Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 2:23c BW
In deze vorm in werking sinds 1 september 1994, laatst gewijzigd bij Stb. 1994, 506
Indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen. In dat geval herleeft de rechtspersoon, doch uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. De vereffenaar is bevoegd van elk der gerechtigden terug te vorderen hetgeen deze te veel uit het overschot heeft ontvangen.
Gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan, is er een verlengingsgrond als bedoeld in artikel 320 van Boek 3 ten aanzien van de verjaring van rechtsvorderingen van of tegen de rechtspersoon.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:23c BW (39)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (6)
X.Y./Rabobank
Verjaring vordering op na faillissement opgehouden rechtspersoon: verlengingsgrond artikel 3:320 BW
“[…] soortgelijke zaak tussen een borg en een bank is door het gerechtshof Den Haag als volgt geoordeeld. Indien de rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat hij op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer had (art. 2:19 lid 4 BW), blijft een eventuele vordering op deze rechtspersoon wel bestaan. Indien alsnog blijkt van het bestaan van een bate, kan deze vordering met toepassing van art. 2:23c lid 1 BW worden verhaald. Om te voorkomen dat in een dergelijk geval het verhaal door verjaring verloren zou gaan, is in art. 2:23c lid 2 BW bepaald dat gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan ten aanzien van de verjaring van de rechtsvordering een verlengingsgrond als bedoeld in art. 3:320 BW bestaat. Die verlengingstermijn loopt ook als nog niet is gebleken van een bate. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. Omdat de uitkomst van dat cassatieberoep voor de onderhavige zaak van belang is, zal het hof de zaak aanhouden totdat de Hoge Raad op het cassatieberoep heeft beslist. (rov. 3.10.6)”
r.o. 2.5 · leden 1, 2“[…] hof, voor zover in cassatie nog van belang, als volgt overwogen. Anders dan in de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017, is het faillissement van [C] Holding niet opgeheven wegens gebrek aan baten, maar vereenvoudigd afgewikkeld op de voet van de art. 137a -137g Fw. Het gaat dus om een ‘afwikkeling in faillissement’. Uit art. 2:23a lid 5 BW volgt dat in dat geval art. 2:23c BW niet van toepassing is. Indien een nagekomen bate opkomt, moet de vereffening worden heropend op grond van art. 194 Fw en niet op grond van art. 2:23c lid 1 BW. (rov. 7.4.4) In het geval van heropening van de vereffening in faillissement op grond van art. 194 Fw, doet zich eenzelfde situatie voor als bij heropening van de vereffening op grond van art. 2:23c lid 1 BW. In beide gevallen herleeft de rechtspersoon, maar uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. Uit art. 193 lid 1 Fw in verbinding met art. 194 Fw volgt immers dat ten aanzien van een nagekomen bate het faillissement niet is geëindigd. Art. 36 Fw is dan ook van toepassing. Daaruit volgt dat gedurende het faillissement (voor zover niet geëindigd) en zes maanden na het einde daarvan de verjaringstermijn […]”
r.o. 2.6 · lid 1“In art. 2:23c lid 2 BW en art. 2:19a lid 8 BW zijn verlengingsgronden als bedoeld in art. 3:320 BW opgenomen voor gevallen waarin een rechtspersoon is ontbonden en is opgehouden te bestaan, terwijl de mogelijkheid bestaat dat de rechtspersoon op enig moment herleeft. Het gaat daarbij om (i) de gevallen waarin de vereffening van het vermogen van een rechtspersoon heeft plaatsgevonden en nadat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt (art. 2:23c lid 2 BW) en om (ii) de gevallen waarin een rechtspersoon is ontbonden door een beschikking van de Kamer van Koophandel en die beschikking aan vernietiging blootstaat (art. 2:19a lid 8 BW). Voor deze gevallen geldt gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon is opgehouden te bestaan een verlengingsgrond. In de wetsgeschiedenis zijn deze bepalingen aldus toegelicht dat een speciale voorziening moet worden getroffen voor het geval een verjaringstermijn zou aflopen in de periode dat de rechtspersoon had opgehouden te bestaan. De regeling van art. 2:23c lid 2 BW heeft de strekking om te voorkomen dat rechtsvorderingen op een niet meer bestaande […]”
r.o. 3.4 · lid 2“Bij heropening van de vereffening in faillissement van een rechtspersoon op grond van art. 194 Fw, doet zich in zoverre eenzelfde situatie voor als bij heropening van de vereffening op grond van art. 2:23c lid 1 BW, dat in beide gevallen de rechtspersoon die is opgehouden te bestaan herleeft, maar uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. Art. 2:23a lid 5 BW bepaalt evenwel dat de regeling van art. 2:23a-23c BW niet van toepassing is op vereffening in faillissement. Daaruit volgt dat de verlengingsgrond van art. 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW niet geldt indien, zoals in het onderhavige geval, een rechtspersoon na faillietverklaring door insolventie is ontbonden en, nadat de vereffening van zijn vermogen in faillissement is geëindigd, is opgehouden te bestaan. Ook overigens voorziet de wet voor een geval als dit niet in een verlengingsgrond.”
r.o. 3.5.1 · leden 1, 2Rambaldo/Rabobank
Verjaring vordering op opgehouden vennootschap en borgtocht; artikel 2:23c lid 2 BW
“[…] de vennootschap op 2 maart 2006 ontbonden ingevolge artikel 2:19 lid 1 onder c BW. Nu zij op het tijdstip van haar ontbinding geen baten meer had, heeft de vennootschap toen voorts opgehouden te bestaan (artikel 2:19 lid 4 BW). De vordering van de bank op de vennootschap is na 2 maart 2006 wel blijven bestaan en kan, als nog blijkt van het bestaan van een bate, daarop met toepassing van artikel 2:23c lid 1 BW worden verhaald. Om te voorkomen dat in een geval als dit de mogelijkheid van verhaal door verjaring verloren zou gaan, bepaalt artikel 2:23c lid 2 BW dat gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan er een verlengingsgrond als bedoeld in artikel 3:320 BW is ten aanzien van de verjaring van rechtsvorderingen tegen de rechtspersoon. Het feit dat er thans nog geen bate is gebleken maakt dit niet anders. Dat brengt mee dat de verjaringstermijn van de vordering van de bank op de vennootschap tot op heden is voortgelopen. De borgtocht is derhalve niet op grond van artikel 7:853 BW geëindigd.”
r.o. 4.3 · leden 1, 2“Aan de grieven 2 en 3 ligt de opvatting ten grondslag dat de vordering van de bank op de vennootschap is verjaard, nu niet is gesteld of gebleken dat de bank de verjaring tegenover de vennootschap na 6 april 2005 tijdig heeft gestuit. De grieven falen, aangezien de verjaringstermijn tegen de niet meer bestaande vennootschap ook zonder stuiting is voortgelopen. Het hof merkt nog op dat nu [eiser] zich heeft beroepen op verjaring, de rechtbank gehouden was dat verjaringsverweer te toetsen aan de relevante wettelijke regels, waaronder artikel 2:23c BW. Omdat uit de stellingen van [eiser] voortvloeit dat de vordering van de bank op de vennootschap nog niet kan zijn verjaard, doet niet ter zake of de bank het (onjuiste) standpunt van [eiser] daarover heeft weersproken.”
r.o. 4.4“De grieven 2 en 3 falen derhalve.” 3.3.1 Onderdeel 3.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat het, zonder dat de vereffening van de vennootschap op de voet van art. 2:23c lid 1 BW was heropend, niet aan de toepassing van de in art. 2:23c lid 2 BW genoemde verlengingsgrond kon toekomen. Onderdeel 3.3 klaagt dat het hof ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat de verjaringstermijn van een vordering op een niet meer bestaande vennootschap niet kan eindigen. Onderdeel 3.4 klaagt onder meer dat het hof ten onrechte niet de stelling van [eiser] heeft besproken dat Rabobank de stuitingsmogelijkheid van art. 54 lid 4 Rv heeft laten schieten. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 3.3.2 De vennootschap is ingevolge art. 2:19 lid 1 onder c BW ontbonden door opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten. Nu de vennootschap op het tijdstip van haar ontbinding geen baten meer had, is zij ingevolge art. 2:19 lid 4 BW opgehouden te bestaan. Uit art. 2:23c lid 1 BW volgt dat indien na het tijdstip waarop de vennootschap is opgehouden te bestaan, nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek […]”
r.o. 4.5 · leden 1, 2“Onderdeel 3.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat het, zonder dat de vereffening van de vennootschap op de voet van art. 2:23c lid 1 BW was heropend, niet aan de toepassing van de in art. 2:23c lid 2 BW genoemde verlengingsgrond kon toekomen. Onderdeel 3.3 klaagt dat het hof ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat de verjaringstermijn van een vordering op een niet meer bestaande vennootschap niet kan eindigen. Onderdeel 3.4 klaagt onder meer dat het hof ten onrechte niet de stelling van [eiser] heeft besproken dat Rabobank de stuitingsmogelijkheid van art. 54 lid 4 Rv heeft laten schieten. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.”
