← Alle artikelen

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:23a BW

In deze vorm in werking sinds 1 september 1994, laatst gewijzigd bij Stb. 1994, 506

1

Een vereffenaar heeft, tenzij de statuten anders bepalen, dezelfde bevoegdheden, plichten en aansprakelijkheid als een bestuurder, voor zover deze verenigbaar zijn met zijn taak als vereffenaar.

2

Zijn er twee of meer vereffenaars, dan kan ieder van hen alle werkzaamheden verrichten, tenzij anders is bepaald. Bij verschil van mening tussen de vereffenaars beslist op verzoek van een hunner de rechter die bij de vereffening is betrokken, en anders de kantonrechter. De rechter bedoeld in de vorige zin, kan ook een verdeling van het loon vaststellen.

3

Zowel de rechtbank als een door haar in de vereffening benoemde rechter-commissaris kan voor de vereffening nodige bevelen geven, al dan niet in de vorm van een bevelschrift in executoriale vorm. De vereffenaar is verplicht hun aanwijzingen op te volgen. Tegen de bevelen en aanwijzingen staan geen rechtsmiddelen open.

4

Blijkt de vereffenaar dat de schulden de baten vermoedelijk zullen overtreffen, dan doet hij aangifte tot faillietverklaring, tenzij alle bekende schuldeisers desgevraagd instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement.

5

De voorgaande bepalingen van dit artikel en de artikelen 23b-23c zijn niet van toepassing op vereffening in faillissement.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:23a BW (8)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (1)

  • Hoge Raad · 17 juli 2020

    X.Y./Rabobank

    Verjaring vordering op na faillissement opgehouden rechtspersoon: verlengingsgrond artikel 3:320 BW

    “[…] betaling van € 75.000,--. Hiertoe heeft het hof, voor zover in cassatie nog van belang, als volgt overwogen. Anders dan in de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017, is het faillissement van [C] Holding niet opgeheven wegens gebrek aan baten, maar vereenvoudigd afgewikkeld op de voet van de art. 137a -137g Fw. Het gaat dus om een ‘afwikkeling in faillissement’. Uit art. 2:23a lid 5 BW volgt dat in dat geval art. 2:23c BW niet van toepassing is. Indien een nagekomen bate opkomt, moet de vereffening worden heropend op grond van art. 194 Fw en niet op grond van art. 2:23c lid 1 BW. (rov. 7.4.4) In het geval van heropening van de vereffening in faillissement op grond van art. 194 Fw, doet zich eenzelfde situatie voor als bij heropening van de vereffening op grond van art. 2:23c lid 1 BW. In beide gevallen herleeft de rechtspersoon, maar uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. Uit art. 193 lid 1 Fw in verbinding met art. 194 Fw volgt immers dat ten aanzien van een nagekomen bate het faillissement niet is geëindigd. Art. 36 Fw is dan ook van toepassing. Daaruit volgt dat gedurende het faillissement (voor zover niet geëindigd) en zes maanden […]”

    r.o. 2.6 · lid 5

    “[…] immers dat doel missen. 3.5.1 Bij heropening van de vereffening in faillissement van een rechtspersoon op grond van art. 194 Fw, doet zich in zoverre eenzelfde situatie voor als bij heropening van de vereffening op grond van art. 2:23c lid 1 BW, dat in beide gevallen de rechtspersoon die is opgehouden te bestaan herleeft, maar uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. Art. 2:23a lid 5 BW bepaalt evenwel dat de regeling van art. 2:23a-23c BW niet van toepassing is op vereffening in faillissement. Daaruit volgt dat de verlengingsgrond van art. 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW niet geldt indien, zoals in het onderhavige geval, een rechtspersoon na faillietverklaring door insolventie is ontbonden en, nadat de vereffening van zijn vermogen in faillissement is geëindigd, is opgehouden te bestaan. Ook overigens voorziet de wet voor een geval als dit niet in een verlengingsgrond. 3.5.2 Uit de wetsgeschiedenis van art. 2:23a lid 5 BW en art. 2:23c lid 2 BW blijkt echter niet dat de wetgever voor een geval als het onderhavige heeft beoogd om gedurende de periode waarin de rechtspersoon is opgehouden te bestaan, geen verlengingsgrond te laten gelden als […]”

