← Alle artikelen

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:9 BW

In deze vorm in werking sinds 1 januari 2013, laatst gewijzigd bij Stb. 2011, 275

1

Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld.

2

Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:9 BW (229)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (41)

  • Hoge Raad · 30 januari 2026

    Aansprakelijkheid commissarissen jegens vennootschap en derde: onvoldoende motivering ernstig verwijt jegens derde

    “[…] erop neerkomt dat Fairstar mogelijk USD 37,5 miljoen moet betalen terwijl daar geen tegenprestatie van GSI tegenover staat, op zijn minst aanleiding had moeten zijn tot het doen van nader onderzoek inzake de stand van zaken met betrekking tot de FATHOM bijvoorbeeld door navraag te doen bij CSTC/GSI. [erflater en eiser 2] hebben dat nagelaten. Ingevolge artikel 2:140 BW in verbinding met artikel 2:9 BW is [erflater en eiser 2] van dit onbehoorlijk toezicht een ernstig verwijt te maken. Feiten en omstandigheden die hen kunnen disculperen, zijn niet (voldoende) gesteld of gebleken. De vraag of de financiering reëel was behoeft ook hier geen beantwoording, mede gelet op het antwoord van Fairstar c.s. op grief 3 van [de erven] dat het desbetreffende oordeel van de rechtbank geen “zelfstandig drager is van een voor de zaak relevant oordeel”. Het voorgaande leidt tot aansprakelijkheid van [erflater en eiser 2] voor de door Fairstar c.s. geleden schade. [bestuurders] stellen dat Fairstar c.s. geen schade hebben geleden, omdat “Fairstar (lees: Dockwise) de FATHOM gewoon heeft afgenomen” en dat zij dus bij hun vorderingen geen belang in de zin van artikel 3:303 BW hebben. Voor een […]”

    r.o. 6.21

    ECLI:NL:HR:2026:128

  • Hoge Raad · 26 april 2024

    Parkdale

    Geen beroep op klachtplicht artikel 6:89 BW bij bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW

    “Voor zover in cassatie van belang vordert Parkdale in deze procedure, onder meer op de voet van art. 2:9 BW, veroordeling van [eiser] tot betaling aan Parkdale van bepaalde bedragen in verband met: - door Parkdale aan Dumul en [betrokkene 3] verstrekte en niet-terugbetaalde leningen, althans aan hen uitgekeerde bedragen, voor US$ 600.000,-- respectievelijk US$ 250.000,-- aan hoofdsommen; - door [de maatschap] aan Parkdale ten onrechte gefactureerde bedragen, waaronder honoraria voor [eiser], voor ruim € 300.000.”

    r.o. 2.2

    “[…] Deze grondslag rechtvaardigt geen beroep op schending van de klachtplicht. Voor interne bestuurdersaansprakelijkheid geldt als uitgangspunt dat de vennootschapsrechtelijke verhouding tussen de bestuurder en de rechtspersoon specifieke, in de wet geregelde rechten en plichten meebrengt. De aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de rechtspersoon op grond van art. 2:9 BW is gebaseerd op de verplichting van de bestuurder om daaraan invulling te geven. Die bepaling is op zichzelf echter geen bron van een verbintenis tussen bestuurder en rechtspersoon tot het verrichten van enige concrete prestatie. Schending van de daarin geregelde verplichting resulteert daarom niet in een verbintenis waarop afdeling 9 van titel 1 van boek 6 BW van toepassing is. [eiser]/[de maatschap] komt met betrekking tot een vordering die is gebaseerd op schending van art. 2:9 BW dan ook geen beroep toe op het in die afdeling opgenomen art. 6:89 BW. (rov. 3.16)”

    r.o. 2.4

    “Onderdeel 2 van het middel klaagt onder meer dat het hof in rov. 3.16 heeft miskend dat de schuldeiser van een op art. 2:9 BW gebaseerde vordering op de voet van art. 6:89 BW zijn aanspraken kan verliezen door niet tijdig te klagen. Deze klacht faalt op grond van het navolgende.”

    r.o. 3.1

    “Met de benoeming van een bestuurder als zodanig ontstaat tussen die bestuurder en de rechtspersoon een rechtspersonenrechtelijke rechtsverhouding, die meebrengt dat de bestuurder is gebonden aan de wet en de gewoonte, en de statuten, reglementen en besluiten van die rechtspersoon. Die gebondenheid betreft ook art. 2:9 lid 1 BW. Daarin is bepaald dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Een bestuurder die zijn taak als bestuurder niet behoorlijk vervult, is daarvoor aansprakelijk als hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Indien een bestuurder aansprakelijk is op de voet van art. 2:9 lid 1 BW, zijn medebestuurders voor het onbehoorlijk bestuur ingevolge art. 2:9 lid 2 BW in beginsel hoofdelijk aansprakelijk.”

    r.o. 3.2 · leden 1, 2

    ECLI:NL:HR:2024:681

  • Hoge Raad · 23 juni 2023

    Bestuurdersaansprakelijkheid: Peeters/Gatzen-vordering curator na verkoop patenten en verrekening door bank

    “De curator heeft in deze procedure in eerste aanleg – voor zover in cassatie van belang – gevorderd dat de rechtbank: “I. primair voor recht zal verklaren dat [de bestuurders] als bestuurders van de Holding hoofdelijk (…) aansprakelijk zijn jegens de boedel van de Holding voor het bedrag van de schulden van de Holding voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, II. voor zover de rechtbank de vordering onder 1 ten aanzien van [de bestuurders] afwijst voor recht zal verklaren dat [de bestuurders] op grond van het bepaalde in art. 2:9 BW en/of 6:162 BW als bestuurders, hoofdelijk (…) aansprakelijk zijn voor alle door de Holding geleden en de te lijden schade (…).””

    r.o. 2.2

    “De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. In hoger beroep heeft de curator zijn vorderingen gewijzigd. De subsidiaire vordering werd daardoor: “II. subsidiair voor recht te verklaren dat [de bestuurders] tekort zijn geschoten in de behoorlijke vervulling van de hen opgedragen taak als bedoeld in art. 2:9 BW en/of toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld als bedoeld in art. 6:162 BW, en [de bestuurders] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van alle door Drent Holding als gevolg daarvan geleden en te lijden schade (…).” 2.4.1 Het hof heeft overwogen dat het de stellingen en vorderingen van de curator zo begrijpt, dat deze mede zijn gericht op onrechtmatig handelen jegens de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding en op vergoeding van de schade die de schuldeisers daardoor hebben geleden. (rov. 1.1) Het heeft – voor zover in cassatie van belang – voor recht verklaard dat de bestuurders bij de verkoop van de Nederlandse patenten toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding als bedoeld in art. 6:162 BW en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan geleden en te lijden schade. Het heeft de bestuurders […]”

    r.o. 2.3

    “Aan zijn oordeel heeft het hof het volgende ten grondslag gelegd. Een bestuurder kan tegenover de door hem bestuurde rechtspersoon aansprakelijk zijn wegens onbehoorlijke taakvervulling op grond van art. 2:9 BW. Daarnaast kan de bestuurder tegenover de door hem bestuurde rechtspersoon aansprakelijk zijn op grond van art. 6:162 BW. De uit art. 2:9 BW voortvloeiende beperking dat aansprakelijkheid wegens onbehoorlijke taakvervulling slechts bestaat als de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is ook dan van toepassing. Verder kan een bestuurder zich in de uitoefening van zijn bestuurstaken ook schuldig maken aan onrechtmatige handelingen tegenover derden zoals crediteuren. In faillissement kan de curator daarbij schadevergoeding vorderen wegens onrechtmatige daad op de grond dat de bestuurder heeft meegewerkt aan benadeling van schuldeisers van de gefailleerde vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van hun vordering. De bestuurder kan op deze grond aansprakelijk worden gehouden voor schade van de schuldeisers indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeisers in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is […]”

    r.o. 2.4.2

    ECLI:NL:HR:2023:967

  • Hoge Raad · 23 juni 2023

    Bestuurdersaansprakelijkheid: curatorvordering mede opgevat als Peeters/Gatzen-vordering na verkoop octrooien

    “De curator heeft in deze procedure in eerste aanleg – voor zover in cassatie van belang – gevorderd dat de rechtbank: “I. primair voor recht zal verklaren dat [de bestuurders] als bestuurders van de Holding hoofdelijk (…) aansprakelijk zijn jegens de boedel van de Holding voor het bedrag van de schulden van de Holding voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, II. voor zover de rechtbank de vordering onder 1 ten aanzien van [de bestuurders] afwijst voor recht zal verklaren dat [de bestuurders] op grond van het bepaalde in art. 2:9 BW en/of 6:162 BW als bestuurders, hoofdelijk (…) aansprakelijk zijn voor alle door de Holding geleden en de te lijden schade (…).””

    r.o. 2.2

    “De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. In hoger beroep heeft de curator zijn vorderingen gewijzigd. De subsidiaire vordering werd daardoor: “II. subsidiair voor recht te verklaren dat [de bestuurders] tekort zijn geschoten in de behoorlijke vervulling van de hen opgedragen taak als bedoeld in art. 2:9 BW en/of toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld als bedoeld in art. 6:162 BW, en [de bestuurders] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van alle door Drent Holding als gevolg daarvan geleden en te lijden schade (…).” 2.4.1 Het hof heeft overwogen dat het de stellingen en vorderingen van de curator zo begrijpt, dat deze mede zijn gericht op onrechtmatig handelen jegens de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding en op vergoeding van de schade die de schuldeisers daardoor hebben geleden. (rov. 1.1) Het heeft – voor zover in cassatie van belang – voor recht verklaard dat de bestuurders bij de verkoop van de Nederlandse patenten toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding als bedoeld in art. 6:162 BW en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan geleden en te lijden schade. Het heeft de bestuurders […]”

    r.o. 2.3

    “Aan zijn oordeel heeft het hof het volgende ten grondslag gelegd. Een bestuurder kan tegenover de door hem bestuurde rechtspersoon aansprakelijk zijn wegens onbehoorlijke taakvervulling op grond van art. 2:9 BW. Daarnaast kan de bestuurder tegenover de door hem bestuurde rechtspersoon aansprakelijk zijn op grond van art. 6:162 BW. De uit art. 2:9 BW voortvloeiende beperking dat aansprakelijkheid wegens onbehoorlijke taakvervulling slechts bestaat als de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is ook dan van toepassing. Verder kan een bestuurder zich in de uitoefening van zijn bestuurstaken ook schuldig maken aan onrechtmatige handelingen tegenover derden zoals crediteuren. In faillissement kan de curator daarbij schadevergoeding vorderen wegens onrechtmatige daad op de grond dat de bestuurder heeft meegewerkt aan benadeling van schuldeisers van de gefailleerde vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van hun vordering. De bestuurder kan op deze grond aansprakelijk worden gehouden voor schade van de schuldeisers indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeisers in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is […]”

    r.o. 2.4.2

    ECLI:NL:HR:2023:968

  • Hoge Raad · 17 maart 2023

    M.E. Beheer II

    Tegenstrijdig belang bestuurder en onbehoorlijk bestuur bij verkoop deelnemingen; verwijzing na cassatie

    “[…] en tot schadevergoeding moeten worden veroordeeld. Hieraan hebben M.E. Beheer c.s., samengevat en voor zover in cassatie van belang, ten grondslag gelegd dat (a) [eiser 1] wegens tegenstrijdig belang (art. 2:256 (oud) BW) onbevoegd was de overeenkomsten van 9 augustus 2005 aan te gaan, althans dat hij zich met deze transacties schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:9 BW, en (b) [eiser 2] onrechtmatig heeft gehandeld door zich, gebruikmakend van het vacuüm dat was ontstaan na het overlijden van [betrokkene 1], de aandelen te laten overdragen tegen een irreële prijs en zich daarbij ten koste van M.E. Beheer c.s. te verrijken. In reconventie hebben [eisers] onder meer opheffing van de gelegde beslagen gevorderd.”

    r.o. 2.2

    “[…] een onoverkomelijk liquiditeitstekort bij M.E. Beheer, althans mocht [eiser 1] als bestuurder van M.E. Beheer niet zonder nader onderzoek en zonder nader overleg met de erven/certificaathouders uitgaan van een dergelijk liquiditeitstekort als grondslag voor de bestreden overeenkomsten van 9 augustus 2005. (rov. 25.16) [eiser 1] kan het vereiste persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt (art. 2:9 BW, art. 6:162 BW) in zijn hoedanigheid van bestuurder van M.E. Beheer omdat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan en onvoldoende overleg heeft gevoerd met alle betrokkenen, in het bijzonder de erven/certificaathouders. [eiser 1] heeft de erven/certificaathouders ook – na hen gedurende lange tijd “met raad en daad ten dienste” te zijn geweest – op het verkeerde been gezet doordat [eiser 1] eerst meermalen met hen dan wel hun vertegenwoordiger overleg heeft gevoerd, en vervolgens, zonder nader overleg en zonder informatie over de voorgenomen transacties voor te leggen, zeer snel (binnen ongeveer drie weken na 15 juli 2005) de transacties heeft uitgevoerd. De voor [eiser 1] kenbare belangen van de erven/certificaathouders en de relatie tussen deze partijen, gedurende lange tijd, zijn […]”

    r.o. 2.8

    ECLI:NL:HR:2023:409

  • Hoge Raad · 3 februari 2023

    Ernstig verwijt bij handelen in strijd met statuten zonder RvC-goedkeuring; motiveringsgebrek

    “[…] een aantal stellingen die [verzoekster] heeft aangevoerd; door deze stellingen niet (kenbaar) in zijn beoordeling te betrekken, heeft het hof bij zijn oordeel dat [verzoekster] als bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel. 3.3.2 Voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW en zijn tegenhanger art. 2:14 (oud) BWC is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat gehandeld is in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, moet in dit verband als een zwaarwegende omstandigheid worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. Indien de aldus aangesproken bestuurder echter feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert, dient de rechter deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel […]”

    r.o. 3.2

    “Voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW en zijn tegenhanger art. 2:14 (oud) BWC is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat gehandeld is in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, moet in dit verband als een zwaarwegende omstandigheid worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. Indien de aldus aangesproken bestuurder echter feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert, dient de rechter deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel te betrekken.”

    r.o. 3.3.2

    ECLI:NL:HR:2023:146

  • Hoge Raad · 29 mei 2020

    Bestuurdersaansprakelijkheid: hof miskent betwisting en devolutieve werking bij ernstig persoonlijk verwijt

    “In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (HR 8 december 2006, NJ 2006, 659) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295).”

    r.o. 3.7

    ECLI:NL:HR:2020:984

  • Hoge Raad · 4 oktober 2019

    Verjaring en stuiting bij interne bestuurdersaansprakelijkheid wegens ongesecureerde lening

    “[…] Pluvezo [verweerster 1] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de onverhaalbaarheid van een deel van de lening. 2.2.1 In dit geding vordert Pluvezo, kort weergegeven, de hoofdelijke veroordeling van [verweerders] tot betaling van een bedrag van € 500.000,--. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [verweerster 1] als bestuurder heeft gehandeld in strijd met de op grond van art. 2:9 lid 1 BW op haar rustende verplichtingen. Zij stelt daartoe dat [verweerster 1] als bestuurder van Pluvezo leningen heeft verstrekt aan [B] zonder ten behoeve van Pluvezo zekerheden te bedingen. [verweerder] is, naar Pluvezo heeft gesteld, aansprakelijk op grond van art. 2:11 BW. 2.2.2 [verweerders] hebben als verweer onder meer een beroep gedaan op verjaring van de vordering van Pluvezo. Zij hebben daartoe aangevoerd dat [verweerder] voor het eerst uit de brief van [betrokkene] van 18 april 2008 heeft opgemaakt dat hem een verwijt werd gemaakt van het als bestuurder van Pluvezo verstrekken van de ongesecureerde lening, en dat zij daarna niets meer hebben gehoord totdat [verweerster 1] op 11 september 2013 een aansprakelijkstelling ontving. Daarmee is de verjaring volgens […]”

    r.o. 2.1 · lid 1

    “In dit geding vordert Pluvezo, kort weergegeven, de hoofdelijke veroordeling van [verweerders] tot betaling van een bedrag van € 500.000,--. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [verweerster 1] als bestuurder heeft gehandeld in strijd met de op grond van art. 2:9 lid 1 BW op haar rustende verplichtingen. Zij stelt daartoe dat [verweerster 1] als bestuurder van Pluvezo leningen heeft verstrekt aan [B] zonder ten behoeve van Pluvezo zekerheden te bedingen. [verweerder] is, naar Pluvezo heeft gesteld, aansprakelijk op grond van art. 2:11 BW.”

    r.o. 2.2.1 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2019:1489

  • Hoge Raad · 21 december 2018

    Geocopter

    Bestuurdersaansprakelijkheid: eigen faillissementsaanvraag in strijd met artikel 2:246 BW als onbehoorlijk bestuur

    “[…] de verkoop van dergelijke helikopters verder te kunnen promoten. xvi) De curator heeft bij brief van 25 september 2012 op de voet van art. 47 Fw de vernietiging ingeroepen van de door [eiser] op 27 december 2011 ontvangen betaling (zie hiervoor onder (xi)). xvii) Bij brief van 8 april 2013 heeft de curator [eiser] aansprakelijk gesteld voor de door Geocopter geleden schade op grond van art. 2:9 BW respectievelijk art. 2:248 BW en subsidiair art. 6:162 BW.”

    r.o. 3.1.2

    “[…] opdracht van de algemene vergadering niet bevoegd is aangifte te doen tot faillietverklaring van de vennootschap. Deze regel strekt tot bescherming van de belangen van de vennootschap en de aandeelhouders. Het in strijd met art. 2:246 BW aanvragen van het faillissement van de vennootschap door de bestuurder, kan grond zijn voor zijn aansprakelijkheid jegens de vennootschap op de voet van art. 2:9 BW. Indien het in strijd met art. 2:246 BW aanvragen van het faillissement van de vennootschap door de bestuurder in de omstandigheden van het geval de belangen van de gezamenlijke schuldeisers schaadt, kan dit bovendien worden aangemerkt als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in art. 2:248 lid 1 BW.”

    r.o. 3.3.2

    ECLI:NL:HR:2018:2370

  • Hoge Raad · 30 maart 2018

    TMF

    Bestuurdersaansprakelijkheid trustmaatschappij: collegiale verantwoordelijkheid en persoonlijk ernstig verwijt bij schending Wte 1995

    “[…] geweten of redelijkerwijs heeft behoren te weten dat [betrokkene 2] c.s. in strijd met de Nederlandse regelgeving voormelde aandelen in Nederland hebben aangeboden en verkocht en dat [eisers] daarvan nadeel zouden ondervinden. (rov. 3.6.4) 3.3.1 Onderdeel 1 van het middel klaagt in de kern dat het hof heeft miskend dat de collegiale verantwoordelijkheid van bestuurders (zoals bedoeld in art. 2:9 BW) de eis van een persoonlijk ernstig verwijt (ook) in het kader van art. 6:162 BW mede vorm geeft en dat het hof hierop gerichte stellingen van [eisers] ten onrechte niet of niet voldoende kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken. Ook bij aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW geldt dat in beginsel alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld, tot de taak van iedere bestuurder behoren, en dat iedere bestuurder verantwoordelijkheid draagt voor de algemene gang van zaken. Het voorgaande heeft in het bijzonder gevolgen voor de aansprakelijkheid voor nalaten. 3.3.2 Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen de maatstaf van HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen), die […]”

    r.o. 3.1

    “Onderdeel 1 van het middel klaagt in de kern dat het hof heeft miskend dat de collegiale verantwoordelijkheid van bestuurders (zoals bedoeld in art. 2:9 BW) de eis van een persoonlijk ernstig verwijt (ook) in het kader van art. 6:162 BW mede vorm geeft en dat het hof hierop gerichte stellingen van [eisers] ten onrechte niet of niet voldoende kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken. Ook bij aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW geldt dat in beginsel alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld, tot de taak van iedere bestuurder behoren, en dat iedere bestuurder verantwoordelijkheid draagt voor de algemene gang van zaken. Het voorgaande heeft in het bijzonder gevolgen voor de aansprakelijkheid voor nalaten.”

    r.o. 3.3.1

    ECLI:NL:HR:2018:470

  • Hoge Raad · 17 februari 2017

    Le Roux

    Artikel 2:11 BW: aansprakelijkheid tweedegraads bestuurder en disculpatie bij artikel 6:162 BW

    “[…] de Holding daarvan bestuurder was. Dit bij de derde antimisbruikwet ingevoerde wetsartikel strekt ertoe te voorkomen dat de bestuurder de op hem rustende aansprakelijkheid kan ontlopen doordat hij het bestuurderschap door een (door hem gecontroleerde) rechtspersoon laat vervullen. De grondslag van de aansprakelijkheid kan gelegen zijn in diverse wetsartikelen van Boek 2 BW, zoals de artikelen 2:9 en 248 BW. Daarvoor is in de wetsgeschiedenis voorzien dat de in die artikelen opgenomen individuele disculpatiemogelijkheden ook openstaan voor de tweedegraads bestuurders. De grondslag van aansprakelijkheid kan echter ook gelegen zijn in bijvoorbeeld artikel 6:162 BW (zie Kamerstukken I, 1985-86, 16 631, nr. 27b, p. 22). In zodanig geval ligt het voor de hand om te oordelen dat voor aansprakelijkheid van de tweedegraadsbestuurder nog steeds moet worden geëist dat hem persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zouden [eiser] en [betrokkene 1] namelijk eerstegraads bestuurders van [A] zijn geweest, dan zou voor aansprakelijkheid van [eiser] op grond van artikel 6:162 BW ook zijn vereist dat hem persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van de […]”

    r.o. 4.3

    “[…] is beoogd tot toepassing van art. 2:11 BW op een of meer bepaalde wettelijke grondslagen van bestuurdersaansprakelijkheid. Deze uitleg van art. 2:11 BW strookt met de opmerking van de minister van Justitie tijdens de parlementaire behandeling van deze bepaling, dat hem niet duidelijk is waarom de aansprakelijkheid ingevolge (thans) art. 6:162 BW tegenover schuldeisers en die uit (thans) art. 2:9 BW zouden zijn uitgesloten en dat deze wettelijke aansprakelijkheden te vergelijken zijn met die van art. 2:138 BW en art. 2:248 BW (Kamerstukken I 1985-1986, 16 631, nr. 27b, p. 22). Een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder die uit hoofde van de wetsbepaling waaruit de aansprakelijkheid voortvloeit, een grond tot disculpatie heeft om de aanspraak af te weren, kan zich daarop beroepen, onafhankelijk van de rechtspersoon-bestuurder (Kamerstukken II 1983-1984, 16 631, nr. 6, p. 18 en nr. 9, p. 15-16). Of een wetsbepaling waaruit aansprakelijkheid voortvloeit, de mogelijkheid van disculpatie biedt, moet worden bepaald door uitleg van die bepaling. 3.4.3 Uit het voorgaande volgt dat art. 2:11 BW van toepassing is in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van […]”

    r.o. 3.3

    “[…] is beoogd tot toepassing van art. 2:11 BW op een of meer bepaalde wettelijke grondslagen van bestuurdersaansprakelijkheid. Deze uitleg van art. 2:11 BW strookt met de opmerking van de minister van Justitie tijdens de parlementaire behandeling van deze bepaling, dat hem niet duidelijk is waarom de aansprakelijkheid ingevolge (thans) art. 6:162 BW tegenover schuldeisers en die uit (thans) art. 2:9 BW zouden zijn uitgesloten en dat deze wettelijke aansprakelijkheden te vergelijken zijn met die van art. 2:138 BW en art. 2:248 BW (Kamerstukken I 1985-1986, 16 631, nr. 27b, p. 22). Een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder die uit hoofde van de wetsbepaling waaruit de aansprakelijkheid voortvloeit, een grond tot disculpatie heeft om de aanspraak af te weren, kan zich daarop beroepen, onafhankelijk van de rechtspersoon-bestuurder (Kamerstukken II 1983-1984, 16 631, nr. 6, p. 18 en nr. 9, p. 15-16). Of een wetsbepaling waaruit aansprakelijkheid voortvloeit, de mogelijkheid van disculpatie biedt, moet worden bepaald door uitleg van die bepaling.”

    r.o. 3.4.2

    ECLI:NL:HR:2017:275

  • Hoge Raad · 3 februari 2017

    Holterman Ferho/Spies

    Bevoegdheid Nederlandse rechter bij artikel 2:9 BW-vordering tegen Duitse bestuurder-werknemer

    “[…] en [eiseres 1] gesloten arbeidsovereenkomst als directeur bij deze vennootschap in dienst was, maar dat hij ook als bestuurder (in vennootschapsrechtelijke zin) van [eiseres 1] was aangesteld. [eiseres 1] stelt zich primair op het standpunt dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijke vervulling van zijn taak als bestuurder van [eiseres 1] en uit dien hoofde op grond van art. 2:9 BW jegens haar aansprakelijk is. Voorts heeft [eiseres 1] zich beroepen op opzet dan wel bewuste roekeloosheid van [verweerder] bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst met haar, een en ander als bedoeld in art. 7:661 (oud) BW. Subsidiair voert [eiseres 1] aan dat de ernstige fouten die [verweerder] heeft gemaakt bij de uitoefening van zijn functie bij [eiseres 1], meebrengen dat sprake is van onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens haar in de zin van art. 6:162 BW. [verweerder] heeft zich beroepen op de onbevoegdheid van de rechtbank Almelo ingevolge Verordening (EG) nr. 44/2001 (hierna: EEX-Vo). 3.2.1 De rechtbank heeft geoordeeld dat haar noch op grond van art. 5, aanhef en onder 1, EEX-Vo, noch op grond van art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo, bevoegdheid toekomt, en […]”

    r.o. 3.1

    ECLI:NL:HR:2017:133

  • Hoge Raad · 1 april 2016

    Artikel 2:9 BW: causaal verband wanbeleid stichtingsbestuurder en advocaatkosten kort geding

    “In dit geding heeft [eiser] een vordering tegen ATAL ingesteld, die in cassatie geen rol meer speelt. In reconventie vordert ATAL schadevergoeding van [eiser], die zij aansprakelijk houdt wegens niet behoorlijke vervulling van zijn taak als bestuurder, als bedoeld in art. 2:9 BW.”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:HR:2016:540

  • Hoge Raad · 18 december 2015

    R.M. Trade

    Verzet curator tegen faillissement op eigen aangifte; misbruik bevoegdheid en artikel 2:19 BW

    “[…] De door de prejudiciële vragen aan de orde gestelde problematiek betreft het zich regelmatig voordoende verschijnsel dat de in een faillissement van een rechtspersoon benoemde curator nog binnen de in art. 10 lid 1 Fw bepaalde verzettermijn constateert dat de rechtspersoon (nagenoeg) geen activa bezit en dat die in het faillissement – bijvoorbeeld door toepassing van art. 42 Fw of art. 2:9 BW – ook niet zijn te verwachten, en hij dus wordt geconfronteerd met de situatie dat hij gedwongen wordt werkzaamheden te verrichten zonder dat hij verhaal zal kunnen vinden voor zijn te zijner tijd door de rechtbank vast te stellen salaris. 4.2.2 De Hoge Raad zal de beantwoording van de vragen beperken tot het geval waarin het gaat om een faillissement van een rechtspersoon en dat faillissement op eigen aangifte is uitgesproken, zoals de rechtbank kennelijk ook voor ogen heeft gestaan. In dit verband is van belang dat (het bestuur van) de rechtspersoon, anders dan schuldeisers, in art. 2:19 BW een alternatieve weg ten dienste staat om, al dan niet na vereffening van het vermogen, de beëindiging van het bestaan van de rechtspersoon te bewerkstelligen. De prejudiciële vragen lenen […]”

    r.o. 4.1

    “De door de prejudiciële vragen aan de orde gestelde problematiek betreft het zich regelmatig voordoende verschijnsel dat de in een faillissement van een rechtspersoon benoemde curator nog binnen de in art. 10 lid 1 Fw bepaalde verzettermijn constateert dat de rechtspersoon (nagenoeg) geen activa bezit en dat die in het faillissement – bijvoorbeeld door toepassing van art. 42 Fw of art. 2:9 BW – ook niet zijn te verwachten, en hij dus wordt geconfronteerd met de situatie dat hij gedwongen wordt werkzaamheden te verrichten zonder dat hij verhaal zal kunnen vinden voor zijn te zijner tijd door de rechtbank vast te stellen salaris.”