r.o. 3.3.1 · leden 1, 2Beslaglegger na einde bestaan rechtspersoon: vordering tegen verkrijger van beslagen goederen
“[…] voet van art. 700 lid 3 Rv een eis in de hoofdzaak moet instellen, en dat die eis wordt toegewezen. 3.5.4 In het hier aan de orde zijnde geval betekent het hiervoor in 3.5.2 overwogene evenwel dat de beslaglegger vanaf het moment dat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, geen wederpartij meer heeft tegen wie hij de eis in de hoofdzaak kan instellen. Hierin wordt niet voorzien door art. 2:23c BW, dat bepaalt dat de rechtspersoon herleeft indien de vereffening wordt heropend. Heropening van de vereffening is volgens die bepaling immers uitsluitend mogelijk als nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo van de vereffening opkomt of blijkt van het bestaan van een bate. 3.5.5 Ook art. 700 lid 3 Rv voorziet niet in het hier aan de orde zijnde geval. Het zou echter niet aanvaardbaar zijn indien de beslaglegger in dat geval, waarin uitgangspunt is dat hij nog onvoldane vorderingen heeft en dat hij deze kan verhalen op de beslagen goederen, niet de mogelijkheid heeft om zijn recht te vervolgen, enkel als gevolg van het feit dat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan. 3.5.6 Aangezien de verkrijger in het hier aan de orde zijnde geval de enig overgebleven […]”
r.o. 3.2“In het hier aan de orde zijnde geval betekent het hiervoor in 3.5.2 overwogene evenwel dat de beslaglegger vanaf het moment dat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, geen wederpartij meer heeft tegen wie hij de eis in de hoofdzaak kan instellen. Hierin wordt niet voorzien door art. 2:23c BW, dat bepaalt dat de rechtspersoon herleeft indien de vereffening wordt heropend. Heropening van de vereffening is volgens die bepaling immers uitsluitend mogelijk als nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo van de vereffening opkomt of blijkt van het bestaan van een bate.”
r.o. 3.5.4Stuiting verjaring door betekening aan opgehouden rechtspersoon; heropening vereffening niet vereist
“[…] Zij heeft daartoe aangevoerd dat, anders dan de Ontvanger heeft gesteld, door de hiervoor in 3.1, onder (iii), genoemde betekening en bekendmaking het in artikel 27, lid 1, van de Invorderingswet 1990 (tekst tot 1 juli 2009; hierna: IW 1990) bedoelde recht tot dwanginvordering van de naheffingsaanslagen niet rechtsgeldig is gestuit. Volgens Transautex had de Ontvanger op de voet van artikel 2:23c, lid 1, BW om heropening van de vereffening van Tysco moeten verzoeken, waarna de hiervoor bedoelde betekening en bekendmaking hadden moeten geschieden aan de vereffenaar. 3.2.2 Het hof heeft dit betoog van Transautex verworpen. Het heeft daartoe – samengevat – als volgt geoordeeld. Met betrekking tot de betekening van een exploot aan een niet meer bestaande rechtspersoon kan artikel 50 Rv niet worden toegepast, maar naar het oordeel van het hof kan artikel 54, leden 3 en/of 4, Rv dat wel. In het onderhavige geval is heropening van de vereffening niet nodig, omdat de Ontvanger geen vereffening van het vermogen van Tysco nastreeft en heropening alleen is aangewezen indien nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. In het geval dat […]”
r.o. 3.1 · lid 1“Na cassatie en verwijzing heeft Transautex vooreerst betoogd dat de vordering van de Ontvanger na het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2008 is verjaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat, anders dan de Ontvanger heeft gesteld, door de hiervoor in 3.1, onder (iii), genoemde betekening en bekendmaking het in artikel 27, lid 1, van de Invorderingswet 1990 (tekst tot 1 juli 2009; hierna: IW 1990) bedoelde recht tot dwanginvordering van de naheffingsaanslagen niet rechtsgeldig is gestuit. Volgens Transautex had de Ontvanger op de voet van artikel 2:23c, lid 1, BW om heropening van de vereffening van Tysco moeten verzoeken, waarna de hiervoor bedoelde betekening en bekendmaking hadden moeten geschieden aan de vereffenaar.”
r.o. 3.2.1 · lid 1“[…] alleen is aangewezen indien nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. In het geval dat alleen betekening van een akte aan een ontbonden rechtspersoon wordt nagestreefd, is heropening van de vereffening niet nodig. In een dergelijk geval blijft de ontbonden rechtspersoon niet voortbestaan op de voet van artikel 2:19, lid 5, BW en is artikel 2:23c BW niet van toepassing, aldus het hof. Aangezien niet is betwist dat aan de overige vereisten voor stuiting van de verjaring is voldaan, moet op grond van het voorgaande worden aangenomen dat de Ontvanger de verjaring van het recht tot dwanginvordering van de naheffingsaanslagen tijdig en rechtsgeldig heeft gestuit. Het hof heeft daaraan nog toegevoegd dat deze oordelen stroken met de opmerking van de minister van Financiën dat stuiting kan plaatsvinden door bekendmaking aan de officier van justitie en publicatie (Kamerstukken II, 2010/11, 32 505, nr. 3, blz. 46), en dat deze oordelen niet strijden met de opmerking van de minister van Justitie dat met gebruikmaking van artikel 2:23c BW de vereffening kan worden heropend waarna de verjaring kan worden gestuit (Kamerstukken I, […]”
r.o. 3.2.2“[…] toepassing op het geval waarin een rechtspersoon na te zijn ontbonden heeft opgehouden te bestaan, en desondanks – op grond van artikel 34 of 35 IW 1990 – belang bestaat bij het kunnen betekenen van een exploot dat stuiting van verjaring van het recht tot invordering van een door die rechtspersoon belopen schuld tot gevolg heeft. Het in het middelonderdeel onder verwijzing naar artikel 2:23c, lid 1, BW gehouden betoog dat dit laatste kan worden bereikt door het doen herleven van een rechtspersoon, waarna de betekening van een exploot mogelijk is op de wijze die is voorzien voor betekening aan een bestaande rechtspersoon, gaat uit van betekening in een andere situatie dan zich hier voordoet. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de Ontvanger geen ander belang had bij herleving van Tysco dan stuiting van de verjaring van het recht tot invordering van de naheffingsaanslagen. In een zodanig geval is er geen reden de Ontvanger tegen te werpen dat voor hem de weg van artikel 2:23c, lid 1, BW openstond. Het hof heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat de Ontvanger terecht de weg van artikel 54, lid 4, Rv heeft gekozen voor betekening van de akte van vervolging. Op […]”
r.o. 3.2.6 · lid 1Toetsing batenloosheid ontbonden vennootschap buiten procedure artikel 2:23c BW
“Onderdeel 3 van het middel klaagt in de kern genomen dat het aan het hof niet vrijstond in de onderhavige procedure het oordeel te toetsen van het bestuur van de ontbonden rechtspersoon Ongo dat ten tijde van haar ontbinding geen baten meer aanwezig waren zodat zij had opgehouden te bestaan. Volgens de toelichting op de klacht dient dat oordeel in een afzonderlijke procedure tot heropening van de vereffening van het vermogen van de rechtspersoon op de voet van art. 2:23c lid 1 BW te worden getoetst. Dat is slechts anders in het geval waarin een schuldeiser het faillissement heeft aangevraagd van een ontbonden rechtspersoon die bij afwezigheid van bekende baten had opgehouden te bestaan, aldus het onderdeel met een beroep op het voormelde arrest van de Hoge Raad van 27 januari 1995, aangezien de vereffening als bedoeld in art. 2:23c lid 1 BW naar doel, strekking en geschiedenis verwant is aan de in art. 104 Fw neergelegde faillissementsvereffening.”
r.o. 3.4 · lid 1“De klacht faalt. Anders dan zij betoogt is het hiervoor in 3.4 aangehaalde arrest van de Hoge Raad, waarin is overwogen dat het oordeel van het bestuur of de vereffenaar van een ontbonden rechtspersoon over de aanwezigheid van baten vatbaar is voor toetsing door de rechter, niet beperkt tot de aanvrage van een faillissement. Ook in andere procedures waarin in geschil is of een ontbonden rechtspersoon over baten beschikt, kan de rechter het oordeel van het bestuur of de vereffenaar van deze rechtspersoon dat zij geen baten (meer) heeft, op juistheid onderzoeken. Het hof heeft dan ook terecht geoordeeld dat het in de onderhavige procedure aldus kon beslissen en dat daartoe niet de procedure van art. 2:23c lid 1 BW behoefde te worden gevolgd.”
