Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 2:5 BW
In werking getreden op 1 januari 1992 (Stb. 1989, 541)
Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:5 BW (8)
Hoge Raad (1)
Omzetting kerkgenootschap in stichting en omgekeerd: overeenkomstige toepassing artikel 2:18 BW
“[…] behoren niet tot deze categorie rechtspersonen. Art. 2:18 BW is daarom niet rechtstreeks van toepassing bij omzetting van of in een kerkgenootschap (vgl. ook art. 2:2 lid 2 BW). 3.3.2 Art. 2:2 BW bepaalt dat kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid bezitten en dat zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Met uitzondering van art. 2:2 BW en art. 2:5 BW, gelden de algemene bepalingen van Titel 1 van Boek 2 BW niet voor kerkgenootschappen. Art. 2:2 lid 2 BW bepaalt evenwel dat overeenkomstige toepassing daarvan is geoorloofd, voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen. Zie in dit verband ook de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2:2 BW, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2. Uit de in art. 2:2 lid 2 BW vervatte inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen en de daarin voorziene mogelijkheid van overeenkomstige toepassing van de algemene bepalingen van Titel 1 van Boek 2 BW volgt dat een geloofsgemeenschap de vrijheid heeft zich te verenigen in een kerkgenootschap en in een kerkgenootschap activiteiten te ontplooien, maar evenzeer de vrijheid heeft te […]”
r.o. 3.2“Art. 2:2 BW bepaalt dat kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid bezitten en dat zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Met uitzondering van art. 2:2 BW en art. 2:5 BW, gelden de algemene bepalingen van Titel 1 van Boek 2 BW niet voor kerkgenootschappen. Art. 2:2 lid 2 BW bepaalt evenwel dat overeenkomstige toepassing daarvan is geoorloofd, voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen. Zie in dit verband ook de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2:2 BW, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2. Uit de in art. 2:2 lid 2 BW vervatte inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen en de daarin voorziene mogelijkheid van overeenkomstige toepassing van de algemene bepalingen van Titel 1 van Boek 2 BW volgt dat een geloofsgemeenschap de vrijheid heeft zich te verenigen in een kerkgenootschap en in een kerkgenootschap activiteiten te ontplooien, maar evenzeer de vrijheid heeft te kiezen voor een privaatrechtelijke rechtsvorm. Noch de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2:2 lid 2 BW, noch de inrichtingsvrijheid van een kerkgenootschap verzetten zich […]”
r.o. 3.3.2
Conclusies van de A-G (6)
Vereenzelviging van zustervennootschappen ten voordele van de vennootschap; toerekening aan gemeente als rechtspersoon
“Een gemeente is een rechtspersoon (art. 2:1 lid 1 BW) die wat het vermogensrecht betreft gelijk staat aan een natuurlijk persoon (art. 2:1 lid 3 in verbinding met art. 2:5 BW). De deelname aan het rechtsverkeer zal bij rechtspersonen verlopen door tussenkomst van natuurlijke personen. Het criterium aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of een handelen rechtens geldt als handelen van een rechtspersoon, is of een gedraging (een handelen of nalaten) in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als een gedraging van de rechtspersoon. Bij de beantwoording van deze vraag zal onder meer moeten worden gelet op de plaats van de betrokken natuurlijke persoon in de organisatie van de rechtspersoon en de omstandigheden waaronder het in geschil zijnde handelen heeft plaats gevonden en verder op wat de maatschappelijke opvattingen zijn. Toerekening wordt gerechtvaardigd doordat de in feite handelende persoon en de rechtspersoon aan wie dat handelen wordt toegerekend, vanuit het perspectief van de benadeelde tot op zekere hoogte met elkaar zijn te vereenzelvigen.”
r.o. 4.3Verbod Bandidos: corporatiebegrip, informele vereniging en reikwijdte verbod ten aanzien van chapters
“De Nederlandse wet kent een gesloten stelsel van rechtspersonen. Art. 2:3 BW vermeldt een aantal privaatrechtelijke rechtsvormen die rechtspersoonlijkheid bezitten, waaronder verenigingen. Een rechtspersoon is zelfstandig rechtssubject en drager van rechten en verplichtingen (vgl. art. 2:5 BW). Onder de rechtsvorm van de vereniging valt ook de informele vereniging, waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte (art. 2:30 lid 1 BW). Een informele vereniging heeft rechtspersoonlijkheid, maar haar rechtsbevoegdheid is beperkt: zij kan geen registergoederen verkrijgen en evenmin erfgenaam zijn (art. 2:30 lid 1 BW). Bij de vraag of een rechtspersoon is ontstaan, dient de rechtszekerheid voorop te staan. Voor de meeste privaatrechtelijke rechtspersonen is het bestaan eenvoudig vast te stellen, omdat zij bij notariële akte zijn opgericht, terwijl bovendien hun bestaan zal blijken uit een inschrijving in het handelsregister, hoewel dit laatste geen constitutief vereiste is. Daarentegen wordt een informele vereniging niet bij notariële akte opgericht. Het is uiteindelijk aan de rechter om vast te stellen dat sprake is van een informele vereniging. De vraag welke maatstaf de […]”
r.o. 2.4Verhaal op stichting particulier fonds: vereenzelviging, misbruik van identiteitsverschil, toerekening van kennis
“Mijns inziens volgt uit de hiervoor geciteerde passages uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Landsverordening Stichtingen en het hiervoor genoemde arrest van de fiscale kamer van Uw Raad dat een SPF, zoals iedere andere rechtspersoon, een apart rechtssubject is met een eigen juridische identiteit, afgescheiden vermogen en eigen rechten en verplichtingen (art. 2:3 BW Sint Maarten en art. 2:5 Nederlands BW). Voor een (beweerd) crediteur van de belanghebbende bij een SPF, zoals in dit geval Resort of the World ten opzichte van [betrokkene 1] , is het daarom in beginsel niet mogelijk om zijn vordering op (vermogensbestanddelen van) de SPF te verhalen. Daarvoor is bijzonder geschut nodig dat alleen in bepaalde (bijzondere) gevallen uitkomst zal bieden. Ik maak daarover hierna onder 4.16 e.v. nog een enkele opmerking.”
