie wordt verboden verklaard en ontbonden. Het hof heeft in rov. 11 en 12 van de bestreden beschikking terecht overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde als uitgangspunt geldt dat de in art. 8 van de Grondwet en art. 11 van het EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging en vergadering een grondbeginsel van de democratische rechtsstaat is, en dat het verbieden van een rechtspersoon een ernstige inbreuk op dit grondrecht betekent waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen. Voor een verbodenverklaring moet het dan ook gaan om meer dan uit maatschappelijk oogpunt ongewenst gedrag. De verbodenverklaring dient te worden gezien als een noodzakelijke maatregel om gedragingen te voorkomen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten.”

    r.o. 3.3 · lid 1

    “Het Openbaar Ministerie bestrijdt dit uitgangspunt niet en bestrijdt ook niet dat dit dwingt tot een terughoudende toepassing van de in art. 2:20 BW neergelegde mogelijkheid tot het verbieden en ontbinden van rechtspersonen. Dat uitgangspunt strookt met de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.2 aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis, waarin ook het verband wordt gelegd met de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, en die duidelijk maken dat de wetgever een terughoudende toepassing van dit artikel voor ogen heeft gestaan.”

    r.o. 3.4

    “Volgens het Openbaar Ministerie is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan bij de uitleg van het begrip "werkzaamheid" van een rechtspersoon als bedoeld in art. 2:20 lid 1 BW. Met juistheid heeft het hof, zo betoogt het Openbaar Ministerie, aangenomen dat sprake moet zijn van handelen of nalaten van de rechtspersoon zelf, dan wel van (crimineel) handelen of nalaten dat aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Voor die toerekening heeft het hof aan de hand van het juiste criterium onderzocht of het gaat om handelen of nalaten waarin de rechtspersoon daadwerkelijk zeggenschap heeft gehad of waaraan (het bestuur van) de rechtspersoon leiding heeft gegeven of waartoe het gelegenheid heeft gegeven. De "werkzaamheid" van een rechtspersoon wordt echter daarnaast volgens het Openbaar Ministerie mede bepaald door de wijze waarop deze rechtspersoon stelling neemt en waar deze voor staat, en daarvoor is ook van belang de situatie en cultuur binnen die rechtspersoon zoals die naar buiten toe (in de maatschappij) wordt ervaren. Volgens het middel heeft het hof miskend dat mede onder het begrip "werkzaamheid" valt hetgeen in het kader van een rechtspersoon gebeurt, waarbij het […]”

    r.o. 3.5 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2009:BI1124

Conclusies van de A-G (7)

  • Parket bij de Hoge Raad · 25 maart 2022

    Verbod en ontbinding Hells Angels-organisaties wegens strijd met openbare orde (artikel 2:20 BW)

    “Het OM stelt zich al langer op het standpunt dat de activiteiten van de Hells Angels in strijd zijn met de openbare orde. In 2006 heeft het OM verzoekschriften op grond van art. 2:20 BW ingediend tegen alle bij de Kamer van Koophandel ingeschreven verenigingen en stichtingen waarbinnen de Hells Angels zich destijds in Nederland hadden georganiseerd. Deze procedure is geëindigd met een beschikking van de Hoge Raad van 26 juni 2009 in één van de zaken (tegen de stichting Stichting Northcoast Harlingen en de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Rockers Northcoast M.C.). Daarin is het cassatieberoep tegen de voor het OM ongunstige beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 12 december 2007 verworpen.”

    r.o. 1.2

    “Het OM heeft daartoe de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) bij verzoekschrift van 29 mei 2018 verzocht om: - op grond van art. 10:122 BW voor recht te verklaren dat de werkzaamheid van HAMC, waarvan HAM Corporation onderdeel uitmaakt, in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW, althans - voor het geval de rechtbank oordeelt dat HAM Corporation geen onderdeel uitmaakt van HAMC - voor recht te verklaren dat de werkzaamheid van HAM Corporation (zelfstandig) in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW; - op grond van art. 2:20 BW HAMC Holland verboden te verklaren en te ontbinden, onder benoeming van een vereffenaar, met bepaling dat een eventueel batig saldo na vereffening wordt uitgekeerd aan de Staat; - de te geven beschikking hierover uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.”