r.o. 3.5 · lid 1Unidek/HDI
Voortzetting procedure tegen ontbonden en vereffende vennootschap; verkeerde partij gedagvaard
“Voor zover het oordeel van het hof daarop berust dat HDI Holding niet meer bestaat, heeft het hof eveneens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zoals onderdeel 2 terecht aanvoert. Op grond van art. 2:19 lid 6 BW houdt een ontbonden rechtspersoon in geval van vereffening van haar vermogen eerst op te bestaan op het tijdstip dat de vereffening eindigt, terwijl art. 2:23c lid 1 BW voorziet in de mogelijkheid om de vereffening te heropenen, onder meer ingeval nog een schuldeiser opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. Hiermee strookt het om aan te nemen dat in een geval zoals het onderhavige, waarin een procedure tegen een rechtspersoon is aangevangen voor het tijdstip van haar ontbinding en van de vereffening van haar vermogen, de procedure tegen de rechtspersoon kan worden voortgezet, mede in volgende instanties, ook indien de vereffening van haar vermogen inmiddels is geëindigd en daarvan opgaaf is gedaan door de vereffenaar aan de registers overeenkomstig art. 2:19 lid 6 BW. Dat HDI Holding niet meer bestaat in de door het hof bedoelde zin, staat dus niet in de weg aan voortzetting van de procedure en derhalve evenmin aan een inhoudelijke beoordeling van de […]”
r.o. 3.3.4 · lid 1
Conclusies van de A-G (13)
Turboliquidatie met later gebleken bate: voortbestaan of heropening vereffening; arbitragebeding
“[…] voortbestaan. Voorts blijkt uit het handelsregister dat de CV staat geregistreerd als in liquidatie en dat WVG Beheer tot vereffenaar van de CV is benoemd. Gelet daarop kan de door Capital Savings, als indirecte vereffenaar van de CV, afgegeven volmacht en bekrachtiging de basis vormen voor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van SBBP. Volgens vaste rechtspraak wordt een heropeningsprocedure (art. 2:23c lid 1 BW) geacht niet nodig te zijn als na een turboliquidatie van een rechtspersoon alsnog blijkt van een bate (rov. 5.8); (iii) De CV is met SBBP als haar vertegenwoordiger rechtsgeldig verschenen en heeft (proces)handelingen kunnen verrichten. Het betoog van de Vereffenaar dat de CV bij verstek moet worden veroordeeld wordt niet gevolgd (rov. 5.9); (iv) Grieven I t/m III falen, gelet op het voorgaande (rov. 5.10); (v) Grief VIII, betreffende het oordeel over het beroep op art. 6:248 lid 2 BW in verband met het arbitragebeding, faalt. De Beheersovereenkomst 2003 is namelijk tot stand gekomen tussen professionele partijen en strekt ertoe de rechtsverhoudingen tussen de CV (het beleggingsfonds), de Stichting (de bewaarder), WVGH (de beheerder) en Katwijk Holding (thans Orabel; […]”
r.o. 3.5 · lid 1“Het hof neemt daartoe in aanmerking dat volgens de meest recente uittreksels uit het handelsregister WVG Beheer en Belfort AM op dit moment staan geregistreerd als ontbonden en in liquidatie. Het hof leidt uit deze (gewijzigde) registratie af dat kennelijk is gebleken dat ten tijde van de turboliquidatie de beide vennootschappen nog over een bate beschikten en de vennootschappen na ontbinding zijn blijven voortbestaan (artikel 2:19 lid 5 BW). Het hof neemt voorts in aanmerking dat volgens het handelsregister ook de CV geregistreerd staat als in liquidatie en dat WVG Beheer in liquidatie tot haar vereffenaar is benoemd. Nu volgens de huidige opgave in het handelsregister WVG Beheer in liquidatie als vereffenaar van de CV staat vermeld, kan de door Capital Savings (als indirecte vereffenaar van WVG Beheer) aan SBBP afgegeven volmacht en bekrachtiging dienen als grondslag voor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van SBBP. Daarbij wijst het hof er op dat anders dan de Vereffenaar lijkt te veronderstellen een heropeningsprocedure ex artikel 2:23c lid 1 BW volgens vaste rechtspraak niet nodig wordt geacht wanneer na turboliquidatie van een rechtspersoon alsnog blijkt van een bate.”
r.o. 5.8 · lid 1“Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte en onbegrijpelijk tot het oordeel is gekomen dat (i) de door Capital Savings als indirect vereffenaar van WVG Beheer afgegeven volmacht en bekrachtiging, zonder een heropeningsprocedure bedoeld in art. 2:23c lid 1 BW, kan dienen als grondslag voor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van SBBP, gelet op de huidige opgave in het handelsregister, (ii) zodat de CV rechtsgeldig in het geding is verschenen en proceshandelingen heeft kunnen verrichten met SBBP als haar vertegenwoordiger, en (iii) de CV niet bij verstek moet worden veroordeeld. Volgens het onderdeel kan SBBP dus niet de CV rechtsgeldig vertegenwoordigen in deze procedure. Juridisch kader”
r.o. 4.6 · lid 1“Een vereffening kan worden heropend als na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog blijkt van het bestaan van een bate of als nog een schuldeiser of een gerechtigde tot het saldo opkomt. Het is de rechtbank die, op verzoek van een belanghebbende, de vereffening kan heropenen en zo nodig een vereffenaar kan benoemen. In geval van heropening herleeft de rechtspersoon, maar uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening (zie art. 2:23c lid 1 BW).”
r.o. 4.12 · lid 1Bestuurdersaansprakelijkheid wegens verhaalsfrustratie door overdracht van activa en turboliquidatie
“Tot slot subonderdeel 1.3. 3.6.1 Ook dit strandt, zoals volgt uit 3.6.2-3.6.9 hierna. 3.6.2 Vooropgesteld: wat het subonderdeel aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie dat ’s hofs oordeel in rov. 3.3 van het arrest dat Global Pack niet gehouden was de vereffening van DPPT te heropenen (op de voet van art. 2:23c lid 1 BW), blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. 3.6.3 Het subonderdeel noemt geen enkele rechtsbron waaruit een dergelijke verplichting zou (kunnen) volgen. Daartoe volstaat niet de in het subonderdeel gememoreerde verwijzing door Vité c.s. in hoger beroep naar een vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, reeds omdat dit vonnis zag op een wezenlijk ander geval. 3.6.4 Aangenomen wordt dat de turboliquidatie van een rechtspersoon (dus toepassing van art. 2:19 lid 4 BW) tijdens een lopende procedure, zoals bij DPPT vóór het wijzen van het verstekvonnis en ná de betekening aan haar van de dagvaarding waarmee Global Pack die procedure had aangespannen,niet meebrengt dat die rechtspersoon met betrekking tot die procedure niet langer in rechte kan optreden (niet langer procesbevoegdheid heeft). In lijn daarmee maakte de turboliquidatie van DPPT niet dat zij zonder […]”
r.o. 3.6 · lid 1“Vooropgesteld: wat het subonderdeel aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie dat ’s hofs oordeel in rov. 3.3 van het arrest dat Global Pack niet gehouden was de vereffening van DPPT te heropenen (op de voet van art. 2:23c lid 1 BW), blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.”
r.o. 3.6.2 · lid 1“Het subonderdeel noemt geen enkele rechtsbron waaruit een dergelijke verplichting zou (kunnen) volgen. Daartoe volstaat niet de in het subonderdeel gememoreerde verwijzing door Vité c.s. in hoger beroep naar een vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, reeds omdat dit vonnis zag op een wezenlijk ander geval.”
r.o. 3.6.3“Overigens valt ook daarbuiten de aanzuigende werking van art. 2:23c lid 1 BW te relativeren. Illustratief is de volgende uiteenzetting van de Hoge Raad: “Het oordeel van het bestuur - of de vereffenaar - van een ontbonden rechtspersoon dat geen baten meer aanwezig zijn en dat de rechtspersoon derhalve ingevolge het bepaalde in art. 2:19 lid 4 (…) is opgehouden te bestaan, is vatbaar voor toetsing door de rechter indien een schuldeiser, stellende dat de rechtspersoon nog baten heeft, diens faillissement aanvraagt. Het wettelijk stelsel brengt niet mee dat de rechter het bedoelde oordeel uitsluitend zou kunnen toetsen in het kader van een op de voet van art. 2:23c lid 1 (…) gevoerde procedure tot heropening van de vereffening.” Die benadering geldt tevens in andere procedures dan die inzake een faillissementsaanvraag, aldus de Hoge Raad in een latere uitspraak. Dit onderstreept nog eens dat het subonderdeel te categorisch is ingestoken.”
r.o. 3.6.7 · lid 1Faillietverklaring ontbonden BV: redelijk belang bij enige bate in vordering op aanvrager
“Indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan zich nog een schuldeiser meldt of alsnog van het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen. De rechter zal dan met terughoudendheid moeten toetsen of de gestelde bate of vordering voldoende aannemelijk is om toewijzing van het verzoek te rechtvaardigen. In dat geval herleeft de rechtspersoon, maar uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening (art. 2:23c lid 1 BW). (ii) de faillietverklaring van een ontbonden vennootschap”
r.o. 2.4 · lid 1“Ook een ontbonden rechtspersoon die (volgens de opgave in het handelsregister) is opgehouden te bestaan kan failliet worden verklaard. In Adjuncten Properties/Söderqvist q.q. heeft uw Raad geoordeeld dat een ontbonden rechtspersoon, die naar het oordeel van het bestuur of de vereffenaar geen baten meer heeft en derhalve is opgehouden te bestaan, op verzoek van een schuldeiser door de rechter failliet kan worden verklaard, zonder dat eerst heropening van de vereffening op de voet van art. 2:23c BW hoeft plaats te vinden. Daartoe is, naast het vervuld zijn van de vereisten voor faillietverklaring, nodig dat summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn. In dat geval moet de rechtspersoon geacht worden ter afwikkeling van het faillissement te zijn blijven bestaan.”