    r.o. 3.4 · lid 5

    “Bij heropening van de vereffening in faillissement van een rechtspersoon op grond van art. 194 Fw, doet zich in zoverre eenzelfde situatie voor als bij heropening van de vereffening op grond van art. 2:23c lid 1 BW, dat in beide gevallen de rechtspersoon die is opgehouden te bestaan herleeft, maar uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. Art. 2:23a lid 5 BW bepaalt evenwel dat de regeling van art. 2:23a-23c BW niet van toepassing is op vereffening in faillissement. Daaruit volgt dat de verlengingsgrond van art. 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW niet geldt indien, zoals in het onderhavige geval, een rechtspersoon na faillietverklaring door insolventie is ontbonden en, nadat de vereffening van zijn vermogen in faillissement is geëindigd, is opgehouden te bestaan. Ook overigens voorziet de wet voor een geval als dit niet in een verlengingsgrond.”

    r.o. 3.5.1 · lid 5

    “Uit de wetsgeschiedenis van art. 2:23a lid 5 BW en art. 2:23c lid 2 BW blijkt echter niet dat de wetgever voor een geval als het onderhavige heeft beoogd om gedurende de periode waarin de rechtspersoon is opgehouden te bestaan, geen verlengingsgrond te laten gelden als bedoeld in art. 3:320 BW. In het bijzonder lijkt bij de latere invoering van art. 2:23c lid 2 BW niet onder ogen te zijn gezien dat de in die bepaling bedoelde verlengingsgrond niet zou gelden als een rechtspersoon na faillietverklaring door insolventie is opgehouden te bestaan ingevolge art. 2:19 lid 1 aanhef en onder c, BW in verbinding met art. 137f Fw of art. 173 Fw, maar wel als een rechtspersoon is opgehouden te bestaan op een andere grond. Dat in een geval als het onderhavige geen verlengingsgrond zou gelden, ligt, gelet op het doel en de strekking van verlengingsgronden in het algemeen (zie hiervoor in 3.2) en in gevallen waarin een rechtspersoon is ontbonden en heeft opgehouden te bestaan in het bijzonder (zie hiervoor in 3.4), niet in de rede. Het gaat immers om een schuldeiser die zijn rechtsvordering, door de bijzondere omstandigheid dat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan, niet geldend kan maken, […]”

    r.o. 3.5.2 · lid 5

    ECLI:NL:HR:2020:1310

Conclusies van de A-G (5)

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 juli 2026

    Turboliquidatie met later gebleken bate: voortbestaan of heropening vereffening; arbitragebeding

    “[…] Volgens het middel betekende dit dat tijdens de vereffening het schuldeisersbelang op de voorgrond trad en dat het de primaire taak van de vereffenaars werd om, onder toezicht, instructie en aanwijzing van de door de rechtbank te benoemen rechter-commissaris, ervoor te zorgen dat de schuldeisers van de vennootschappen in liquidatie zouden worden voldaan waar het actief dit toelaat (art. 2:23a-2:23b BW). Daarvoor had de rechtbank eerst de vereffening moeten heropenen (art. 2:23c BW), nu de vereffening vóór het ontbindingsbesluit al had plaatsgevonden. Na het tijdstip waarop de vennootschappen na turboliquidatie ophielden te bestaan, zijn geen rechtshandelingen meer verricht. De oordelen van het hof in rov. 5.8, dat (i) in de gegeven situatie (kennelijk) is gebleken dat beide vennootschappen ten tijde van de turboliquidatie nog over een bate beschikte, (ii) zij (feitelijk en rechtens) na hun ontbinding waren blijven voortbestaan als bedoeld in art. 2:19 lid 5 BW, en (iii) voor hun vereffening daarom een heropeningsprocedure niet nodig was, getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het subonderdeel.”