r.o. 4.14Conclusie: vereenzelviging van twee vennootschappen bij beslag door belastingontvanger
“Uit een eerdere conclusie11 citeer ik: "Veelal wordt binnen het vraagstuk van "piercing (of "lifting") the corporate veil" een on-der--scheid gemaakt tussen vereenzelviging en doorbraak van aansprakelijkheid. Bij vereenzelviging gaat het om inbreuken op de regel dat een rechtspersoon wat het ver-mo-gensrecht betreft met een natuurlijke persoon gelijk staat (art. 2:5 BW). Doorbraak van aan-sprakelijkheid bestaat uit (andere) uitzonderingen op de, uit de eerste regel voortvloeiende, regel dat de aandeelhouder van een vennootschap niet aansprakelijk is voor verplichtin-gen van de vennootschap (artt. 2:64 en 2:175 BW). De terminologie is echter niet vast. Ik zou vereenzelviging willen zien als een grond tot doorbraak van aansprakelijkheid, met de aantekening dat vereenzelviging ook buiten de context-doorbraak betekenis heeft (...)". Ik verwijs ik naar de aldaar genoemde rechtspreek literatuur. Voorts citeer ik uit genoemde conclusie12: "Ik zou menen dat er aanleiding kan zijn tot vereenzelviging van een rechtspersoon met een andere rechtspersoon of met een natuurlijk persoon, indien misbruik gemaakt is van het identiteitsverschil en met name dan wanneer de betrokkenen zich zodanig […]”
r.o. 2.3.2Kerkgenootschap, artikel 2:2 BW en ontvankelijkheid bij voorlopig getuigenverhoor
Een uit zijn ambt gezette priester verzoekt om een voorlopig getuigenverhoor over uitlatingen van de bisschop in een kerkelijke kwestie. De A-G concludeert dat het hof artikel 2:2 lid 2 BW heeft miskend. De civiele rechter moet bij de ontvankelijkheid toetsen of het kerkelijk statuut een voldoende gewaarborgde eigen rechtsgang biedt die eerst moet worden gevolgd. Zij concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Prejudiciële vragen: werkgeverschap bij vof en preferenties in schuldsanering vennoten
“[…] personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid geïntroduceerd. Onlangs, op 21 februari 2019, is een mede op dit rapport gebaseerd Voorontwerp Wet modernisering personenvennootschappen met bijbehorende toelichting in consultatie gebracht. In de voorgestelde titel 7.13 BW (Vennootschap) wordt uitgegaan van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid waarop, afgezien van de artikelen 2:4 lid 2 en 2:5 BW, Boek 2 niet van toepassing is (art. 803). De vennoten zijn naast de vennootschap hoofdelijk verbonden voor verbintenissen van de vennootschap jegens derden. Hun aansprakelijkheid is echter een subsidiaire, namelijk voor zover de wederpartij aannemelijk maakt dat de vennootschap niet aan de verbintenis zal kunnen voldoen (art. 809). Anders dan volgens het Carlande-arrest, is volgens het voorstel de vennoot slechts verbonden voor verbintenissen van de vennootschap die zijn ontstaan na zijn toetreden (art. 809 lid 3). Beantwoording prejudiciële vragen”
r.o. 2.37
Hoven en Ondernemingskamer (1)
Geen vereenzelviging van enig aandeelhouder met zijn B.V.'s bij nakoming echtscheidingsconvenant
“Het hof stelt het volgende voorop. In artikel 2:5 BW is het volgende bepaald: “Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijke persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit”. De rechtspersoon neemt zelfstandig deel aan het rechtsverkeer. Een rechtspersoon kan overeenkomsten aangaan en een rechtspersoon kan aansprakelijk zijn voor verbintenissen die uit de wet voortvloeien, waaronder de onrechtmatige daad. De aandeelhouder van de besloten vennootschap kan in beginsel niet vereenzelvigd worden met de B.V.”
r.o. 4.15