    r.o. 4.2.1

    “[…] wordt nog het volgende overwogen. 4.7.1 Het verzet komt, in geval van een op eigen aangifte van een rechtspersoon uitgesproken faillietverklaring, slechts dan voor gegrondverklaring in aanmerking indien sprake is van een boedel die (nagenoeg) geen activa omvat en er geen enkele aanleiding bestaat voor de verwachting dat in het faillissement, bijvoorbeeld met toepassing van art. 42 Fw of art. 2:9 BW, activa zullen kunnen worden gegenereerd. In dat geval zal kunnen worden aangenomen dat (het bestuur van) de rechtspersoon de bevoegdheid aangifte tot faillietverklaring te doen – en daarmee de te benoemen curator te belasten met de werkzaamheden die tot beëindiging van het bestaan van de rechtspersoon moeten leiden zonder dat de curator voor zijn werkzaamheden een vergoeding tegemoet kan zien – heeft misbruikt (vgl. HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:48, NJ 2013/365). Hierbij is van belang dat het faillissement volgens het stelsel van de Faillissementswet verdeling beoogt door de curator van het vermogen van de schuldenaar onder diens gezamenlijke schuldeisers (HR 22 juli 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3883, NJ 1988/912). In het geval als hier aan de orde, dient (het bestuur van) de […]”

    r.o. 4.6

    “Het verzet komt, in geval van een op eigen aangifte van een rechtspersoon uitgesproken faillietverklaring, slechts dan voor gegrondverklaring in aanmerking indien sprake is van een boedel die (nagenoeg) geen activa omvat en er geen enkele aanleiding bestaat voor de verwachting dat in het faillissement, bijvoorbeeld met toepassing van art. 42 Fw of art. 2:9 BW, activa zullen kunnen worden gegenereerd. In dat geval zal kunnen worden aangenomen dat (het bestuur van) de rechtspersoon de bevoegdheid aangifte tot faillietverklaring te doen – en daarmee de te benoemen curator te belasten met de werkzaamheden die tot beëindiging van het bestaan van de rechtspersoon moeten leiden zonder dat de curator voor zijn werkzaamheden een vergoeding tegemoet kan zien – heeft misbruikt (vgl. HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:48, NJ 2013/365). Hierbij is van belang dat het faillissement volgens het stelsel van de Faillissementswet verdeling beoogt door de curator van het vermogen van de schuldenaar onder diens gezamenlijke schuldeisers (HR 22 juli 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3883, NJ 1988/912). In het geval als hier aan de orde, dient (het bestuur van) de rechtspersoon dan ook de weg van art. 2:19 BW te […]”

    r.o. 4.7.1

    ECLI:NL:HR:2015:3636

  • Hoge Raad · 24 januari 2014

    Prejudiciële vragen EEX-Vo bij aanspraak op bestuurder uit artikel 2:9 BW

    “[…] stelling is door [verweerder] in eerste aanleg en in hoger beroep niet bestreden, aldus de klacht. Onderdeel 1.2 klaagt over een onbegrijpelijke uitleg van de processtukken voor zover het hof heeft geoordeeld dat [eiseres 1] haar vorderingen louter heeft gebaseerd op de tussen haar en [verweerder] gesloten arbeidsovereenkomst, en niet mede op schending door [verweerder] van de krachtens art. 2:9 BW op hem rustende verplichting tot behoorlijke taakvervulling. 3.5.2 De onderdelen missen feitelijke grondslag. Uit hetgeen het hof in rov. 4.5 heeft overwogen, blijkt dat het hof niet heeft miskend dat [verweerder] bij [eiseres 1] werkzaam was zowel op basis van een tussen hem en [eiseres 1] gesloten arbeidsovereenkomst als in de hoedanigheid van bestuurder (in vennootschapsrechtelijke zin) van [eiseres 1]. Voorts blijkt uit rov. 4.5 dat het hof heeft onderkend dat [eiseres 1] haar vorderingen mede heeft gebaseerd op schending door [verweerder] van de krachtens art. 2:9 BW op hem rustende verplichting tot behoorlijke vervulling van zijn taak.”

    r.o. 3.4

    “Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd dan wel dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, indien het ervan is uitgegaan dat [verweerder] louter op grond van een arbeidsovereenkomst bij [eiseres 1] werkzaam was. Zoals blijkt uit rov. 2.1 van het vonnis van de rechtbank, hebben [eiseres] c.s. gesteld dat [verweerder] vanaf 25 april 2001 directeur en van 20 juli 2001 tot 31 december 2006 bestuurder is geweest van [eiseres 1], en deze stelling is door [verweerder] in eerste aanleg en in hoger beroep niet bestreden, aldus de klacht. Onderdeel 1.2 klaagt over een onbegrijpelijke uitleg van de processtukken voor zover het hof heeft geoordeeld dat [eiseres 1] haar vorderingen louter heeft gebaseerd op de tussen haar en [verweerder] gesloten arbeidsovereenkomst, en niet mede op schending door [verweerder] van de krachtens art. 2:9 BW op hem rustende verplichting tot behoorlijke taakvervulling.”

    r.o. 3.5.1

    “De onderdelen missen feitelijke grondslag. Uit hetgeen het hof in rov. 4.5 heeft overwogen, blijkt dat het hof niet heeft miskend dat [verweerder] bij [eiseres 1] werkzaam was zowel op basis van een tussen hem en [eiseres 1] gesloten arbeidsovereenkomst als in de hoedanigheid van bestuurder (in vennootschapsrechtelijke zin) van [eiseres 1]. Voorts blijkt uit rov. 4.5 dat het hof heeft onderkend dat [eiseres 1] haar vorderingen mede heeft gebaseerd op schending door [verweerder] van de krachtens art. 2:9 BW op hem rustende verplichting tot behoorlijke vervulling van zijn taak.”

    r.o. 3.5.2

    “De onderdelen 2 en 3 klagen dat het hof in de hiervoor in 3.3.2 weergegeven rov. 4.4 en 4.5 heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechts- en motiveringsklachten bestrijden de uitleg en toepassing van de hier relevante bevoegdheidsbepalingen van de EEX-Vo, te weten art. 5, aanhef en onder 1 (a), art. 5, aanhef en onder 3, art. 18 lid 1 en art. 20 lid 1, mede in hun onderlinge samenhang.”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:HR:2014:164

  • Hoge Raad · 23 november 2012

    Hoffmann/Van de Riet (Spaanse Villa, Villa Mundo)

    Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder uit eigen zorgvuldigheidsnorm: geen ernstig verwijt vereist

    “[…] van een vennootschap in het maatschappelijk verkeer hebben te gelden als onrechtmatige gedragingen van die vennootschap (zodat die vennootschap deswege aansprakelijk is op grond van art. 6:162 BW), de desbetreffende bestuurder slechts naast de vennootschap aansprakelijk kan zijn indien hem (persoonlijk), mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Althans heeft het hof volgens onderdeel 1.2 miskend dat aan een bestuurder geen voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, als hij niet heeft toegelaten of bewerkstelligd dat de vordering van de benadeelde op de vennootschap onbetaald of onverhaalbaar is gebleven. Voorts heeft het hof volgens onderdeel 1.3 miskend dat slechts sprake kan zijn van een voldoende ernstig verwijt dat tot persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder leidt, indien het niet een verwijt betreft ter zake van een gedraging die in het maatschappelijk verkeer te gelden heeft als een onrechtmatige daad van de vennootschap.”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:HR:2012:BX5881

  • Hoge Raad · 4 mei 2012

    Verjaring bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW en regres tussen hoofdelijke schuldenaren

    “In dit geding vordert de curator, voor zover in cassatie nog van belang, dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van het boedeltekort dan wel tot vergoeding van schade op te maken bij staat wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW) dan wel bij wege van regres op grond van art. 6:10 lid 2 BW ter zake van hetgeen CFT als hoofdelijk schuldenaar aan [C] heeft betaald.”

    r.o. 3.2

    “De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. Volgens het hof is de op art. 2:9 BW gegronde vordering ingevolge art. 3:310 BW verjaard. CFT is uiterlijk in 1994 op de hoogte gekomen van het feit dat [verweerder] en CFT aansprakelijk werden gehouden, zodat de verjaringstermijn uiterlijk op dat moment is gaan lopen. Dat de hoogte van de schade eerst in 2002 is vastgesteld maakt dat niet anders, aldus het hof (rov. 4.6). Wat betreft de regresvordering heeft het hof overwogen dat CFT is veroordeeld in verband met eigen onrechtmatig handelen, dat CFT daarbij niet met [verweerder] is vereenzelvigd en dat de curator onvoldoende heeft aangevoerd om een regresvordering van CFT op [verweerder] op te kunnen baseren. Volgens het hof is uit het door de curator gestelde niet af te leiden dat het totale aan [C] betaalde schadebedrag [verweerder] voor een groter deel aangaat dan het deel dat hij reeds heeft betaald (rov. 4.15).”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:HR:2012:BV6769

  • Hoge Raad · 17 december 2010

    Bestuurdersaansprakelijkheid jegens beleggers: onbetamelijk handelen van bestuurder en trustee in afgeblazen vastgoedproject

    “Onderdeel 1 voert terecht aan dat het hof met zijn oordeel in rov. 4.9.2 heeft miskend dat [eiser] c.s. de aansprakelijkheid van TMF c.s. jegens hen niet hebben gebaseerd op onbehoorlijke vervulling door TMF Management (BVI) van haar taak als bestuurder (art. 2:9 BW) doch op het naar in het maatschappelijk verkeer geldende normen onbetamelijk handelen van TMF Management (BVI) jegens hen. Het hof heeft kennelijk uit het oog verloren dat, ook als niet gesproken kan worden van een onbehoorlijke taakvervulling van een bestuurder jegens de vennootschap, het handelen van deze bestuurder jegens een derde nog wel ernstig verwijtbaar kan zijn. Na verwijzing zal deze grondslag van de vordering alsnog moeten worden onderzocht. Het slagen van onderdeel 1 brengt mee dat de onderdelen 2 en 3 geen behandeling behoeven.”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:HR:2010:BO1979

  • Hoge Raad · 9 juli 2010

    ASMI

    Enquête ASMI: strategie, taak RvC, informatierecht aandeelhouders en beschermingsstichting

    “[…] vormt van de in Nederland heersende algemene rechtsovertuiging welke mede inhoud geeft aan (a) de eisen van redelijkheid en billijkheid naar welke volgens art. 2:8 BW degenen die krachtens de wet of de statuten bij de vennootschap zijn betrokken zich jegens elkaar moeten gedragen, en aan (b) de eisen die voortvloeien uit een behoorlijke taakvervulling waartoe elke bestuurder ingevolge art. 2:9 BW gehouden is (vgl. HR 13 juli 2007, nrs. R07/100 (OK135), R07/101 (OK136), R07/102 (OK137), LJN BA7972, NJ 2007, 434); (iv) iedere vennootschap binnen de grenzen van de wet vrij is haar (vennootschappelijke) organisatie naar eigen inzicht in te richten; (v) de ondernemingskamer niet heeft vastgesteld dat best practice-bepalingen I.1 en I.2 van de Code Tabaksblat 2003 niet zijn nageleefd en in rov. 3.31 zelfs tot de conclusie is gekomen, dat ASMI in 2010 haar corporate governance in overeenstemming met de Code Tabaksblat zal hebben; (vi)ook als moet worden aangenomen dat sprake was van een gedateerd bestuursmodel bij ASMI, deze omstandigheid van onvoldoende belang is, aangezien de ondernemingkamer heeft vastgesteld dat de corporate governance van ASMI in 2010 in overeenstemming met […]”

    r.o. 4.4.2

    ECLI:NL:HR:2010:BM0976

  • Hoge Raad · 25 juni 2010

    De Rouw-Dingemans q.q.

    Reikwijdte décharge bij frauduleuze onttrekkingen door enig bestuurder (artikel 2:9 BW)

    “De curator heeft gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van (na eiswijziging in hoger beroep) € 169.566,93. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [eiser] ten laste van [A] geldopnamen heeft gedaan en op naam en rekening van [A] zaken voor zich in privé heeft gekocht. Voorts heeft [eiser] volgens de curator spookfacturen doen betalen voor niet verrichte werkzaamheden. Deze onttrekkingen en aankopen zijn nooit met [A] verrekend. [Eiser] is daarom volgens de curator aansprakelijk uit hoofde van art. 2:9 BW, althans art. 6:162 BW. [Eiser] heeft de vordering bestreden, onder meer met het betoog dat hij BMA steeds volledig heeft geïnformeerd over het door hem gevoerde financiële beleid, zodat de hem verleende decharge hem van zijn aansprakelijkheid als bestuurder ontslaat.”

    r.o. 3.2

    “In het door de curator ingestelde hoger beroep heeft het hof, na de vordering op grondslag van onrechtmatige daad te hebben afgewezen, het beroep van de curator op onbehoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW) gehonoreerd. Volgens het hof zijn de bedoelde onttrekkingen en betalingen aan te merken als kennelijk onbehoorlijk bestuur en valt [eiser] daarvan een ernstig verwijt te maken. [Eiser] heeft ten verwere aangevoerd dat aan hem in de desbetreffende periode uitdrukkelijk decharge is verleend, terwijl decharge ook voortvloeit uit de vaststelling van de jaarrekening, nu deze op grond van de statuten tevens decharge van de directie meebrengt. Het hof heeft dit verweer verworpen. Het hof, dat in zijn eindarrest ervan uitgaat dat [eiser] decharge is verleend en dat deze decharge niet van onwaarde is, heeft onderzocht of de gestelde impliciete en uit de notulen blijkende decharge zich ook uitstrekt tot de tot aansprakelijkheid leidende posten ter grootte van € 169.566,93. Dienaangaande heeft het hof het volgende overwogen: "12.9. Het hof laat zich bij dit onderzoek leiden door de in HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 en LJN: ZC2243 (Staleman/vdVen) aangegeven maatstaf waarnaar ook de […]”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:HR:2010:BM2332

  • Hoge Raad · 20 juni 2008

    Willemsen/NOM

    Bestuurdersaansprakelijkheid jegens individuele aandeelhouder; ernstig verwijt overeenkomstig artikel 2:9 BW

    “De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Zij overwoog, samengevat weergegeven, dat Beheer als bestuurder van Holding een specifieke zorgvuldigheidsnorm tegenover NOM heeft geschonden, nu zij de hiervoor in 3.1 onder (iii) aangehaalde statutaire bepaling niet heeft nageleefd. Beheer heeft echter als bestuurder van Holding niet ernstig verwijtbaar gehandeld. Zij had ook niet het vooropgezette doel NOM schade toe te brengen. Daarom is Beheer niet jegens Holding op de voet van art. 2:9 BW aansprakelijk. Voorts is gesteld noch gebleken dat Beheer als bestuurder van Holding onzorgvuldig jegens NOM als schuldeiser heeft gehandeld. Nu Beheer als bestuurder van Holding niet aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad, geldt hetzelfde voor haar bestuurder [eiser 2].”

    r.o. 3.2.2

    “NOM is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft zij als klachten aangevoerd, kort samengevat, (a) dat de rechtbank ten onrechte voor toerekenbaarheid van de vaststaande onrechtmatige handeling van [eiser 2] en Beheer, de in art. 2:9 BW besloten maatstaf heeft gehanteerd en (b) dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [eiser 2] niet aansprakelijk is tegenover NOM op de enkele grond dat Beheer niet aansprakelijk is tegenover NOM. Bij pleidooi heeft zij voorts nog aangevoerd (c) dat bij de beoordeling van de omvang van de aansprakelijkheid van [eiser 2] en Beheer tegenover NOM geen plaats is voor onderscheid naar hoedanigheid (aandeelhouder dan wel financier).”

    r.o. 3.2.3

    “Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiser 2] en Beheer veroordeeld tot vergoeding van de schade van NOM, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Het overwoog daartoe, kort gezegd, als volgt. Art. 2:9 BW is niet van overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen een bestuurder en een individuele aandeelhouder (rov. 9). De vraag of [eiser 2] en Beheer jegens NOM aansprakelijk zijn uit hoofde van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de participatie- en aandeelhoudersovereenkomst, wordt niet door de grieven bestreken (rov. 11). De hiervoor onder (c) weergegeven stelling is een tardief voorgedragen grief en blijft dus buiten beschouwing, mede gelet op het uitdrukkelijke bezwaar tegen behandeling daarvan van de zijde van [eiser 2] en Beheer (rov. 12). Holding was zowel op grond van de participatie- en aandeelhoudersovereenkomst, als op grond van haar statuten, gehouden een besluit tot aanvraag van surséance van betaling ter goedkeuring voor te leggen aan de AVA. Niettemin hebben Beheer als bestuurder en [eiser 2] als indirect bestuurder van Holding, het besluit genomen en uitgevoerd om deze norm niet na te leven. […]”

    r.o. 3.2.4

    “Het middel is in zijn beide onderdelen gericht tegen het oordeel van het hof dat de hiervoor in 3.2.3 onder (c) weergegeven nieuwe stelling waarop NOM zich bij pleidooi in hoger beroep alsnog heeft beroepen, moet worden aangemerkt als een grief tegen het vonnis van de rechtbank. Deze stelling strekt weliswaar ertoe dat in hoger beroep een ander dictum zal worden uitgesproken dan in eerste aanleg, maar zij is geen grief in enge zin (waarmee, naar de Hoge Raad begrijpt, wordt bedoeld: zij is geen bezwaar tegen een door de rechtbank genomen beslissing, maar een nieuwe stelling die mede aan de vordering ten grondslag wordt gelegd). Een dergelijke nieuwe stelling kan slechts als tardief terzijde worden gelaten indien sprake is van strijd met een goede procesorde, waarover het hof niets heeft vastgesteld. Het hof heeft dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De (enkele) omstandigheid dat [eiser 2] en Beheer uitdrukkelijk bezwaar hebben gemaakt tegen het in aanmerking nemen van dit nieuwe standpunt, is een onvoldoende motivering van het bestreden oordeel, aldus nog steeds het middel.”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:HR:2008:BC4959

  • Hoge Raad · 14 september 2007

    Versatel III

    Enquête: onmiddellijke voorzieningen, tegenstrijdig belang commissarissen en code-Tabaksblat bij groepsmaatschappij

    “[…] groepsmaatschappij van Tele2 AB tot commissaris bij Versatel worden benoemd, omdat het groepsbelang van Tele2 AB bij Versatel wordt geëffectueerd. Daaruit volgt nog niet dat de commissarissen het groepsbelang van Tele2 tot uitgangspunt zouden nemen dan wel doorslaggevend zouden achten. Met name niet nu ook deze commissarissen zich op grond van het bepaalde in de art. 2:8, 2:149 in verbinding met 2:9, en 2:140 lid 2 BW, alsmede van het bepaalde in III.6 van de code-Tabaksblat hebben te richten naar het vennootschappelijk belang van Versatel. Ook de omstandigheid dat Versatel de volledige naleving van het bepaalde in III.6.2 van de code-Tabaksblat niet langer zinvol acht, kan niet tot de conclusie leiden dat uitsluitend het belang van Tele2 Finance en Tele2 AB zo niet doorslaggevend dan toch zeker leidend is voor de commissarissen. (ii) Versatel heeft tevens voorgesteld naast de vier uit het bestuur van Tele 2 AB afkomstige commissarissen een commissaris die geen functie vervult binnen de Tele2 Groep, [betrokkene 12], in de raad van commissarissen te benoemen, waarmee het belang van de minderheidsaandeelhouders voldoende is gediend.”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:HR:2007:BA4887

  • Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO/VEB

    ABN AMRO/LaSalle: geen goedkeuringsrecht AVA bij verkoop zonder wettelijke of statutaire grondslag

    “[…] in het bijzonder de principes II en IV, welke rechtsovertuiging mede inhoud geeft aan (i) de eisen van redelijkheid en billijkheid naar welke volgens art. 2:8 BW degenen die krachtens de wet of de statuten bij de vennootschap zijn betrokken zich jegens elkaar moeten gedragen, en aan (ii) de eisen die voortvloeien uit een behoorlijke taakvervulling waartoe elke bestuurder ingevolge art. 2:9 BW gehouden is. In het bijzonder brengen deze eisen niet mee dat het bestuur van een vennootschap verplicht is aan de algemene vergadering van aandeelhouders goedkeuring te vragen voor, of deze te raadplegen over, een transactie die binnen de bevoegdheid van het bestuur valt, op grond van de enkele omstandigheid dat het belang van de aandeelhouders om hun aandelen voor een zo hoog mogelijke prijs te kunnen verkopen, hierbij mede in het geding is. Aan deze verplichting tot voorafgaande consultatie zijn ook zodanige bezwaren verbonden, dat zij niet kan worden aanvaard zonder een wettelijke of statutaire regeling, met name omtrent de omstandigheden waaronder de verplichting ontstaat en het tijdstip waarop een consultatie zou moeten plaatsvinden, alsmede omtrent de consequenties die aan […]”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:HR:2007:BA7970

  • Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO/VEB

    ABN AMRO/LaSalle: geen goedkeuringsrecht AVA bij verkoop, onmiddellijke voorziening vernietigd

    “[…] in het bijzonder de principes II en IV, welke rechtsovertuiging mede inhoud geeft aan (i) de eisen van redelijkheid en billijkheid naar welke volgens art. 2:8 BW degenen die krachtens de wet of de statuten bij de vennootschap zijn betrokken zich jegens elkaar moeten gedragen, en aan (ii) de eisen die voortvloeien uit een behoorlijke taakvervulling waartoe elke bestuurder ingevolge art. 2:9 BW gehouden is. In het bijzonder brengen deze eisen niet mee dat het bestuur van een vennootschap verplicht is aan de algemene vergadering van aandeelhouders goedkeuring te vragen voor, of deze te raadplegen over, een transactie die binnen de bevoegdheid van het bestuur valt, op grond van de enkele omstandigheid dat het belang van de aandeelhouders om hun aandelen voor een zo hoog mogelijke prijs te kunnen verkopen, hierbij mede in het geding is. Aan deze verplichting tot voorafgaande consultatie zijn ook zodanige bezwaren verbonden, dat zij niet kan worden aanvaard zonder een wettelijke of statutaire regeling, met name omtrent de omstandigheden waaronder de verplichting ontstaat en het tijdstip waarop een consultatie zou moeten plaatsvinden, alsmede omtrent de consequenties die aan […]”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:HR:2007:BA7971

  • Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO/VEB

    ABN AMRO/LaSalle: geen goedkeuringsrecht AVA bij verkoop bedrijfsonderdeel; onmiddellijke voorziening vernietigd

    “[…] in het bijzonder de principes II en IV, welke rechtsovertuiging mede inhoud geeft aan (i) de eisen van redelijkheid en billijkheid naar welke volgens art. 2:8 BW degenen die krachtens de wet of de statuten bij de vennootschap zijn betrokken zich jegens elkaar moeten gedragen, en aan (ii) de eisen die voortvloeien uit een behoorlijke taakvervulling waartoe elke bestuurder ingevolge art. 2:9 BW gehouden is. In het bijzonder brengen deze eisen niet mee dat het bestuur van een vennootschap verplicht is aan de algemene vergadering van aandeelhouders goedkeuring te vragen voor, of deze te raadplegen over, een transactie die binnen de bevoegdheid van het bestuur valt, op grond van de enkele omstandigheid dat het belang van de aandeelhouders om hun aandelen voor een zo hoog mogelijke prijs te kunnen verkopen, hierbij mede in het geding is. Aan deze verplichting tot voorafgaande consultatie zijn ook zodanige bezwaren verbonden, dat zij niet kan worden aanvaard zonder een wettelijke of statutaire regeling, met name omtrent de omstandigheden waaronder de verplichting ontstaat en het tijdstip waarop een consultatie zou moeten plaatsvinden, alsmede omtrent de consequenties die aan […]”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:HR:2007:BA7972

  • Hoge Raad · 2 maart 2007

    Nutsbedrijf Westland

    Samenloop artikel 2:9 BW en onrechtmatige daad bij schadevordering tegen oud-bestuurder

    “[…] bewezen - brengt dus mee dat er sprake is van 'fouten' van hen als werknemers ten opzichte van NBW als werkgever en in het geval van [verweerder 1] ook als bestuurder ten opzichte van NBW als vennootschap. Door dit handelen - indien bewezen - heeft NBW schade geleden. Voor een vordering tot vergoeding van een dergelijke schade is een grondslag in de wet te vinden: artikel 7:661 BW en artikel 2:9 BW. (rov. 3.3) NBW legt echter aan haar vordering onrechtmatig handelen van [verweerder] c.s. ten grondslag. Zij heeft dit in haar conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident uitdrukkelijk gesteld en is daarvan niet teruggekomen. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat NBW haar vordering uitsluitend beoordeeld wenst te zien op basis van haar kwalificatie van het handelen van [verweerder] c.s. Dit heeft tot gevolg dat toepassing van art. 48 (oud) Rv. is uitgesloten (HR 15 mei 1998, nr. 16590, NJ 1998, 625). De vordering van NBW kan dus slechts beoordeeld worden op de door NBW aangedragen grondslag onrechtmatige daad. (rov. 3.4) De stellingen van NBW kunnen niet onafhankelijk van aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 7:661 BW dan wel artikel 2:9 BW leiden tot aansprakelijkheid […]”

    r.o. 3.2.3

    “[…] aangegeven. Ten onrechte heeft de rechtbank dan ook aangenomen dat NBW die vordering op onrechtmatige daad baseerde en zich beperkt tot de vraag of deze toewijsbaar was op die grondslag. Voorts geldt dat NBW in de loop van de procedure haar stellingen verder heeft ingekleurd en uitgebouwd. Voor zover haar vorderingen al exclusief zouden dienen te worden beoordeeld op grond van art. 7:661 en 2:9 BW - hetgeen niet het geval is, zie grief II - mocht en moest de rechtbank de stellingen van NBW aldus verstaan dat NBW haar vordering niet uitsluitend beoordeeld heeft willen zien op grond van onrechtmatig handelen. Dat geldt ten aanzien van [verweerder 1] eens te meer: de rechtbank had ambtshalve de stellingen van NBW moeten toetsen aan art. 2:9 BW. Zij diende immers ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen, hetgeen zij ten onrechte heeft nagelaten. [Verweerder 1] is namelijk (tevens) aansprakelijk op grond van schending van zijn verplichtingen als bestuurder en als werknemer. Er is sprake van onbehoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW) want hij heeft als bestuurder zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling, hij heeft zichzelf verrijkt ten koste van de vennootschap, NBW niet […]”

    r.o. 3.3.1

    “Onderdeel I van het middel klaagt, kort en zakelijk samengevat, dat het hof aldus heeft miskend dat [verweerder 1] processueel in een andere positie verkeerde dan [verweerders 2 t/m 4], omdat, anders dan laatstgenoemden, [verweerder 1] geen beroep had gedaan op de onbevoegdheid van de rechtbank en dus geen partij was in het bevoegdheidsincident, en voorts dat NBW in hoger beroep voor de grondslag van de vordering tegen [verweerder 1] alsnog, met feitelijke onderbouwing, heeft betoogd dat haar vordering beoordeeld diende te worden op de basis van art. 2:9 en 7:661 BW en niet (meer) uitsluitend op grond van onrechtmatige daad. Mocht het hof grief I in beperktere zin hebben opgevat, namelijk dat daarmee slechts erover werd geklaagd dat de rechtbank heeft nagelaten de vordering ambtshalve op grond van art. 48 (oud) Rv. op de grondslag van die bepalingen te beoordelen, dan heeft het hof miskend dat het NBW vrijstond in hoger beroep alsnog haar vordering op die grondslagen te baseren.”

    r.o. 3.3.3

    “Het hof heeft in rov. 2 en 3 van het bestreden arrest overwogen: "2. Door [verweerder 1] en [verweerder 2] is bij MvA tegengeworpen dat het beroep op art. 2:9 BW een onaanvaardbare ommezwaai is, strijdig met de eisen van een goede procesorde, nu over een opzettelijk verwijtbaar tekortschieten als daar geformuleerd in eerste aanleg niets is gesteld. NBW heeft in prima bewust gekozen voor beoordeling van de zaak op basis van onrechtmatige daad; er is dan geen ruimte meer voor een ambtshalve taak van de rechter. Aldus het verweer. 3. Door [verweerder 3] en [verweerder 4] is tegengeworpen dat NBW in het bevoegdheidsincident - en ook verder in de procedure - uitdrukkelijk gekozen had voor de grondslag onrechtmatige daad teneinde te ontkomen aan de exclusieve bevoegdheid van de Kantonrechter, en dat het dan niet aangaat om vervolgens van de Rechtbank toch te verlangen om - ambtshalve ex art. 25 Rv - de arbeidsrechtelijke bepalingen toe te passen." Mede in het licht van de vermelding door het hof van deze verweren moet hetgeen het hof in rov. 5 overweegt zo worden begrepen dat naar het oordeel van het hof een wijziging door NBW in hoger beroep van de grondslag van haar vordering tegen […]”

    r.o. 3.3.4

    ECLI:NL:HR:2007:AZ3535

  • Hoge Raad · 8 december 2006

    Ontvanger/Roelofsen

    Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder jegens Ontvanger bij fiscale eenheid omzetbelasting; ernstig verwijt

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:HR:2006:AZ0758

  • Hoge Raad · 10 november 2006

    Ontslag stichtingsbestuurders ex artikel 2:298 BW: belanghebbende en uitvoerbaarverklaring bij voorraad

    “[…] als bestuurders van de Stichting met benoeming van een derde tot bestuurder. Eveneens op 12 januari 2004 is [verweerder 1], met onmiddellijke ingang, door [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ontslagen als bestuurder van de Stichting. De rechtbank heeft in haar eindbeschikking geoordeeld dat [verzoeker 2] en [verzoeker 1] in strijd met de statuten (art. 8 lid 6 en art. 9 lid 1) en de wet (art. 2:9 BW) hebben gehandeld en dat zij zich tevens hebben schuldig gemaakt aan wanbeheer. Op deze gronden heeft de rechtbank [verzoeker 1] en [verzoeker 2] als bestuurders van de Stichting ontslagen. Voorts heeft zij de derde volzin van art. 3.1 van de statuten van de Stichting, waarin is bepaald dat IHD International B.V. 2/3 gedeelte van het bestuur van de Stichting benoemt, buiten werking gesteld en mr. J.C. Dorrepaal als bestuurder benoemd. De rechtbank heeft deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof heeft de door de rechtbank gegeven beschikking bekrachtigd, met dien verstande dat het art. 3.1 van de statuten van de Stichting heeft gewijzigd. Ook het hof heeft zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.”

    r.o. 3.1

    ECLI:NL:HR:2006:AY8290

  • Hoge Raad · 4 april 2003

    Skipper Club Charter/Jaarsma

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW: maatstaf ernstig verwijt na enquêtebeschikking

    “[…] Hof heeft, voorzover in cassatie van belang, als volgt geoordeeld. De beschikkingen van de Ondernemingskamer van 7 november 1996 en 27 maart 1997 hebben geen directe betekenis voor de in het onderhavige geding door SCC in reconventie gestelde rechtsbetrekking tussen partijen. De onderhavige vordering van SCC is er hoofdzakelijk op gegrond, dat [verweerder] onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:9 BW zou hebben gepleegd, maar de Ondernemingskamer heeft in haar eerstgenoemde beschikking beoordeeld, of er bij SCC sprake was van wanbeleid in de zin van art. 2:355 BW (rov. 8). Een op art. 2:9 BW gebaseerde aansprakelijkheid zoals door SCC gesteld, kan slechts worden aangenomen in het geval dat de betrokken bestuurder als zodanig (en derhalve niet als aandeelhouder) zo onmiskenbaar en duidelijk in de vervulling van zijn taken is tekortgekomen, dat daarover geen redelijk oordelend ondernemer zou kunnen twijfelen (rov. 9). SCC heeft onvoldoende concreet feiten en omstandigheden gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat [verweerders] - al dan niet door anderen gecorrigeerde - uitvoering van de hem opgedragen taak als bestuurder van SCC van dien aard was, dat deze voldeed aan de hiervoor […]”

    r.o. 3.3

    “Met zijn oordeel in rov. 8 dat de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 7 november 1996 en 27 maart 1997 geen directe betekenis hebben voor de in dit geding door SCC (in reconventie) gestelde rechtsbetrekking tussen partijen, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat die beschikkingen niet (tevens) bindend doen vaststaan dat [verweerder] aansprakelijk is op de voet van art. 2:9 BW. Dit oordeel is juist. Onderdeel 1 dat uitgaat van een andere lezing van (dit gedeelte van) rov. 8 van het Hof, kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.”