r.o. 2.6Faillissement, ontbinding en ophouden te bestaan van rechtspersoon; ontvankelijkheid tegen DNB
“Op die basis (de boedel is van rechtswege in staat van insolventie komen te verkeren) heeft het hof geoordeeld dat [eiseres 1] is ontbonden. Volgens het hof heeft [eiseres 1] ingevolge art. 2:19 lid 4 BW ook opgehouden te bestaan, terwijl van een ‘herleving’ op de voet van art. 2:23c BW evenmin sprake is: “3.9 Ingevolge art. 2:19 lid 1, aanhef en sub c, BW is [eiseres 1] ontbonden na faillietverklaring door insolventie. Ingevolge art. 2:19 lid 4 BW is zij opgehouden te bestaan. Zij is niet herleefd op de voet van art. 2:23c BW. Daarom kan [eiseres 1] als niet meer bestaande rechtspersoon niet in enige vordering worden ontvangen.””
r.o. 2.11Verjaring vordering op in faillissement ontbonden en opgehouden rechtspersoon: verlengingsgrond ex artikel 2:23c lid 2 BW
“Art. 3:320 BW bepaalt dat wanneer een verjaringstermijn zou aflopen tijdens het bestaan van een verlengingsgrond of binnen zes maanden na het verdwijnen van een zodanige grond, de termijn voortloopt totdat zes maanden na het verdwijnen van die grond zijn verstreken. Als achterliggende gedachte van de verlengingsgronden is wel aangemerkt dat de verjaring niet mag lopen ten nadele van degene die zich niet tegen de verjaring kan verweren. De wetgever heeft deze gedachte niet als beginsel in de wet neergelegd, maar ermee volstaan een aantal verlengingsgronden in de wet op te sommen. De verlengingsgronden van art. 3:321 BW zijn limitatief bedoeld, behoudens andere wettelijke verlengingsgronden zoals art. 2:23c lid 2 BW en art. 36 Fw.”
r.o. 3.27 · lid 2“[…] een rechtspersoon als schuldenaar die is opgehouden te bestaan (buiten faillissement, of nadat het faillissement van die rechtspersoon een einde heeft genomen), wat het redelijk maakt in dat tijdvak van het opgehouden zijn te bestaan (waarin de rechtspersoon dus niet meer bestaat) om die reden uit te gaan van een verlengingsgrond als bedoeld in art. 3:320 BW. Dit wordt onderstreept door art. 2:23c lid 2 BW, waaruit volgt dat gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan, er een verlengingsgrond is als bedoeld in art. 3:320 BW ten aanzien van de verjaring van rechtsvorderingen van of tegen de rechtspersoon. Hier is de verlengingsgrond het hebben opgehouden te bestaan van de rechtspersoon. De moeite die ik heb met de benadering van het hof is de gekozen route, die blijkens rov. 7.4.5 eindarrest neerkomt op het volgende: “De conclusie is dan ook dat uit de artikelen 36, 137c, 137g, 193 en 194 Fw, in verbinding met artikel 3:320 BW, volgt dat een lopende verjaringstermijn niet afloopt zolang een vereffening in faillissement niet is heropend op de voet van artikel 194 Fw. Dit brengt mee dat ook in geval van een vereenvoudigde afwikkeling van een […]”
r.o. 3.33 · lid 2“Het voorgaande (zie nrs. 3.27-3.33) resulteert erin dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden. Het onderdeel betoogt weliswaar terecht dat het oordeel van het hof in rov. 7.4.5 eindarrest als geciteerd in nr. 3.33 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, maar [eisers] heeft geen belang bij cassatie op die grond. Toepassing in het onderhavige geval van een op art. 2:23c lid 2 BW gebaseerde verlengingsgrond als uiteengezet in nr. 3.33, wat getuigt van een juiste rechtsopvatting, leidt immers tot dezelfde uitkomst als die welke het hof bereikt: dat de rechtsvordering van Rabobank op [C] Holding niet is verjaard vanwege het opgehouden zijn te bestaan van [C] Holding op 20 juli 2012, dus vóór de ommekomst van de tot 26 november 2013 voortlopende verjaringstermijn (zie de slotsom in rov. 7.4.7 (eerste zin) eindarrest, en nr. 3.24).”
r.o. 3.34 · lid 2Conclusie: opheffing faillissement bij gebrek aan baten en vordering ex artikel 2:248 BW
“In de literatuur over art. 16-18 Fw is geen duidelijk houvast te onderkennen voor de door de rechter te hanteren maatstaf bij de toets voor opheffing bij gebrek aan baten in een beroep tegen de opheffing van het faillissement ex art. 18 Fw. Uit de tekst van beide artikelen en de hiervoor weergegeven ratio van de laatste passage van art. 18 Fw kan worden afgeleid dat in beroep een herbeoordeling plaatsvindt van de opheffing van het faillissement, en dus van de maatstaf die geldt bij de vraag of een faillissement bij gebrek aan baten kon worden opgeheven. Dat is, als gezegd, het geval als is gebleken dat niet voldoende baten aanwezig of te realiseren zijn voor de voldoening van de faillissementskosten en de overige boedelschulden (art. 16 Fw). Bij de beoordeling hierna in 3.15-3.20 bespreek ik de door verzoekers bepleite analogie met de situaties van heropening van de vereffening ex art. 2:23c BW en met verzet van de curator tegen faillietverklaring ex art. 10 lid 1 Fw.”
r.o. 2.21“Daarbij is relevant onder ogen te zien dat in lagere rechtspraak al een parallel is getrokken met de rechtspraak van Uw Raad waarin voor heropening van vereffening ex art. 2:23c BW terughoudend behoort te worden getoetst of sprake is van een voldoende bate. Indien die lijn kan worden doorgetrokken in een art. 18 procedure, zoals hof Arnhem-Leeuwarden al heeft gedaan en verzoekers nu bepleiten, dan had de al aanvankelijk doorgeklonken aarzeling van het hof hier mogelijk behoren te leiden tot afwijzing van de opheffing wegens de toestand van de boedel.”
r.o. 3.15“[…] onvoldoende consistent gemotiveerd heeft overwogen, zodat het arrest lijdt aan motiveringsgebreken en mogelijk blijk geeft van een onjuiste opvatting over de in een art. 18 Fw-procedure aan te leggen toets. Mogelijk speelt daar een vertroebelende rol de in de lagere rechtspraak getrokken parallel met een terughoudende rechterlijke toetsing in geval van heropening van de vereffening ex art. 2:23c BW met als ratio het niet illusoir laten worden van het daadwerkelijk geldend maken van pretense rechten. Maar zo deze parallel inderdaad rechtens te trekken zou zijn, waar de curator als besproken volgens mij overtuigende vraagtekens bij plaatst, dan lijkt het hof hier de lat sowieso te hoog te hebben gelegd, zodat het faillissement niet had behoren te worden opgeheven wegens de toestand van de boedel. Ik kom op grond van (ook) deze overwegingen dan ook uit op cassatie.”
r.o. 3.22Faillissement ontbonden BV met baten; verjaring en artikel 2:23c lid 2 BW
“In de tweede plaats betogen de curatoren dat geen belang bij het cassatieberoep bestaat, omdat het hof na eventuele verwijzing tot geen ander oordeel kan komen dan dat de vordering niet is verjaard. Zij wijzen op hetgeen in art. 2:23c lid 2 BW en art. 3:320 BW is bepaald over verlenging van de verjaringstermijn. Op grond van die bepalingen kan de verjaring niet worden voltooid in de periode dat [verzoekster] heeft opgehouden te bestaan, zo stellen de curatoren (verweerschrift in cassatie 4.13-4.15, onder verwijzing naar het hierna in 2.10 te bespreken arrest [...] /Rabobank).”
r.o. 2.6 · lid 2“Partijen hebben in hoger beroep gedebatteerd over verlenging van de verjaringstermijn. De curatoren hebben een beroep gedaan op art. 2:23c lid 2 BW jo. art. 3:320 BW. [verzoekster] heeft daartegenover gesteld dat art. 2:23c lid 2 BW alleen geldt voor een vennootschap die heeft opgehouden te bestaan en niet voor een vennootschap die door de Kamer van Koophandel is ontbonden bij gebreke van publicatie van jaarcijfers. Het hof heeft hieraan geen overwegingen gewijd en het vonnis op andere gronden bekrachtigd.”
r.o. 2.7 · lid 2“Uitgangspunt bij de beoordeling hiervan is dat gedurende het tijdvak waarin een rechtspersoon is opgehouden te bestaan, een verlengingsgrond als bedoeld in art. 3:320 BW geldt voor de verjaring van rechtsvorderingen van of tegen deze rechtspersoon (art. 2:23c lid 2 BW). In art. 2:19a BW, dat betrekking heeft op de ontbinding van een rechtspersoon door de Kamer van Koophandel, is dezelfde verlengingsgrond opgenomen (art. 2:19a lid 8 BW). Art. 3:320 BW voorziet in een verlenging van de verjaringstermijn tot 6 maanden na het verdwijnen van de verlengingsgrond. De verlenging van de termijn vindt van rechtswege plaats.”