    r.o. 2.1

    “Bij beschikking van 29 mei 2019 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de werkzaamheid van HAMC, waarvan naar het oordeel van de rechtbank HAM Corporation onderdeel uitmaakt, in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW. Tevens heeft zij daarbij HAMC Holland verboden verklaard en ontbonden. De rechtbank heeft haar beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.”

    r.o. 2.7

    “De rechtbank heeft in de beschikking van 29 mei 2019 geoordeeld dat HAMC en HAMC Holland inderdaad bestaan en dat HAM Corporation een onderdeel is van HAMC. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de werkzaamheid van deze organisaties in strijd is met de openbare orde. De rechtbank heeft daarom de verzoeken van het OM toegewezen. In de zaak tegen HAMC heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de werkzaamheid van HAMC, waarvan HAM Corporation onderdeel uitmaakt, in strijd is met de openbare orde als bedoeld in artikel 2:20 BW. In de zaak tegen HAMC Holland heeft de rechtbank HAMC Holland verboden verklaard en ontbonden. De rechtbank heeft de beschikking wat deze onderdelen betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder heeft de rechtbank de zaken aangehouden in afwachting van de benoeming van een vereffenaar (die moet zorgen voor de vereffening van de in Nederland gelegen goederen van HAMC en het vermogen van HAMC Holland). Bij beschikking van 12 juli 2019 heeft de rechtbank een vereffenaar benoemd.”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:PHR:2022:296

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 juni 2020

    Verbodenverklaring en ontbinding informele vereniging (motorclub) op grond van artikel 2:20 BW

    “Alvorens over te gaan tot behandeling van de klachten in het principale cassatieberoep en het incidentele cassatieberoep maak ik enkele preliminaire opmerkingen over art. 2:20 lid 1 BW, mede in verhouding tot art. 140 lid 2 Sr. Ik richt mij daartoe (na een weergave van de thans geldende wetsbepalingen, onder 2.2-2.3) op de wetsgeschiedenis van beide bepalingen (onder 2.4-2.10), ga daarna in op het recente wetsvoorstel Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (onder 2.11-2.16), en betrek tot slot rechtspraak op grond van art. 2:20 lid 1 BW in het kader van de integrale aanpak van zogenoemde ‘Outlaw Motorcycle Gangs’ (hierna: OMG’s) (onder 2.17-2.22). Andere recente wetgevingsinitiatieven blijven hier verder buiten beschouwing. Ik wijs in dit verband in de eerste plaats op het initiatiefwetsvoorstel van het lid Azmani tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met aanpassing van de uitzonderingspositie van kerkgenootschappen. Dat initiatiefwetsvoorstel is vanwege de gerichtheid op kerkgenootschappen niet relevant voor de onderhavige zaak. Daarnaast wijs ik op het voornemen van het […]”

    r.o. 2.1 · lid 1

    “Na 1988 hebben nog enkele beperkte wetswijzigingen van art. 2:20 BW plaatsgevonden. Zo vond in 1992 in verband met de invoering van het nieuw BW omnummering plaats van art. 2:15 BW naar het huidige art. 2:20 BW. In 2002 vond een aanpassing plaats van art. 2:20 BW in verband met de herziening van het burgerlijk procesrecht, waarbij “op vordering van het OM” in art. 2:20 BW werd vervangen door “op verzoek van het OM”. In 2007 vonden wetswijzigingen plaats met het oog op de bestrijding van internationaal terrorisme, waarbij o.a. art. 2:20 lid 3 BW werd ingevoerd (zie ook onder 2.3). Wetsvoorstel ter verruiming van mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen”