    r.o. 4.37

    ECLI:NL:PHR:2026:737

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 maart 2021

    Faillietverklaring ontbonden BV: redelijk belang bij enige bate in vordering op aanvrager

    “De vereffenaar van een ontbonden vennootschap die zich nog in de vereffeningsfase bevindt, doet aangifte tot faillietverklaring indien blijkt dat de schulden de baten vermoedelijk zullen overtreffen, tenzij alle bekende schuldeisers desgevraagd instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement (art. 2:23a lid 4 BW). In een dergelijke situatie heeft de wetgever de summiere vereffeningsprocedure niet geschikt geacht en verdient afwikkeling overeenkomstig de Faillissementswet de voorkeur. Het betreft een verplichting, en geen discretionaire bevoegdheid van de vereffenaar. Indien de vereffenaar verzuimt aangifte tot faillietverklaring te doen, kunnen de schuldeisers hun rechten handhaven door zelf om het faillissement van de ontbonden vennootschap te verzoeken.”

    r.o. 2.5 · lid 4

    ECLI:NL:PHR:2021:219

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 maart 2020

    Verjaring vordering op in faillissement ontbonden en opgehouden rechtspersoon: verlengingsgrond ex artikel 2:23c lid 2 BW

    “[…] van een rechtsvordering probeert een ‘verlengingsgrondoplossing’ te construeren voor een probleem dat juist neerkomt op dat (tijdvak van het) niet meer bestaan van een rechtspersoon (waarbij van een faillissementssituatie dus geen sprake is) en met die ratio niet zozeer van doen heeft. Daartoe voelt het hof zich kennelijk genoodzaakt, omdat het aanneemt dat [eisers] terecht opmerkt dat uit art. 2:23a lid 5 BW volgt dat in het onderhavige geval art. 2:23c BW niet van toepassing is, wat weer verband lijkt te houden met de direct daaraan voorafgaande overwegingen dat het faillissement van [C] Holding “vereenvoudigd is afgewikkeld conform de artikel 137a t/m 137g Fw” en het “dus inderdaad [gaat] om een “afwikkeling in faillissement””. Zie rov. 7.4.4 eindarrest (in verbinding met rov. 7.4.2 eindarrest). Art. 36 Fw, al dan niet in verbinding met andere bepalingen uit de Faillissementswet (zoals die welke het hof noemt in rov. 7.4.5 eindarrest), is m.i. dan ook een minder aangewezen vehikel voor de ‘verlengingsgrondoplossing’ die het hof in rov. 7.4.3-7.4.7 eindarrest begrijpelijkerwijs zoekt ter redressering van de problematiek van ‘ongelijke behandeling van schuldeisers’ als daar […]”

    r.o. 3.33 · lid 5

    ECLI:NL:PHR:2020:391

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 mei 2017

    Verjaring vordering op opgehouden vennootschap en borgtocht: reikwijdte artikel 2:23c lid 2 BW

    “Ik ga tot slot – volledigheidshalve – in op het standpunt van J.A. Stal in zijn annotatie bij het bestreden arrest in JOR 2016/16. Stal stelt dat het hof art. 2:23c BW ten onrechte heeft toegepast, omdat dit artikel in “een faillissementssituatie” niet geldt. Stal wijst op art. 2:23a lid 5 BW, dat onder meer bepaalt dat art. 2:23c BW niet van toepassing is “op vereffening in faillissement”. Ik deel dit standpunt niet. Art. 2:23c BW kan wel degelijk toepassing vinden in een situatie als de onderhavige, waarin het faillissement is opgeheven bij gebrek aan baten (art. 16 Fw). Van een “vereffening in faillissement” is in zo’n geval geen sprake.”

    r.o. 3.23 · lid 5

    ECLI:NL:PHR:2017:525

  • Parket bij de Hoge Raad · 6 november 2015

    Curatorenverzet tegen faillissement lege vennootschap en turboliquidatie als alternatief