r.o. 2.8 · lid 2“In het arrest [...] /Rabobankwaar de curatoren in dit verband beroep op doen, heeft Uw Raad toepassing gegeven aan de verlenging van de verjaringstermijn volgens art. 2:23c BW jo. art. 3:320 BW. Het ging in die zaak om een rechtspersoon die op grond van art. 2:19 lid 1 onder c BW was ontbonden door opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten. Uw Raad overwoog dat de vennootschap op het tijdstip van ontbinding geen baten meer had, zodat zij ingevolge art. 2:19 lid 4 BW heeft opgehouden te bestaan.”
r.o. 2.10Verjaring vordering op opgehouden vennootschap en borgtocht: reikwijdte artikel 2:23c lid 2 BW
“[…] de vennootschap op 2 maart 2006 ontbonden ingevolge artikel 2:19 lid 1 onder c BW. Nu zij op het tijdstip van haar ontbinding geen baten meer had, heeft de vennootschap toen voorts opgehouden te bestaan (artikel 2:19 lid 4 BW). De vordering van de bank op de vennootschap is na 2 maart 2006 wel blijven bestaan en kan, als nog blijkt van het bestaan van een bate, daarop met toepassing van artikel 2:23c lid 1 BW worden verhaald. Om te voorkomen dat in een geval als dit de mogelijkheid van verhaal door verjaring verloren zou gaan, bepaalt artikel 2:23c lid 2 BW dat gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan er een verlengingsgrond als bedoeld in artikel 3:320 BW is ten aanzien van de verjaring van rechtsvorderingen tegen de rechtspersoon. Het feit dat er thans nog geen bate is gebleken maakt dit niet anders. Dat brengt mee dat de verjaringstermijn van de vordering van de bank op de vennootschap tot op heden is voortgelopen. De borgtocht is derhalve niet op grond van artikel 7:853 BW geëindigd.”
r.o. 4.3 · leden 1, 2“Aan de grieven 2 en 3 ligt de opvatting ten grondslag dat de vordering van de bank op de vennootschap is verjaard, nu niet is gesteld of gebleken dat de bank de verjaring tegenover de vennootschap na 6 april 2005 tijdig heeft gestuit. De grieven falen, aangezien de verjaringstermijn tegen de niet meer bestaande vennootschap ook zonder stuiting is voortgelopen. Het hof merkt nog op dat nu [eiser] zich heeft beroepen op verjaring, de rechtbank gehouden was dat verjaringsverweer te toetsen aan de relevante wettelijke regels, waaronder artikel 2:23c BW. Omdat uit de stellingen van [eiser] voortvloeit dat de vordering van de bank op de vennootschap nog niet kan zijn verjaard, doet niet ter zake of de bank het (onjuiste) standpunt van [eiser] daarover heeft weersproken.”
r.o. 4.4“De cassatieklachten zijn te vinden in de onderdelen 3.1-3.4 van de cassatiedagvaarding. Ik vat de klachten als volgt samen: - 3.1. Het hof heeft miskend dat het zonder dat de vereffening van de vennootschap op de voet van artikel 2:23c lid 1 BW was heropend, niet aan de toepassing van de in artikel 2:23c lid 2 BW genoemde verlengingsgrond kon toekomen. - 3.2. Het hof heeft miskend dat de enkele mogelijkheid om op grond van een zogenoemde “nagekomen bate” de rechtbank om heropening van de vereffening in de zin van artikel 2:23c lid 1 BW te verzoeken, niet meebrengt dat de vereffening wordt heropend. - 3.3. Het hof heeft ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat de verjaringstermijn van een vordering op een ontbonden, niet langer bestaande rechtspersoon niet kan eindigen. Uit HR 6 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA3743) volgt dat althans een fiscale vordering terzake opgelegde naheffingsaanslagen op een ontbonden en niet langer bestaande rechtspersoon wel kan verjaren en dat die verjaring kan worden gestuit door op de voet van art. 54 lid 3 en/of 4 Rv een stuitingsexploot uit te laten brengen. - 3.4. Het oordeel van het hof is althans ontoereikend gemotiveerd: (1) Het hof had de […]”
r.o. 3.1 · leden 1, 2“In het geval van art. 2:23c lid 2 BW is de verlengingsgrond het hebben opgehouden te bestaan. Indien dus – normaal gesproken – een verjaringstermijn zou aflopen in de periode waarin de vennootschap heeft opgehouden te bestaan, wordt deze termijn verlengd tot zes maanden nadat de vennootschap op grond van art. 2:23c lid 1 BW is herleefd.”
r.o. 3.10 · leden 1, 2Verbod en ontbinding vereniging wegens strijd met openbare orde; ontwrichtingsvereiste
“[…] aan belang, nu het oordeel van het hof juist is, zij het op een andere grond, namelijk het arrest van het Hoge Raad van 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762, NJ 2013/59, waarin is geoordeeld: “3.3.4 […] Op grond van art. 2:19 lid 6 BW houdt een ontbonden rechtspersoon in geval van vereffening van haar vermogen eerst op te bestaan op het tijdstip dat de vereffening eindigt, terwijl art. 2:23c lid 1 BW voorziet in de mogelijkheid om de vereffening te heropenen, onder meer ingeval nog een schuldeiser opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. Hiermee strookt het om aan te nemen dat in een geval zoals het onderhavige, waarin een procedure tegen een rechtspersoon is aangevangen voor het tijdstip van haar ontbinding en van de vereffening van haar vermogen, de procedure tegen de rechtspersoon kan worden voortgezet, mede in volgende instanties, ook indien de vereffening van haar vermogen inmiddels is geëindigd en daarvan opgaaf is gedaan door de vereffenaar aan de registers overeenkomstig art. 2:19 lid 6 BW. Dat HDI Holding niet meer bestaat in de door het hof bedoelde zin, staat dus niet in de weg aan voortzetting van de procedure en derhalve evenmin aan een inhoudelijke […]”
r.o. 4.4 · lid 1“Onderdeel 1 faalt.”
r.o. 4.5Ontbonden bv zonder baten: toetsing bestaan baten buiten heropeningsprocedure artikel 2:23c BW
“De onderdelen 1 en 3 klagen in de subonderdelen 1a, 1b en 3a-3d dat het oordeel van het hof dat op [verzoekster] een verzwaarde stelplicht van het al dan niet bestaan van baten rust, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent stelplicht en bewijslastverdeling bij betwisting van het belangvereiste van art. 3:303 BW, alsmede van het in art. 2:19 en 2:23c BW neergelegde systeem.”
r.o. 2.2“Volgens subonderdeel 1a heeft het hof in strijd met de bedoeling van de wetgever(7) niet tot uitgangspunt genomen dat, nu [verzoekster] het belang van [verweerster] had betwist, [verweerster] had moeten bewijzen dat zij wel een voldoende belang heeft bij het op art. 474g Rv. gegronde verzoek tot verkoop van de aandelen in Ongo. Subonderdeel 1b klaagt dat het hof daarnaast blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de stelplicht- en bewijslastverdeling op grond van het bepaalde in art. 149 en 150 Rv., althans in het licht van het bepaalde in art. 2:19 en 2:23c BW te zware eisen heeft gesteld aan de stelplicht en bewijslast van [verzoekster] met betrekking tot haar verweer in de zin van art. 3:303 BW dat [verweerster] geen belang (meer) heeft bij haar verzoek.”
r.o. 2.3“Subonderdeel 3a klaagt dat het hof door zijn oordeel in rechtsoverweging 4.5 in strijd met (de bedoeling van de wetgever ten aanzien van) het in art. 2:19 en 2:23c BW neergelegde systeem heeft bepaald dat - ondanks de overeenkomstig art. 2:19 lid 4 BW gedane opgaaf bij de Kamer van Koophandel - de in rechte betrokken aandeelhouder(s) van een (geldig) ontbonden vennootschap nogmaals moet(en) bewijzen dat deze vennootschap ten tijde van haar ontbinding (werkelijk) géén baten meer had en aanstonds is opgehouden te bestaan. Volgens subonderdeel 3b heeft het hof, door te oordelen dat de vennootschap bij wijze van fictie in een procedure als onderhavige kan worden geacht te blijven bestaan, miskend dat daarvoor een procedure tot heropening van de vereffening op de voet van art. 2:23c BW is vereist. Subonderdeel 3d voegt daaraan toe het hof aldus de dienende taak van het burgerlijk procesrecht heeft miskend. Subonderdeel 3c klaagt - samengevat - dat het hof heeft miskend dat de onderhavige zaak verschilt van het arrest van HR 27 januari 1995(8) waarin alleen een uitzondering is geformuleerd voor het geval dat een schuldeiser het faillissement verzoekt van een rechtspersoon die bij […]”
r.o. 2.4“Genoemde (sub)onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Alvorens daarop in te gaan, merk ik op dat vaststaat dat Ongo is ontbonden bij een op 18 januari 2011 genomen besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders en dat deze ontbinding op 31 januari 2011 is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. In de onderhavige procedure is de geldigheid van de ontbinding(9) en het voldoen aan de wettelijke vereisten met betrekking tot de inschrijving daarvan in het handelsregister, geen punt van geschil (meer)(10). Daarnaast heeft het hof in cassatie niet bestreden tot uitgangspunt genomen dat uit art. 2:19 lid 4 en 5 BW in samenhang met art. 2:23c lid 1 BW volgt dat een rechtspersoon na zijn ontbinding slechts ophoudt te bestaan indien hij op het tijdstip van zijn ontbinding geen (bekende) baten meer heeft(11). Zoals rechtbank en hof ook hebben beoordeeld, kan het inleidend verzoek van [verweerster] slechts worden toegewezen indien komt vast te staan dat Ongo ten tijde van haar ontbinding nog baten had.”