    r.o. 2.10 · lid 3

    “Van de historische achtergrond van het huidige art. 2:20 BW (en art. 140 lid 2 Sr) stap ik nu over naar het wetsvoorstel tot Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen. Dit wetsvoorstel is thans nog niet in werking getreden en lopende procedures op grond van art. 2:20 BW zullen ook niet worden geraakt door het wetsvoorstel. Een, overigens niet-volledige, bespreking van enkele elementen uit het wetsvoorstel komt mij niettemin dienstig voor, omdat die voorgestelde wetswijzigingen licht kunnen werpen op onderwerpen die in de onderhavige zaak aan de orde zijn. Anticipatie op nieuwe wetgeving is in de onderhavige zaak niet aan de orde. In deze zaak wordt het wettelijke kader zoals dat thans geldt (zie onder 2.2-2.3) tot uitgangspunt genomen.”

    r.o. 2.11

    “Ik wijs in de eerste plaats op het voorstel om “strijd met de openbare orde” als bedoeld in art. 2:20 BW in de wettekst zelf te verduidelijken. De WVV bevatte vanaf de invoering in 1855 een dergelijke verduidelijking in art. 3 (zie onder 2.4), en daar is in 1971 nog een grond aan toegevoegd (zie ook onder 2.4). Bij het overhevelen naar Boek 2 BW in 1976 werd niet langer voorzien in een nadere inhoudelijke omschrijving in de wet zelf (zie onder 2.6). Ondanks aansporingen daartoe heeft de wetgever in 1988 (zie ook onder 2.8) bewust afgezien van het opnemen van een opsomming van werkzaamheden die strijd kunnen opleveren met de openbare orde. De huidige minister voor Rechtsbescherming erkent in de memorie van toelichting dat het openbare orde-begrip een “dynamisch vangnetbegrip” is waarvoor flexibiliteit in de toepassing van groot belang blijft, maar komt nu toch met een voorstel tot verduidelijking in de wettekst. Naast verduidelijking acht de regering het wenselijk dat eerder dan thans het geval is, toegekomen kan worden aan het verboden verklaren en ontbinden van rechtspersonen. Daarom worden enkele activiteiten en doelstellingen vermoed in strijd te zijn met de openbare orde. Eén […]”

    r.o. 2.12

    ECLI:NL:PHR:2020:593

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 november 2019

    Verbod Bandidos: corporatiebegrip, informele vereniging en reikwijdte verbod ten aanzien van chapters

    “Voordat ik overga tot bespreking van het cassatiemiddel, maak ik enige algemene opmerkingen over de verbodenverklaring van rechtspersonen op grond van art. 2:20 BW en art. 10:122 BW.”

    r.o. 2.1

    “Het aantal rechtspersonen dat op grond van (thans) art. 2:20 lid 1 BW verboden is verklaard en ontbonden, is door de jaren heen beperkt gebleven. In 1998 werd de vereniging NVP/CP’86 verboden, in 2001 de Vereniging van Enschedese Cannabisconsumenten, en in 2012 de Vereniging Martijn en de vennootschap Euromex Trade BV (betrokken bij witwaspraktijken). Het verzoek van het OM de Stichting Al Haramain Humanitarian Aid te verbieden en te ontbinden, is in 2006 afgewezen.”

    r.o. 2.2 · lid 1

    “[…] inschrijving in het handelsregister, hoewel dit laatste geen constitutief vereiste is. Daarentegen wordt een informele vereniging niet bij notariële akte opgericht. Het is uiteindelijk aan de rechter om vast te stellen dat sprake is van een informele vereniging. De vraag welke maatstaf de rechter hiervoor moet hanteren is in de onderhavige zaak van belang met het oog op de toepassing van art. 2:20 lid 1 BW.”