    r.o. 3.4

    “Onderdeel 2 strekt ten betoge dat het Hof in rov. 9 een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW. Voor deze aansprakelijkheid is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval (laatstelijk HR 29 november 2002, nr. C01/096, RvdW 2002, 195). De bewoordingen van de hiervoor in 3.3 weergegeven rov. 9 van het Hof lijken erop te wijzen dat het Hof aldus een te strenge maatstaf heeft aangelegd. Geheel duidelijk is dit evenwel niet, nu het Hof met zijn rov. 10 tegen de achtergrond van het debat in de feitelijke instanties, en met name ook de stellingen van SCC weergegeven in onderdeel 3.1, onvoldoende inzicht heeft gegeven in de gedachtegang die heeft geleid tot de verwerping van de stelling van SCC dat [verweerder] zich heeft schuldig gemaakt aan onbehoorlijk bestuur. Ook uit rov. 10 valt niet af te leiden welke maatstaf het Hof precies heeft gehanteerd. In zoverre is ook onderdeel 3.3 gegrond. De overige klachten van onderdeel 3 behoeven geen behandeling. Het Hof waarnaar de zaak wordt verwezen, zal opnieuw […]”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:HR:2003:AF3419

  • Hoge Raad · 29 november 2002

    Schwandt/Berghuizer Papierfabriek

    Artikel 2:9 BW: ernstig verwijt bij handelen in strijd met statutaire goedkeuringseis

    “[…] moeten worden betrokken. Het onderdeel stelt dat het Hof niet heeft laten blijken dat het door [eiser] ter zake aangevoerde stellingen heeft laten meewegen. Onderdeel 2.2 betoogt dat ook als moet worden aangenomen dat het Hof zou hebben geoordeeld dat sprake is van een onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 BW van [eiser] - als een daarop gebaseerde vordering naast die gebaseerd op art. 2:9 BW al mogelijk zou zijn - het oordeel eveneens onbegrijpelijk is, daar het Hof op geen enkele wijze aangeeft waarom en in hoeverre van een onrechtmatige daad door [eiser] sprake zou zijn.”

    r.o. 3.4.3

    “Onderdeel 2.2, dat de Hoge Raad het eerst zal behandelen, kan niet tot cassatie leiden wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft de aansprakelijkheid van [eiser] onmiskenbaar gegrond op art. 2:9 BW.”

    r.o. 3.4.4

    “Onderdeel 2.1 slaagt. Voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat gehandeld is in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, moet in dit verband als een zwaarwegende omstandigheid worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. Indien de aldus aangesproken bestuurder echter feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert, dient de rechter deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel te betrekken. Het onderdeel wijst onder meer erop dat [eiser] heeft aangevoerd dat bij [verweerster] het patroon bestond dat niet-bestuurders vergelijkbare (des)investeringen deden zonder de raad van commissarissen om toestemming te vragen, dat de raad van commissarissen geen belangstelling had voor qua omvang geringe desinvesteringen en geen interesse heeft getoond in de […]”

    r.o. 3.4.5

    ECLI:NL:HR:2002:AE7011

  • Hoge Raad · 10 januari 1997

    Staleman/Van de Ven

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid: ernstig verwijt (artikel 2:9 BW) en reikwijdte van décharge

    “Middel I is gericht tegen 's Hofs oordeel (rov. 19) dat aan de directie in beginsel "een ernstig verwijt van onbehoorlijke taakvervulling kan worden gemaakt in de zin van art. 2:9 BW". De door onderdeel 1 van het middel aangevoerde rechts- klacht betreft de maatstaf die behoort te worden gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of een bestuurder die, zoals [eiser 1] en [eiser 2] , een natuurlijk persoon is en zijn taak in dienstbetrekking vervult, zozeer in een behoorlijke ver- vulling van de hem opgedragen taak is tekortgeschoten dat hij krachtens art. 2:9 BW tegenover de rechtspersoon aan- sprakelijk is voor de schade welke deze als gevolg van die tekortkoming lijdt. Zoals het Hof en ook het onderdeel terecht tot uit- gangspunt nemen, is voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoor- deeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende […]”

    r.o. 3.3.1

    ECLI:NL:HR:1997:ZC2243

  • Hoge Raad · 22 december 2023

    Verwerping cassatie (artikel 81 RO) over artikel 2:9 BW en decharge

    De Hoge Raad verwerpt met toepassing van artikel 81 RO het cassatieberoep in een zaak over de vraag of voormalige bestuurders hun taak niet behoorlijk hebben vervuld (artikel 2:9 BW). Daarbij gaat het om de betekenis van de decharge die bij goedkeuring van de jaarrekening aan het bestuur is verleend. Het arrest bevat geen inhoudelijke motivering.

    ECLI:NL:HR:2023:1796

  • Hoge Raad · 16 juni 2023

    Curator versus bestuurder: administratieplicht, onbehoorlijk bestuur; motiveringsklacht slaagt

    Een curator spreekt de bestuurder en de (middellijk) bestuurder van een failliete bv aan op grond van artikel 2:248 BW (administratieplicht) en onrechtmatige daad. Het hof wees de vorderingen af omdat de curator volgens het hof over de volledige administratie kon beschikken. De Hoge Raad vernietigt dat arrest, omdat het hof op onbegrijpelijke gronden is voorbijgegaan aan de gemotiveerde stellingen van de curator over de onvolledige administratie. De zaak wordt verwezen.

    ECLI:NL:HR:2023:925

  • Hoge Raad · 14 april 2023

    Bestuurdersaansprakelijkheid; dwaling bij certificaathoudersovereenkomst; cassatieberoep verworpen

    De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep tegen een arrest van het hof 's-Hertogenbosch in een zaak over bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:8-2:11 BW) en vernietiging wegens dwaling van de aanvaarding van een afwijking in een certificaathoudersovereenkomst. De Hoge Raad motiveert dit niet, omdat artikel 81 lid 1 RO daarvoor ruimte biedt. Het oordeel van het hof blijft daarmee in stand.

    ECLI:NL:HR:2023:558

  • Hoge Raad · 15 juli 2022

    Cassatie verworpen (artikel 81 RO) in zaak over bestuurdersaansprakelijkheid en arbeidsovereenkomst

    De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep in een zaak over de afwikkeling van een arbeidsovereenkomst en bestuurdersaansprakelijkheid, mede in verband met een naheffingsaanslag loonbelasting. De Hoge Raad doet dit zonder nadere motivering op grond van artikel 81 lid 1 RO. Volgens de inhoudsindicatie speelt onder meer de interne bestuurdersaansprakelijkheid van artikel 2:9 BW een rol.

    ECLI:NL:HR:2022:1107

  • Hoge Raad · 22 maart 2019

    Reikwijdte finale kwijting bij beëindigingsovereenkomst en aansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW

    Een stichting stelde cassatieberoep in in een zaak over de vraag of een beëindigingsovereenkomst met finale kwijting ook de interne bestuurdersaansprakelijkheid van artikel 2:9 BW omvat, naast een beroep op dwaling. De Hoge Raad verwerpt het beroep met toepassing van artikel 81 RO, zonder nadere motivering.

    ECLI:NL:HR:2019:399

  • Hoge Raad · 24 maart 2017

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid: voorzienbaarheid van schade; cassatieberoep verworpen op grond van artikel 81 RO

    De Hoge Raad verwerpt met een korte motivering op grond van artikel 81 RO het cassatieberoep van een bestuurder in een zaak over interne bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:9 BW). Volgens de inhoudsindicatie ging het om de vraag of de schade voor de bestuurder voorzienbaar moest zijn. De Hoge Raad beantwoordt die vraag niet inhoudelijk, zodat het oordeel van het hof in stand blijft.

    ECLI:NL:HR:2017:486

  • Hoge Raad · 10 februari 2017

    Bestuurdersaansprakelijkheid: verkoop activa zonder goedkeuring en incasso belastingteruggaaf; cassatie verworpen

    De Hoge Raad verwerpt met toepassing van artikel 81 lid 1 RO het cassatieberoep in een zaak over bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW. Het verwijt betreft de verkoop van activa zonder statutaire goedkeuring en het incasseren van een belastingteruggaaf die aan een andere vennootschap toekwam. De Hoge Raad motiveert niet nader, omdat de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen.

    ECLI:NL:HR:2017:211

  • Hoge Raad · 8 april 2011

    Aansprakelijkheid statutair bestuurder jegens werkgever; maatstaf artikel 2:9 BW; artikel 81 RO

    De Hoge Raad verwerpt met toepassing van artikel 81 RO het cassatieberoep van een statutair bestuurder die jegens zijn werkgever, een woningstichting, aansprakelijk was gehouden voor schade. Volgens de inhoudsindicatie speelden artikel 7:661 BW en de vraag of ook de maatstaf van artikel 2:9 BW (ernstig verwijt) mocht worden meegewogen. Een inhoudelijke motivering ontbreekt.

    ECLI:NL:HR:2011:BP6594

  • Hoge Raad · 22 januari 2010

    Aansprakelijkheid bestuurder jegens aandeelhouder na voorovereenkomst tijdens surséance; cassatie verworpen

    Een aandeelhouder vorderde schadevergoeding van de bestuurders van een vennootschap omdat tijdens de surséance van betaling buiten zijn medeweten een voorovereenkomst was gesloten tot het van de hand doen van activa. Het ging onder meer om de artikelen 2:8 en 2:9 BW en om schade die een aandeelhouder als aandeelhouder lijdt. Het hof wees de vorderingen tegen de bestuurders af. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO, zonder inhoudelijke motivering.

    ECLI:NL:HR:2010:BK4927

  • Hoge Raad · 18 september 2009

    Bandel

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW: geen verrekening met vordering op gefailleerde vennootschappen

    “Het middel richt rechts- en motiveringsklachten tegen dit oordeel. Het betoogt dat een vordering als bedoeld in art. 2:248 toekomt aan de vennootschap (respectievelijk de failliete boedel) en niet aan de schuldeisers, zodat de ingeroepen verrekening niet kan worden uitgesloten wegens het ontbreken van de vereiste wederkerigheid. Voorts dat de verwijzing van het hof naar het arrest van 14 januari 1983 onjuist, althans niet begrijpelijk is, nu art. 2:248 niet een lex specialis is van art. 6:162 BW, maar een nadere invulling inhoudt van art. 2:9 BW.”

    r.o. 3.3

    “Deze klachten falen, aangezien 's hofs oordeel dat de door [eiseres] gepretendeerde vordering op de gefailleerde vennootschappen door haar niet in verrekening gebracht kan worden met de door de curator tegen haar ingestelde vordering, juist is. De aansprakelijkheid van bestuurders ingevolge de art. 2:138 en 2:248 BW is geen aansprakelijkheid jegens de gefailleerde vennootschap maar een aansprakelijkheid jegens de boedel. De aansprakelijke bestuurder is geen schuldenaar van de gefailleerde, terwijl zijn schuld bovendien niet vóór de faillietverklaring is ontstaan of voortvloeit uit handelingen door hem vóór de faillietverklaring met de vennootschap verricht, zodat niet is voldaan aan de door art. 53 F. voor verrekening gestelde voorwaarden. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 5.987,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. […]”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:HR:2009:BI5912

Conclusies van de A-G (111)

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 mei 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid na overdracht grond zonder toestemming, selectieve betaling en liquidatie; matiging boete

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”

    r.o. 2.24

    ECLI:NL:PHR:2026:455

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 november 2025

    Conclusie A-G: ernstig persoonlijk verwijt indirect bestuurder bij afwikkeling vennootschap, Ontvanger/Roelofsen

    “[…] de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag alleen worden aangenomen dat de bestuurder jegens een schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld als hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. (onder 5.7) d. Van een voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan sprake zijn als de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan hem geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (de zogenoemde Beklamel-norm). De norm komt erop neer dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden. (onder 5.8) e. Ook kan van een voldoende ernstig persoonlijk verwijt sprake zijn als […]”

    r.o. 2.4

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (…). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als […]”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:PHR:2025:1304

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 juli 2025

    Commissarisaansprakelijkheid wegens onbehoorlijk toezicht bij onvoorwaardelijke scheepsbouwverplichting; ernstig verwijt en disculpatie

    “[…] erop neerkomt dat Fairstar mogelijk USD 37,5 miljoen moet betalen terwijl daar geen tegenprestatie van GSI tegenover staat, op zijn minst aanleiding had moeten zijn tot het doen van nader onderzoek inzake de stand van zaken met betrekking tot de FATHOM bijvoorbeeld door navraag te doen bij CSTC/GSI. [erflater en eiser 2] hebben dat nagelaten. Ingevolge artikel 2:140 BW in verbinding met artikel 2:9 BW is [erflater en eiser 2] van dit onbehoorlijk toezicht een ernstig verwijt te maken. Feiten en omstandigheden die hen kunnen disculperen, zijn niet (voldoende) gesteld of gebleken. De vraag of de financiering reëel was behoeft ook hier geen beantwoording, mede gelet op het antwoord van Fairstar c.s. op grief 3 van [de erven] dat het desbetreffende oordeel van de rechtbank geen "zelfstandig drager is van een voor de zaak relevant oordeel''. Het voorgaande leidt tot aansprakelijkheid van [erflater en eiser 2] voor de door Fairstar c.s. geleden schade. [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] stellen dat Fairstar c.s. geen schade hebben geleden, omdat "Fairstar (lees: Dockwise) de FATHOM gewoon heeft afgenomen" en dat zij dus bij hun vorderingen geen belang in de zin van artikel 3:303 BW […]”

    r.o. 6.21

    “[…] 2.2 klaagt dat indien en voor zover rov. 6.21, laatste alinea van het arrest zo moet worden gelezen dat het hof een oordeel geeft over de aansprakelijkheid van [erflater en eiser 2] jegens Dockwise, dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, ook onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. Het hof heeft dan miskend dat art. 2:9 BW (in verbinding met art. 2:149 BW) betrekking heeft op de behoorlijke taakvervulling waartoe de commissarissen tegenover de rechtspersoon (in casu Fairstar) zijn gehouden en op de aansprakelijkheid van de commissarissen jegens de rechtspersoon, en dus niet op de taakvervulling en aansprakelijkheid jegens een (potentiële) aandeelhouder (in casu Dockwise). Bovendien heeft het hof dan ten onrechte de zaak van Dockwise jegens [de erven] in strijd met art. 24 Rv niet onderzocht en beslist op de grondslag van hetgeen Dockwise aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd (kort gezegd: misleidende jaarrekening 2011, misleidende tussentijdse cijfers eerste kwartaal 2012, niet openbaar maken koersgevoelige informatie, althans onvoldoende toezicht op dat specifieke handelen/nalaten van het […]”

    r.o. 3.4

    “Ik maak eerst enkele opmerkingen over het arrest, voor zover van belang voor dit onderdeel. Onder 3.7 hierna keer ik terug naar de subonderdelen. 3.6.1 In rov. 6.11-6.14 gaat het hof in op de vraag of [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza]. aansprakelijk is jegens Fairstar op grond van art. 2:9 BW (in verbinding met art. 2:11 BW). Dan heeft het hof al vastgesteld dat Fairstar vanaf 15 oktober 2011 onvoorwaardelijk gebonden was aan het Shipbuilding Contract inzake de FATHOM en de daaruit voortvloeiende verplichting de aanneemsom van USD 111 miljoen te voldoen (rov. 6.10). De uitkomst van die analyse is, blijkens rov. 6.14, dat volgens het hof aan [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake het aangaan van het Shipbuilding Contract en dat [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] aldus aansprakelijk is jegens Fairstar op grond van art. 2:9 BW (in verbinding met art. 2:11 BW) voor de als gevolg daarvan door Fairstar geleden schade. Daarbij betrekt het hof, kort gezegd: - dat [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] met zijn handelen in strijd met Fairstars statuten bewust de niet voor misverstand vatbare voorwaarde die de rvc had verbonden aan toestemming voor de bouw van de […]”

    r.o. 3.6

    “In rov. 6.11-6.14 gaat het hof in op de vraag of [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza]. aansprakelijk is jegens Fairstar op grond van art. 2:9 BW (in verbinding met art. 2:11 BW). Dan heeft het hof al vastgesteld dat Fairstar vanaf 15 oktober 2011 onvoorwaardelijk gebonden was aan het Shipbuilding Contract inzake de FATHOM en de daaruit voortvloeiende verplichting de aanneemsom van USD 111 miljoen te voldoen (rov. 6.10). De uitkomst van die analyse is, blijkens rov. 6.14, dat volgens het hof aan [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake het aangaan van het Shipbuilding Contract en dat [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] aldus aansprakelijk is jegens Fairstar op grond van art. 2:9 BW (in verbinding met art. 2:11 BW) voor de als gevolg daarvan door Fairstar geleden schade. Daarbij betrekt het hof, kort gezegd: - dat [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] met zijn handelen in strijd met Fairstars statuten bewust de niet voor misverstand vatbare voorwaarde die de rvc had verbonden aan toestemming voor de bouw van de FATHOM (het rond zijn van de financiering) in de wind heeft geslagen en zijn eigen koers heeft gevaren; - dat [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] dus tegen de […]”

    r.o. 3.6.1

    ECLI:NL:PHR:2025:755

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 december 2024

    Bestuurdersaansprakelijkheid: Beklamelcriterium en wat bestuurder mocht veronderstellen over kennis schuldeiser via adviseur

    “[…] die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar contractuele of wettelijke verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de aangesproken bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op de in art. 2:9 lid 1, eerste zin BW vervatte gedragsnorm, een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. 3.7.10 Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak het zogenoemde ‘Beklamelcriterium’ ontwikkeld. Dit eist in de kern dat de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van de verbintenis in kwestie wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden. Bij dit criterium geldt weliswaar dat als de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder kan worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te […]”

    r.o. 3.7 · lid 1

    “Het gaat bij die verzwaarde maatstaf voor art. 6:162 BW-bestuurdersaansprakelijkheid (in essentie: een persoonlijk ernstig verwijt) derhalve om een open norm, ingebed in de omstandigheden van het geval. Dit is niet anders ingeval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar contractuele of wettelijke verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de aangesproken bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op de in art. 2:9 lid 1, eerste zin BW vervatte gedragsnorm, een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

    r.o. 3.7.9 · lid 1

    “Het voorgaande past trouwens tevens bij de nadruk die de Hoge Raad inzake art. 6:162 BW-bestuurdersaansprakelijkheid legt op wat de aangesproken bestuurder ‘wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen’ op een bepaald punt. Zie mede de onder 3.7.7 en 3.7.9-3.7.11 hiervoor genoemde arresten. Dit laat ruimte aan de feitenrechter om, in de gegeven omstandigheden, aan te nemen dat die bestuurder iets niet wist (feitelijk) en ook niet behoefde te weten (normatief). Te wijzen valt hier verder nog op rechtspraak inzake art. 2:9 BW-bestuurdersaansprakelijkheid, waaruit ook volgt dat de aansprakelijkheidsvraag moet worden beantwoord aan de hand van een ernstigverwijtmaatstaf en de omstandigheden van het geval, waarbij van belang kan zijn wat de aangesproken bestuurder veronderstelde omtrent de positie van een andere actor in die casus. Dit strookt voorts met de opvatting, mede verwoord door Timmerman, dat een bestuurder ook moet kunnen afgaan op informatie van anderen over mogelijk intredende gevolgen voor derden van zijn handelen, voor zover hij naar redelijk inzicht geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van de aangereikte informatie.”

    r.o. 3.7.13

    ECLI:NL:PHR:2024:1352

  • Parket bij de Hoge Raad · 11 oktober 2024

    Peeters q.q./Gatzen-actie tegen vennoten van failliete vof; artikel 18 WvK

    “[…] de gefailleerde daarbij betrokken was. In rov. 5.8 licht het hof vervolgens toe: dat de curator niet (toereikend) heeft onderbouwd dat en hoe de vennootschap door de, volgens de curator, gebrekkige inrichting van haar administratie de gezamenlijke schuldeisers heeft benadeeld; en dat het hof de door de curator bepleite analogie met art. 2:248 lid 2 BW in verbinding met art. 2:10 BW en met art. 2:9 BW niet volgt. In rov. 5.9 laat het hof daarop volgen dat, los van de gebrekkige juridische onderbouwing van zijn vordering op dit punt, de curator ook feitelijk onvoldoende heeft onderbouwd dat niet voldaan is aan de administratieplicht van, in dit geval, art. 3:15i BW. De conclusie is, aldus het hof in rov. 5.10, dat het beroep op art. 6:162 BW faalt voor zover het op schending van de administratieplicht is gestoeld. En dat grief II van de curator dus faalt. g. Daarop wendt het hof de steven naar ad (ii)-(iv). In rov. 5.11 legt het uit dat in de onderhavige procedure (dus in de verhouding curator-vennoten) niet vaststaat dat, en in hoeverre, Menzis en de gemeente Enschede/Samen14 (terug)vorderingen hebben op de vennootschap wegens te veel of onterecht gedeclareerde zorg. En dat de […]”

    r.o. 5.3

    “[…] van het arrest afhankelijk is van ’s hofs (impliciete) oordeel over, althans gekozen uitgangspunt met betrekking tot, de reikwijdte van art. 3:15i BW. Welnu, die afhankelijkheid is er niet. 3.19.2 In rov. 5.8 oordeelt het hof, samengevat, dat het geen aanleiding ziet voor de door de curator bedoelde toepassing naar analogie van art. 2:248 lid 2 BW in verbinding met art. 2:10 BW en ook van art. 2:9 BW. Dit oordeel berust erop dat een vof geen kapitaalvennootschap en zelfs geen rechtspersoon is, dat haar vennoten geen bestuurders zijn en dat art. 18 WvK de mogelijkheid biedt de vennoten aan te spreken. Dit oordeel, dat dus niet berust op wat volgens het hof de reikwijdte is van art. 3:15i BW, wordt - het zij genoteerd - in cassatie niet bestreden. In rov. 5.9 gaat het hof dan slechts ten overvloede nog in op art. 3:15i BW. Het stelt daarin immers voorop, onder verwijzing naar rov. 5.8, dat de juridische onderbouwing van de vordering van de curator ter zake dus gebrekkig is. “Los” daarvan, aldus het hof, is het “van oordeel dat de curator ook feitelijk onvoldoende heeft onderbouwd dat niet voldaan is aan de administratieplicht van, in dit geval, artikel 3:15i BW.” In rov. 5.10 […]”

    r.o. 3.19

    “In rov. 5.8 oordeelt het hof, samengevat, dat het geen aanleiding ziet voor de door de curator bedoelde toepassing naar analogie van art. 2:248 lid 2 BW in verbinding met art. 2:10 BW en ook van art. 2:9 BW. Dit oordeel berust erop dat een vof geen kapitaalvennootschap en zelfs geen rechtspersoon is, dat haar vennoten geen bestuurders zijn en dat art. 18 WvK de mogelijkheid biedt de vennoten aan te spreken. Dit oordeel, dat dus niet berust op wat volgens het hof de reikwijdte is van art. 3:15i BW, wordt - het zij genoteerd - in cassatie niet bestreden. In rov. 5.9 gaat het hof dan slechts ten overvloede nog in op art. 3:15i BW. Het stelt daarin immers voorop, onder verwijzing naar rov. 5.8, dat de juridische onderbouwing van de vordering van de curator ter zake dus gebrekkig is. “Los” daarvan, aldus het hof, is het “van oordeel dat de curator ook feitelijk onvoldoende heeft onderbouwd dat niet voldaan is aan de administratieplicht van, in dit geval, artikel 3:15i BW.” In rov. 5.10 bereikt het hof de conclusie “dat het beroep op [art.] 6:162 BW faalt voor zover het op deze grond (schending administratieplicht) is gestoeld.””

    r.o. 3.19.2

    ECLI:NL:PHR:2024:1064

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 april 2024

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid stichting Curaçao: verjaring, matiging en hoofdelijkheid

    “[…] verlengingsgrond voor de verjaring tussen rechtspersonen en hun bestuurders. Die bepalingen behelzen niet dat wetenschap van een bestuurder in het maatschappelijk verkeer te gelden heeft als wetenschap van de rechtspersoon. (onder 4.8) Strijd met statuten e. De grondslag van de vorderingen van BZV betreft bestuursaansprakelijkheid ex art. 2:14 BW-CUR, het Curaçaose equivalent van art. 2:9 BW-NL dat ziet op de interne aansprakelijkheid van de bestuurder. Volgens BZV hebben [oud-bestuurders 1 en 2] , onder meer wat betreft de besluitvorming, in strijd gehandeld met de statuten. (onder 4.9) f. Richtinggevend zijn de arresten ‘ […] / […] ’ (ECLI:NL:HR:1997:ZC2243) en ‘ […] /Berghuizer Papierfabriek’ (ECLI:NL:HR:2002:AE7011). In het laatstgenoemde arrest heeft de Hoge Raad overwogen: ‘3.4.5 (…) Voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat gehandeld is in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, moet in dit verband als een […]”

    r.o. 2.7

    ECLI:NL:PHR:2024:382

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 februari 2024

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW: geen klachtplicht artikel 6:89 BW, décharge, ernstig verwijt

    “[…] € 5 miljoen die aan Parkdale was overgemaakt niet behoort tot het vermogen van Parkdale, maar tot het vermogen van Dala Mining. - In rov. 3.19-3.32 bespreekt het hof Parkdale’s vordering inzake de aan Dumul en [betrokkene 3] verstrekte leningen van $ 600.000,- respectievelijk $ 250.000,- (als toegekend door de rechtbank), waarbij het leerstuk van interne bestuurdersaansprakelijkheid speelt (art. 2:9 BW). Daarbij betrekt het hof de aan het verweer van [eiser] te stellen eisen (rov. 3.25-3.28), het (tevergeefs gedane) beroep van [eiser] op decharge (rov. 3.29-3.31), en de geleden schade (rov. 3.32). - In rov. 3.33-3.40 bespreekt het hof Parkdale’s vordering inzake [de maatschap] ’s declaraties aan Parkdale, waarbij het leerstuk van onverschuldigde betaling speelt (art. 6:203 e.v. BW). - In rov. 3.41-3.47 bespreekt het hof de vordering van Parkdale inzake overboeking van de saldi van Parkdale’s opgeheven Rabobankrekening naar bankrekeningen op naam van [eiser] en [betrokkene 1] , in welk verband het leerstuk van onverschuldigde betaling speelt (art. 6:203 e.v. BW). - In rov. 3.51 passeert het hof het bewijsaanbod, in rov. 3.52 bereikt het hof de conclusie. In cassatie”

    r.o. 2.10

    “[…] van beide grondslagen rechtvaardigt een beroep op schending van de klachtplicht.In het eerste geval (interne bestuurdersaansprakelijkheid) geldt als uitgangspunt dat de vennootschapsrechtelijke verhouding tussen de bestuurder en de rechtspersoon specifieke, in de wet geregelde rechten en plichten meebrengt. De aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de rechtspersoon op grond van artikel 2:9 BW is gebaseerd op de verplichting van de bestuurder om daaraan invulling te geven. Die bepaling is op zichzelf echter geen bron van een verbintenis tussen bestuurder en rechtspersoon tot het verrichten van enige concrete prestatie. Schending van de daarin geregelde verplichting resulteert daarom niet in een verbintenis waarop afdeling 9 van titel 1 van boek 6 BW van toepassing is. [eiser] / [de maatschap] komt met betrekking tot een vordering die is gebaseerd op schending van artikel 2:9 BW dan ook geen beroep toe op het in die afdeling opgenomen artikel 6:89 BW. Hetzelfde geldt voor het laatste geval (onverschuldigde betaling). In die situatie is namelijk niet sprake van een gebrekkige of ondeugdelijke prestatie van de ontvangers van de betaling (gedaagden [eiser] c.s.) waarover zou […]”

    r.o. 3.16

    “Volgens het onderdeel miskent het hof met diens oordeel in rov. 3.16 van het arrest dat zowel de schuldeiser van een op art. 2:9 BW gebaseerde vordering als de schuldeiser van een vordering uit onverschuldigde betaling zijn aanspraken kan verliezen door niet tijdig te klagen. Want de regeling van de klachtplicht heeft niet als ratio dat de schuldeiser (“crediteur”) van een verplichting zijn schuldenaar (“debiteur”) erover informeert dat hij vindt dat er niet goed is gepresteerd, zodat de schuldenaar alsnog de gelegenheid krijgt aan de wensen van de schuldeiser te voldoen (zoals bij de regeling van het verzuim). Nee, die ratio is gelegen in processuele bescherming van de (vermeende) schuldenaar: “Indien immers tussen partijen een geschil zou blijken te bestaan waarbij de ene partij zich beroept op feiten en omstandigheden, terwijl de andere partij door gebeurtenissen die zich in de loop der tijd voltrekken na verloop van tijd in zijn verdediging wordt geschaad, dan dient die schuldeiser van het bestaan van de door hem gepretendeerde vordering zodanig tijdig blijk te geven, dat de wederpartij in een eventueel geding bewijs of tegenbewijs kan leveren (Vergelijk “Pekingeenden”, HR […]”

    r.o. 3.6

    “Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.”

    r.o. 3.7

    ECLI:NL:PHR:2024:185

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 december 2023

    Decharge bij jaarrekening en uitleg van besluiten; interne bestuurdersaansprakelijkheid

    “De vennootschap Pluvezo spreekt haar voormalige (indirecte) bestuurders [verweersters] aan op grond van niet-behoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW). Het verwijt dat aan [verweersters] wordt gemaakt is dat namens Pluvezo leningen zijn verstrekt zonder dat voor de terugbetaling daarvan zekerheden zijn bedongen. [verweersters] hebben diverse verweren gevoerd.”

    r.o. 1.2

    ECLI:NL:PHR:2023:1194

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 september 2023

    Bestuurdersaansprakelijkheid wegens schending exclusiviteitsbeding door vennootschap; ernstig verwijt en voorzienbaarheid