r.o. 2.5 · lid 1Stuiting verjaring jegens opgehouden rechtspersoon: artikel 54 Rv of heropening vereffening
“Voorgaande oordelen stroken met de opmerking van de minister van Financiën dat stuiting kan plaatsvinden door bekendmaking aan de officier van justitie en publicatie (Kamerstukken II , 2010-2011, 32 505, nr. 3, p. 46) en strijden niet met de opmerking van de minister van Justitie dat met gebruikmaking van art. 2:23c BW de vereffening kan worden heropend waarna de verjaring kan worden gestuit (Kamerstukken I , 2008-2009, 31 124, nr. C, p. 8). Laatstgenoemde opmerking impliceert immers niet dat de verjaring niet kan worden gestuit zonder heropening van de vereffening."”
r.o. 2.11“Subonderdeel 1.1 klaagt dat deze oordelen(6) blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 54 lid 3 (en 4) Rv., mede in verbinding met art. 2:23c lid 1 BW en het op verjaring van het recht tot dwanginvordering toepasselijke art. 27 IW 1990. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat art. 54 Rv. een subsidiaire betekeningsmogelijkheid aan nog bestaande (rechts)personen kent en dat voor een extensieve uitleg van art. 54 lid 3 Rv. geen aanleiding is nu de Ontvanger de heropening kan verzoeken van de vereffening van Tysco teneinde zijn tot stuiting van de verjaring van het recht van dwanginvordering strekkende dwangbevel (akte van vervolging) te kunnen betekenen. Subonderdeel 1.2 klaagt dat een (juiste) betekening aan de na heropening van de vereffening benoemde vereffenaar van Tysco een redelijk doel dient nu vanwege de op de onderhavige zaak toepasselijke IW 1990 de verjaring van de 'accessoire' vordering op de subsidiair aansprakelijke persoon afhankelijk was van de verjaring van de vordering tegen de (primair) belastingschuldige, en betekening aan die vereffenaar beter waarborgt dat het exploot de geadresseerde ervan en (daarmee indirect ook) de subsidiair […]”
r.o. 2.3 · lid 1“Het belangrijkste bezwaar tegen analoge toepassing van de weg van art. 54 lid 4 in verbinding met lid 3 Rv. is er m.i. in gelegen dat de verjaring ten opzichte van de aansprakelijk gestelde wordt gestuit via de fictie van een openbaar exploot dat is bestemd voor de niet meer bestaande rechtspersoon, terwijl deze aansprakelijk gestelde daarvan niet op de hoogte behoeft te worden gesteld. De weg van art. 2:23c BW”
r.o. 2.12“Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Vierde Tranche Awb blijkt dat de wetgever in het kader van de invordering van belastingschulden de procedure van heropening van de vereffening van art. 2:23c BW de revue heeft laten passeren. In het oorspronkelijke wetsvoorstel had de wetgever nog geen specifieke regeling getroffen voor de invordering van belastingaanslagen gezien het voorstel om art. 27 IW 1990 geheel te laten vervallen zodat de verjaring van belastingschulden zou worden geregardeerd door de Awb(32). Bij nota van wijzing werd het eerder ingediende wetsvoorstel echter zodanig gewijzigd dat in het eerste lid van art. 27 IW 1990 werd opgenomen dat de ontvanger de verjaring van een rechtsvordering tot betaling kan stuiten door een schriftelijke mededeling waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorhoudt en voorts dat in het tweede lid art. 2:23c BW van overeenkomstige toepassing werd verklaard bij de invordering van belastingaanslagen(33). Deze weg werd echter nog vóórdat het wetsvoorstel in de Tweede kamer was besproken, ongeschikt geacht en werd bij de tweede nota van wijziging in art. 27 IW 1990 tweede lid bepaald dat de aansprakelijkgestelde in de plaats […]”
r.o. 2.14Conclusie: tegenstrijdig belang artikel 2:256 BW, statutaire afwijking en verjaring
“Op 2 augustus 2005 heeft Uoti de rechtbank 's-Gravenhage verzocht de vereffening van Pinakel te heropenen op voet van art. 2:23c BW. Uoti heeft daartoe onder andere gesteld dat Pinakel bij vonnis van 19 mei 2004 van de rechtbank Zutphen is veroordeeld om aan Uoti een bedrag van € 17.099.112 te betalen. Dit vonnis is ten aanzien van Pinakel in kracht van gewijsde gegaan.(5) Tevens heeft Uoti gesteld dat Pinakel een nog te realiseren bate heeft in de vorm van een vordering op NSI, waaruit de vordering van Uoti op Pinakel zou kunnen worden voldaan.(6)”
r.o. 2.1Herroeping van ontbindingsbesluit bv: voorwaarden en rechterlijke toets
Een bv heeft haar ontbindingsbesluit herroepen en laat dit door de rechter bevestigen. De A-G beschouwt herroeping in beginsel als mogelijk, maar alleen onder stringente voorwaarden: legitieme redenen, geen nadeel voor derden en een substantieel belang van de vennootschap. De bewijslast ligt bij de verzoekende vennootschap. Hij concludeert tot vernietiging van de beschikking van het hof, dat te weinig strenge maatstaven had gehanteerd.
Hoven en Ondernemingskamer (2)
Interne bestuurdersaansprakelijkheid oud-bestuurders stichting derdengelden; geen matiging, geen verjaring
“[…] Beheer Derdengelden de onderhavige schuld niet – al dan niet voorwaardelijk – kwijtgescholden of afstand gedaan van de onderhavige vordering jegens [persoon A] in hun hoedanigheid van bestuurders van de stichting. Er is ook geen grond om de [X stichting] en de Stichting Beheer Derdengelden te vereenzelvigen. 6.7.3. De rechtbank heeft het beroep op verjaring afgewezen op grond van artikel 2:23c lid 2 jo artikel 3:320 BW. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank dit terecht en op goede gronden gedaan. Niet in geschil tussen partijen is dat de vereffening van het vermogen van de Stichting Derdengelden is heropend op 26 november 2020. Hierdoor herleeft de Stichting Beheer Derdengelden. Onomstreden is voorts dat de vereffenaar de verjaring van de vorderingen van de Stichting Beheer Derdengelden op [persoon D] en [persoon A] heeft gestuit op 25 januari 2021. Daarmee is de verjaring tijdig gestuit. Dit leidt tot de conclusie dat de onderhavige vordering jegens [persoon A] niet is verjaard. Het hof verwijst verder naar rov. 5.20 van het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023. [persoon A] hebben in hoger beroep niets (nieuws) aangevoerd dat tot een ander oordeel leidt. […]”
r.o. 6.5 · lid 2“De rechtbank heeft het beroep op verjaring afgewezen op grond van artikel 2:23c lid 2 jo artikel 3:320 BW. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank dit terecht en op goede gronden gedaan. Niet in geschil tussen partijen is dat de vereffening van het vermogen van de Stichting Derdengelden is heropend op 26 november 2020. Hierdoor herleeft de Stichting Beheer Derdengelden. Onomstreden is voorts dat de vereffenaar de verjaring van de vorderingen van de Stichting Beheer Derdengelden op [persoon D] en [persoon A] heeft gestuit op 25 januari 2021. Daarmee is de verjaring tijdig gestuit. Dit leidt tot de conclusie dat de onderhavige vordering jegens [persoon A] niet is verjaard. Het hof verwijst verder naar rov. 5.20 van het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023. [persoon A] hebben in hoger beroep niets (nieuws) aangevoerd dat tot een ander oordeel leidt. Het hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank en de daartoe gegeven overwegingen en maakt die tot de zijne.”
r.o. 6.7.3 · lid 2Bestuurdersaansprakelijkheid en groepsaansprakelijkheid bij onttrekking van subsidiegelden; tussenarrest met bewijsopdracht
“Op 19 juli 2017 is OOBB door middel van een ‘turboliquidatie’ ontbonden. Het Agentschap heeft op enig moment aan de rechtbank verzocht de vereffening van OOBB te heropenen (als bedoeld in artikel 2:23c BW). De rechtbank heeft dat verzoek op 9 juli 2018 toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank mr. E. Eshuis benoemd tot vereffenaar van OOBB.”
r.o. 3.19
Rechtbanken (18)
Heropening vereffening na turboliquidatie van drie B.V.'s en benoeming onafhankelijke vereffenaar
“[verzoekers] verzoeken om heropening van de vereffening van [bedrijven] en benoeming van een vereffenaar als bedoeld in artikel 2:23c van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit verzoek speelt tegen de achtergrond van een langlopend geschil tussen [verzoekers] enerzijds en [bedrijven] en [verweerder 1] anderzijds, waarvan de oorsprong ligt in de gang van zaken na het overlijden van [naam 1] in 2013, van wie [verzoekers] de erfgenamen zijn.”