    r.o. 2.4 · lid 1

    “OMG’s organiseren zich niet (meer) in ‘formele’ rechtspersonen, zoals een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of een stichting, die bij notariële akte worden opgericht. Binnen de categorieën van rechtspersonen waarop art. 2:20 lid 1 BW van toepassing is, kan een nader onderscheid worden gemaakt tussen politieke organisaties enerzijds en criminele en terroristische organisaties anderzijds. Onder die laatste categorie vallen OMG’s. De vrijheid van vereniging die wordt gewaarborgd door art. 8 Gw, art. 11 EVRM en art. 22 IVBPR ligt voor politieke verenigingen gevoeliger dan voor bijvoorbeeld OMG’s. Dat de drempel voor ontbinding van een niet-politieke vereniging minder hoog ligt, heeft het EHRM in zijn rechtspraak ook onderkend. De Staatscommissie Parlementair Stelsel heeft in haar rapport van 13 december 2018 voorgesteld om een specifiek wettelijk kader te scheppen voor het verbieden en ontbinden van politieke partijen. Wordt daarvoor door de wetgever gekozen, dan ligt het in de rede dat politieke partijen worden uitgesloten van het toepassingsbereik van art. 2:20 BW.”

    r.o. 2.5 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2019:1163

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 december 2013

    Verbod en ontbinding vereniging wegens strijd met openbare orde; ontwrichtingsvereiste

    “Inzet van dit geding is de verbodenverklaring en ontbinding van de vereniging op de voet van art. 2:20 BW. Volgens het OM is de werkzaamheid van deze vereniging in strijd is met de openbare orde. De vereniging betwist dat. De rechtbank heeft het verzoek van het OM tot verbodenverklaring en ontbinding toegewezen. Het gerechtshof heeft die beslissing vernietigd en het verzoek afgewezen. Met zijn cassatieberoep stelt het OM de vraag aan de orde welke maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot verbodenverklaring en ontbinding moet worden gehanteerd. De vereniging is in cassatie niet verschenen.”

    r.o. 1.1

    “Ik maak in dit gedeelte van mijn conclusie enkele opmerkingen over de geschiedenis van de wettelijke regeling van de ontbinding van rechtspersonen in het Burgerlijk Wetboek (3.A), bespreek enkele gezichtspunten uit de sociaalwetenschappelijke literatuur (3.B), besteed enige aandacht aan de vrijheden van meningsuiting en vergadering (3.C) en het recht op bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik, vooral in internationaal verband (3.D) 3.A Art. 2:20 BW”

    r.o. 3.1

    “De wetgever is toen snel in actie gekomen. Bij wet 17 maart 1988, Stb. 104, is de verbodenverklaring in art. 2:15 BW opgenomen en vervolgens (bij invoering van het NBW op 1 januari 1992) vernummerd tot art. 2:20 BW. Tijdens de parlementaire behandeling heeft men stilgestaan bij de met deze wijziging gemoeide beperking van diverse vrijheden. Ik vermeld enkele relevante passages: “8. Hiermee wordt in mijn ogen de kern geraakt van wat met de verbodsgrond wordt beoogd. Slechts handelingen die inbreuk maken op de algemeen aanvaarde grondvesten van ons rechtsstelsel, kunnen het verbod van een vereniging of andere rechtspersoon rechtvaardigen: ongerechtvaardigde aantasting van de vrijheid van anderen of van de menselijke waardigheid. Gebruik van geweld of bedreiging daarmee tegen het openbare gezag of tegen degenen met wier opvattingen men het, al dan niet op goede gronden, oneens is, valt eronder, evenals rassendiscriminatie en andere verboden discriminatie. Evenzo het heulen met een mogendheid waarvan valt te verwachten dat zij een geboden kans om ons volk te onderdrukken zou grijpen, het weerstreven van onherroepelijke rechterlijke uitspraken of onrechtmatige benadeling van anderen […]”