    “[…] van [eiser] als bestuurder van Login alsmede op aansprakelijkheid als deelnemer aan de joint venture Waste Products, in welk geval juist Login als deelnemer aansprakelijk is in plaats van [eiser] (die immers niet zelf deelnam in Waste Products), zo voegt [eiser] toe. Ten slotte is ook denkbaar, aldus [eiser] , dat het hof het oog heeft gehad op aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW van [eiser] en Login jegens Waste Products, zonder overigens de onbehoorlijk-bestuur-maatstaf te noemen of daaraan te toetsen. In die lezing zijn als uitgangspunt niet alleen [eiser] (via art. 2:11 BW) en Login als bestuurder van Waste Products aansprakelijk, maar ook haar medebestuurder van Waste Products, DBICS, nu op grond van art. 2:9 BW als uitgangspunt het hele bestuur aansprakelijk is. De in randnummer 4.1. onder (iii) en (iv) geciteerde passages verdragen zich met een dergelijk art. 2:9 BW-oordeel weer niet goed, volgens [eiser] . Voorts is niet duidelijk welk gedrag precies verweten wordt: het hof spreekt van rechtstreekse concurrentie door [eiser] of Login, maar lijkt ook voort te bouwen op de schending van het exclusiviteitsbeding door Login. Daarmee heeft het hof […]”

    r.o. 3.51

    “[…] Login en Waste Products en niet de wijze waarop Login als bestuurder (en [eiser] als indirect bestuurder) van Waste Products heeft gehandeld. Waste Products kan als buitenstaander tegen [eiser] als bestuurder van hun contractuele wederpartij alleen ageren op grond van onrechtmatige daad en dat heeft het hof ook onmiskenbaar tot uitgangspunt genomen. De door [eiser] aangedragen grondslag van art. 2:9 in verbinding met art. 2:11 BW speelt hier dus geen rol. Ook blijkt uit niets dat het hof heeft gemeend dat [eiser] ten opzichte van Waste Products aansprakelijk is wegens ‘eigen gedragingen’, los van zijn rol als bestuurder van Login. De terloopse woorden “Als (…) deelnemer aan de joint venture” in de tweede zin van rov. 4.45. wijzen niet erop dat het hof iets anders heeft bedoeld. De desbetreffende zin, die wat slordig is geformuleerd, heeft in het licht van rov. 4.44. klaarblijkelijk betrekking op het handelen van [eiser] als bestuurder en dus als vertegenwoordiger van Login, de contractuele wederpartij van Waste Products: “Omdat [eiser] [als bestuurder en dus vertegenwoordiger van Login, AG] geen toestemming verkreeg van WP c.s. om een SRTC voor BWaste te ontwikkelen en hij – […]”

    r.o. 3.52

    “Tegen deze achtergrond behoeft een groot deel van onderdeel 4 geen inhoudelijke bespreking. De klachten in randnummers 4.6. tot en met 4.8. van de procesinleiding nemen alle tot uitgangspunt dat het hof [eiser] aansprakelijk heeft gehouden voor ‘eigen gedragingen’ die [eiser] niet als bestuurder van Login heeft verricht. De klachten in randnummers 4.9. tot en met 4.13. nemen alle tot uitgangspunt dat aan het oordeel dat [eiser] aansprakelijk is art. 2:9 BW (in verbinding met art. 2:11 BW) ten grondslag ligt. Gelet op het voorgaande missen deze klachten feitelijke grondslag en falen zij.”

    r.o. 3.53

    “De klachten in randnummers 4.4. en 4.5. van de procesinleiding resteren. Randnummer 4.4. stelt de door de hof gehanteerde maatstaven voor bestuurdersaansprakelijkheid aan de orde. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat [eiser] op grond van art. 6:162 BW in zijn hoedanigheid van bestuurder van Login aansprakelijk is voor de schade van Waste Products wegens de schending door Login van het exclusiviteitsbeding en het aldus concurreren met Waste Products, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus [eiser] . Het hof heeft eraan voorbijgezien dat voor dergelijke aansprakelijkheid onvoldoende is dat de bestuurder wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap door het handelen van de vennootschap schade zou lijden dan wel dat als gevolg van die wanprestatie concurrentie door de vennootschap zou plaatsvinden met de schuldeiser. In de door het hof genoemde gevalstypen is – vanwege de hoge drempel die geldt voor bestuurdersaansprakelijkheid – in ieder geval steeds ook vereist dat voor de bestuurder voorzienbaar is dat de vennootschap geen verhaal zou kunnen bieden voor de als gevolg van de wanprestatie voor de schuldeiser opgetreden schade, zo […]”

    r.o. 3.54

    ECLI:NL:PHR:2023:772

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 september 2023

    Bestuurdersaansprakelijkheid: ontzenuwing causaliteitsvermoeden en stelplicht curator bij dubieuze transacties

    “Op 12 augustus 2019 heeft de curator [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank). En daarbij gevorderd, kort gezegd, dat de rechtbank: I. voor recht verklaart: primair: - dat [verweerder] de taak als MAC’s bestuurder en feitelijk beleidsbepaler kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld (art. 2:248 BW); - dat deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door [verweerder] een belangrijke oorzaak is van MAC’s faillissement; - dat [verweerder] hoofdelijk aansprakelijk is voor MAC’s boedeltekort; subsidiair: - dat [verweerder] als MAC’s bestuurder en feitelijk beleidsbepaler in het kader van art. 2:9 BW ernstig verwijtbaar heeft gehandeld; - dat deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door [verweerder] een belangrijke oorzaak is van MAC’s faillissement; - dat [verweerder] hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de schuldeisers geleden schade, zijnde MAC’s boedeltekort; II. [verweerder] hoofdelijk veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan de curator: van MAC’s boedeltekort; van € 200.000,-- als voorschot; en van de proces- en nakosten.”

    r.o. 2.1

    “[…] bedoeld in art. 2:394 BW en het aangaan van een viertal transacties die als paulianeus/frauduleus kunnen worden gekwalificeerd. Voor deze transacties heeft te gelden dat van betaling van de koopsommen aan MAC niet is gebleken respectievelijk de overeenkomsten die aan de transacties ten grondslag liggen niet in de administratie zijn aangetroffen. Subsidiair heeft [verweerder 1] op grond van art. 2:9 BW ernstig verwijtbaar gehandeld omdat deze transacties hebben geleid tot het leeghalen van MAC. Voor [verweerster 2] geldt dat zij heeft meegewerkt aan deze transacties, terwijl zij als echtgenote van bestuurder [verweerder 1] én als enig aandeelhouder over alle informatie beschikte van MAC, en zij bovendien transacties boven het bedrag van € 15.000,-- diende goed te keuren. Daarmee is zij volgens de curator te bestempelen als feitelijk beleidsbepaler in de zin van art. 2:248 lid 7 BW.(…) Aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW 9.4.9. De curator heeft aan zijn vordering op [verweerder 1] nog subsidiair ten grondslag gelegd dat [verweerder 1] op grond van artikel 2:9 BW ernstig verwijtbaar heeft gehandeld omdat de hiervoor genoemde vier 'dubieuze’ transacties hebben geleid tot […]”

    r.o. 3.37

    “[…] bedoeld in art. 2:394 BW en het aangaan van een viertal transacties die als paulianeus/frauduleus kunnen worden gekwalificeerd. Voor deze transacties heeft te gelden dat van betaling van de koopsommen aan MAC niet is gebleken respectievelijk de overeenkomsten die aan de transacties ten grondslag liggen niet in de administratie zijn aangetroffen. Subsidiair heeft [verweerder 1] op grond van art. 2:9 BW ernstig verwijtbaar gehandeld omdat deze transacties hebben geleid tot het leeghalen van MAC. Voor [verweerster 2] geldt dat zij heeft meegewerkt aan deze transacties, terwijl zij als echtgenote van bestuurder [verweerder 1] én als enig aandeelhouder over alle informatie beschikte van MAC, en zij bovendien transacties boven het bedrag van € 15.000,-- diende goed te keuren. Daarmee is zij volgens de curator te bestempelen als feitelijk beleidsbepaler in de zin van art. 2:248 lid 7 BW.(…) Aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW 9.4.9. De curator heeft aan zijn vordering op [verweerder 1] nog subsidiair ten grondslag gelegd dat [verweerder 1] op grond van artikel 2:9 BW ernstig verwijtbaar heeft gehandeld omdat de hiervoor genoemde vier 'dubieuze’ transacties hebben geleid tot […]”

    r.o. 9.2.2

    “[…] dat dit (mede) een belangrijke oorzaak van MAC’s faillissement is geweest. Waarop het hof voortbouwt in rov. 9.4.13, specifiek met de overwegingen dat niet aannemelijk is geworden dat kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak was van MAC’s faillissement en er in verband met de vier ‘dubieuze transacties’ ook geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen in de zin van art. 2:9 BW. 3.39.3 Voor die uitleg spreekt voorts dat de curator in diens memorie van antwoord in de hoofdzaak zijn vorderingen subsidiair heeft aangevuld met die art. 6:162 BW-grondslag. Zie onder 3.38 hiervoor. Dat [verweerder] daarop heeft gereageerd bij nadere akte in de hoofdzaak, daarbij onderkennend wat de curator in diens memorie van antwoord in de hoofdzaak ter zake voor ogen stond. En dat de curator daarop weer heeft gereageerd bij antwoordakte in de hoofdzaak. Zie onder 3.38 hiervoor. Het ligt bij deze stand van zaken niet voor de hand dat het hof dit onderdeel van het processuele debat heeft gemist. Beter voorstelbaar is dat het hof geen aanleiding heeft gezien in het arrest nadere aandacht te besteden aan die art. 6:162 BW-grondslag dan het (impliciet) doet, gezien 3.39.1-3.39.2 […]”

    r.o. 3.39

    ECLI:NL:PHR:2023:760

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 mei 2023

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid: verjaring en toerekening van kennis aan rechtspersoon

    “[…] Zwitserland. Een ontbrekend bedrag van USD 75.000 is op 10 maart 2006 door Clipper aan Fox betaald. De USD 610.000 die wel door Clipper aan Genchart was betaald, is door Genchart doorbetaald aan Fox. Aan deze betalingen lag geen rechtsgeldige titel ten grondslag. [verweerder] is daarom ten opzichte van Genchart tekortgeschoten in de behoorlijke vervulling van zijn taak zoals bedoeld in artikel 2:9 BW. Gelet op het bepaalde in artikel 2:11 BW rust de aansprakelijkheid van Genchart Holding jegens Genchart hoofdelijk op [verweerder] in privé. Bij akte van cessie van 6 juli 2015 heeft Genchart haar vordering overgedragen aan [Holding] en van die overdracht is op dezelfde datum mededeling gedaan aan [verweerder] , aldus nog steeds [Holding] . 3.108 [verweerder] c.s. heeft gemotiveerd betwist dat [verweerder] zijn taak als (indirect) bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld. Wat betreft zijn beroep op verjaring heeft [verweerder] c.s. gesteld dat de desbetreffende transacties in maart 2006 bij Genchart bekend waren. [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) wist van deze transacties. [betrokkene 5] was financieel directeur van Genchart en [Holding] . Hij was belast met de treasury van […]”

    r.o. 2.7

    “[…] persoon in de zin van art. 3:310 lid 1 BW, kan die overweging op verschillende gronden - want rechtens onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd, zoals nader uitgewerkt in de klacht - niet in stand blijven. 3.41.3 De derde klacht. Ook is onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het hof kennis van de belastingadviseur van [Holding] heeft toegerekend aan Genchart. In 2010, toen Genchart haar art. 2:9 BW-vordering nog niet had gecedeerd aan [Holding] , ging het nog om de vraag of Genchart “in staat was een vordering tegen [verweerder] in te stellen”. Voor zover het hof in rov. 3.112 heeft beoordeeld of [Holding] in 2010 in staat was een vordering tegen [verweerder] in te stellen, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over art. 3:310 BW, althans is ’s hofs overweging zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Art. 3:310 BW verlangt bekendheid met de schade van de benadeelde en de aansprakelijke persoon. Niet ter discussie staat dat Genchart de benadeelde is in de zin van art. 3:310 BW (zie rov. 3.107). 3.41.4 De vierde klacht. Voor zover in rov. 3.112 besloten ligt dat kennis van de belastingadviseur van [Holding] aan Genchart dient te worden toegerekend, geeft die […]”

    r.o. 3.41

    “De derde klacht. Ook is onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het hof kennis van de belastingadviseur van [Holding] heeft toegerekend aan Genchart. In 2010, toen Genchart haar art. 2:9 BW-vordering nog niet had gecedeerd aan [Holding] , ging het nog om de vraag of Genchart “in staat was een vordering tegen [verweerder] in te stellen”. Voor zover het hof in rov. 3.112 heeft beoordeeld of [Holding] in 2010 in staat was een vordering tegen [verweerder] in te stellen, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over art. 3:310 BW, althans is ’s hofs overweging zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Art. 3:310 BW verlangt bekendheid met de schade van de benadeelde en de aansprakelijke persoon. Niet ter discussie staat dat Genchart de benadeelde is in de zin van art. 3:310 BW (zie rov. 3.107).”

    r.o. 3.41.3

    “[…] bekend had kunnen of moeten zijn. Door aan de wetenschap van [betrokkene 5] over de transactie en betalingen de conclusie te verbinden dat [Holding] op of omstreeks 28 januari 2008 op de hoogte was van de feiten die de grondslag vormen van het aan [verweerder] verweten onbehoorlijk bestuur en de gestelde schade, heeft het hof ofwel miskend dat art. 3:310 BW bij een vordering op de voet van art. 2:9 BW kennis en inzicht verlangt in het onbehoorlijke karakter van het bestuur (hier dus van de transactie en betalingen), althans is ’s hofs overweging zonder nadere overweging onbegrijpelijk. 3.59.3 De derde klacht. Het hof heeft art. 149 Rv en/of art. 150 Rv onjuist toegepast, indien aan ’s hofs oordeel impliciet ten grondslag ligt dat [Holding] had moeten stellen (en bewijzen) dat [betrokkene 5] niet op de hoogte was van het onbehoorlijke karakter van de transactie en betalingen en dat [Holding] onvoldoende heeft gesteld, waardoor tot uitgangspunt moet worden genomen dat [betrokkene 5] wist van het onbehoorlijke karakter van de transactie en betalingen. 3.59.4 De vierde klacht. [Holding] voert de in subonderdeel 3A en hiervoor in subonderdeel 3B geformuleerde klachten ook aan tegen […]”

    r.o. 3.59

    ECLI:NL:PHR:2023:490

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 januari 2023

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid wegens heimelijke activiteiten; uittredingsregeling certificaten en dwaling

    “[…] [verweerders] heeft aangedaan. De vorderingen gebaseerd op onrechtmatige concurrentie wijst het hof af (rov. 3.28-3.31). De vorderingen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid wijst het hof toe. De heimelijk verrichte activiteiten van [eiser 4] met betrekking tot contacten en medewerkers van PlantLab acht het hof evident in strijd met de verplichting tot behoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW). Daarnaast is sprake van strijd met de rechtspersonenrechtelijke redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW). Daarmee is MAC aansprakelijk tegenover PlantLab. [eiser 4] is naast MAC hoofdelijk aansprakelijk op grond van art. 2:11 BW. Het hof verwijst de zaak naar de schadestaat (rov. 3.32-3.34). 3.12.6 Resteren, als vierde geschilpunt, de vorderingen die verband houden met het openbaar maken van bedrijfsgeheimen. Het gebod dat de rechtbank aan MAC heeft opgelegd om bedrijfsgeheimen van PlantLab geheim te houden is volgens het hof te algemeen geformuleerd. Dit zal het hof vernietigen, en de daartoe strekkende vordering zal het hof afwijzen. Wel is het hof van oordeel dat [eisers] hun geheimhoudingsplicht hebben geschonden en aansprakelijk zijn voor de schade die PlantLab daardoor […]”

    r.o. 3.12

    “Het derde geschilpunt betreft de onrechtmatige concurrentie die [eisers] [verweerders] heeft aangedaan. De vorderingen gebaseerd op onrechtmatige concurrentie wijst het hof af (rov. 3.28-3.31). De vorderingen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid wijst het hof toe. De heimelijk verrichte activiteiten van [eiser 4] met betrekking tot contacten en medewerkers van PlantLab acht het hof evident in strijd met de verplichting tot behoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW). Daarnaast is sprake van strijd met de rechtspersonenrechtelijke redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW). Daarmee is MAC aansprakelijk tegenover PlantLab. [eiser 4] is naast MAC hoofdelijk aansprakelijk op grond van art. 2:11 BW. Het hof verwijst de zaak naar de schadestaat (rov. 3.32-3.34).”

    r.o. 3.12.5

    “Het cassatiemiddel bestaat uit vijf inhoudelijke onderdelen. Onderdelen 1 en 2 gaan over het dwalingsoordeel. Onderdeel 3 bestrijdt de prijsbepaling van de certificaten. Onderdeel 4 gaat in tegen het oordeel dat [eisers] op grond van art. 2:9 en 2:11 BW aansprakelijk zijn. Onderdeel 5 richt zich tegen de afwijzing van de vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten van [eisers] Onderdeel 6 tot slot bevat een voortbouwklacht. Onderdeel 1 – Vernietiging op grond van dwaling; reikwijdte van vernietiging”

    r.o. 4.1

    “Daarmee faalt ook onderdeel 3 in zijn geheel. Onderdeel 4 – Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:9 en 2:11 BW?”

    r.o. 4.94

    ECLI:NL:PHR:2023:91

  • Parket bij de Hoge Raad · 2 december 2022

    Conclusie A-G: curator tegen (middellijk) bestuurders, artikel 2:248 BW, administratieplicht en geldstromen

    “[…] hofs overwegingen in rov. 3.3-3.9, die ik ook citeer: “3.3. De curator legt, volgens de weergave van de rechtbank, aan zijn vorderingen ten grondslag dat [verweerder 1] en de [Holding] als (middellijk) bestuurder van [A] de vennootschap onbehoorlijk hebben bestuurd. Hij baseert zijn vorderingen op artikel 2:248 BW, waarbij de curator een beroep doet op schending van de boekhoudplicht, artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW. Hij voert daartoe aan dat [A] na haar oprichting alle activa en activiteiten van [verweerster 3] heeft overgenomen. [verweerster 3] bleef achter met een belastingschuld en mogelijk nog andere schulden. De onderneming is geruisloos overgegaan zonder dat de meeste relaties dat merkten. Het nieuwe [A] kon de schuldeisers niet op tijd betalen. Een belangrijke oorzaak daarvan is dat de betalingen werden omgeleid naar de bankrekeningen van [verweerder 1] , de [Holding] en [verweerster 3] . In januari 2016 was er reeds een tekort ontstaan van € 250.000,00. Op 10 februari 2016 heeft een van de schuldeisers aan [A] meegedeeld dat een faillissementsrekest was ingediend. Daarop zijn voorbereidingen getroffen om de onderneming over te hevelen naar de [Holding] . De […]”

    r.o. 2.9

    ECLI:NL:PHR:2022:1133

  • Parket bij de Hoge Raad · 2 december 2022

    Matiging bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 lid 4 BW: limitatieve gronden

    “[…] 4 uitputtend zijn. Dit limitatieve karakter betekent volgens A-G Assink echter niet dat die gronden ook restrictief moeten worden uitgelegd of ingevuld. Ik sluit mij daarbij aan. Een bepaling die fraudebestrijding nastreeft en daarom voor een bestuurder kan leiden tot een verdergaande betalingsverplichting (het gehele boedeltekort) dan waarvoor hij aansprakelijk kan worden gehouden o.g.v. art. 2:9 BW of art. 6:162 BW (schade), dient een correctiemogelijkheid te bevatten om te voorkomen dat de omvang van die betalingsverplichting disproportioneel uitvalt. Mij lijkt een dergelijke bescherming tegen onredelijke consequenties vooral van belang als bestuurders aansprakelijk worden gehouden op grond van het vermoeden genoemd in lid 2 van art. 2:248 BW. Zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven vaststellingen van het hof (in cassatie niet bestreden), is er in deze zaak duidelijk meer aan de hand dan het niet tijdig voldoen aan de boekhoudplicht of de publicatieplicht (zie rov. 13).”

    r.o. 4.5

    ECLI:NL:PHR:2022:1136

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 november 2022

    Curator vordert van bestuurder schade na selectieve betaling bank; Peeters/Gatzen-vordering?

    “De curator heeft [eiser] en [de medebestuurder] op 2 februari 2017 gedagvaard voor de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen. De curator heeft vorderingen ingesteld die, kort samengevat en voor zover in cassatie nog van belang, ertoe strekken voor recht te verklaren dat [eiser] en [de medebestuurder] aansprakelijk zijn jegens Drent Goebel en Drent Holding op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. De curator baseerde zijn vorderingen primair op art. 2:248 BW, subsidiair op art. 2:9 BW, en meer subsidiair op art. 6:162 BW. Mr. Wevers – de curator van Trend – heeft vergelijkbare vorderingen ingesteld tegen [eiser] en [de medebestuurder] namens Trend. De curatoren, die over en weer als elkaars advocaten zijn opgetreden, hebben hun vorderingen gebundeld in dezelfde dagvaarding.”

    r.o. 3.1

    “De rechtbank heeft bij vonnis van 25 juli 2018 alle vorderingen van de curatoren afgewezen. Ten aanzien van de meer subsidiaire vordering gebaseerd op art. 6:162 BW heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen: “6.31. Nu de vorderingen van de curator voor zover deze zijn gegrond op artikel 2:9 BW, niet kunnen worden toegewezen, volgt uit hetgeen hiervoor (…) is overwogen dat de stellingen van de curator ontoereikend zijn om tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW te kunnen komen:”

    r.o. 3.2

    “[…] van het tekort in het faillissement van Drent Holding B.V., op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; II. voor zover uw Hof de vordering onder I ten aanzien van R.J.W.M. [de medebestuurder] en/of [eiser] afwijst, voor recht verklaart dat R.J.W.M. [de medebestuurder] en/of [eiser] tekort is/zijn geschoten in de behoorlijke vervulling van de hen opgedragen taak als bedoeld in artikel 2:9 BW en/of toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW, en R.J.W.M. [de medebestuurder] en/of [eiser] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van alle door Drent Holding B.V. als gevolg daarvan geleden en te lijden schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (…).” De vorderingen ten aanzien van Drent Goebel B.V. zijn gelijkluidend.”

    r.o. 3.3

    “Na te hebben overwogen dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van de curatorenheeft het hof, voor zover in cassatie van belang, onder meer onderzocht of beide bestuurders extern aansprakelijk zijn voor schade van derden die schuldeiser zijn van de gefailleerde vennootschappen. Het hof overweegt: “- Aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 en op grond van onrechtmatig handelen ex 6:162 BW”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:PHR:2022:1075

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 november 2022

    Peeters/Gatzen-vordering en selectieve betaling bij bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement

    “De curator heeft [de medebestuurder] en [eiser] op 2 februari 2017 gedagvaard voor de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen. De curator heeft vorderingen ingesteld die, kort samengevat en voor zover in cassatie nog van belang, ertoe strekken voor recht te verklaren dat [de medebestuurder] en [eiser] aansprakelijk zijn jegens Drent Goebel en Drent Holding op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. De curator baseerde zijn vorderingen primair op art. 2:248 BW, subsidiair op art. 2:9 BW, en meer subsidiair op art. 6:162 BW. Mr. Wevers – de curator van Trend – heeft vergelijkbare vorderingen ingesteld tegen [de medebestuurder] en [eiser] namens Trend. De curatoren, die over en weer als elkaars advocaten zijn opgetreden, hebben hun vorderingen gebundeld in dezelfde dagvaarding.”

    r.o. 3.1

    “De rechtbank heeft bij vonnis van 25 juli 2018 alle vorderingen van de curatoren afgewezen. Ten aanzien van de meer subsidiaire vordering gebaseerd op art. 6:162 BW heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen: “6.31. Nu de vorderingen van de curator voor zover deze zijn gegrond op artikel 2:9 BW, niet kunnen worden toegewezen, volgt uit hetgeen hiervoor (…) is overwogen dat de stellingen van de curator ontoereikend zijn om tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW te kunnen komen:”

    r.o. 3.2

    “[…] tot betaling van het tekort in het faillissement van Drent Holding B.V., op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; II. voor zover uw Hof de vordering onder I ten aanzien van [eiser] en/of [de medebestuurder] afwijst, voor recht verklaart dat [eiser] en/of [de medebestuurder] tekort is/zijn geschoten in de behoorlijke vervulling van de hen opgedragen taak als bedoeld in artikel 2:9 BW en/of toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW, en [eiser] en/of [de medebestuurder] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van alle door Drent Holding B.V. als gevolg daarvan geleden en te lijden schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (…).” De vorderingen ten aanzien van Drent Goebel B.V. zijn gelijkluidend.”

    r.o. 3.3

    “Na te hebben overwogen dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van de curatorenheeft het hof, voor zover in cassatie van belang, onder meer onderzocht of beide bestuurders extern aansprakelijk zijn voor schade van derden die schuldeiser zijn van de gefailleerde vennootschappen. Het hof overweegt: “- Aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 en op grond van onrechtmatig handelen ex 6:162 BW”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:PHR:2022:1076

  • Parket bij de Hoge Raad · 2 september 2022

    Conclusie A-G: bestuurdersaansprakelijkheid wegens onrechtmatige selectieve betaling bij beëindiging activiteiten

    “[…] schuldeiser, als eisende partij. Het element “persoonlijk” drukt het individuele karakter uit van deze op onrechtmatige daad gebaseerde bestuurdersaansprakelijkheid. Te onderscheiden bij een meerhoofdig bestuur van het in beginsel niet-individuele (collectieve) karakter van bestuurdersaansprakelijkheid, met de ontsnappingsmogelijkheid van individuele disculpatie, op grond van bepalingen als art. 2:9 BW en art. 2:248 BW. 3.26.2 Dit individuele karakter is door de Hoge Raad ook onderkend. Bijvoorbeeld in een arrest van 30 maart 2018 inzake externe bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW, waarop ook de subonderdelen wijzen: “3.3.3 Uit het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder moet kunnen worden gemaakt, volgt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid, behoudens bij toepassing van art. 2:11 BW (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275, NJ 2017/215), voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder is begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend.””

    r.o. 3.26

    “Worden door de benadeelde schuldeiser van de vennootschap twee van haar (directe) bestuurders in die hoedanigheid aangesproken tot schadevergoeding op de voet van art. 6:162 BW, dan vergt het aannemen van hun beider bestuurdersaansprakelijkheid ter zake in essentie dat ten aanzien van ieder van hen kan worden vastgesteld dat de bestuurder in de gegeven omstandigheden van het concrete geval persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De stelplicht/bewijslast ter zake rust (in beginsel) op die schuldeiser, als eisende partij. Het element “persoonlijk” drukt het individuele karakter uit van deze op onrechtmatige daad gebaseerde bestuurdersaansprakelijkheid. Te onderscheiden bij een meerhoofdig bestuur van het in beginsel niet-individuele (collectieve) karakter van bestuurdersaansprakelijkheid, met de ontsnappingsmogelijkheid van individuele disculpatie, op grond van bepalingen als art. 2:9 BW en art. 2:248 BW.”

    r.o. 3.26.1

    ECLI:NL:PHR:2022:785

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 juli 2022

    Ernstig persoonlijk verwijt indirecte bestuurders na onterechte huurbeëindiging en liquidatie

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/ […] ). Bij de vraag of de betrokken bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, dienen alle omstandigheden van het geval […]”

    r.o. 2.5

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:PHR:2022:681

  • Parket bij de Hoge Raad · 10 juni 2022

    Bestuurdersaansprakelijkheid wegens misleidende obligatiebrochures; wetenschap van benadeling

    “[…] gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

    r.o. 5.2

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”

    r.o. 4.3

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295). In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of rederlijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan […]”

    r.o. 4.9

    ECLI:NL:PHR:2022:541

  • Parket bij de Hoge Raad · 10 juni 2022

    Ernstig verwijt nieuwe bestuurder na verkoop onderneming en tegenstrijdig belang (verwijzing)

    “In het zesde tussenarrest heeft het hof de bevindingen van de deskundigen en de reacties van partijen daarop samengevat weergegeven (rov. 21.8. tot en met 21.23.). Het hof heeft vastgesteld dat het geschil zich in dit stadium toespitst op vragen rondom het thema tegenstrijdig belang (art. 2:256 (oud) BW) en het thema ernstig verwijt (art. 2:9 BW). Het hof heeft een comparitie van partijen zinvol geacht voor nadere inlichtingen over de standpunten van partijen ten aanzien van, kort gezegd, de deskundigenonderzoeken. De mondelinge behandeling heeft op 12 januari 2021 bij het hof plaatsgevonden.”

    r.o. 2.11

    “In het eindarrest heeft het hof onder meer het volgende geoordeeld: - deskundigenrapporten: het hof heeft de rapporten van de deskundigen besproken en de daarin opgenomen conclusies overgenomen en tot de zijne gemaakt (rov. 25.9.); - onbehoorlijk bestuur [eiser 1]: [eiser 1] kan het vereiste persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt (art. 2:9 BW, art. 6:162 BW) in zijn hoedanigheid van bestuurder van M.E. Beheer, omdat hij – kort gezegd – zonder voldoende onderzoek en overleg de overeenkomsten van 9 augustus 2005 heeft gesloten. [eiser 1] is aansprakelijk voor de schade die daardoor is ontstaan (rov. 25.28.); - onrechtmatig handelen [eiser 2]: [eiser 2] heeft jegens M.E. Beheer c.s. onrechtmatig gehandeld door de transacties van 9 augustus 2005 uit te voeren (rov. 25.29.); - schadevergoeding: teruglevering van de aandelen is, als schadevergoeding in natura, een passende reactie op het ongeoorloofd handelen van [eisers] (rov. 25.30.); en - tegenstrijdig belang [eiser 1]: de vaststaande feiten zijn onvoldoende om aan te kunnen nemen dat [eiser 1] als bestuurder van M.E. Beheer een persoonlijk belang had dat tegenstrijdig was met het belang van M.E. Beheer (rov. 25.35.).”