r.o. 1.1“[verzoekers] verzoeken om heropening van de vereffening van [bedrijven] en benoeming van een vereffenaar als bedoeld in artikel 2:23c BW. Zij leggen aan dit verzoek – samengevat – het volgende ten grondslag. [verweerder 1] en [belanghebbende] . hebben gebruik gemaakt van turboliquidaties, met als doel om het verhaal van [verzoekers] te frustreren. Hoewel [verzoekers] hun gestelde vordering op [bedrijven] bij brieven van 7 januari en 22 mei 2025 nog hadden gestuit, is [bedrijf 2] B.V. op 14 juni 2025 ontbonden, [bedrijf 3] B.V. op 17 juni 2025 ontbonden en [verweerder 1] Advocaten Beheer B.V. op 31 juli 2025 ontbonden. Bij gebrek aan baten, is ieder van de vennootschappen meteen opgehouden te bestaan. Uit de respectievelijke jaarrekeningen van [bedrijven] over 2024 blijkt echter dat de vennootschappen eind 2024 nog over baten beschikten, zodat de vermogens van de vennootschappen blijkbaar vóór de turboliquidaties zijn weggemaakt. [verweerder 1] en [belanghebbende] . hebben daarbij ten onrechte geen rekening gehouden met de reële vordering van [verzoekers] Hieruit volgt voor ieder van de vennootschapen een bate, omdat [bedrijven] door voorgaande gang van zaken […]”
r.o. 4.1“Artikel 2:23c lid 1 BW bepaalt dat als na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen en zo nodig een vereffenaar kan benoemen. Van ‘heropening’ kan ook sprake zijn als er nog niet eerder vereffend is doordat bij de ontbinding geen bekende baten aanwezig waren, zoals bij turboliquidatie het geval is. Voor toewijzing van een verzoek tot heropening van een vereffening is voldoende dat de door de verzoeker gestelde vordering en/of bate voldoende aannemelijk is om toewijzing van het verzoek te rechtvaardigen. De rechtbank dient met terughoudendheid te toetsen of aan dit vereiste is voldaan.”
r.o. 5.5 · lid 1“Naar het oordeel van de rechtbank hebben [verzoekers] zowel hun vordering tegen [bedrijven] als het bestaan van baten in het kader van deze procedure voldoende aannemelijk gemaakt. Aan de vereisten van artikel 2:23c lid 1 BW is dus voldaan. Dit wordt hierna toegelicht. De vordering van [verzoekers] tegen [bedrijven] is voldoende aannemelijk”
r.o. 5.6 · lid 1Heropening vereffening B.V. voor levering perceel en doorhaling hypotheek
“Het verzoek strekt, zakelijk weergegeven, tot het heropenen van de vereffening van de ontbonden vennootschap [de vennootschap] B.V. (hierna: de vennootschap) op grond van artikel 2:23c Burgerlijk Wetboek (BW) met de benoeming van verzoekster tot vereffenaar.”
r.o. 2.1“Artikel 2:23c BW bepaalt dat indien na het tijdstip waarop een rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen en zo nodig een vereffenaar kan benoemen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de heropening van de vereffening met een analoge toepassing van artikel 2:23c lid 1 BW ook worden bevolen in een geval als het onderhavige, waar het tijdelijk herleven van de rechtspersoon is vereist om de uitvoering van een bepaalde rechtshandeling (de levering en de doorhaling van het recht van hypotheek) mogelijk te maken ook al is er geen sprake (meer) van een aan de vennootschap toebehorende bate.”
r.o. 2.5 · lid 1“Naar het oordeel van de rechtbank kan verzoekster als medebezitter van de woning en als executeur in de nalatenschap van de erflater op grond van artikel 2:23c BW als belanghebbenden worden aangemerkt. Aangezien de noodzaak van de heropening voldoende duidelijk is geworden, zal de rechtbank overgaan tot heropening van de vereffening van de vennootschap met benoeming van verzoekster tot vereffenaar om de vereffening van de vennootschap af te wikkelen.”
r.o. 2.6Heropening vereffening bv voor doorhaling hypotheekrecht, analoge toepassing artikel 2:23c BW
“De rechtbank overweegt als volgt. Als na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen (artikel 2:23c van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naar het oordeel van de rechtbank kan de heropening van de vereffening met een analoge toepassing van artikel 2:23c lid 1 BW ook worden bevolen in een geval als het onderhavige, waar om de uitvoering van bepaalde rechtshandelingen mogelijk te maken (in dit geval het doorhalen van de inschrijving van het hypotheekrecht), het tijdelijk herleven van de rechtspersoon is vereist. Verzoekers hebben hun belang hierbij voldoende onderbouwd.”
r.o. 3.2 · lid 1Heropening vereffening ontbonden B.V. en benoeming vereffenaar ex artikel 2:23c BW
“Het verzoek strekt tot heropening van de vereffening van [bedrijf] B.V., laatstelijk gevestigd te [vestigingsplaats 2] (hierna: [bedrijf]) en benoeming van een vereffenaar als bedoeld in artikel 2:23c van het Burgerlijk Wetboek (BW).”
r.o. 2.1Geen vereffeningsbelang bij heropening vereffening of faillietverklaring ontbonden vennootschap
“[…] faillissement opnieuw kan uitspreken, waarna de rechtspersoon geacht wordt te zijn blijven bestaan ter afwikkeling van het faillissement. Een curator kan vervolgens de rechtspositie van [verweerster 2] beoordelen en, indien noodzakelijk, in rechte doen vaststellen. Voor het geval de rechtbank anders oordeelt stelt verzoekster subsidiair dat de vereffening kan worden heropend op grond van artikel 2:23c lid 1 BW, waarna de vereffenaar alsnog het faillissement kan aanvragen op grond van artikel 2:23a lid 4 BW, aldus verzoekster.”
r.o. 3.1 · lid 1“De rechtbank stelt voorop dat het faillissement van een ontbonden vennootschap kan worden uitgesproken, indien summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn en aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Daarnaast bepaalt artikel 2:23c BW dat, indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen en daarbij zo nodig een vereffenaar kan benoemen. Voor toewijzing van een dergelijk verzoek is voldoende dat de gestelde vordering en/of de (potentiële) bate voldoende aannemelijk is/zijn gemaakt om die heropening te rechtvaardigen.”
r.o. 3.2Heropening vereffening ontbonden vennootschap wegens mogelijke bate op derdengeldrekening
“Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek op grond van artikel 2:23c van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het volgende. Indien na het tijdstip waarop een rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen. Voor toewijzing van het verzoek is voldoende dat de door de verzoeker gestelde vordering en/of bate voldoende aannemelijk is om toewijzing van het verzoek te rechtvaardigen. Het verzoek van [verzoeker sub 1] wordt toegewezen”
r.o. 3.2Heropening vereffening ontbonden BV wegens mogelijke bate op derdengeldrekening
“Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek op grond van artikel 2:23c van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het volgende. Indien na het tijdstip waarop een rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen. Voor toewijzing van het verzoek is voldoende dat de door de verzoeker gestelde vordering en/of bate voldoende aannemelijk is om toewijzing van het verzoek te rechtvaardigen. Het verzoek van [verzoekers c.s.] wordt toegewezen”
r.o. 3.2Heropening vereffening ontbonden stichting voor doorhaling erfpachtrecht
“De Politie verzoekt heropening van de vereffening van Stichting Ver- en Nieuwbouw Politiebureaus Regiopolitie IJsselland en benoeming van een vereffenaar als bedoeld in artikel 2:23c van het Burgerlijk Wetboek (BW).”
r.o. 3.1“Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek op grond van artikel 2:23c BW is, in dit specifieke geval, het volgende. Indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan van het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen op grond van artikel 2:23c lid 1 BW. In de rechtspraak wordt voorts aangenomen dat de rechtbank tevens de vereffening kan heropenen, als het herleven van de rechtspersoon nodig is voor het verrichten van een rechtshandeling.”
r.o. 4.3 · lid 1Heropening vereffening ontbonden B.V. wegens niet vereffende onroerende zaken
“Het verzoek strekt tot heropening van de vereffening van de besloten vennootschap Hotel Design & Supplies International B.V. en benoeming van [verzoeker] tot vereffenaar als bedoeld in artikel 2:23c van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bevoegdheid”
r.o. 1.1“Uitgangspunt bij de beoordeling is het volgende. Indien na het tijdstip waarop een rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen (artikel 2:23c BW). Voor toewijzing van het verzoek is voldoende dat de door de verzoeker gestelde vordering en/of bate voldoende aannemelijk is om toewijzing van het verzoek te rechtvaardigen.”
r.o. 1.3Waardeloosverklaring hypotheekinschrijving; ontbonden vennootschap bestaat na einde vereffening niet meer
“[eisers] zijn echter wel aan te merken als onmiddellijk belanghebbenden in de zin van artikel 3:29 lid 1 BW. Zij hebben een zelfstandig belang om de hypotheek waardeloos te (laten) verklaren omdat Regiohold die verklaring niet heeft afgegeven en dat ook niet meer kan doen. Dat zou wel kunnen als de vereffening wordt heropend op de voet van artikel 2:23c BW en een nieuwe vereffenaar wordt benoemd (die de verklaring dan kan geven), maar over de vraag of dat artikel analoog kan worden toegepast als de vereffening enkel bedoeld is om een verklaring van waardeloosheid af te geven wordt in de rechtspraak verschillend gedacht.”