    r.o. 3.5

    “[…] wapens, munitie, softdrugs en documenten aangetroffen. Ook hadden er ernstige gedragingen in zusterorganisaties in binnen- en/of buitenland plaatsgevonden. Volgens het OM moesten deze gedragingen als werkzaamheid van de stichting worden beschouwd omdat de stichting daarvan geen of onvoldoende afstand had genomen. In cassatie was daarmee vooral de betekenis van het begrip ‘werkzaamheid’ in art. 2:20 BW aan de orde, maar de Hoge Raad formuleerde ook de aan te leggen maatstaf bij de beantwoording van de vraag of de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde, en wel als volgt: “3.3. […] Art. 2:20 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde door de rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie wordt verboden verklaard en ontbonden. Het hof heeft in rov. 11 en 12 van de bestreden beschikking terecht overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde als uitgangspunt geldt dat de in art. 8 van de Grondwet en art. 11 van het EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging en vergadering een grondbeginsel van de democratische rechtsstaat is, […]”

    r.o. 3.6 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2013:2379

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 juni 2009

    Verbodenverklaring en ontbinding Hells Angels-stichting en -vereniging op grond van artikel 2:20 BW

    “Inzet van deze procedure is het bestrijden van de vereniging en stichting waarin leden van Hells Angels uit Harlingen en omstreken zich hebben verenigd. De civielrechtelijke procedure waarin op de voet van art. 2:20 BW verbodenverklaring en ontbinding van de vereniging en de stichting wordt verzocht is ook tegen andere rechtspersonen waarin Hells Angels zich verenigen gevoerd. Soortgelijke verzoeken zijn ingediend bij de rechtbanken Maastricht, Amsterdam, Haarlem, Rotterdam en Zwolle-Lelystad. De rechtbank Amsterdam heeft ook de verzoeken die bij de rechtbanken Haarlem, Rotterdam en Zwolle- Lelystad zijn ingediend in behandeling genomen. Vooralsnog heeft geen van deze verzoekschriften geleid tot verbodenverklaring en ontbinding van een Hells Angels-vereniging of -stichting(7). Een verzoek tot verbodenverklaring en ontbinding op grond van art. 2:20 BW kan alleen door het OM aan de rechter worden voorgelegd. Indien de rechtbank oordeelt dat op grond van dit artikel de werkzaamheid (lid 1) en/of het doel (lid 2) van een rechtspersoon in strijd is met de openbare orde, zal zij deze verboden verklaren en ontbinden. Het gevolg van een verbodenverklaring en ontbinding van de stichting en […]”

    r.o. 3.1

    “De huidige regeling in artikel 2:20 BW van de verbodenverklaring van rechtspersonen is bij wet van 17 maart 1988(8) als artikel 15 ter vervanging van de toen geldende artikelen 15 en 16 van boek 2 BW in het BW opgenomen. Later is het artikel vernummerd tot artikel 20. Reden voor de wetswijziging was dat aan de toen bestaande regelingen van artikel 15 en 16 bezwaren kleefden. Het eerste bezwaar was dat de regeling destijds de mogelijkheid om een verbodenverklaring uit te spreken niet kende. Het tweede bezwaar was dat de rechtbank niet verplicht was de rechtspersoon te ontbinden, ook al constateerde zij dat de rechtspersoon materieel een verboden karakter had. Bij wetsontwerp 17 476 van 11 juni 1982 werd beoogd deze bezwaren weg te nemen. Ik geef enkele m.i. voor deze zaak relevante citaten uit de wetsgeschiedenis: "Vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging zijn pijlers der democratie. Gebruik daarvan zal dan ook niet licht als werkzaamheid in strijd met de openbare orde kunnen worden bestempeld"(9) "(...) Het woord werkzaamheid is in zijn gewone betekenis gebruikt en omvat dus de daden die de rechtspersoon stelt en de woorden die hij spreekt en schrijft, ongeacht op […]”

    r.o. 3.2

    “Het middel valt uiteen in vier onderdelen waarvan onderdeel 1 geen klacht bevat. Tweede onderdeel (2)”