    r.o. 2.12

    “In rov. 25.28. heeft het hof geoordeeld dat [eiser 1] het vereiste persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt (art. 2:9 BW en art. 6:162 BW) in zijn hoedanigheid van bestuurder van M.E. Beheer, dat hij jegens M.E. Beheer c.s. aansprakelijk is, dat hij de schade moet vergoeden die door zijn verwijtbaar handelen is veroorzaakt en dat grieven VIII, IX en XI slagen. Met die grieven hebben M.E. Beheer c.s. in hoger beroep betoogd dat [eiser 1] persoonlijk een ernstig verwijt treft ten aanzien van, samengevat, de twee overeenkomsten van 9 augustus 2005, waarbij onder meer de aandelen in het kapitaal van de Robex aan IJsselinvest zijn verkocht en vervolgens de aandelen in het kapitaal van IJsselinvest aan [eiser 2] (randnummer 1.15 hiervoor).”

    r.o. 3.3

    “[…] (xvii) de prijzen die M.E. Beheer heeft betaald voor het Duitse onroerend goed dat Robex met de eerste overeenkomst van 9 augustus 2005 aan M.E. Beheer heeft verkocht (de woning te Olsberg en percelen grond te Beverungen) waren niet marktconform en niet redelijk (rov. 25.22. en 25.23.); en (xviii) het hof is tot de slotsom gekomen dat [eiser 1] het vereiste persoonlijk ernstig verwijt (art. 2:9 BW, art. 6:162 BW) kan worden gemaakt in zijn hoedanigheid als bestuurder van M.E. Beheer (rov. 25.28.).”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:PHR:2022:551

  • Parket bij de Hoge Raad · 25 maart 2022

    Conclusie A-G: interne bestuurdersaansprakelijkheid voor fiscale boetes en naheffingen

    “Aan deze vorderingen hebben [verweerders] , zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. [eiser] trad in de periode van 1 februari 2001 - 31 maart 2004 op als hun (statutair) directeur. Hij heeft zich voorschotten op bonussen en privé nota’s laten uitbetalen en hierover is geen loonheffing ingehouden. [verweerders] zijn, als gevolg van het laatste, na boekenonderzoek door de belastingdienst, met naheffingsaanslagen en een boete geconfronteerd. Nu [eiser] aldus zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in art. 2:9 BW dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, mogen [verweerders] hun schade en kosten op [eiser] verhalen.”

    r.o. 2.10

    “[…] is steeds een civielrechtelijke grondslag nodig, die doorgaans wordt gevonden in onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. Over een dergelijke grondslag vermeldt het arrest niets. Ten derde ziet het hof over het hoofd dat [verweerders] niet voor deze weg heeft gekozen. De vordering is gebaseerd op een verplichting tot schadevergoeding wegens onbehoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW) althans op grond van onrechtmatige daad. Een andere grondslag is niet aangevoerd en is ook niet door het hof beoordeeld.”

    r.o. 3.54

    “In de uitwerking van dit middel onder a. tot en met d. wordt enkel ingegaan op rov. 18.4.4 van het eindarrest, zodat ik ervan uitga dat het middel daartegen is gericht. Het hof heeft aldaar als volgt heeft geoordeeld: “18.4.4. [verweerster] heeft tevens de aan de belastingdienst betaalde boete over de naheffingsaanslag van [eiser] gevorderd. Zij heeft aan haar vordering artikel 2:9 BW ten grondslag gelegd. [eiser] betwist deze aansprakelijkheid stellende dat hij niet de periodieke loonopgaven aan de belastingdienst toezond, dat hij deze niet ondertekende en als daar fouten in zaten, hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. [verweerster] stelt dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude door gelden aan de onderneming te onttrekken zonder daarover belasting te betalen. Het hof is van oordeel dat aan [eiser] een ernstig verwijt in de zin van artikel 2:9 BW kan worden gemaakt van het niet tijdig afdragen van de loonbelasting. Blijkens de loonstrook van januari 2002 heeft [eiser] een bonus ontvangen van € 20.420,11 bruto. Vervolgens heeft hij in dat jaar 5 x € 10.000.00 en 1 x € 30.000,00 aan zich laten uitkeren, althans deze bedragen aan zijn Italiaanse […]”

    r.o. 3.60

    “Het middel betoogt onder a. dat [verweerders] de aan hen opgelegde fiscale boetes ten bedrage van € 21.549,48 in eerste aanleg als schade heeft gevorderd ten gevolge van onbehoorlijk handelen in de zin van art. 2:9 BW dan wel ten gevolge van onrechtmatig handelen van [eiser] . De primaire grondslag is door de rechtbank afgewezen en wordt door [verweerders] in grief I in het incidenteel appel weer aan de orde gesteld. Tegen de subsidiaire grondslag heeft [eiser] als verweer gevoerd dat niet aan de vereisten van art. 7:661 BW is voldaan. Onder b. wordt verder opgemerkt dat het hof in rov. 18.4.4. kennelijk grief I in het incidenteel appel bespreekt en dat het hof tot de slotsom komt dat [eiser] een ernstig verwijt kan worden gemaakt van onbehoorlijke taakvervulling en dat hij tevens opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld. Dat oordeel baseert het hof op de wijze waarop de verschillende betalingen die aan en ten behoeve van [eiser] zijn gedaan, in de administratie worden verwerkt (namelijk niet steeds in de loonadministratie) respectievelijk aan de administratie werden gepresenteerd (namelijk middels facturen van vennootschappen).Vervolgens klaagt het middel onder c. en d. […]”

    r.o. 3.61

    ECLI:NL:PHR:2022:304

  • Parket bij de Hoge Raad · 25 juni 2021

    Bestuurdersaansprakelijkheid: bestuurders hebben ontvangen bedrag na vernietigd vonnis aan zichzelf en gelieerden uitbetaald

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”

    r.o. 3.3

    “[…] in verband daarmee (hier specifiek: het bewerkstelligen of toelaten dat Montarlot de desbetreffende verplichting niet is nagekomen) aansprakelijk kan zijn jegens die derde uit onrechtmatige daad, wat zich eerst kan voordoen indien die bestuurder, in het licht van de feiten en omstandigheden van dat geval en mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake van die benadeling van die derde; - hanteert het hof, in lijn hiermee, onmiskenbaar (ook) en ter zake zelfstandig dragend als afdoende vertrekpunt bij zijn beoordeling van de aansprakelijkheid van de bestuurders van Montarlot in die hoedanigheid jegens Sanitech uit onrechtmatige daad zoals gesteld door Sanitech (zie rov. 4.3-4.6 en 4.7, waarop rov. 4.10, slotzin aansluit, alsmede hiervoor), daarbij mede redenerend vanuit het correcte ernstigverwijtvereiste zoals geformuleerd in het Ontvanger/R.-arrest van de Hoge Raad (zie rov. 4.10, slotzin), in welk kader het hof dus voldoende grond aanwezig acht voor het, bij wege van uitzondering op de hoofdregel, aannemen van die (ook in het dictum van het arrest tot uitdrukking […]”

    r.o. 3.16

    “[…] ter zake rust (in beginsel) op die schuldeiser, als eisende partij. Het element “persoonlijk” drukt het individuele karakter uit van deze, op onrechtmatige daad gebaseerde aansprakelijkheid, te onderscheiden, bij een meerhoofdig bestuur en kort gezegd, van het in beginsel niet-individuele (collectieve) karakter van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van bepalingen als art. 2:9 BW (zie lid 2, “Ieder van hen”, etc.) en art. 2:248 BW (zie lid 1 in verbinding met lid 3). Zie bijvoorbeeld het Pelco-arrest van de Hoge Raad: “3.6 Het hof is klaarblijkelijk en - nu het hier niet gaat om aansprakelijkheid jegens de rechtspersoon, noch om de bijzondere aansprakelijkheid van art. 2:248 BW dan wel die van art. 36 Invorderingswet - terecht ervan uitgegaan dat [S.] jegens Pelco alleen dan aansprakelijk is voor de schade welke deze heeft geleden als gevolg van het feit dat de Co.KG niet heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling van de koopprijs van de door de Co.KG van Pelco gekochte en door deze aan haar geleverde partijen vlees, indien [S.] in de omstandigheden van het geval ter zake van deze schade persoonlijk een verwijt treft (in de woorden van het hof (r.o. […]”

    r.o. 3.32

    ECLI:NL:PHR:2021:655

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 april 2021

    Aansprakelijkheid bestuurder bij verhuur eigen perceel aan vennootschap; tegenstrijdig belang

    “[…] bestuur kwalificeert als een onrechtmatige daad van [verweerder] jegens [eiseres] ”. Het meest verstrekkende verweer van [verweerder] c.s., dat [eiseres] kennelijk onbehoorlijk bestuur als grondslag van haar vordering heeft laten vallen, gaat volgens het hof niet op. Het hof wijst op de vordering bedoeld onder 2.1 sub 8 hiervoor, “inhoudende betaling van schadevergoeding op grond van artikel 2:9 BW en/of artikel 6:162 BW wegens het aangaan van de huurovereenkomst en waarop grief I ziet, [welke vordering] zij [heeft] gehandhaafd.” (rov. 3.6) Het hof beoordeelt grief I als volgt: (rov. 3.7-3.8) “3.7. Het hof overweegt vervolgens omtrent de stelling van [eiseres] dat [verweerder] ernstig verweten kan worden dat hij namens [eiseres] de huurovereenkomsten van 19 juni 2008 en 31 oktober 2008 is aangegaan, als volgt. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat in het onderhavige geval bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van [verweerder] de in artikel 2:9 BW neergelegde aansprakelijkheid beperkende maatstaf dient te worden toegepast, ook voor zover deze vordering is gegrond op een onrechtmatige daad, nu de verweten onrechtmatige daad begaan is in zijn taakvervulling als […]”

    r.o. 2.12

    “In deze zaak speelt, onder meer, interne bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW of art. 6:162 BW, dus aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de vennootschap. Uit de vaststaande feiten blijkt dat [verweerder] vanaf mei 2001 tot maart 2009 bestuurder van [eiseres] is geweest (zie onder 1.1 en 1.10 hiervoor). In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat [verweerder] in de relevante bestuursperiode de enige statutair bestuurder van [eiseres] was. De door [eiseres] aan [verweerder] verweten onbehoorlijke taakvervulling heeft, voor zover in het principale cassatieberoep van belang, plaatsgevonden in 2008. Het betreft het door [verweerder] namens [eiseres] aangaan van de huurovereenkomst van 19 juni 2008 (zie onder 1.6 hiervoor). Het hof oordeelt dat [verweerder] een ernstig verwijt gemaakt kan worden van zijn besluiten tot beëindiging van de huurovereenkomst van 19 juni 2008 en tot het sluiten van de huurovereenkomst van 31 oktober 2008 (zie onder 1.8 hiervoor) (rov. 3.8 eerste tussenarrest en rov. 2.5 eindarrest), maar niet van het aangaan van de huurovereenkomst van 19 juni 2008 (rov. 3.7 eerste tussenarrest). Dit laatste oordeel wordt in het principale […]”

    r.o. 3.1

    “De door [eiseres] aan [verweerder] gemaakte verwijten dateren dus van voor de invoering van de Wet bestuur en toezicht, zodat in deze zaak art. 2:9 (oud) BW van toepassing is zoals die bepaling gold voor de invoering van die wet per 1 januari 2013: “Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Indien het een aangelegenheid betreft die tot de werkkring van twee of meer bestuurders behoort, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk terzake van een tekortkoming, tenzij deze niet aan hem te wijten is en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.” De zogenoemde ernstigverwijtmaatstaf was in de bestuursperiode van [verweerder] dus nog niet in art. 2:9 BW gecodificeerd, maar geldt voor interne bestuurdersaansprakelijkheid op die voet zoals in deze zaak aan de orde al sinds 1997 als vaste rechtspraak van de Hoge Raad: “[V]oor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 [is] vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van […]”

    r.o. 3.2

    “[…] dat [eiseres] op geen van deze drie gronden een ernstig verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot het aangaan van de huurovereenkomst van 19 juni 2008. De gegeven omstandigheden zijn volgens het hof “in aanmerking nemend de vrijheid van een bestuurder, ook indien bezien in onderling verband en samenhang met het gestelde tegenstrijdig belang, onvoldoende om aansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW aan te kunnen nemen” (zie ook onder 2.12 hiervoor). In het principale cassatieberoep wordt alleen het oordeel van het hof over afwijzing van de tweede grond, inzake een tegenstrijdig belang van [verweerder] bij het aangaan van de huurovereenkomst van 19 juni 2008, bestreden. Daaromtrent overweegt het hof in rov. 3.7 eerste tussenarrest mede: “Ook de vermeende strijd met artikel 2:256 BW kan [eiseres] niet baten. Indien sprake is van een tegenstrijdig belang in de zin van dit artikel, kan het besluit voor vernietiging in aanmerking komen, maar enkel een tegenstrijdig belang leidt nog niet zonder meer tot aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van artikel 2:9 BW of onrechtmatige daad. Daarvoor is immers vereist dat de bestuurder zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk […]”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:PHR:2021:439

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 september 2020

    Conclusie A-G: geen ernstig verwijt indirect bestuurder bij niet-aflossen obligatielening

    “[…] vermogensbestanddelen buiten de vennootschap te houden, of in geval van selectieve wanbetaling of betalingsonwil. Om op deze grond de bestuurder (naast de vennootschap zelf) aansprakelijk te kunnen houden, moet de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt waarbij mede gelet moet worden op diens verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW. Het is aan de benadeelde crediteur (i.c. [eiser] ) feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die tot de conclusie kunnen leiden dat er sprake is van (jegens hem onrechtmatige) frustratie van betaling en verhaal. 6.9.4. [eiser] heeft weliswaar aangevoerd dat [verweerder] de door hem ten verwere aangevoerde, hiervoor in rechtsoverweging 6.9.2 onder a tot en met d bedoelde feiten en omstandigheden niet heeft onderbouwd, maar daarmee miskent [eiser] dat overeenkomstig de hoofd[r]egels van de artikelen 149 en 150 Rv de stelplicht en bewijslast in beginsel niet bij [verweerder] maar bij hem ligt. Naar het oordeel van het hof heeft [eiser] daarom niet kunnen volstaan met een enkele kale betwisting van die door [verweerder] concreet genoemde feiten en omstandigheden. […]”

    r.o. 2.8

    “Bij frustratie van betaling en verhaal moet het in wezen gaan om het laten ontstaan door de bestuurder van feitelijke betalingsonmacht bij de vennootschap met voorzienbare benadeling van haar crediteur(en) als gevolg, door (bijvoorbeeld) aan de vennootschap vermogensbestanddelen te onttrekken en/of door bepaalde vermogensbestanddelen buiten de vennootschap te houden, of in geval van selectieve wanbetaling of betalingsonwil. Om op deze grond de bestuurder (naast de vennootschap zelf) aansprakelijk te kunnen houden, moet de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt waarbij mede gelet moet worden op diens verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW. Het is aan de benadeelde crediteur (i.c. [eiser] ) feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die tot de conclusie kunnen leiden dat er sprake is van (jegens hem onrechtmatige) frustratie van betaling en verhaal.”

    r.o. 6.9.3

    ECLI:NL:PHR:2020:778

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 juli 2020

    Enquête: bevel tot afgifte witness statement door bestuurder als onmiddellijke voorziening

    “Voornoemd regime geldt bovendien voor alle partijgetuigen, derhalve ook voor partijgetuigen die als zodanig worden aangemerkt omdat zij bestuurder van de procederende rechtspersoon zijn. De normen neergelegd in art. 2:8 BW (aanvullende en beperkende werking redelijkheid en billijkheid), art. 2:9 BW (bestuurders zijn gehouden tot een behoorlijke taakvervulling), art. 2:239 lid 5 BW (bestuurders richten zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming) en art. 6:162 BW (onrechtmatige daad) maken dit niet anders. Deze normen zijn te algemeen om de specifieke wettelijke bepalingen omtrent partijgetuigen en de rechtspraak die in dit kader is ontwikkeld opzij te zetten en vormen een onvoldoende wettelijke basis om bestuurders – in strijd met het geldende Nederlandse burgerlijk procesrecht – te dwingen als partijgetuige een verklaring af te leggen. De regel dat een partijgetuige niet kan worden gedwongen een verklaring af te leggen, geldt ongeacht welk belang een ander bij de verklaring stelt te hebben.”

    r.o. 2.22

    “Subonderdeel 2.1 klaagt dat het onjuist is dat de Ondernemingskamer in rov. 3.10 heeft geoordeeld dat een expliciete wettelijke grondslag nodig is om een ingezetene, die naar Nederlands burgerlijk procesrecht als partijgetuige moet worden aangemerkt, een bevel te kunnen geven om een verklaring ten behoeve van een buitenlandse procedure af te leggen. De Ondernemingskamer heeft miskend dat de art. 2:8, 2:9 (jo. 2:239), 2:349a lid 2 en 6:162 BW hiertoe een voldoende wettelijke grondslag bieden, aldus de klacht.”

    r.o. 2.24

    “De klacht betreft in wezen een herhaling van de klachten in onderdeel 1 en faalt om dezelfde reden.”

    r.o. 2.25

    “Subonderdeel 2.2 klaagt dat geen expliciete wettelijke grondslag is vereist, omdat – anders dan bij de wettelijke getuigplicht van art. 173 Rv – aan de niet-naleving van de verplichtingen uit art. 2:8, 2:9 en 6:162 BW geen strafrechtelijke gevolgen zijn verbonden.”

    r.o. 2.30

    ECLI:NL:PHR:2020:702

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 juni 2020

    Bestuurdersaansprakelijkheid wegens betalingsonwil na niet-nabetaling CAO-loon door uitzendbureau

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere […]”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:PHR:2020:690

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 mei 2020

    Toerekening van kennis aan koper-BV en afwijzing interne bestuurdersaansprakelijkheid na aandelentransactie

    “[…] vermeerderd met de wettelijke rente; - IV.b. voor recht te verklaren dat: (a) [verweerders 1, 2 en 3] en [verweerders 4, 5, 6 en 7] in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurder van [B] , [C] en [D] alsmede (b) [verweerders 4, 5, 6 en 7] als (indirect) bestuurders van [A] op gronden als in de memorie gegeven een persoonlijk ernstig verwijt treft in de zin van artikel 6:162 BW juncto artikel 2:9 BW en artikel 2:11 BW, althans onrechtmatig hebben gehandeld jegens [A] en haar crediteuren en zij op grond daarvan als (indirect) bestuurder (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor alle geleden en nog te lijden schade, een en ander op te maken bij staat.”

    r.o. 2.8

    “Het onderdeel stelt (in nr. 6.2) dat de curatoren in hun memorie van grieven aan hun op bestuurdersaansprakelijkheid gegronde vordering “het bedrog en het bewuste verzwijgen van de malversaties” ten grondslag hebben gelegd. Voor de vindplaats van deze stelling wordt verwezen naar nr. 4.38 van de memorie van grieven van de curatoren: “4.38. Curatoren benadrukken óók dat [verweerster 6] c.s. en [verweerders 4, 5, 6 en 7] de ernst, de omvang én hun betrokkenheid bij de malversaties en het bedrog in hun hoedanigheid van bestuurder van [A] vóór of tijdens het sluiten van de egalisatieovereenkomst en de exit-overeenkomsten bewust hebben verzwegen, waarmee zij hun taak op onbehoorlijke wijze hebben vervuld. Door dit bedrog en het bewuste verzwijgen daarvan kan tevens gesproken worden van een ernstig persoonlijk verwijt waardoor de bestuurders [verweerder 7] en [verweerder 5] in privé zijn aan te spreken op de voet van artikel 6:162 BW juncto 2:9 BW en 2:11 BW.””

    r.o. 3.60

    “Het onderdeel stelt verder (in nr. 6.2) dat de curatoren hebben aangevoerd dat het belasten van de vennootschap ( [A] ) met een bancaire lening van € 3.600.000,- een ernstig verwijt van [verweerders 4, 5, 6 en 7] oplevert. Voor de vindplaats van deze stelling wordt verwezen naar nr. 4.39 van de memorie van grieven van de curatoren: “4.39. Curatoren stellen tevens dat [verweerster 6] c.s. en [verweerders 4, 5, 6 en 7] op grond van de artikelen 6:162 jo. 2:9 BW en 2:11 BW zijn aan te spreken voor hun onbehoorlijk bestuur van [A] door deze vennootschap willens en wetens te belasten met een bancaire lening bij de Rabobank van afgerond € 3.600.000,-, terwijl zij wisten van de oordeelsonthoudingen en de ernstige boekhoudkundige ongeregeldheden en hierover gezwegen hebben. (…).””

    r.o. 3.62

    “[…] gestelde omstandigheden dat [verweerders 4, 5, 6 en 7] als bestuurders van [A] “wisten van de oordeelsonthoudingen en de ernstige boekhoudkundige ongeregeldheden en hierover gezwegen hebben” onvoldoende concreet zijn om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat [verweerders 4, 5, 6 en 7] wat betreft het aangaan van de bancaire lening een ernstig verwijt kan worden gemaakt (in de zin van art. 2:9 BW en art. 2:11 BW), is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Daarbij betrek ik ook hier dat deze stelling onderdeel is van hoofdstuk 4 van de memorie van grieven van de curatoren, dat dus niet de (als zodanig geduide) grieven zelf bevat maar een deel van “de feiten en omstandigheden chronologisch op een rij” (zie ook weer rov. 4.3), en dat ik in de memories van antwoord niet een kenbaar op nr. 4.39 van de memorie van grieven van de curatoren toegespitst verweer zijdens [verweerders 4, 5, 6 en 7] heb kunnen traceren (het onderdeel wijst daarop ook niet).”

    r.o. 3.63

    ECLI:NL:PHR:2020:449

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 maart 2020

    Bestuurdersaansprakelijkheid: bestuurder spreekt eigen lening niet aan, ernstig verwijt jegens verhuurder

    “[…] gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld, waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt”. Vervolgens komt het hof in rov. 3.7-3.9 tot behandeling van grief IV als weergegeven in rov. 3.4, uitmondend in de slotsom in rov. 3.12 dat grief IV in zoverre slaagt, dat de grieven I en II en de grieven III en IV voor het overige geen bespreking meer behoeven, dat het hof [eiser] als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, en dat gelet op dit laatste grief V dus ook slaagt. Het dictum (rov. 4) ligt hiermee in lijn. Het hof vernietigt het vonnis, veroordeelt [eiser] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerster] te betalen € 19.798.92 (te vermeerderen met de wettelijke rente over € 19.322,48 vanaf 27 augustus 2014 tot aan de dag der […]”

    r.o. 2.2

    “Ik lees hierin geen zelfstandige klacht, wel een opmaat naar randnummers 3 t/m 8. Zoals uit de behandeling daarvan blijkt, rechtvaardigen (ook) die randnummers niet de conclusie dat het hof de hier toepasselijke ernstigverwijtmaatstaf heeft miskend of zijn beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd. Daarbij wijs ik erop dat het hof, gelet op rov. 3.6 en 3.7, het juiste rechtskader vooropstelt en hanteert voor een geval als het onderhavige, waarin een schuldeiser ( [verweerster] ) van een vennootschap ([B]) is benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering en die schuldeiser ter zake een bestuurder van die vennootschap ( [eiser] ) in die hoedanigheid aanspreekt tot schadevergoeding op de voet van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Anders dan [eiser] wellicht meent, is het bepaalde in art. 2:9 BW hier niet (ook) aan de orde: het hof past terecht art. 6:162 BW toe, op basis van het juiste rechtskader en in de juiste rechtsverhouding. Zoals hierna nog aan de orde komt, voor zover relevant, sluit de schets van [eiser] in randnummer 1 ook overigens niet geheel aan op het geldende recht voor een geval als het onderhavige.”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:PHR:2020:289

  • Parket bij de Hoge Raad · 6 maart 2020

    Toerekening van wetenschap van bestuurders aan rechtspersoon bij verjaring van onrechtmatigedaadsvordering

    “Bij dagvaarding van 25 juni 2014 heeft HDI [voormalig bestuurder 1] , [voormalig commissaris] , [voormalig bestuurder 2] , Treston, CRB en Detoma in rechte betrokken. HDI heeft jegens [voormalig bestuurder 1] , [voormalig commissaris] en [voormalig bestuurder 2] vorderingen ingesteld wegens onbehoorlijke vervulling van de opgedragen taak als bedoeld in art. 2:9 BW. HDI heeft jegens Treston en CBR een vordering ingesteld uit hoofde van onrechtmatige daad. Ook jegens Detoma heeft HDI een vordering ingesteld die is gegrond op onrechtmatige daad en subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking. HDI heeft in conventie aan de vorderingen jegens [voormalig bestuurder 1] , [voormalig commissaris] , [voormalig bestuurder 2] en Treston ten grondslag gelegd dat HDI is benadeeld als gevolg van de door [voormalig bestuurder 1] , [voormalig commissaris] , [voormalig bestuurder 2] en Treston met hulp van CRB opgetuigde herverzekeringsconstructie. HDI heeft de gehele Arubaanse Portefeuille overgedragen aan Treston voor het bedrag van 1 Arubaanse florin. HDI heeft Detoma verweten dat zij facturen heeft verstuurd voor werkzaamheden die niet zijn uitgevoerd. In reconventie hebben [voormalig […]”

    r.o. 2.2

    ECLI:NL:PHR:2020:283

  • Parket bij de Hoge Raad · 6 december 2019

    Bestuurdersaansprakelijkheid: frustratie van verhaal, 'geen verweer' en tegenbewijsaanbod in cassatie

    “In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (HR 8 december 2006, NJ 2006, 659) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295).””

    r.o. 3.7

    ECLI:NL:PHR:2019:1290

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 juli 2019

    Selectieve betaling in zicht van faillissement: maatstaf bestuurdersaansprakelijkheid

    “De rechtseenheid lijkt ermee gediend om deze recente fiscale zaak, waarin duidelijk wordt voortgebouwd op het bestaande civiele raamwerk voor bestuurdersaansprakelijkheid voor selectieve betalingen in de aanloop tot een faillissement, nu ook voor de civiele bestuurdersaansprakelijkheid door te trekken. Ook Tekstra leest in deze uitspraak van de bealstingkamer “algemene overwegingen over het leerstuk van de selectieve betaling, die ook voor andere vormen van bestuurdersaansprakelijkheid (via art. 2:9, 2:138/248 en/of 6:162 BW) van belang zijn”. Ik pleit er in deze conclusie dan ook voor om net als in het hier besproken fiscale arrest de Coral/Stalt-norm door te trekken naar selectieve betalingen aan niet-gelieerde schuldeisers in de aanloop naar het faillissement in het geval de bestuurder van de betalende vennootschap daar een persoonlijk belang bij heeft.”

    r.o. 2.17

    ECLI:NL:PHR:2019:798

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 april 2019

    Stortingsaansprakelijkheid middellijk bestuurder ex artikel 2:180 lid 2 BW (oud); kasrondje en bewijslast

    “[…] het daadwerkelijke aan de storting heeft ontnomen. En dan geldt naast de alsnog na te komen stortingsplicht mogelijk ook de sanctie van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders aangeduid in lid 2 sub b van art. (169 en) 180 BW. (…). Na de oprichting moet het eventuele teruglenen worden bezien vanuit een oogpunt van hetgeen behoorlijke bestuurlijke taakvervulling is vereist (art. 2:9 en 138 c.q. 248 BW). (…). Daarbij speelt mijns inziens nog steeds een belangrijke rol of het teruglenen op zakelijk verantwoorde en marktconforme wijze heeft plaats gevonden.””

    r.o. 3.17

    “In het onderhavige geval gaat het om de eerste vraag die Assink formuleert, namelijk of de storting reëel is. Als dat niet het geval is, kan dat leiden tot stortingsaansprakelijkheid op grond van art. 2:180 lid 2 BW (oud). De tweede vraag kan van belang zijn voor de eerste vraag. Als het teruglenen zakelijk verantwoord is, zal inderdaad in beginsel sprake zijn van een reële storting. Als het teruglenen niet zakelijk verantwoord is, hoeft dat echter niet noodzakelijk te betekenen dat géén sprake is van een reële storting. Het ontbreken van zakelijk verantwoorde condities bij het teruglenen van een gestort bedrag betekent niet dat geen sprake is van een reële storting, maar kan wel leiden tot onbehoorlijke taakvervulling van een bestuurder in de zin van art. 2:9 lid 2 BW (jegens de vennootschap) of art. 2:248 lid 1 BW (jegens de boedel). Onbehoorlijke taakvervulling is in het onderhavige geval, in een procedure van een bestuurder tegen een crediteur, niet aan de orde.”

    r.o. 3.19 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2019:490

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 april 2019

    Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder voor verkoop aandelen zonder instemming aandeelhouder; schadeplafond

    “Bij de behandeling van het onderdeel ga ik uit van het volgende. Het gaat in de bestreden overwegingen om de aansprakelijkheid van [verweerder 2] als bestuurder van [verweerster 1] jegens Igvo voor de door [verweerster 1] gepleegde toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst. Dit betreft de externe aansprakelijkheid. Assink omschrijft deze aansprakelijkheid als aansprakelijkheid van de bestuurder (in die hoedanigheid) jegens een derde, die buiten de verhouding bestuurder/ vennootschap staat. De grondslag voor aansprakelijkheid is dan doorgaans onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Vervolgens schaart hij de aansprakelijkheid van een bestuurder jegens een aandeelhouder, die als zodanig deel uitmaakt van de organisatie van de vennootschap in de zin van art. 2:8 lid 1 BW, onder de externe variant. De aandeelhouder is z.i. een derde, meer in het bijzonder een ‘interne’ derde, met als gevolg dat een dergelijke aansprakelijkheid ook buiten het directe bereik van art. 2:9 BW valt.”

    r.o. 3.3

    “[…] Staleman/Van de Ven het volgende overwogen: “De door onderdeel 1 van het middel aangevoerde rechtsklacht betreft de maatstaf die behoort te worden gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of een bestuurder die, (…) een natuurlijk persoon is en zijn taak in dienstbetrekking vervult, zozeer in een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak is tekortgeschoten dat hij krachtens art. 2:9 BW tegenover de rechtspersoon aansprakelijk is voor de schade welke deze als gevolg van die tekortkoming lijdt. Zoals het Hof en ook het onderdeel terecht tot uitgangspunt nemen, is voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken […]”

    r.o. 3.6

    “In zijn conclusie vóór het arrest […] /NOM heeft Timmerman ervoor gepleit dat in geval een (indirect) bestuurder door een aandeelhouder op grond van onrechtmatige daad wordt aangesproken – een geval waarop art. 2:9 BW niet rechtstreeks van toepassing is – “de ernstige verwijtbaarheid die is geïnspireerd door art. 2:9 BW de onrechtmatigheid inkleurt.””