    “[…] dat alle kosten voor zijn eigen rekening zullen komen. Ik citeer de kernoverweging van één van de hier bedoelde uitspraken: “De rechtbank concludeert dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die aannemelijk maken dat JUVI over baten beschikt. Er had daarom ex artikel 2:19 lid 4 BW een besluit tot ontbinding van JUVI moeten worden genomen. Aan vereffening en in het bijzonder aan artikel 2:23a lid 4 BW wordt dan niet meer toegekomen. Het zou in die omstandigheden aan de ING Bank als materieel enige schuldeiser zijn om aannemelijk te maken dat er toch baten zijn en dat zij bij vereffening (enige) betaling zou hebben ontvangen, dan wel het faillissement van JUVI aan te vragen. Het doen van een eigen aangifte faillissement levert in deze situatie misbruik van recht op. Er is immers een onevenredigheid tussen het gestelde belang bij de eigen aangifte van JUVI enerzijds, en het belang van een te benoemen curator anderzijds, om verschoond te blijven van een benoeming in een faillissement, waarbij op voorhand vaststaat dat alle kosten voor rekening van de curator zullen komen. Te verwachten is dat de curator in verband met de faillissementskosten het faillissement zo snel […]”

    r.o. 3.16 · lid 4

    “In art. 2:19 BW is de ontbinding van rechtspersonen geregeld. Lid 1 bevat een opsomming van de wijzen waarop de ontbinding kan plaatsvinden. Eén van die wijzen is door een besluit van de algemene vergadering (sub a). In lid 4 is bepaald dat, indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, de rechtspersoon alsdan ophoudt te bestaan. De rechtspersoon blijft na ontbinding slechts voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is (lid 5). In de artikelen 2:23 e.v. BW wordt de vereffeningsprocedure behandeld. In lid 4 van art. 2:23a BW is vermeld dat de vereffenaar aangifte tot faillietverklaring doet, indien hem blijkt dat de schulden de baten vermoedelijk zullen overtreffen.”

    r.o. 3.31 · lid 4

    “Er wordt verschillend gedacht over hoe deze wetsbepalingen moeten worden begrepen ingeval er geen baten maar wel schulden zijn. In de hiervoor genoemde rechtspraak waarin misbruik van bevoegdheid is aangenomen, wordt art. 2:19 lid 4 BW strikt uitgelegd: als er op het tijdstip van de ontbinding geen baten zijn houdt de vennootschap op te bestaan, ongeacht of er schulden zijn. In deze gedachtegang wordt aan art. 2:23a lid 4 BW niet toegekomen, omdat er van vereffening geen sprake is.”

    r.o. 3.32 · lid 4

    “M.J. Kroeze en S. Renssen lijken hier anders over te denken. Kroeze stelt in Asser/Maeijer en Kroeze, met verwijzing naar twee rechterlijke uitspraken in eerste aanleg, dat bij aanwezigheid van activa met een negatieve waarde en van schulden (curs. A-G) vereffening geboden is, al dan niet in faillissement. Volgens Kroeze gaat lid 5 van art. 2:19 BW dan vóór lid 4. Volgens S. Renssen is turboliquidatie niet mogelijk ingeval de vennootschap schulden heeft. Renssen is uitgesproken kritisch over de rechtspraak die vennootschappen met een (vrijwel) lege boedel niet toelaat tot het faillissement en “verwijst” naar de turboliquidatie. Volgens haar is deze praktijk niet in lijn met de bedoeling van de wetgever. Ook zou faillissementsfraude hiermee worden gestimuleerd en zouden schuldeisers worden benadeeld. Tot slot zou, nog steeds volgens Renssen, de ontbindingsprocedure van art. 2:19 lid 4 BW slechts een schijnalternatief zijn, omdat de lege vennootschap via art. 2:23a lid 4 BW alsnog bij het faillissement uitkomt.”

    r.o. 3.33 · lid 4

    ECLI:NL:PHR:2015:2336

Rechtbanken (2)