    r.o. 3.3

    “Omdat blijkens de wetsgeschiedenis het woord "werkzaamheid" in art. 2:20 BW in haar gewone betekenis wordt gebruikt en alleen daden omvat die de rechtspersoon stelt, kunnen m.i. voor de toepasssing van art. 2:20 BW in beginsel slechts als werkzaamheid van de rechtspersoon structureel plaatsvindende gedragingen in aanmerking worden genomen waaraan het (feitelijke) bestuur van de rechtspersoon leiding heeft gegeven of waartoe het (feitelijke) bestuur doelbewust gelegenheid heeft gegeven. Het (feitelijke) bestuur is immers het centrale orgaan van een rechtspersoon dat in de rechtspersoon werkzaam is. Het onderdeel verdedigt dat onder het begrip "werkzaamheid" ook gedragingen van derden waarvan de rechtspersoon geen afstand heeft genomen dienen te worden begrepen, zoals gedragingen van members of (zuster)organisaties. Een dergelijke uitleg van het begrip werkzaamheid is m.i. ruimer dan de wetgever indertijd voor ogen heeft gestaan. Ik verwijs naar de hierboven geciteerde passages uit de wetsgeschiedenis. De in dit onderdeel bepleite uitleg gaat daarmee uit van een onjuiste rechtsopvatting zodat de klachten van dit onderdeel die op deze gedachtengang berusten niet tot cassatie kunnen […]”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:PHR:2009:BI1124

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 november 2021

    Maagdenhuis: zelfstandig onderdeel van kerkgenootschap of civiele stichting?

    Een stichting met een charitatief doel en een bisschoppelijke band is in geschil met het bisdom over haar rechtskarakter: zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap (artikel 2:2 BW) of civiele stichting (artikelen 2:3 en 2:285 BW). Het hof oordeelde dat zij een zelfstandig onderdeel is, mede op basis van de statuten en het canonieke recht. De A-G concludeert dat dit oordeel in stand kan blijven en behandelt de criteria, waaronder de vereiste erkenning door het kerkgenootschap en het verbod op samenloop van beide rechtsvormen.

    ECLI:NL:PHR:2021:1039

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 januari 2011

    Conclusie: beklemd vermogen artikel 2:18 lid 6 BW in jaarrekening na omzetting stichting

    “Art. 2:18 lid 6 BW is ingevoerd bij de Wet van 15 november 1989, Stb. 1989, 541.(7) Art. 2:18 lid 6 BW is in de plaats gekomen van art. 2:20 lid 3 BW (oud), waarin vóór 1 januari 1992 was bepaald dat gedurende tien jaren na de omzetting een besluit tot ontbinding van de rechtspersoon slechts geldig was, wanneer de bestemming van het batig saldo der vereffening door de minister van Justitie was goedgekeurd. Deze bepaling, die op haar beurt was ontleend aan art. 19 lid 7 van de Wet op Stichtingen van 31 mei 1956, Stb. 1956, 327, werd minder doeltreffend geacht wegens de beperking tot tien jaar en omdat een contributieverlaging of uitgaven ten gunste van leden niet onder het verbod vielen, zodat een nieuwe bepaling wenselijk werd geacht.(8) Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel 17 725, welk voorstel heeft geleid tot de genoemde wet van 15 november 1989, is van de zijde van D'66 gewezen op de noodzaak vermogen te beschermen bij rechtsvormwijziging van een stichting in een andere privaatrechtelijke rechtspersoon en is aan de minister van Justitie de vraag voorgelegd of het niet zinnig zou zijn in dat geval een wettelijke reserve op te nemen ter grootte van het […]”

    r.o. 3.5 · lid 3

    ECLI:NL:PHR:2011:BN8852

Hoven en Ondernemingskamer (1)

  • Gerechtshof Amsterdam · 21 april 2026

    Verbod en ontbinding stichting Hells Angels-clubhuis: vermoeden openbare orde weerlegd