    r.o. 3.7

    ECLI:NL:PHR:2019:336

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 maart 2019

    Bestuurdersaansprakelijkheid dividenduitkering garant: schade bank bij hoofdelijke garanten

    “Ontvanger/Roelofsen is, zoals bekend, een van de standaardarresten over externe bestuurdersaansprakelijkheid. De Hoge Raad heeft de ten aanzien van art. 2:9 BW ontwikkelde maatstaf van ‘een voldoende ernstig verwijt’ daar toegepast om te bepalen of een bestuurder persoonlijk onrechtmatig heeft gehandeld jegens een schuldeiser van een vennootschap doordat de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet is nagekomen. Zoals Rabobank zelf benadrukt, draait het in de onderhavige zaak in cassatie echter niet om de geoorloofdheid van de dividenduitkering maar uitsluitend om de vraag of het uitvoering geven aan de dividenduitkering de bank schade heeft toegebracht. Ontvanger/Roelofsen gaat daar niet over en kan de bank daarom niet baten.”

    r.o. 4.18

    ECLI:NL:PHR:2019:233

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 februari 2019

    Conclusie A-G: bestuurders- en concernaansprakelijkheid bij onderhuurconstructie en faillissement huurder

    “Uit het arrest Ontvanger/ […] volgt dat een bestuurder slechts aansprakelijk kan worden gehouden vanwege het door de vennootschap onbetaald laten van een vordering indien deze bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:PHR:2019:138

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 februari 2019

    Finale kwijting in beëindigingsovereenkomst en bestuurdersaansprakelijkheid stichting; dwaling

    “[…] hij heeft dat nadien meermalen herhaald, laatstelijk nog in zijn zogenaamde overdrachtsdocument, doch ook via u in uw uitgebreide brief van 26 mei jl. Een en ander heeft dan ook tot de opdracht aan PWC geleid (…). Thans is echter duidelijk dat geconcludeerd kan worden dat uw cliënt niet alleen als statutair bestuurder een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak zoals bedoeld in artikel 2:9 BW en intern vastgelegd in de arbeidsovereenkomst van cliënt, de statuten, de integriteitscode, bestuursreglementen en governance voorschriften, die nota bene door uw cliënt mede zijn vorm gegeven, heeft geschonden, doch dat hij opzettelijk en bewust roekeloos namens WSG handelingen heeft verricht waardoor hij aansprakelijk is voor de dientengevolge door cliënte geleden schade ex artikel 7:661 BW. Indien het bovenstaande (de Raad van Toezicht van) cliënte duidelijk was geweest bij het sluiten van de overeenkomst, had zij nimmer de overeenkomst onder dezelfde voorwaarden gesloten, reden waarom zij thans subsidiair, indien uw cliënt mocht willen betwisten dat de ontbindende voorwaarden in artikel 2 van de overeenkomst ziet op de gehele beëindigingsvergoeding inclusief bijkomende […]”

    r.o. 1.10

    “WSG baseert haar vorderingen in hoger beroep (uitsluitend) op bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW – en niet (tevens) op artikel 7:661 BW (aansprakelijkheid werknemer) zoals in eerste aanleg. WSG maakt een onderscheid tussen de beëindiging van het bestuurderschap van [verweerder] en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Volgens WSG is de functie van directeur-bestuurder van [verweerder] reeds bij de brief van 29 maart 2011 beëindigd en betreft de beëindigingsovereenkomst slechts het einde van de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en WSG. WSG beoogde met de beëindigingsovereenkomst slechts tot een regeling te komen van de wederzijdse rechten en plichten die met (het verbreken van) de arbeidsovereenkomst alléén verband hielden, en de strekking van de finale kwijting [is, A-G] dan ook evenzeer beperkt tot de arbeidsrechtelijke verhouding tussen WSG en [verweerder] . WSG beroept zich in dit verband op getuigenverklaringen van (oud) RvT leden [betrokkene 3] en [betrokkene 2] (producties 97). Beiden bevestigen daarin dat voor WSG in het bijzonder de mogelijkheid open moest blijven om [verweerder] als bestuurder aan te spreken op eventueel wanbeleid bij WSG, blijkend […]”

    r.o. 9.7

    “Het hof overweegt dat gelet op de Haviltex-maatstaf het niet alleen aankomt op hetgeen WSG bij totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst daarmee beoogde, maar ook op hetgeen [verweerder] daaromtrent heeft begrepen en redelijkerwijze mocht begrijpen. Feiten of omstandigheden waaruit kan blijken dat [verweerder] heeft begrepen of heeft moeten begrijpen dat hij op grond van bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW zou kunnen worden aangesproken, zijn gesteld noch gebleken. WSG heeft dit [verweerder] niet duidelijk gemaakt door bijvoorbeeld [een, A-G] voorbehoud met die inhoud te stipuleren in de beëindigingsovereenkomst.”

    r.o. 9.9

    “Onderdeel 1 stelt de vraag aan de orde of het hof bij de uitleg van de finale kwijtingsbepaling in de beëindigingsovereenkomst de Haviltex-maatstaf juist heeft toegepast en of het hof voldoende begrijpelijk zijn oordeel heeft gemotiveerd dat de finale kwijtingsbepaling eraan in de weg staat dat WSG [verweerder] op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk kan stellen voor geleden schade. Het onderdeel valt uiteen in zes subonderdelen.”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:PHR:2019:180

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 december 2018

    Bestuurdersaansprakelijkheid voor niet-nagekomen huurgarantie; onbekendheid rechtsregel en tweede aansprakelijkheidsgrond

    “De procedure tegen [verweerders] is voortgezet bij de afdeling privaatrecht van de rechtbank. Nieuwburen vordert in deze procedure – samengevat – na vermeerdering van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [verweerders] tot betaling van € 1.179.649,54 ter zake van gederfde huur en € 25.789,95 ter zake van boete, vermeerderd met rente en kosten. Daartoe stelt zij – kort weergegeven – dat [verweerders] persoonlijk aansprakelijk zijn op grond van art. 2:9 BW en art. 6:162 BW voor de gederfde huur tot en met maart 2012 en voor de boete.”

    r.o. 2.4

    “De rechtbank heeft bij eindvonnis van 30 maart 2016 de vorderingen van Nieuwburen afgewezen en Nieuwburen veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen ten eerste dat art. 2:9 BW een interne aansprakelijkheid van bestuurders ( [verweerders] ) jegens de eigen vennootschap ( [A] ) behelst, zodat Nieuwburen daaraan als derde geen rechten kan ontlenen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat voor zover Nieuwburen beoogt te betogen dat in de onderhavige zaak sprake is van schending van een van bestuurderschap losstaande zorgvuldigheidsnorm als bedoeld in het Spaanse Villa-arrest van Uw Raad daartoe onvoldoende is gesteld (rov. 4.1.).”

    r.o. 2.6

    “Bij appeldagvaarding van 29 april 2016 heeft Nieuwburen hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis, waartegen Nieuwburen vijf grieven heeft geformuleerd. Met de eerste grief komt Nieuwburen op tegen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek tot repliek en dupliek. Grief 2 betoogt dat ten onrechte is verzuimd vast te stellen dat met name [verweerder 1] zich ten opzichte van Nieuwburen heeft schuldig gemaakt aan wanprestatie. Grief 3 richt zich tegen de afwijzing van het beroep op art. 2:9 BW en grief 4 tegen de afwijzing van het beroep op de Beklamel-norm. Grief 5 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten [verweerders] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan Nieuwburen. Nieuwburen heeft haar eis in de appeldagvaarding verlaagd tot € 343.866,-- te vermeerderen met rente.”

    r.o. 2.10

    “Het hof heeft in rov. 3.11 geoordeeld dat Nieuwburen bij de eerste grief geen belang heeft, omdat eventuele tekortkomingen van de behandeling in eerste aanleg in hoger beroep hersteld zijn. De derde grief is verworpen, omdat voor de uitkomst van de zaak niet van belang is in hoeverre [verweerders] op de voet van art. 2:9 BW de belangen van [A] hebben geschonden en het betoog dat bestuurders zich ingevolge art. 2:9 BW ook de belangen van schuldeisers van de vennootschap (onder wie Nieuwburen) moeten aantrekken een voldoende toelichting en onderbouwing ontbeert. Ten aanzien van de vijfde grief heeft het hof overwogen, dat deze het karakter van een veeggrief heeft die om die reden het lot van de andere grieven volgt (nog steeds rov. 3.11).”

    r.o. 2.14

    ECLI:NL:PHR:2018:1501

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 november 2018

    Bestuurdersaansprakelijkheid wegens frustratie van verhaal na vernietigde paardenkoop; conclusie tot verwerping

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”

    r.o. 3.12

    “Het middel bevat onder 8.1 tot en met 8.5 uitsluitend een weergave van de overwegingen van het hof (en van het arrest Ontvanger/[… ]) en geen klacht.”

    r.o. 3.13

    ECLI:NL:PHR:2018:1321

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 oktober 2018

    Conclusie: te late openbaarmaking jaarrekening geen onbelangrijk verzuim; bestuurder aansprakelijk voor boedeldeficit

    “Bij dagvaarding van 17 april 2013 hebben de curatoren in rechte betrokken: [eiser], [betrokkene 2] en [betrokkene 4]. De curatoren hebben gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: “1. te verklaren voor recht dat [eiser], [betrokkene 2] en [betrokkene 4] jegens de boedel van [A] hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van de artikelen 2:248 BW en/of 6:162 BW en/of 2:9 BW, alsmede dat zij uit dien hoofde jegens de boedel van [A] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het gehele boedeldeficit; 2. [eiser], [betrokkene 2] en [betrokkene 4] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de boedel van het gehele boedeldeficit van [A], welk deficit zo nodig nader opgemaakt zal dienen te worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet; 3. [eiser], [betrokkene 2] en [betrokkene 4] hoofdelijk te veroordelen om aan de curatoren van [A] te voldoen een bedrag van € 30.000.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, bij wijze van voorschot op het door [eiser], [betrokkene 2] en [betrokkene 4] te betalen boedeldeficit; 4. [eiser], [betrokkene 2] en [betrokkene 4] hoofdelijk te veroordelen […]”

    r.o. 2.1

    “Uit het bestreden arrest blijkt dat de curatoren aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd dat [eiser] en [betrokkene 2] als bestuurders en [betrokkene 4] als bestuurder/feitelijk bestuurder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeldeficit op grond van de artikelen 2:248 BW en/of 2:9 BW en/of 6:162 BW.”

    r.o. 2.2

    ECLI:NL:PHR:2018:1184

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 oktober 2018

    Conclusie: kennelijk onbehoorlijk bestuur en belangrijke oorzaak faillissement, artikel 2:248 BW

    “Bij dagvaarding van 17 april 2013 hebben de curatoren in rechte betrokken: [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [eiser] . De curatoren hebben gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: “1. te verklaren voor recht dat [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [eiser] jegens de boedel van [A] hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van de artikelen 2:248 BW en/of 6:162 BW en/of 2:9 BW, alsmede dat zij uit dien hoofde jegens de boedel van [A] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het gehele boedeldeficit; 2. [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [eiser] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de boedel van het gehele boedeldeficit van [A], welk deficit zo nodig nader opgemaakt zal dienen te worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet; 3. [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [eiser] hoofdelijk te veroordelen om aan de curatoren van [A] te voldoen een bedrag van € 30.000.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, bij wijze van voorschot op het door [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [eiser] te betalen boedeldeficit; 4. [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [eiser] hoofdelijk te veroordelen […]”

    r.o. 2.1

    “[…] bestuurshandelingen heeft verricht in de hierboven bedoelde zin en dus is opgetreden als feitelijk bestuurder. De grief faalt daarom. 3.4.1. In rov 3.29 heeft de rechtbank geoordeeld dat curatoren niet feitelijk hebben onderbouwd welk handelen of nalaten van het bestuur van [A] in de periode van 20 mei tot 1 oktober 2006 onrechtmatig (artikel 6:162 BW) dan wel onbehoorlijk (artikel 2:9 BW) was, zodat hun stellingen worden gepasseerd. Grief 2 in incidenteel appel is gericht tegen dit oordeel. 3.4.2. Curatoren hebben gesteld dat [eiser] jegens de boedel (hoofdelijk met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ) aansprakelijk is uit onrechtmatige daad omdat hij (samengevat) wist of behoorde te weten dat [A] haar verplichtingen jegens de obligatiehouders die bij haar hadden ingelegd niet zou kunnen nakomen maar desalniettemin jegens de obligatiehouders verplichtingen tot betaling van aflossingen en rente is aangegaan (een zgn. Beklamel-vordering) en dat [A] de obligatiehouders ernstig heeft misleid met onder meer misleidende jaarrekeningen over 2006 en 2007 en misleidende prospectussen. 3.4.3. [A] is op 20 mei 2009 failliet gegaan. De relevante periode voor artikel 2:248 BW […]”

    r.o. 2.7

    “In rov 3.29 heeft de rechtbank geoordeeld dat curatoren niet feitelijk hebben onderbouwd welk handelen of nalaten van het bestuur van [A] in de periode van 20 mei tot 1 oktober 2006 onrechtmatig (artikel 6:162 BW) dan wel onbehoorlijk (artikel 2:9 BW) was, zodat hun stellingen worden gepasseerd. Grief 2 in incidenteel appel is gericht tegen dit oordeel.”

    r.o. 3.4.1

    “Voor zover curatoren hun vordering hebben gebaseerd op artikel 2:9 BW heeft te gelden dat zij deze vordering ook in hoger beroep onvoldoende hebben onderbouwd. Artikel 2:9 BW ziet op een vordering van [A] zelf tegen haar bestuurders, in casu tegen [eiser] . Curatoren hebben niet gesteld waarom [A] zelf schade heeft geleden als gevolg van het handelen van (in dit geval:) [eiser] , en welke schade dat is (de gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid voor het boedeltekort is daarvoor onvoldoende), hetgeen wel van hen had mogen worden verwacht, gezien de aangevoerde verweren.”

    r.o. 3.4.6

    ECLI:NL:PHR:2018:1275

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 september 2018

    Eigen faillissementsaanvraag door bestuurder als kennelijk onbehoorlijk bestuur (artikel 2:248 BW)

    “Bij brief van 8 april 2013 heeft de curator [eiser] aansprakelijk gesteld voor de door Geocopter geleden schade op grond van art. 2:9 BW respectievelijk art. 2:248 BW en subsidiair art. 6:162 BW.”

    r.o. 1.23

    “De rechtbank Limburg heeft bij vonnis van 3 juni 2015 de door [eiser] gevoerde verweren verworpen. De rechtbank heeft over de primaire vordering onder 1 geoordeeld dat [eiser] Geocopter (kennelijk) onbehoorlijk heeft bestuurd in de zin van art. 2:9 en art. 2:248 BW. Het aanvragen van het faillissement door [eiser] , in de wetenschap dat hij daartoe niet bevoegd was, valt aan te merken als kennelijk onbehoorlijk bestuur en duidelijk is dat dit handelen de oorzaak is van het faillissement (rov. 4.3.4). De rechtbank oordeelde [eiser] hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening kunnen worden voldaan en zij wees het primair onder 1 gevorderde toe, zonder matiging. Tevens heeft de rechtbank het gevorderde voorschot op het boedeltekort in het faillissement ten bedrage van € 250.000,-- toegewezen (rov. 4.3.6). Het primair onder 2 gevorderde is eveneens toegewezen omdat de rechtbank van oordeel was dat de curator de vernietiging terecht heeft ingeroepen. [eiser] had volledige wetenschap over de aanvraag van het faillissement, aangezien hij die zelf heeft aangevraagd, en wel op de dag waarop hij de betaling heeft ontvangen. In de gegeven […]”

    r.o. 2.2

    “In de literatuur bestaat discussie over de vraag in hoeverre de maatstaf van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW verschilt van de ernstigverwijtmaatstaf. De door de Hoge Raad voor interne aansprakelijkheid van bestuurders ontwikkelde ernstigverwijtmaatstaf, die inmiddels in art. 2:9 lid 2 BW is gecodificeerd, is eveneens aanvaard voor interne en externe bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW, maar vooralsnog niet voor de externe aansprakelijkheid op grond van art 2:248 lid 1 BW. Voor de bestuurdersaansprakelijkheid in de zin van art. 2:248 lid 1 BW blijft het criterium of de redelijk denkende bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – aldus gehandeld zou hebben. Ik meen dat die maatstaf ruimte biedt om ook de bestuurdersaansprakelijkheid in de zin van art. 2:248 BW, zoals die op grond van art. 6:162 BW en art. 2:9 BW, met terughoudendheid aan te nemen en die aansprakelijkheid niet aan te nemen zonder dat persoonlijke verwijtbaarheid door de rechter is vastgesteld. Aldus begrepen komt men volgens mij bij art. 2:248 BW dicht in de buurt uit van toepassing van de ernstigverwijtmaatstaf. Ik vind steun voor die opvatting in de […]”

    r.o. 3.3 · lid 2

    “Alvorens de Hoge Raad in het Staleman/Van de Ven-arrest uit 1997 de ernstigverwijtmaatstaf in zijn rechtspraak voor interne bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:9 BW introduceerde, werd in het kader van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 lid 1 BW al gesproken over ernstige verwijtbaarheid. In het Panmo-arrest uit 2001 en nadien heeft de Hoge Raad voor bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:248 BW vastgehouden aan een eigen criterium, althans niet de ernstigverwijtmaatstaf aanvaard. Als verklaring daarvoor werd genoemd dat de Hoge Raad de eis van ernstige verwijtbaarheid heeft willen reserveren voor de interne bestuurdersaansprakelijkheid van art. 2:9 BW. Nu de ernstigverwijtmaatstaf vervolgens ook is aanvaard voor interne en externe aansprakelijkheid van bestuurders ex art. 6:162 BW heeft die verklaring aan geldingskracht ingeboet. Hoewel mijns inziens de maatstaf voor kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 lid 1 BW niet wezenlijk verschilt van de ernstigverwijtmaatstaf, zie ik als reden om bij aansprakelijkheid op grond van art. 2:248 lid 1 BW vast te houden aan de formulering uit het Panmo-arrest dat daarmee wordt benadrukt dat sprake is […]”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:PHR:2018:1139

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 mei 2018

    Afgeleide aandeelhoudersschade, opschorting achtergestelde lening en wettelijke handelsrente na aandelenkoop

    “Licorne c.s. stellen dat [verweersters] door dit alles voor Licorne c.s. verborgen te houden de garanties hebben geschonden als bedoeld in de garantieverklaring, althans dat zij Licorne c.s. hebben misleid bij het sluiten van de Koopovereenkomst. Zij zijn daarom zowel op grond van artikel 5.5 van de Koopovereenkomst als op grond van art. 6:74 lid 1 BW verplicht de schade aan Licorne c.s. te vergoeden. De schade betreft onder meer reputatieschade, kosten van juridische bijstand in de Nieuwe Strafzaak en het eventueel door Licorne Nederland aan de Belgische autoriteiten te betalen schikkingsbedrag ter afwending van een veroordeling in de Nieuwe Strafzaak, althans al hetgeen Licorne Nederland op grond van een veroordeling in de Nieuwe Strafzaak dient te betalen. Naast [verweerster 1] , [verweerster 4] en [verweerster 2] zijn ook [verweerder 3] en [verweerder 5] hiervoor hoofdelijk aansprakelijk; dit zowel jegens Licorne Holding, op grond van art. 6:162 BW, als jegens Licorne Nederland op grond van art. 2:9 BW.”

    r.o. 2.12

    “[…] Het beroep van [verweersters] op schending van de klachtplicht van art. 7:23 en/of 6:89 BW is afgewezen (rov. 4.27.). Naast [verweerster 1] , [verweerster 4] en [verweerster 2] zijn ook [verweerder 3] en [verweerder 5] hoofdelijk aansprakelijk voor de door Licorne c.s. geleden en te lijden schade, jegens Licorne Holding op grond van art. 6:162 BW en jegens Licorne Nederland op grond van art. 2:9 BW (rov. 4.28.). De rechtbank heeft [verweersters] daarom hoofdelijk veroordeeld om de voor Licorne uit de Nieuwe Strafzaak voortvloeiende schade, op te maken bij staat, te vergoeden (rov. 4.29.). Ad d) De bevoegdheid van Licorne c.s. tot verrekening en opschorting”

    r.o. 2.13

    ECLI:NL:PHR:2018:513

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 januari 2018

    Enquête: kostenverhaal ex artikel 2:354 BW op feitelijk bestuurder, hoofdelijk

    “Hoewel art. 2:354 BW de term ‘verantwoordelijk’ bevat, gaat het om aansprakelijkheid voor de onderzoekskosten die bezien vanuit de vennootschap een schadepost zijn, en een daaraan gerelateerde plicht jegens de rechtspersoon tot vergoeding daarvan. In de art. 2:350 en 2:354 BW is, aldus de Hoge Raad in de VHS-beschikking, een bijzondere regeling getroffen voor een concrete casuspositie, hetgeen tot gevolg heeft dat de algemeen gestelde aansprakelijkheidsregeling van art. 2:9 BW niet meer aan bod komt. Art. 2:354 BW is derhalve een species van de algemene regeling van art. 2:9 BW en als zodanig een bijzondere vorm van bestuurdersaansprakelijkheid.”

    r.o. 2.6

    “Anders dan in het geval van aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW, waarvoor is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt, gaat het bij een beroep op art. 2:354 BW dus om een ongekwalificeerde vorm van (persoonlijke) verwijtbaarheid. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, spelen alle omstandigheden van het geval een rol, zoals de ernst van de normschending, de mate van schuld en de omvang van de kosten.”

    r.o. 2.8

    ECLI:NL:PHR:2018:87

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 januari 2018

    Agenderingsrecht aandeelhouder: geen afdwingbaar stempunt over bestuursbevoegdheid (Boskalis/Fugro)

    “[…] in het bijzonder de principes II en IV, welke rechtsovertuiging mede inhoud geeft aan (i) de eisen van redelijkheid en billijkheid naar welke volgens art. 2:8 BW degenen die krachtens de wet of de statuten bij de vennootschap zijn betrokken zich jegens elkaar moeten gedragen, en aan (ii) de eisen die voortvloeien uit een behoorlijke taakvervulling waartoe elke bestuurder ingevolge art. 2:9 BW gehouden is. In het bijzonder brengen deze eisen niet mee dat het bestuur van een vennootschap verplicht is aan de algemene vergadering van aandeelhouders goedkeuring te vragen voor, of deze te raadplegen over, een transactie die binnen de bevoegdheid van het bestuur valt, op grond van de enkele omstandigheid dat het belang van de aandeelhouders om hun aandelen voor een zo hoog mogelijke prijs te kunnen verkopen, hierbij mede in het geding is. Aan deze verplichting tot voorafgaande consultatie zijn ook zodanige bezwaren verbonden, dat zij niet kan worden aanvaard zonder een wettelijke of statutaire regeling, met name omtrent de omstandigheden waaronder de verplichting ontstaat en het tijdstip waarop een consultatie zou moeten plaatsvinden, alsmede omtrent de consequenties die aan […]”

    r.o. 4.45

    ECLI:NL:PHR:2018:14

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 december 2017

    Externe bestuurdersaansprakelijkheid trustkantoor bij schending Wte; geen vermoeden, geen collectieve aansprakelijkheid

    “[…] van TMF c.s. het arrest van het Amsterdamse hof vernietigd. De Hoge Raad overwoog met betrekking tot het principale beroep: “4.1 Onderdeel 1 voert terecht aan dat het hof met zijn oordeel in rov. 4.9.2 heeft miskend dat [eisers] de aansprakelijkheid van TMF c.s. jegens hen niet hebben gebaseerd op onbehoorlijke vervulling door TMF Management (BVI) van haar taak als bestuurder (art. 2:9 BW) doch op het naar in het maatschappelijk verkeer geldende normen onbetamelijk handelen van TMF Management (BVI) jegens hen. Het hof heeft kennelijk uit het oog verloren dat, ook als niet gesproken kan worden van een onbehoorlijke taakvervulling van een bestuurder jegens de vennootschap, het handelen van deze bestuurder jegens een derde nog wel ernstig verwijtbaar kan zijn. Na verwijzing zal deze grondslag van de vordering alsnog moeten worden onderzocht. (…).”

    r.o. 1.2

    “De Hoge Raad heeft zowel in het principale cassatieberoep van [eisers] als in het incidentele cassatieberoep van TMF c.s. het arrest van het Amsterdamse hof vernietigd. De Hoge Raad overwoog met betrekking tot het principale beroep: “4.1 Onderdeel 1 voert terecht aan dat het hof met zijn oordeel in rov. 4.9.2 heeft miskend dat [eisers] de aansprakelijkheid van TMF c.s. jegens hen niet hebben gebaseerd op onbehoorlijke vervulling door TMF Management (BVI) van haar taak als bestuurder (art. 2:9 BW) doch op het naar in het maatschappelijk verkeer geldende normen onbetamelijk handelen van TMF Management (BVI) jegens hen. Het hof heeft kennelijk uit het oog verloren dat, ook als niet gesproken kan worden van een onbehoorlijke taakvervulling van een bestuurder jegens de vennootschap, het handelen van deze bestuurder jegens een derde nog wel ernstig verwijtbaar kan zijn. Na verwijzing zal deze grondslag van de vordering alsnog moeten worden onderzocht. (…).”

    r.o. 1.2.5

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). (…) In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg […]”

    r.o. 2.2.2

    “Collectieve aansprakelijkheid jegens derden 2.3.1 Het middel bevat voorts de algemene stelling dat de collectieve aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW moet worden toegepast op externe bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW. Daarmee bepleit het middel dat de eis dat een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, wordt losgelaten althans sterk wordt afgezwakt. Ook deze stelling getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. 2.3.2 [eisers] miskennen namelijk dat, anders dan bij de interne aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW, voor het aannemen van externe aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij of zij onrechtmatig heeft gehandeld en dat dergelijk handelen hem of haar is toe te rekenen. Het element ‘persoonlijk’ brengt het individuele karakter van deze gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsgrond tot uitdrukking en kan niet opzijgezet worden. Ik citeer Assink: “Men lette erop dat, anders dan bij art. 2:9 (…), bij art. 6:162 in geval van een meerhoofdig bestuur géén sprake is van ‘in beginsel’ collectieve (hoofdelijke) aansprakelijkheid (met de mogelijkheid van […]”

    r.o. 2.3

    ECLI:NL:PHR:2017:1419

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 maart 2017

    Conclusie: geen bestuurdersaansprakelijkheid voor uitholling en selectieve betaling bij holding

    “Bij de tenuitvoerlegging van het ten gunste van [eiser] gewezen verstekvonnis van 25 november 2009 is gebleken dat QPH geen verhaal bood, maar een lege huls was (randnummers 3.9-3.10). Dit valt [verweerders] als bestuurders van QPH te verwijten. [eiser] voert aan dat [verweerders] als bestuurders van QPH gehouden zijn tot een behoorlijke vervulling van de hen opgedragen taak (art. 2:9 BW). Dit houdt in dat zij de door hen gedreven onderneming zo moeten inrichten en leiden, dat in elk geval de mogelijkheid bestond dat QPH aan haar verplichtingen jegens [eiser] zou kunnen (blijven) voldoen. In deze verplichting zijn zij echter ernstig tekortgeschoten en zij hebben ieder ten opzichte van [eiser] zodanig onbehoorlijk gehandeld dat hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt (randnummers 3.11-3.12). Zij wisten, of hadden redelijkerwijze moeten begrijpen, dat de door hen bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van QPH tot gevolg zou hebben dat QPH haar verplichtingen jegens [eiser] niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan door [eiser] geleden schade (randnummer 3.13). [eiser] verwijst ter onderbouwing naar de arresten van Uw Raad […]”

    r.o. 2.3

    ECLI:NL:PHR:2017:190

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 januari 2017

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid: voorzienbaarheid schade geen constitutief vereiste bij artikel 2:9 BW

    “De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 17 augustus 2011 in rov. 4.3. geoordeeld dat [verweerster] haar vordering jegens [eiser] – als toenmalig bestuurder van [verweerster] – weliswaar heeft gebaseerd op onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), maar dat nu het verwijt aan [eiser] ziet op een handeling binnen de uitoefening van de werkzaamheden van [eiser] als bestuurder van [verweerster] , de aansprakelijkheid van [eiser] als bestuurder van [verweerster] voor het gestelde onrechtmatig handelen beoordeeld dient te worden aan de hand van de norm van art. 2:9 BW. In haar eindvonnis van 8 januari 2014 heeft de rechtbank vervolgens in rov. 2.1. nader overwogen dat art. 2:9 BW hier de concretisering of invulling vormt van het algemene onrechtmatigheidsbegrip en heeft zij zich bevoegd geacht om op basis van de feiten deze nadere rechtsgrondslag zelf aan te vullen (rov. 2.1.). [eiser] is hierdoor niet in zijn belangen geschaad, nu (ook volgens hemzelf) de norm van art. 2:9 BW een strengere maatstaf aanlegt dan art. 6:162 BW (rov. 2.1.). De rechtbank heeft daarom geen reden gezien om op de in het tussenvonnis genoemde maatstaf terug te komen.”

    r.o. 2.3

    “De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat [eiser] van dit handelen een ernstig verwijt kan worden gemaakt: “4.8. Ter bepaling van de aansprakelijkheid van [eiser] moet vervolgens worden gekeken naar wat de maatstaf van artikel 2:9 BW meebrengt. In het algemeen wordt aangenomen dat de bestuurder jegens de vennootschap aansprakelijk is in de zin van voormeld artikel als sprake is van een onmiskenbare tekortkoming, een tekortkoming waarover geen redelijk oordelend en verstandig ondernemer twijfelt. Er moet de bestuurder een voldoende ernstig verwijt kunnen worden gemaakt. Bij de beoordeling of de bestuurder een ernstig verwijt treft moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken.”