r.o. 4.4Voortbestaan vennootschap voor vereffening van na faillissement ontdekt perceel; vereffenaar benoemd
“Uit artikel 2:23c BW vloeit voort dat, als na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan (toch) nog een bate blijkt te bestaan, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen en daarbij zo nodig een vereffenaar kan benoemen. Voor toewijzing van een dergelijk verzoek is voldoende dat de gestelde vordering en/of de (potentiële) bate voldoende aannemelijk is/zijn gemaakt om die heropening te rechtvaardigen.”
r.o. 3.3“De rechtbank leidt uit het verzoekschrift en bijbehorende stukken af dat na het eindigen van het faillissement van PR Bouw is gebleken dat nog sprake is van een bate, maar dat deze bate – die bestaat uit de waarde van het perceel – ook voorafgaand aan het faillissement al behoorde tot het vermogen van PR Bouw. De curator was hiervan echter niet op de hoogte, zodat het niet in de afwikkeling van het faillissement is betrokken. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat PR Bouw voor de vereffening van deze bate is blijven voortbestaan (vgl. artikel 2:19 lid 5 BW). De weg van artikel 2:23c lid 1 BW hoeft en kan in een dergelijk geval niet gevolgd (te) worden, zodat de vereffening van PR Bouw alsnog ter hand kan worden genomen.”
r.o. 3.5 · lid 1Heropening vereffening ontbonden stichting wegens onbekend banksaldo
“Het verzoek van verzoekers is gebaseerd op artikel 2:23c lid 1 BW en strekt tot heropening van de vereffening van Oslo Medical. Tevens wordt verzocht om benoeming van verzoekers tot vereffenaars. Verzoekers verzoeken voorts Oslo Medical in de proceskosten te veroordelen en om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.”
r.o. 2.1 · lid 1“Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek op grond van artikel 2:23c BW is, in dit specifieke geval, het volgende. Indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan van het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen op grond van artikel 2:23c lid 1 BW. In de rechtspraak wordt voorts aangenomen dat de rechtbank tevens de vereffening kan heropenen, als het herleven van de rechtspersoon nodig is voor het verrichten van een rechtshandeling.”
r.o. 3.3 · lid 1Waardeloosverklaring hypotheekinschrijving ten aanzien van ontbonden, niet meer bestaande vennootschap
“Er is ook een andere route, namelijk heropening van de vereffening vragen op grond van artikel 2:23c BW omdat is gebleken van een bate. In de parlementaire geschiedenis van artikel 3:274 BW is echter overwogen dat die route na de invoering van artikel 3:29 BW meer hoeft te worden gevolgd. Daaruit is af te leiden dat het de bedoeling van de wetgever is dat een onmiddellijk belanghebbende die op grond van 3:29 BW waardeloosverklaring vordert, ontvankelijk is, ook als de gedaagde partij een ontbonden en niet meer bestaande rechtspersoon is. Artikel 2:23c BW kan bovendien alleen analoog worden toegepast, omdat een waardeloze inschrijving strikt genomen geen bate is. Er is recente rechtspraak waarin die analoge toepassing is geweigerd en verzoeker is doorverwezen naar de route van artikel 3:29 BW. Geen verstek”
r.o. 4.3Heropening vereffening ontbonden B.V. bij analoge toepassing van artikel 2:23c BW
“Het verzoek strekt tot het, uitvoerbaar bij voorraad, heropenen van de vereffening van de ontbonden rechtspersoon [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: de vennootschap) op grond van artikel 2:23c Burgerlijk Wetboek (BW) met benoeming van de heer [naam] tot vereffenaar.”
r.o. 2.1“Artikel 2:23c BW bepaalt dat indien na het tijdstip waarop een rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen en zo nodig een vereffenaar kan benoemen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de heropening van de vereffening met een analoge toepassing van artikel 2:23c lid 1 BW ook worden bevolen in een geval als het onderhavige, waar het tijdelijk herleven van de rechtspersoon is vereist om de uitvoering van een bepaalde rechtshandeling (doorhaling van een hypotheekrecht, dan wel beëindiging van een pandrecht) mogelijk te maken ook al is er geen sprake (meer) van een aan de vennootschap toebehorende bate.”
r.o. 2.5 · lid 1“Verzoekers kunnen naar het oordeel van de rechtbank, als rechthebbenden van de woningen en de aandelen, op grond van artikel 2:23c BW als belanghebbenden bij dit verzoek worden aangemerkt. Aangezien de noodzaak voor de heropening van de vereffening voldoende duidelijk is geworden, zal de rechtbank overgaan tot de heropening van de vereffening van de vennootschap. Nu er geen bezwaren zijn gebleken tegen de benoeming van [naam] tot vereffenaar zal de rechtbank tevens daartoe overgaan.”
r.o. 2.6Ontbinding door KvK: voortbestaan voor vereffening en waardeloosverklaring hypotheekrecht
“Zou Boundless hebben opgehouden te bestaan vóór de voltooiing van de verjaringstermijn en is die termijn vervolgens voltooid, dan zou zich de bijzondere situatie voordoen dat de verlengingsgrond van artikel 2:23c lid 2 BW juncto artikel 3:320 BW van kracht is. Dat zou betekend hebben dat de verjaringstermijn niet is verstreken gedurende de periode dat Boundless is opgehouden te bestaan en dat Boundless na heropening van de vereffening nog gedurende zes maanden nakoming van de vordering zou kunnen verlangen. Dat zou gevolgen hebben voor het hypotheekrecht, want in dat geval kan geen aanspraak gemaakt worden op doorhaling van dat recht zolang de verlengingstermijn de (sluimerende) rechtspersoon ten dienste staat. Die situatie doet zich, zo volgt uit het voorgaande, hier dus niet voor. Is Boundless op de juiste wijze opgeroepen?”
r.o. 4.8 · lid 2Machtiging tot raadpleging boeken en bescheiden van ontbonden stichting ex artikel 2:24 lid 4 BW
“De EC heeft zich gewend tot [verweerder] met het verzoek om informatie over het besluit tot ontbinding van STIDIT en de wijze van vereffening van het resterende vermogen van STIDIT. Er zijn geen jaarstukken gedeponeerd in het KvK-Handelsregister, zodat alleen via [verweerder] de informatie kan worden verkregen. De EC heeft verzocht om inzage in de (financiële) administratie van STIDIT. De EC stelt dat zij belang heeft bij die informatie, zodat zij kan beoordelen of het zin heeft om een verzoekschrift in te dienen tot heropening van de vereffening van STIDIT op grond van artikel 2:23c BW. Voorafgaand aan de ontbinding van STIDIT is de EC niet geïnformeerd over het gebrek aan baten en/of het voornemen om tot ontbinding over te gaan.”
r.o. 2.3Heropening vereffening ontbonden B.V. voor doorhaling hypotheekrecht (artikel 2:23c BW analoog)
“Het verzoek strekt tot het heropenen van de vereffening van de ontbonden rechtspersoon [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: de vennootschap) op grond van artikel 2:23c BW met benoeming van verzoeker tot vereffenaar.”
r.o. 2.1“De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 2:23c Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat indien na het tijdstip waarop een rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen en zo nodig een vereffenaar kan benoemen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de heropening van de vereffening met een analoge toepassing van artikel 2:23c lid 1 BW ook worden bevolen in een geval als het onderhavige, waarin het tijdelijk herleven van de rechtspersoon is vereist om doorhaling van het hypotheekrecht te realiseren, terwijl er geen bate meer is nu de vordering tot zekerheid waarvan het hypotheekrecht strekte niet meer bestaat.”
r.o. 2.3 · lid 1“De noodzaak van de heropening is voldoende duidelijk geworden. Tijdens de mondelinge behandeling is tevens duidelijk geworden dat de vennootschap is ontbonden en heeft opgehouden te bestaan, al blijkt dit laatste niet uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Daarbij kan verzoeker, naar het oordeel van de rechtbank, als voormalig enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap en als eigenaar van de woning, op grond van artikel 2:23c BW als belanghebbende worden aangemerkt. Gelet daarop zal de rechtbank overgaan tot heropening van de vereffening van de vennootschap en benoeming van verzoeker tot vereffenaar, aangezien er tegen zijn benoeming geen bezwaren zijn gebleken. Proceskostenveroordeling”
r.o. 2.4Heropening vereffening stichting voor doorhaling hypotheek, analoog artikel 2:23c BW
“In het verzoekschrift verzoekt [verzoeker] heropening van de vereffening van Roe en [de stichting] en benoeming van een vereffenaar als bedoeld in artikel 2:23c van het Burgerlijk Wetboek (BW). In de e-mail van 13 januari 2026 heeft [verzoeker] dit verzoek beperkt tot enkel heropening van de vereffening van [de stichting] en benoeming van een vereffenaar.”
r.o. 3.1“Indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of een gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en indien nodig een vereffenaar benoemen (artikel 2:23c lid 1 BW). De heropening van de vereffening kan naar het oordeel van de rechtbank met een analoge toepassing van artikel 2:23c lid 1 BW ook worden bevolen in het geval de heropening vereist is om de uitvoering van een bepaalde rechtshandeling mogelijk te maken.”
r.o. 4.2 · lid 1