    “[…] dat op basis van de strafrechtelijke veroordeling van [verweerster] vaststaat dat – in de periode 1 mei 2014 tot en met 26 januari 2017 – de werkzaamheid van [verweerster] , bestaande uit haar deelname aan de criminele organisatie, leidde of klaarblijkelijk dreigde te leiden tot geweld. De werkzaamheid van [verweerster] wordt daarom vermoed in strijd te zijn met de openbare orde (artikel 2:20 lid 3 BW). De rechtbank was echter van oordeel dat [verweerster] dat vermoeden heeft ontzenuwd. De strafrechtelijke veroordeling heeft betrekking op de periode van mei 2014 tot 26 januari 2017. Na 26 januari 2017 is van het bewezenverklaarde handelen geen sprake meer. Op die datum is het clubhuis gesloten en inmiddels is het geen eigendom meer van [verweerster] zodat zij het ter beschikking stellen ook niet kan hervatten. Ook de bankrekening is sindsdien bevroren. Ook zijn er geen signalen dat het chapter [plaats 1] van de (inmiddels verboden) Hells Angels nog actief is. [belanghebbende 1] en Pieterse, die ook zijn veroordeeld voor deelname aan de criminele organisatie, zijn ontslagen en [verweerster] heeft onderbouwd betoogd dat zij voornemens is de naam en statuten van […]”

    r.o. 4.2 · lid 3

    “Op grond van artikel 2:20 lid 1 BW wordt een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde op verzoek van het OM door de rechtbank verboden verklaard en ontbonden.”

    r.o. 5.2 · lid 1

    “Bij wet van 23 juni 2021, in werking getreden op 1 januari 2022, is artikel 2:20 BW gewijzigd om de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen te verruimen. Daarbij is in de leden 2 en 3 ook de bewijspositie van het openbaar ministerie verlicht. Waar het gaat om lid 3, houdt die verlichting van de bewijslast het volgende in. Het OM moet bewijzen dat sprake is van een doel of werkzaamheid van de rechtspersoon die leidt of klaarblijkelijk dreigt te leiden tot a) aantasting van de menselijke waardigheid of b) geweld (waaronder uitlokken of bevorderen daarvan) of c) aanzetten tot haat of discriminatie. Als het OM dat heeft bewezen, wordt het doel dan wel de werkzaamheid van de rechtspersoon vermoed in strijd te zijn met de openbare orde. De rechtspersoon die aan verbodenverklaring wil ontkomen moet dan feiten en omstandigheden aanvoeren die dat vermoeden weerleggen. Bij deze wetswijzing heeft de wetgever de verwachting uitgesproken dat – hoewel met het rechtsvermoeden van artikel 2:20 leden 2 en 3 BW de bewijspositie van het openbaar ministerie is verlicht – een verbodenverklaring nog steeds slechts in zeer bijzondere omstandigheden zal worden opgelegd. Het incidenteel hoger […]”

    r.o. 5.4 · leden 2, 3

    “Het hof ziet aanleiding eerst het incidenteel hoger beroep van [verweerster] te behandelen. Dit richt zich niet tegen het dictum, maar tegen rov 5.7 van het bestreden vonnis. [verweerster] betoogt – in het voetspoor van wat zij ook heeft betoogd als verweer tegen grief 1 in het principaal hoger beroep – dat de rechtbank heeft miskend dat het bewijsvermoeden als bedoeld in artikel 2:20 lid 3 BW pas aan de orde is als sprake is van een actuele of een toekomstige werkzaamheid die tot geweld zou kunnen aanzetten. Volgens [verweerster] vloeit dit voort uit het gebruik van de tegenwoordige tijd in de wetsbepaling. De rechtbank heeft voor het aannemen van het vermoeden ten onrechte verwezen naar de strafrechtelijke veroordeling, die alleen de periode mei 2014 tot en met 26 januari 2017 betreft, aldus [verweerster] .”

    r.o. 5.5 · lid 3

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1171