    r.o. 2.7

    “[…] hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van 17 augustus 2011 en tegen het eindvonnis van 8 januari 2014. Daarbij is tegen het tussenvonnis een zestal grieven (I tot en met VI) geformuleerd en een tweetal grieven (VII-VIII) tegen het eindvonnis. De eerste grief komt op tegen rov. 4.3. van het tussenvonnis en klaagt dat de rechtbank het handelen van [eiser] niet naar de maatstaf van art. 2:9 BW had dienen te beoordelen, maar naar die van onrechtmatige daad, nu [verweerster] dit blijkens de inleidende dagvaarding ook zo bedoelde; dit was begrijpelijk nu [eiser] ten tijde van het tekenen van de pandakte geen bestuurder meer was (randnummer 22 memorie van grieven). Deze aanvulling van rechtsgronden door de rechtbank was daarom ongeoorloofd (randnummers 23 en 24). Grieven II tot en met VI komen op tegen de overwegingen in rov. 4.6., 4.7., 4.9., 4.13. en 4.14. van het tussenvonnis, waarin de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat [eiser] onrechtmatig jegens [verweerster] heeft gehandeld door onjuiste informatie aan de bank te verstrekken in de pandakte van 11 juli 2014, dat hem hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt als bedoeld in art. 2:9 BW, dat hij aansprakelijk […]”

    r.o. 2.14

    “Het hof heeft ten aanzien van de eerste grief in principaal appel geoordeeld dat de rechtbank op grond van art. 25 Rv gehouden was de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen en te onderzoeken of de vordering op grond van het recht en de ten processe gestelde feiten al dan niet toewijsbaar is. Ook heeft het hof geoordeeld dat geen rechtsregel de rechter verplicht partijen over dit onderzoek en de uitkomst daarvan te informeren, vóórdat hij zijn uitspraak doet (rov. 3.4.2.). Verder heeft [eiser] in hoger beroep uitdrukkelijk wel rekening kunnen houden met art. 2:9 BW als grondslag van de vordering en heeft hij ook zelf bij memorie van grieven aangevoerd dat dit de grondslag van de vordering van [verweerster] is. Aan deze grief is daarom het belang komen te ontvallen (rov. 3.4.3.). [verweerster] heeft desgevraagd beaamd dat zij haar vordering op art. 2:9 BW wenst te baseren (rov. 3.4.4.). Het hof overweegt daarom dat het de primaire vordering tot het verkrijgen van een verklaring voor recht uitsluitend zal beoordelen op basis van een rechtsverhouding die aan die kwalificatie beantwoordt (rov. 3.4.4.).”

    r.o. 2.17

    ECLI:NL:PHR:2017:15

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 december 2016

    Bestuurdersaansprakelijkheid: verkoop zonder AVA-goedkeuring en belastingteruggaaf, ernstig verwijt

    “In deze cassatie gaat het in de kern om de vraag of het hof mocht oordelen dat AG als (toenmalig) bestuurster van AP ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van art. 2:9 BW door (de IE-rechten van) het softwareprogramma Smart Decision zonder goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders van AP te verkopen. Deze aansprakelijkheid van AG rust in voorkomend geval op grond van art. 2:11 BW ook hoofdelijk op [eiser 4] , [eiseres 3] en Attitude Beheer Maatschappij B.V. Verder is in deze cassatie aan de orde of het hof heeft mogen oordelen dat AG jegens AP onrechtmatig heeft gehandeld door niet over te gaan tot terugbetaling aan de belastingdienst van een door haar ontvangen, maar voor AP bestemde, teruggave omzetbelasting.”

    r.o. 1.2

    “[…] betrokken. Voor de beoordeling van de cassatieklachten is het niet zinvol om (het verloop van) de diverse deelconflicten te schetsen. Ik beperk mij in het navolgende daarom tot een bespreking van het procesverloop voor zover dit van belang is voor de behandeling van de cassatieklachten. In de onderhavige procedure gaat het, samengevat, om de vraag of AG c.s. aansprakelijk zijn op grond van art. 2:9 BW jegens MBSH c.s. in verband met het innen van facturen van AP op een rekeningnummer van AG, betalingen van AP aan AC en de verkoop van de IE-rechten van Smart Decision (hierna ook wel kortheidshalve: “de verkoop van Smart Decision”) en daarbij horende SLA's aan Carthago. In cassatie gaat het primair om de vraag of AG c.s. jegens MBSH c.s. aansprakelijk zijn op grond van art. 2:9 BW voor schade geleden door de verkoop van Smart Decision. Daarnaast staat ter discussie of AG onrechtmatig heeft gehandeld jegens AP door een aan AP toekomende maar door AG ontvangen belastingteruggave niet aan AP door te betalen.”

    r.o. 2.1

    “[…] strijd hebben gehandeld met de statuten van AP. In de derde plaats zou AG het ertoe hebben geleid dat betalingen of overboekingen van AP naar AC hebben plaatsgevonden ten tijde van de schorsing van MBSH als bestuurder van AP. Deze drie verwijten zijn alle gestoeld op onbehoorlijke vervulling door AG van zijn bestuurstaak ten aanzien van AP waarvan AG een ernstig verwijt kan worden gemaakt (art. 2:9 BW). Ter ondersteuning van deze gestelde schending van art. 2:9 BW heeft AP daarnaast betoogd dat MBSH ten onrechte als bestuurder is geschorst, althans haar vertegenwoordigingsbevoegdheid is ontnomen en dat AG zich als bestuurder van AP heeft teruggetrokken op een moment dat AP slechts nog schulden had.”

    r.o. 2.3

    “In het principale hoger beroep hebben MBSH c.s. drie grieven tegen dit vonnis geformuleerd en tevens hun eis in hoger beroep gewijzigd. De eerste grief richt zich tegen het oordeel dat MBSH c.s. hun stellingen omtrent de ongegronde betalingen van AP aan AC onvoldoende hebben onderbouwd. Met de tweede grief komen MBSH c.s. op tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 4.2. en rov. 4.31.) dat MBSH c.s. hun vordering te verklaren voor recht dat AG c.s. jegens MBSH toerekenbaar tekort zijn geschoten respectievelijk onrechtmatig hebben gehandeld, vooral heeft gebaseerd op de stelling dat sprake is van een schending van art. 2:9 lid 1 BW, zonder nader toe te lichten in welk opzicht deze verwijten onrechtmatig jegens MBSH zijn. De derde grief richt zich tegen de afwijzing van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Tenslotte hebben MBSH c.s. hun eis gewijzigd door ook vergoeding te vorderen van de door AG ontvangen belastingteruggave die voor AP bestemd was.”

    r.o. 2.8 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2016:1264

  • Parket bij de Hoge Raad · 2 december 2016

    Bestuurdersaansprakelijkheid moedervennootschap voor lege projectvennootschap na onterechte ontbinding koopovereenkomst

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”

    r.o. 2.3

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”

    r.o. 2.4.2

    ECLI:NL:PHR:2016:1237

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 november 2016

    Externe aansprakelijkheid tweedegraads bestuurder wegens crediteurenbenadeling via sale-and-lease-back; artikel 2:11 BW

    “Subonderdeel 1.1.3 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 4.3 niet valt te rijmen met het gegeven dat doorwerking van een op artikel 2:9 BW of artikel 2:138/248 BW gebaseerde aansprakelijkheid van de rechtspersoon bestuurder in hoofdelijke aansprakelijkheid van iedere tweedegraadsbestuurder ex artikel 2:11 BW op zichzelf niet in de weg staat, dat één of meer van die tweedegraadsbestuurders geen betrokkenheid had(den) bij het feitencomplex dat aansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW of artikel 2:138/248 BW van die rechtspersoon-bestuurder oplevert. Niet valt in te zien waarom bij een op artikel 6:162 BW gebaseerde aansprakelijkheid van de rechtspersoon bestuurder in een geval als het onderhavige een benadering aangewezen zou zijn, waarin, zoals het hof heeft geoordeeld, artikel 2:11 BW integraal toepassing mist.”

    r.o. 3.63

    “Subonderdeel 1.1.4 klaagt dat het voorgaande des te meer klemt omdat de benadering van het hof ertoe leidt dat een derde die op grond van artikel 6:162 BW ageert niet door artikel 2:11 BW wordt beschermd, maar een curator van de door de failliete rechtspersoon-bestuurder bestuurde rechtspersoon die in het belang van de gezamenlijke schuldeisers op grond van artikel 2:138/248 BW (en/of artikel 2:9 BW) opkomt (of de door de rechtspersoon-bestuurder bestuurde rechtspersoon die artikel 2:9 BW in stelling brengt) wél door artikel 2:11 BW wordt beschermd. Voor een dergelijke rechtsongelijkheid bestaat althans onvoldoende rechtvaardiging.”

    r.o. 3.64

    ECLI:NL:PHR:2016:1224

  • Parket bij de Hoge Raad · 11 november 2016

    Internationale bevoegdheid bij vordering tegen Duitse bestuurder-werknemer op grond van artikel 2:9 BW

    “[…] en [eiseres 1] gesloten arbeidsovereenkomst als directeur bij deze vennootschap in dienst was, maar dat hij ook als bestuurder (in vennootschapsrechtelijke zin) van [eiseres 1] was aangesteld. [eiseres 1] stelt zich primair op het standpunt dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijke vervulling van zijn taak als bestuurder van [eiseres 1] en uit dien hoofde op grond van art. 2:9 BW jegens haar aansprakelijk is. Voorts heeft [eiseres 1] zich beroepen op opzet dan wel bewuste roekeloosheid van [verweerder] bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst met haar, een en ander als bedoeld in art. 7:661 BW. Subsidiair voert [eiseres 1] aan dat de ernstige fouten die [verweerder] heeft gemaakt bij de uitoefening van zijn functie bij [eiseres 1], meebrengen dat sprake is van onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens haar in de zin van art. 6:162 BW. [verweerder] heeft zich beroepen op de onbevoegdheid van de rechtbank Almelo ingevolge de EEX-Verordening’.”

    r.o. 1.2

    “In rov. 3.8.2 van het verwijzingsarrest heeft Uw Raad uiteengezet dat naar Nederlands recht onderscheid wordt gemaakt tussen de aansprakelijkheid van een persoon in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap (uit hoofde van schending van zijn vennootschapsrechtelijke verplichting tot behoorlijke taakvervulling krachtens art. 2:9 BW dan wel uit hoofde van onrechtmatig handelen in de zin van art. 6:162 BW) en de afgezien van deze hoedanigheid op die persoon rustende aansprakelijkheid als werknemer van die vennootschap (uit hoofde van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:661 BW).”

    r.o. 1.3

    “De klachten van onderdeel 1 zijn door de Hoge Raad reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag verworpen in rov. 3.5.2 van het verwijzingsarrest. De Hoge Raad heeft overwogen dat uit rov. 4.5 van het bestreden arrest blijkt dat het hof niet heeft miskend dat [verweerder] bij [eiseres 1] werkzaam was zowel op basis van een tussen hem en [eiseres 1] gesloten arbeidsovereenkomst als in de hoedanigheid van bestuurder (in vennootschapsrechtelijke zin) van [eiseres 1], en voorts dat het hof heeft onderkend dat [eiseres 1] haar vorderingen mede heeft gebaseerd op schending door [verweerder] van de krachtens art. 2:9 BW op hem rustende verplichting tot behoorlijke vervulling van zijn taak.”

    r.o. 2.8

    “Onderdeel 2 valt uiteen in vijf subonderdelen en ziet op het bevoegdheidsoordeel van het hof in rov. 4.5 met betrekking tot de primaire op art. 2:9 BW gebaseerde vordering van [eiseres 1] wegens onbehoorlijke taakvervulling van [verweerder]. In de kern genomen betogen de subonderdelen (onderdelen 2.1 en 2.2) dat het hof heeft miskend dat de uit art. 2:9 BW wegens onbehoorlijke taakvervulling voortvloeiende verbintenis kwalificeert als verbintenis uit overeenkomst in de zin van art. 5 sub 1 EEX-Vo dan wel als verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van art. 5 sub 3 EEX-Vo. Ook betoogt het middel (onderdeel 2.3) dat de uit art. 2:9 BW voortvloeiende verbintenis niet voortvloeit uit en geen verband houdt met de arbeidsovereenkomst in de zin van art. 18 EEX-Vo en in het geval van een vordering die mede (subsidiair) gestoeld wordt op een individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst, nog niet leidt tot exclusieve bevoegdheid van de rechter ‘op het grondgebied van de werknemer’, aldus onderdeel 2.4. De rechter ‘van het grondgebied van de werknemer’ is niet reeds krachtens art. 18 lid 1 jo. art. 20 lid 1 EEX-Vo exclusief bevoegd voor alle vorderingen van de vennootschap tegen de […]”

    r.o. 2.9

    ECLI:NL:PHR:2016:1126

  • Parket bij de Hoge Raad · 2 september 2016

    Enquête Meavita: kostenverhaal ex artikel 2:354 BW en samenstelling OK na defungeren voorzitter

    “[…] vastgestelde onjuiste beleid is. De Hoge Raad lijkt in zijn beschikkingen inzake VHS en Text Lite ook een dergelijke benadering voor te staan. Hij vereist immers in die beschikkingen individuele en concrete verantwoordelijkheid en - zo zou ik willen toevoegen - verwijtbaarheid. Ik vind deze benadering te meer voor de hand liggend, nu art. 2:354 BW een soort van lex specialis van art. 2:9 BW is. In dat artikel speelt, zoals bekend, ernstige verwijtbaarheid als een aansprakelijkheid vestigende omstandigheid een belangrijke rol.”

    r.o. 3.36

    ECLI:NL:PHR:2016:856

  • Parket bij de Hoge Raad · 2 september 2016

    Enquête Meavita: kostenverhaal artikel 2:354 BW en defungerende OK-voorzitter

    “[…] vastgestelde onjuiste beleid is. De Hoge Raad lijkt in zijn beschikkingen inzake VHS en Text Lite ook een dergelijke benadering voor te staan. Hij vereist immers in die beschikkingen individuele en concrete verantwoordelijkheid en - zo zou ik willen toevoegen - verwijtbaarheid. Ik vind deze benadering te meer voor de hand liggend, nu art. 2:354 BW een soort van lex specialis van art. 2:9 BW is. In dat artikel speelt, zoals bekend, ernstige verwijtbaarheid als aansprakelijkheid vestigende omstandigheid een belangrijke rol.”

    r.o. 3.40

    ECLI:NL:PHR:2016:857

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 januari 2016

    Artikel 2:9 BW: ernstig verwijt stichtingsbestuurder, schade en advocaatkosten

    “[…] bestreden en op haar beurt een reconventionele vordering ingesteld, na vermindering tijdens de comparitie, strekkend tot veroordeling [eiser] tot betaling van € 1.857.316,68 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2011, zulks met nevenvorderingen. 2.2.2 ATAL heeft aan haar vordering, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat sprake is van wanbeleid in de zin van art. 2:9 BW.”

    r.o. 2.1

    “ATAL heeft aan haar vordering, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat sprake is van wanbeleid in de zin van art. 2:9 BW.”

    r.o. 2.2.2

    “Bij het voorgaande betrekt het hof het volgende. De rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] (tevens) ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door zonder de raad van toezicht van ATAL hierin te kennen aan STAT een lening te verstrekken die niet in het belang was van ATAL, die risicovol was en bovendien werd verstrekt in de wetenschap dat [eiser] ook zelf voordeel van het verstrekken van liquide middelen door ATAL aan STAT had omdat niet in te zien is dat STAT zonder die middelen in staat zou zijn geweest de declaratie van [eiser] van ongeveer € 260.000,- te voldoen en de lening van € 450.000,- aan [eiser] te verstrekken. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de handelwijze van [eiser] ook op dit punt als wanbeleid in de zin van artikel 2:9 BW moet worden aangemerkt. Het hof verwijst voor een nadere motivering naar hetgeen hierboven hierover reeds is opgemerkt. Grief V in incidenteel appel faalt.”

    r.o. 3.27

    “In cassatie wordt terecht niet langer bestreden dat het ontslag van [eiser] als bestuurder van ATAL de toets der kritiek (van art. 2:8 BW) ruimschoots kan doorstaan. Het gaat thans nog (slechts) om de vraag of [eiser] in zijn hoedanigheid van bestuurder ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van art. 2:9 BW en zo ja, of ATAL ten gevolge hiervan schade heeft geleden en wat de omvang van die schade is.”

    r.o. 3.1

    ECLI:NL:PHR:2016:15

  • Parket bij de Hoge Raad · 11 december 2015

    Feitelijk bestuurder Arubaanse vennootschap aansprakelijk voor onbetaalde advocaatfacturen; toepasselijk recht in appel

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”

    r.o. 2.6

    “[…] die ingeval van schending een doen of nalaten oplevert in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is in de zin van art. 6:162 lid 2 BW. De overweging van de Hoge Raad dat een bestuurder jegens een schuldeiser onrechtmatig heeft gehandeld, indien hem, mede gelet op de verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, en het feit dat art. 2:9 BW spreekt over ‘bestuurder’ van een rechtspersoon, betekent niet dat de in het genoemde arrest gegeven maatstaven slechts gelden voor een formeel bestuurder. Deze normen hebben een breder bereik en gelden eveneens voor een feitelijk bestuurder. Het feit dat de normen voortvloeien uit het ongeschreven recht en bepaald zijn door hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is, laat een dergelijk breder bereik toe. Het subonderdeel faalt derhalve in zijn geheel.”

    r.o. 2.12

    ECLI:NL:PHR:2015:2412

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 mei 2015

    Conclusie A-G: bestuurdersaansprakelijkheid, persoonlijk ernstig verwijt, niet factureren en innen bij Riro Ventures

    “Onderdeel 1.5(a) klaagt, kort samengevat, dat het hof (met de oordelen welke bestreden worden door onderdelen 1.1 t/m 1.4) de aansprakelijkheid van [eiser] c.s. ten onrechte beoordeeld heeft aan de hand van de maatstaf van art. 2:9 BW.”

    r.o. 3.10

    “De klachten van onderdeel 1.5(a) zijn ongegrond. Het hof heeft onder meer overwogen dat het in het onderhavige geval op de weg van [eiser] c.s. lag om voldoende concreet te onderbouwen dat zij binnen de grenzen van de in art. 2:9 BW bedoelde redelijke taakvervulling hebben gedaan wat mogelijk en noodzakelijk was om te bewerkstelligen dat Etirc alle bedragen die Riro Ventures haar krachtens de overeenkomst van 7 september 2008 verschuldigd was, daadwerkelijk kon innen (zie rov. 3.30 eerste tussenarrest). Dit neemt niet weg dat het hof de gestelde persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser] c.s., beoordeeld heeft aan de hand van de maatstaf als vermeld bij de bespreking van onderdeel 1.1 (zie onder meer rov. 3.4 eerste tussenarrest). Onderdeel 1.5(a) faalt derhalve.”

    r.o. 3.11

    “Onderdeel 1.6(b) klaagt: “Door in rov. 3.8 TA-1 te oordelen en beslissen als het deed, en daarvan ook verder uit te gaan bij zijn verdere beoordeling in zijn tussenarresten daarop voortbouwende eindarrest, heeft het hof in zoverre dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de hier geldende stelplicht- en bewijslastverdeling en/of de reikwijdte daarvan.” Het onderdeel stelt voorts onder meer: “Hetzelfde geldt voor ‘s hofs, daarop voortbouwend, onjuiste oordeel in rov. 3.30 TA-1 dat het op de weg van [eiser] c.s. lag om voldoende concreet te onderbouwen dat zij (‘binnen de grenzen van de in art. 2:9 BW bedoelde taakvervulling’) hebben gedaan wat mogelijk en noodzakelijk was om te bewerkstelligen dat Etirc alle bedragen die Riro Ventures aan Etirc krachtens hun overeenkomst verschuldigd was, werkelijk te innen.””

    r.o. 3.18

    “[…] het gevolg was van bij [eiser] c.s. aanwezige onwil om de Consultants te voldoen (zie onder meer rov. 3.8 eerste tussenarrest). Verder heeft het hof geoordeeld dat het in het licht van het reeds gevoerde partijdebat op de weg van [eiser] c.s. lag om (in het kader van hun betwisting van de stellingen van de Consultants) voldoende concreet te onderbouwen dat zij binnen de grenzen van de in art. 2:9 BW bedoelde redelijke taakvervulling hebben gedaan wat mogelijk en noodzakelijk was om te bewerkstelligen dat Etirc alle bedragen die Riro Ventures krachtens de overeenkomst van 7 september 2008 verschuldigd was daadwerkelijk kon innen (zie rov. 3.30 eerste tussenarrest). Deze en de overige met onderdelen 1.6(a) t/m 1.6(c) bestreden oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel 2”

    r.o. 3.20

    ECLI:NL:PHR:2015:596

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 juni 2014

    Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder naast faillissementspauliana; Spaanse villa-maatstaf

    “[…] rechtsoverweging van de Hoge Raad in het Spaanse villa-arrest volgt dat bepalend is tot wie de geschonden norm zich richt. Richt deze zich tot de vennootschap, dan dient de aansprakelijkheid van de bestuurder te worden beoordeeld aan de hand van de strenge maatstaf dat de bestuurder van zijn handelen, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, persoonlijk een (voldoende) ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. Indien de norm zich echter voornamelijk tot de bestuurder persoonlijk richt, dient de maatstaf te worden aangelegd dat hem van zijn handelen een verwijt kan worden gemaakt in de zin van de 'gewone' aansprakelijkheidsnorm zoals die voortvloeit uit art. 6:162 BW.”

    r.o. 3.29

    “Het middel neemt tot uitgangspunt dat het hof [eiser 1] als bestuurder van Kameleon aansprakelijk heeft geacht respectievelijk heeft gemeend dat aan [eiser 1] een ernstig verwijt kon worden gemaakt (externe bestuurdersaansprakelijkheid). Het faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof wijst er weliswaar op dat [eiser 1] bestuurder van Kameleon is, maar oordeelt dat het handelen van [eiser 1] – zoals in rov. 4.2.5 en 4.2.8 is omschreven en dat niet is beperkt tot de transactie tussen [betrokkene 1] en Kameleon − hem “persoonlijk als onrechtmatig handelen valt te verwijten”. Net als in Uw arrest van 23 november 2012 in de ‘Spaanse villa-zaak’ heeft het hof [eiser 1] persoonlijk aansprakelijk geacht en niet voor een onrechtmatige daad die door de vennootschap was gepleegd (wat niet uitsluit dat de onrechtmatige gedragingen van [eiser 1] in het maatschappelijk verkeer (tevens) als gedragingen van Kameleon kunnen worden aangemerkt, zodat ook de vennootschap uit eigen hoofde op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk kan worden gehouden).”

    r.o. 3.30.1

    “[…] rechtsoverweging van de Hoge Raad in het Spaanse villa-arrest volgt dat bepalend is tot wie de geschonden norm zich richt. Richt deze zich tot de vennootschap, dan dient de aansprakelijkheid van de bestuurder te worden beoordeeld aan de hand van de strenge maatstaf dat de bestuurder van zijn handelen, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, persoonlijk een (voldoende) ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. Indien de norm zich echter voornamelijk tot de bestuurder persoonlijk richt, dient de maatstaf te worden aangelegd dat hem van zijn handelen een verwijt kan worden gemaakt in de zin van de 'gewone' aansprakelijkheidsnorm zoals die voortvloeit uit art. 6:162 BW.”

    r.o. 3.30.2

    ECLI:NL:PHR:2014:675

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 juni 2014

    Conclusie A-G: bestuurdersaansprakelijkheid, boekhoudplicht en onbehoorlijk bestuur bij management buy out

    “Onderdeel 1.2 richt zich tegen het oordeel (in rov. 4.12 t/m 4.14) dat de door de curator gestelde schending van art. 2:207c (oud) BW, vanwege het vervallen van deze bepaling per 1 oktober 2012, als zodanig niet meer als grondslag kan dienen voor de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:248 BW en art. 6:162 BW. Het onderdeel klaagt dat het hof met dit oordeel miskent dat de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht niet tot gevolg heeft dat vermogensrechten die vóór de inwerkingtreding van die wet zijn ontstaan, komen te vervallen. Indien [verweerders] destijds op grond van art. 2:9, art. 2:248 en/of art. 6:162 BW aansprakelijk zijn geworden wegens schending van art. 2:207c (oud) BW, dan is die aansprakelijkheid – aldus het onderdeel – door de inwerkingtreding van de genoemde wet dus niet komen te vervallen. Indien het hof dit niet heeft miskend, dan is het oordeel volgens het onderdeel in elk geval onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.”

    r.o. 3.6

    “De klacht van onderdeel 1.2 wordt tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft geoordeeld dat FSM destijds art. 2:207c BW niet geschonden heeft (zie rov. 4.18.7, 4.18.8). Dat oordeel wordt in cassatie niet met succes bestreden (zie ook de bespreking van onderdeel 1.3). De curator mist dan ook belang bij zijn klachten tegen het oordeel van het hof dat “de beweerde schending van artikel 2:207c (oud) BW als zodanig niet meer als grondslag kan dienen voor de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid op grond van de artikelen 2:248 BW en 6:162 BW […]” (zie rov. 4.14).”

    r.o. 3.7

    ECLI:NL:PHR:2014:708

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 mei 2014

    Conclusie: persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder na overschrijding volmacht; maatstaf Spaanse villa

    “[…] vennootschap. Het handelen van een bestuurder zal in veel gevallen in meer of mindere mate kunnen worden teruggevoerd op zijn positie als bestuurder. Bij al dit soort gevallen is het passender de aansprakelijkheid van de bestuurder te beoordelen aan de hand van de maatstaf dat de bestuurder van zijn handelen, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, persoonlijk een (voldoende) ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt.”

    r.o. 2.7

    “Uit de hiervoor geciteerde rechtsoverweging van de Hoge Raad in het Spaanse villa- arrest volgt dat bepalend is tot wie de geschonden norm zich richt. Richt deze zich tot de vennootschap, dan dient de aansprakelijkheid van de bestuurder te worden beoordeeld aan de hand van de strenge maatstaf dat de bestuurder van zijn handelen, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, persoonlijk een (voldoende) ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. Indien de norm zich echter voornamelijk tot de bestuurder persoonlijk richt, dient de maatstaf te worden aangelegd dat hem van zijn handelen een verwijt kan worden gemaakt in de zin van de ‘gewone’ aansprakelijkheidsnorm zoals die voortvloeit uit art. 6:162 BW.”

    r.o. 2.8

    “Subcategorie a wordt in de memorie van grieven tevens akte wijziging eis als volgt toegelicht: “194. Duidelijk is dat [verweerder] bij zijn handelingen ter uitvoering van de volmacht heeft gehandeld in strijd met zijn verplichtingen tot een behoorlijke taakuitvoering artikel 2:9 BW. Hem kan immers het ernstige verwijt gemaakt worden dat hij zonder daarvoor de benodigde toestemming te hebben gehad en tegen de instructies in, gelden die aan zijn opdrachtgever toekwamen aan de vennootschap waarover hij de volledige zeggenschap had, heeft laten betalen, en vervolgens dit zonder rechtsgrond aan een ander (Dynamic Air) heeft doorbetaald. 195. Daarbij komt dat [verweerder] wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat Tulip Air Lease en Dynamic Air niet in staat zouden zijn om aan hun (terugbetalings)verplichtingen te voldoen en geen verhaal zou bieden. Evenmin overigens was de moedermaatschappij Tulip Air Holding II hiertoe in staat. Hiermee is aan de zogenaamde Beklamel-norm voldaan.” In de memorie van grieven tevens akte wijziging eis wordt aldus duidelijk een beroep gedaan op de bestuurdersaansprakelijkheid van art. 2:9 BW en de daarbij behorende strenge maatstaf van ernstig […]”

    r.o. 2.20

    “[…] welke maatstaf moet worden aangelegd bij aansprakelijkheid van een bestuurder, bepalend is tot wie de geschonden norm zich richt. Richt deze zich tot de vennootschap, dan dient de aansprakelijkheid van de bestuurder te worden beoordeeld aan de hand van de strenge maatstaf dat de bestuurder van zijn handelen, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, persoonlijk een (voldoende) ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. In het door het subonderdeel aangehaalde arrest Ontvanger/[B] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze strenge maatstaf van persoonlijk ernstig verwijt niet alleen opgeld doet bij verzaking van contractuele verplichtingen, maar ook bij – de in de rechtspraak minder vaak voorkomende situatie van – schending van wettelijke verplichtingen. De Hoge Raad overweegt in rechtsoverweging 3.5 als volgt: “(…) Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, […]”

    r.o. 2.41

    ECLI:NL:PHR:2014:371

  • Parket bij de Hoge Raad · 2 mei 2014

    Bestuurdersaansprakelijkheid bij verstrekken tweede in plaats van eerste pandrecht aan financier

    “[…] heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. 7. Zowel in het ene als het andere geval mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld als hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. 8. Ingeval de bestuurder namens de vennootschap heeft gehandeld kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie is gerechtvaardigd dat hem ter zake van deze benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (hierna kort aan te duiden als de "Beklamel-norm"). 9. Ingeval de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt kan de betrokken […]”

    r.o. 3.9

    “[…] heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. 7. Zowel in het ene als het andere geval mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld als hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. 8. Ingeval de bestuurder namens de vennootschap heeft gehandeld kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie is gerechtvaardigd dat hem ter zake van deze benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (hierna kort aan te duiden als de "Beklamel-norm"). 9. Ingeval de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt kan de betrokken […]”

    r.o. 2.5.2

    ECLI:NL:PHR:2014:377

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 december 2013

    Conclusie: ernstig verwijt bestuurders bij overdracht activa en onbetaald laten van betwiste schuldeiser

    “[…] van) Air Holland benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van haar vordering. Uitgangspunt is primair dat de vennootschap aansprakelijk is ter zake van deze benadeling. Onder omstandigheden kan daarnaast ook de bestuurder van de vennootschap aansprakelijk zijn. Daarbij geldt als maatstaf dat de bestuurder, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening (art. 2:9 BW), persoonlijk een voldoende ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. De Hoge Raad heeft in het arrest Ontvanger/[...] twee typen gevallen onderscheiden waarin van een dergelijke op art. 6:162 BW gegronde aansprakelijkheid sprake kan zijn: a. De bestuurder heeft namens de vennootschap gehandeld, waarbij als maatstaf is aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist or redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen […]”

    r.o. 2.1

    ECLI:NL:PHR:2013:2389

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 november 2013

    Internationale bevoegdheid bij interne bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW onder EEX-Verordening

    “Bij vonnis van 13 juli 2011 heeft de rechtbank Almelo zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen van [eiseres] c.s. kennis te nemen. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van [eiseres] c.s. primair zijn gebaseerd op de grondslag dat [verweerder] als bestuurder van [eiseres 1] zijn in art. 2:9 BW neergelegde verplichting tot behoorlijke taakvervulling heeft geschonden. Deze vordering heeft volgens de rechtbank betrekking op het bestuur van de Duitse vennootschappen, zodat op grond van het Duitse (incorporatie)recht van deze vennootschappen moet worden bepaald waar op basis van art. 5, punt 1, sub a EEX-Vo de plaats is gelegen van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt. De rechtbank overweegt dat naar Duits recht dient te worden vermoed dat de bestuurder zijn taak behoort te vervullen waar de vennootschap is gevestigd, tenzij de omstandigheden van het geval concreet aanleiding geven om van dit vermoeden af te wijken en dat van dergelijke omstandigheden niet is gebleken. Ten aanzien van de vordering ter zake van bestuurdersaansprakelijkheid is de Duitse rechter bevoegd, aldus de rechtbank (rov. 7.7 t/m 7.9). Wat de subsidiaire op onrechtmatige […]”

    r.o. 1.3

    “Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel 1 valt uiteen in twee subonderdelen. Subonderdeel 1.1 betoogt dat, voor zover het hof in het bestreden arrest heeft gemeend dat [verweerder] slechts op grond van een (arbeids)overeenkomst bij [eiseres 1] in dienst was en de vorderingen van [eiseres 1] daarom uitsluitend op niet-nakoming daarvan zouden zijn gebaseerd, het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd althans het hof buiten de rechtsstrijd in appel is getreden, aangezien [verweerder] in de periode van 20 juli 2001 tot 31 december 2006 ook (in vennootschapsrechtelijke zin) bestuurder van [eiseres 1] is geweest. In aansluiting hierop betoogt subonderdeel 1.2 dat, voor zover het hof heeft geoordeeld dat [eiseres 1] haar vorderingen uitsluitend heeft gebaseerd op de tussen haar en [verweerder] gesloten (arbeids)overeenkomst, het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven van de processtukken, omdat [eiseres] c.s. (o.a.) de vordering van [eiseres 1] met name en in de eerste plaats hebben gebaseerd op schending van art. 2:9 BW wegens onbehoorlijke taakvervulling jegens [eiseres 1].”

    r.o. 2.1

    “[…] aan de op de arbeidsrechtelijke verhouding tussen [verweerder] en [eiseres 1] gebaseerde vordering betreffende niet-nakoming door [verweerder] van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, maar eveneens, zij het kort, aandacht heeft besteed aan de op de vennootschapsrechtelijke verhouding tussen partijen gebaseerde vordering betreffende onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in art. 2:9 BW. In de tweede volzin van rov. 4.5 overweegt het hof immers: ‘Voor zover [eiseres 1] haar vorderingen baseert op onbehoorlijk bestuur, zonder daaraan een overeenkomst ten grondslag te leggen, biedt de EEX-Vo geen bijzonder forum, zodat in beginsel de voormelde hoofdregel van bevoegdheid van art. 2 lid 1 EEX-Vo geldt’. Daarmee is de Nederlandse rechter, in de visie van het hof, niet bevoegd te oordelen over de op schending van art. 2:9 BW gebaseerde vordering betreffende onbehoorlijke taakvervulling. In het licht van deze overweging mist subonderdeel 1.2 feitelijke grondslag.”

    r.o. 2.2

    “Onderdeel 2 bestaat uit vijf subonderdelen, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Kort gezegd komen de klachten op het volgende neer. In subonderdeel 2.1 wordt betoogd dat het hof heeft miskend dat een uit art. 2:9 BW wegens onbehoorlijke taakvervulling voortvloeiende verbintenis – onafhankelijk van de vraag of de bestuurder zijn bestuurswerkzaamheden mede op grond van een arbeidsovereenkomst verricht – kwalificeert als verbintenis uit overeenkomst in de zin van art. 5, punt 1, sub a EEX-Vo. Nu er hypothetisch vanuit kan worden gegaan dat de bestuurstaak in Nederland werd uitgevoerd of moest worden uitgevoerd, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van de op schending van art. 2:9 BW gebaseerde vordering van [eiseres 1] jegens [verweerder]. Subonderdeel 2.2 betoogt dat het hof heeft miskend dat een uit art. 2:9 BW voortvloeiende verbintenis kwalificeert als een verbintenis uit onrechtmatige daad op basis van art. 5, punt 3, EEX-Vo. Subonderdeel 2.3 klaagt dat, voor zover het hof heeft geoordeeld dat een uit art. 2:9 BW voortvloeiende verbintenis kwalificeert als individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst in de zin van art. 18 lid 1 EEX-Vo, het oordeel […]”

    r.o. 2.3

    ECLI:NL:PHR:2013:1265

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 april 2013

    Conclusie: bestuurdersaansprakelijkheid na activatransactie waardoor schuldeiser onverhaalbaar werd

    “De door het hof toegepaste maatstaf is ook juist. In het arrest Ontvanger/Roelofsen(16) heeft de Hoge Raad met betrekking tot deze maatstaf aangesloten bij art. 2:9 BW en als volgt geoordeeld overwogen: "Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard […]”

    r.o. 2.15

    ECLI:NL:PHR:2013:CA0051

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 november 2012

    Externe bestuurdersaansprakelijkheid: dividenduitkeringen, geen voorziening, ernstig verwijt jegens bank

    “[…] gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichtingen tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”

    r.o. 3.4

    “Het criterium "ernstige verwijt" is voor het eerst geformuleerd in het arrest Staleman/van der Ven(8) in het kader van aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van art. 2:9 BW. Daar oordeelde de Hoge Raad dat "(...) voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW [is] vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt."(rov. 3.3.1.) De Hoge Raad vervolgde: "Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult."”

    r.o. 3.5

    “Ondanks dat hetzelfde ernstig verwijt-criterium bij verschillende bestuurdersaansprakelijkheidsvragen voorop wordt gesteld, is volgens mij nog niet gegeven dat indien een bestuurder in de ene verhouding een ernstig verwijt gemaakt kan worden (bijvoorbeeld jegens de vennootschap) hij daarmee ook in de andere verhoudingen (jegens aandeelhouder of een derde crediteur) een ernstig verwijt gemaakt kan worden. Immers, in bijvoorbeeld het arrest Staleman/Van de Ven zijn volgens de Hoge Raad in de context van 2:9 BW andere accenten van belang bij de invulling van het 'ernstig verwijt' dan bij Ontvanger/[D] in het kader van 6:162 BW waar veel meer de nadruk ligt op de voorzienbaarheid van benadeling van de betrokken crediteur.”

    r.o. 3.9

    “[…] is voor de door haar geleden schade, te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf of is komen vast te staan dat [eiser] als (indirect) bestuurder van [A] heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [A] haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en of voorts is komen vast te staan dat hem - mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW - hiervan een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (zie HR 18 februari 2000, LJN AA4873). Anders gezegd kan [eiser] voor schade van Artesia aansprakelijk worden gehouden, indien zijn handelen of nalaten als (indirect) bestuurder ten opzichte van deze schuldeiser van [A] in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is te achten dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat [eiser] wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van [A] tot gevolg zou hebben dat zij haar verplichtingen jegens Artesia niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. […]”

    r.o. 3.14

    ECLI:NL:PHR:2012:BY0662

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 november 2012

    Bestuurder persoonlijk aansprakelijk: rechtstreeks versus secundair daderschap en ernstig verwijt

    “Uitgangspunt daarbij is dat primair de vennootschap aansprakelijk is voor de door de derde geleden schade. Onder omstandigheden kan een bestuurder ook aansprakelijk zijn. Deze externe aansprakelijkheid van de bestuurders o.g.v. onrechtmatige daad is gestoeld op art. 6:162 BW en als maatstaf daarbij geldt dat de bestuurder, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, persoonlijk een voldoende ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt, om tot aansprakelijkheid te komen. Uw Raad heeft, met name in het Ontvanger/[...]-arrest(4), meer inzicht gegeven in de toe te passen maatstaf en geoordeeld dat deze vorm van aansprakelijkheid niet alleen kan spelen bij verzaking van contractuele verplichtingen, maar ook bij schending van wettelijke verplichtingen. Er is vrij veel jurisprudentie en literatuur beschikbaar over deze aansprakelijkheidsvariant.”

    r.o. 4.2

    “Het terrein waar aansprakelijkheid van een rechtspersoon en/of een daarbij betrokken (natuurlijke) persoon beide jegens derden aan de orde is c.q. kan zijn, is ruimer. Voor een uitgebreid overzicht van deze materie verwijs ik naar S.N. de Valk, Aansprakelijkheid van leidinggevenden(5), die veel facetten van gedragingen, toerekening en aansprakelijkheid van vennootschappen en daarbij betrokken functionarissen belicht. Ik licht hier enkele aspecten uit die verband houden met de 'toerekening' van gedragingen aan een vennootschap en met aansprakelijkheid van functionarissen van een vennootschap o.g.v. art. 6:162 BW. Ik laat andere c.q. specifieke varianten, zoals de interne aansprakelijkheid ex. art. 2:9 BW en aansprakelijkheid in faillissement ex. art. 2:138/248 lid 8 BW hier verder buiten beschouwing. Handelen en aansprakelijkheid rechtspersoon”

    r.o. 4.4

    “In situaties waar een onrechtmatige daad aan de orde is, kan dus zowel sprake zijn van rechtstreeks als secundair daderschap, afhankelijk van het soort verwijt dat de benadeelde partij de functionaris maakt en de wijze waarop de functionaris is opgetreden. Ik meen dat externe bestuurdersaansprakelijkheid in verband met niet-nakoming door de vennootschap een variant is van secundaire aansprakelijkheid. De rol van de natuurlijke persoon binnen de vennootschap bepaalt dan in belangrijke mate welke verplichtingen en verantwoordelijkheden hij binnen die context heeft. Wanneer het een bestuurder betreft, zullen dan voorts zijn taken en verantwoordelijkheden o.g.v. 2:9 BW een rol spelen bij het oordeel of hij in persoon aansprakelijk is. Persoonlijk (voldoende) ernstig verwijt?”

    r.o. 4.11

    “De klachten nemen m.i. alle als uitgangspunt dat het hof de maatstaf die geldt voor externe aansprakelijkheid (o.g.v. art. 6:162 BW) van bestuurders o.g.v. secundair daderschap - waarbij sprake moet zijn van een voldoende ernstig verwijt, onder meer in het licht van art. 2:9 BW - heeft miskend. Dat is, zoals hiervoor vermeld, m.i. niet de maatstaf die het hof heeft gehanteerd. De klachten missen daarom feitelijke grondslag en kunnen daarom al niet tot cassatie leiden. Het middel bevat m.i. geen klachten die zich richten tegen de door het hof gehanteerde maatstaf van rechtstreeks daderschap van [eiser], zodat de toepassing van het hof daarvan in cassatie niet kan worden getoetst. Ook worden de oordelen van het hof over de toerekenbaarheid van het handelen c.q. nalaten van [eiser] aan de Vennootschap en de aansprakelijkheid van de Vennootschap in cassatie niet bestreden.”

    r.o. 5.2

    ECLI:NL:PHR:2012:BX5881

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 mei 2012

    Verjaring van vordering curator uit artikel 2:9 BW tegen bestuurder; regres hoofdelijke schuldenaren

    “Bij exploot van 5 juni 2007 heeft de curator [verweerder] in rechte betrokken en gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van het boedeltekort danwel tot vergoeding van schade op te maken bij staat: (i) primair wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur (art. 2:248 BW); (ii) subsidiair wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW); (iii) meer subsidiair wegens onrechtmatige daad en (iv) uiterst subsidiair bij wege van regres ex art. 6:10 lid 2 BW ter zake van hetgeen CFT als hoofdelijk schuldenaar aan [C] had betaald. In cassatie zijn alleen nog vorderingen (ii) en (iv) aan de orde.”

    r.o. 2.1

    “Onderdeel 1 ziet op de afwijzing van de op art. 2:9 BW gestoelde subsidiaire vordering van de curator in rov. 4.6. Deze rechtsoverweging houdt kort samengevat het volgende in. [Verweerder] heeft zich er terecht op beroepen dat de subsidiaire vordering ter zake van onbehoorlijke taakvervulling, voor zover zij stoelt op het handelen van [verweerder] in de periode van 1989 tot begin 1992, inmiddels is verjaard. De verjaringstermijn is uiterlijk in 1994 gaan lopen, nu de vennootschap die in het kader van art. 2:9 BW als mogelijk benadeelde is te beschouwen uiterlijk in 1994 op de hoogte is geraakt van het feit dat [betrokkene 1] [ik lees: [C]; A-G] [verweerder] en CFT aansprakelijk hield. Dat de hoogte eerst in 2002 is vastgesteld maakt dat niet anders, terwijl de stelling van de curator dat de verjaringstermijn pas gaat lopen op het moment dat hij kennis neemt van een mogelijke vordering, geen steun vindt in het recht. Niet gebleken is dat de verjaring is gestuit, aldus het hof.”

    r.o. 3.1

    “[…] veroordelend vonnis tegen CTF en [verweerder]. De curator start in 2007 - bijna vijfjaar na het faillissement van CTF - vooral op basis van de feiten die zich tussen 1989 en 1991 hebben voorgedaan een procedure tegen [verweerder]. Daarom komt de vraag van de verjaring op. Een rechtsvordering van de vennootschap op een (gewezen) bestuurder wegens onbehoorlijke taakvervulling uit hoofde van art. 2:9 BW strekt tot vergoeding van vermogensschade die de bestuurder door zijn onbehoorlijke taakvervulling heeft veroorzaakt. Dit brengt mee dat art. 3:310 lid 1 BW, die de verjaring van rechtsvorderingen tot vergoeding van schade regelt, op deze vordering van toepassing is. Art. 3:310 lid 1 bepaalt dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijfjaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Tussen rechtspersonen en haar bestuurders geldt voorts een verlenging van de verjaring, die voortduurt totdat zes maanden na het defungeren van de bestuurder zijn verstreken (art. 3:321 lid 1 sub d jo. 320 BW). Voorts is van belang dat art. 3:322 lid 1 BW bepaalt dat […]”

    r.o. 3.2

    “[…] jegens CFT heeft gehandeld door de opbrengst van de verkoop van activa aan [D] (zie hiervoor onder 1.5) geheel over te maken aan [C] ter voldoening van het vonnis waartoe CFT hoofdelijk was veroordeeld (inleidende dagvaarding onder 3.1 t/m 3.4). [Verweerder] heeft zich daarop onder meer als volgt verweerd (conclusie van antwoord onder 23): "Voorts zij nog vermeld dat de vordering ex art. 2:9 BW een vordering van de vennootschap jegens de bestuurder betreft. In het onderhavige geval is [verweerder] als bestuurder van CFT voor het gevoerde beleid in de relevante jaren (1989 tot en met 1991) [in welke periode CFT met [betrokkene 1], de voormalige klant van [C], zaken heeft gedaan; A-G] decharge verleend, hetgeen meebrengt dat de bestuurder hoe dan ook op het beleid in deze jaren niet is aan te spreken. Daarbij geldt dat de door de curator op het artikel gebaseerde schadevergoedingsvordering, voor zover betrekking hebbend op dejaren 1989 tot en met 1991, indien een dergelijke vordering zou bestaan, inmiddels ruimschoots is verjaard." De curator reageerde als volgt (repliek onder 13): "Voorts stelt [verweerder] in punt 23 van de conclusie van antwoord dat de vordering van de […]”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:PHR:2012:BV6769

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 april 2012

    Stichtingsbestuurder aansprakelijk voor beleggingsavontuur; A-G: motiveringsklacht faalt, artikel 81 RO

    “De rechtbank heeft bij vonnis van 25 juli 2007 verklaard dat alle resterende gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de Stichting geleden schade en dat zij die schade, op te maken bij staat, aan de Gemeente moesten betalen. De aansprakelijkheid van de oud-bestuurders is gebaseerd op art. 2:9 BW. Voor het aan [betrokkene 1] te maken ernstige verwijt wordt er met name gewezen dat hij betrokken was bij de benoeming van [eiser 2] als Assistant Treasurer en de daarbij gegeven volmacht, dat hij een aantal stukken heeft opgesteld of ondertekend, zijn medebestuurders niet heeft geïnformeerd dat de garantie was ingeroepen en hen onjuist had geïnformeerd dat de aflossing bij het NWB zou hebben plaatsgevonden. [Betrokkene 2] wordt verweten dat hij de genoemde volmacht mede heeft ondertekend en dat hij de brief waarbij de bankgarantie werd verlengd mede heeft ondertekend. [Eiser 1] wordt aangewreven dat hij betrokken is geweest bij een verzoek aan de ING-bank om een SWIFT-boodschap op te stellen, bij het afgeven van de contragarantie, bij het tekenen van de pandakte en voor zijn aanwezigheid bij de besprekingen met ING op 28 maart en 10 april 2001. De aansprakelijkheid van [eiser […]”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:PHR:2012:BV7346

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 juli 2011

    Trustkantoor als bestuurder aansprakelijk jegens Ontvanger wegens verhaalsfrustratie; conclusie strekt tot vernietiging

    “[…] bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen, zo overwoog de Hoge Raad: "(...) mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (...)."(23)”

    r.o. 2.13

    “De maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder is of hij, gegeven de concrete omstandigheden van het geval, zich zodanig onzorgvuldig heeft gedragen dat hem daarvan een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het vereiste van een voldoende ernstig verwijt stamt uit vaste rechtspraak zoals die in het bijzonder op grond van art. 2:9 BW (bestuurdersaansprakelijkheid jegens de rechtspersoon) tot ontwikkeling is gekomen. Of van een (voldoende) ernstig verwijt sprake is, dient aan de hand van alle omstandigheden van het geval te worden beoordeeld(27). Het begrip ernstige verwijtbaarheid is open en dient objectief te worden beoordeeld(28). De objectieve beoordeling komt vooral tot uitdrukking in de eis dat de bestuurder beschikt over het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak is berekend en deze nauwgezet vervult(29). Tot de verdere in aanmerking te nemen omstandigheden rekent de Hoge Raad onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen en de […]”

    r.o. 2.16

    “Het vereiste van ernstige verwijtbaarheid is ontwikkeld met betrekking tot de interne aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de vennootschap. De belangrijkste norm waarop deze interne aansprakelijkheid kan worden gebaseerd, is in art. 2:9 BW(34) opgenomen. Ingevolge deze bepaling is de bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. De bepaling behelst een inspanningsverbintenis van de bestuurder, nu zij niet tot het bereiken van een bepaald resultaat strekt(35). Het vereiste van een ernstige verwijtbaarheid wordt in de rechtspraak ook toegepast op de externe aansprakelijkheid van bestuurders tegenover derden op grond van onrechtmatig handelen. In alle gevallen waarin bestuurdersaansprakelijkheid aan de orde wordt gesteld, geldt de maatstaf van ernstige verwijtbaarheid. De inhoudelijke invulling van het begrip ernstig verwijt is echter contextafhankelijk, waarbij, afhankelijk van de grondslag van de aansprakelijkheid, andere omstandigheden relevant kunnen zijn, die niettemin een gelijke zwaarte van de overtreden gedragsnorm impliceren(36).”

    r.o. 2.18

    “Voor een behoorlijke vervulling van de bestuurstaak, zoals bepaald in art. 2:9 BW, zijn de bestuurders gezamenlijk verantwoordelijk. Wanneer ernstige verwijtbaarheid bij de vervulling van de bestuurstaak wordt aangenomen, wordt dit het hele bestuur als collectief aangerekend en zijn de bestuurders voor de tekortkoming hoofdelijk aansprakelijk. De (individuele) bestuurder kan zich wel disculperen indien de tekortkoming niet aan hem te wijten is en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Anders dan de collectieve aansprakelijkheid uit hoofde van art. 2:9 BW, is bij aansprakelijkheid van een bestuurder uit hoofde van onrechtmatige daad persoonlijke verwijtbaarheid van de bestuurder vereist. Het beginsel dat een bestuurder niet in privé kan worden aangesproken voor een handelen of nalaten van een vennootschap dat uitsluitend aan de vennootschap als zodanig kan worden toegerekend, lijdt uitzondering indien de bestuurder ter zake van de schade van een derde persoonlijk een ernstig verwijt treft(37). Daarvoor is niet voldoende dat een bestuurder niet erop heeft toegezien dat de vennootschap tijdig haar financiële verplichtingen […]”

    r.o. 2.19

    ECLI:NL:PHR:2011:BP8686

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 april 2011

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid: artikel 7:661 BW en maatstaf artikel 2:9 BW in cassatie

    “Onderdeel 1.a (p. 3, alinea 3 cassatiedagvaarding) is gericht tegen rov. 3.2. De klacht richt zich tot 's hofs overweging dat, doordat [eiser] statutair bestuurder is, ook rekening moet worden gehouden met de maatstaf van art. 2:9 BW. Deze maatstaf houdt in dat de bestuurder aansprakelijk is als hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Geklaagd wordt dat het hof hiermee de beoordelingsmaatstaf buiten de grenzen van de rechtsstrijd uitbreidt, nu noch [eiser] noch PWS hebben geklaagd over de door de kantonrechter aangelegde maatstaf waarin een ernstig verwijt niet wordt genoemd. Onderdeel 1.d (p. 4, alinea 1 cassatiedagvaarding) bevat op dit onderdeel voortbouwende klachten. De eerste klacht houdt in dat het hof beide maatstaven onvoldoende onderscheidt, wanneer het in rov. 3.10 overweegt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid uitgangspunt is dat [eiser] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Een ernstig verwijt is ook denkbaar bij anders dan opzettelijk of bewust roekeloos handelen, aldus de klacht. De tweede klacht van het onderdeel houdt in dat, zo het het hof al vrij stond om aansprakelijkheid aan te nemen op grond van een ernstig verwijt, het hof buiten de grenzen van […]”

    r.o. 3.5

    “[…] het hof dat PWS haar vordering heeft gebaseerd op art. 7:661 BW en dit betekent dat haar vordering zich beperkt tot die schade die zij heeft geleden als gevolg van opzet of bewuste roekeloosheid van [eiser] in de uitoefening van zijn functie. Verder overweegt het hof dat uit het feit dat [eiser] statutair bestuurder is, volgt dat ook rekening moet worden gehouden met de maatstaf van art. 2:9 BW, dat de bestuurder alleen aansprakelijk is wanneer hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Uit rov. 3.10 blijkt m.i. dat het hof van oordeel is dat de vordering van PWS die op art. 7:661 is gebaseerd toegewezen dient te worden. Het hof oordeelt namelijk dat [eiser] opzettelijk, althans bewust roekeloos, alsmede in strijd met het goed werknemerschap (art. 7:611 BW) en de arbeidsovereenkomst heeft gehandeld. Dat het hof vervolgens aanneemt dat [eiser] aansprakelijk is omdat dit handelen ernstig verwijtbaar is, voegt hieraan niets toe en doet eraan ook niets af. Of het handelen van [eiser] ook volgens andere, lichtere, maatstaven dan opzet of bewuste roekeloosheid niet door de beugel kan, is voor de toewijzing van de op art. 7:661 BW gebaseerde vordering niet meer relevant. De […]”

    r.o. 3.8

    ECLI:NL:PHR:2011:BP6594

  • Parket bij de Hoge Raad · 11 februari 2011

    Zorgplicht (voormalig) bestuurder en bank bij koop tegels uit faillissementsboedel

    “In de s.t. van de Ontvanger, p. 1 en 12 wordt melding gemaakt van het leerstuk van corporate opportunities. Dit leerstuk heeft betrekking op een situatie waarin een bestuurder een voor de vennootschap lucratieve transactie met een derde laat lopen en deze kans op winst vervolgens in privé benut. Aangenomen wordt wel dat een bestuurder die op deze wijze optreedt zich onbehoorlijk bestuur ex art. 2:9 BW schuldig maakt en deswege jegens de vennootschap schadeplichtig is. Ik betwijfel of het leerstuk van corporate opportunities vanwege de beperkte taak van de bestuurder van een failliete vennootschap in dit geval relevant is. De curator heeft immers overeenkomstig de regels van het faillissementsrecht over het al dan niet aangaan van de transactie met [verweerder 2] beslist en heeft vervolgens als bevoegde vertegenwoordiger van de boedel de transactie afgesloten. Dit optreden van de curator kan, voor zover men wil denken langs de lijnen van het leerstuk van de corporate opportunities, als een vrijgave van de opportunity aan [verweerder 2] opgevat worden(15). [Verweerder 2] mag als gevolg daarvan de opportunity benutten. Ook van zoiets als tegenstrijdig belang is geen sprake. Dat […]”

    r.o. 3.9

    ECLI:NL:PHR:2011:BO9577

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 januari 2011

    Hoofdelijke bestuurdersaansprakelijkheid bij te late handelsregisterinschrijving bv; ratio artikel 2:180 lid 2 sub a BW

    “[…] een civielrechtelijke sanctie verbonden: de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders.(4) De zorg dat de vennootschap in het handelsregister wordt ingeschreven (en dat de minimumstortingen worden verricht) is een taak van alle bestuurders. In de praktijk draagt de notaris, voor wie de akte van oprichting wordt verleden, zorg voor de inschrijving in het handelsregister. Anders dan in art. 2:9 BW (dat iedere bestuurder aansprakelijk stelt voor aangelegenheden die alle bestuurders aangaan), is in art. 2:180 BW geen disculpatiemogelijkheid opgenomen.(5) De hoofdelijke aansprakelijkheid is een civielrechtelijke sanctie, die intreedt ongeacht de wetenschap van de derde die met de vennootschap handelde op het moment van de transactie, ongeacht ook de goede trouw van de namens de vennootschap handelende bestuurder die meende dat inschrijving had plaatsgevonden. De aansprakelijkheid blijft voortbestaan nadat de inschrijving heeft plaatsgevonden.(6) Het tijdvak dat bepalend is voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders, eindigt wanneer de opgave ter eerste inschrijving met het overleggen van de te deponeren afschriften is geschied.”

    r.o. 2.4

    “[…] regel - art. 2:29 en 2:289 BW voor verenigingen resp. voor stichtingen. 4 Zie bijvoorbeeld (ook) HR 11 november 1988, NJ 1989, 606 m.nt. Ma (rov. 3.2, alwaar de Hoge Raad spreekt van een 'vergaande sanctie'); HR 4 oktober 1996, LJN ZC2160, NJ 1997, 187 m.nt. Ma (rov. 3.3.2 waarin de Hoge Raad spreekt van 'de sanctie van hoofdelijke aansprakelijkheid'). 5 Zie over de verschillen tussen art. 2:9 BW en art. 2:180 BW: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 64. 6 Zie bijvoorbeeld: HR 11 juli 2003, LJN AF4595, NJ 2003, 630 m.nt. Ma (rov. 3.9). 7 Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van de regeling voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht), Kamerstukken II, 2006/07, 31 058, nrs. 1-2. Het wetsvoorstel ligt thans bij de Eerste Kamer. 8 Kamerstukken II, 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 40. 9 Kamerstukken II, 2008-09, 31 058, nr. 6, p. 41. 10 Zie bijv. Rb. 's-Gravenhage 28 juli 2004, LJN: AR7332, JOR 2004, 319, m.nt. C.J. Groffen. Zie ook A-G Asser in zijn conclusie onder 2.8 vóór HR 11 november 1988, NJ 1989, 606, m.nt. Ma, waarin erop wordt gewezen dat het in art. […]”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:PHR:2011:BO7122

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 december 2010

    Bestuurdersbeloning zonder AVA-besluit; redelijkheid en billijkheid; artikel 2:9 BW

    “[…] van de eerste grief. Met die grief werd opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank (in conventie) dat [eisers] opzettelijk in strijd hebben gehandeld met statutaire bepalingen van [verweerster], die [verweerster] beogen te beschermen, hetgeen als een ernstig verwijt en als onbehoorlijke taakvervulling moet worden beoordeeld. Op grond hiervan achtte de rechtbank [eisers] op de voet van art. 2:9 BW hoofdelijk aansprakelijk voor de door [verweerster] geleden schade als gevolg van deze onbehoorlijke taakvervulling. Het hof heeft deze eerste grief behandeld in rov. 3.2 t/m 3.5. Het middel klaagt er niet over dat onbegrijpelijk is dat het hof de in het kader van de eerste grief aangevoerde stellingen niet ook heeft opgevat als te zijn aangevoerd in het kader van de derde grief. In dat verband kan overigens worden opgemerkt dat het hof als feitenrechter een grote vrijheid toekomt. Slotsom is dat het oordeel van het hof niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is gemotiveerd.”

    r.o. 2.4

    “[…] van het oordeel van het hof in rov. 3.2 t/m 3.5 (en dan met name in rov. 3.4 en 3.5). Het hof overwoog in rov. 3.4 en 3.5 - na in rov. 3.2 de eerste grief van [eisers] te hebben samengevat en in rov. 3.3 de klacht te hebben verworpen dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen was getreden, nu [verweerster] aan haar vordering niet onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in art. 2:9 BW ten grondslag zou hebben gelegd - het volgende: '3.4 Het oordeel van de rechtbank dat het handelen van [eisers] hen ernstig moet worden verweten en hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen is juist. Hoewel zij er door [betrokkene 2] nog op waren gewezen dat een beloning slechts door de aandeelhoudersvergadering op voorstel van de vergadering van prioriteitsaandeelhouders kon worden vastgesteld, hebben [eisers] de aandeelhoudersvergadering hierover niet benaderd. Ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep heeft [eiser 1] desgevraagd medegedeeld dat het "geen zin" had om de kwestie aan de aandeelhoudersvergadering voor te leggen omdat het aan [eisers] duidelijk was dat die elke beloning van de bestuurders zou afwijzen. Hieruit moet worden afgeleid dat [eisers] willens en […]”

    r.o. 2.9

    ECLI:NL:PHR:2010:BO1805

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 november 2010

    Arbitrage managementovereenkomst en exclusieve rechtsmacht bij vernietiging bestuursbesluit

    “De vraag is daarom gerechtvaardigd of beslissingen wel besluiten in de zin van art. 2: 14 - 16 BW zijn. Praktische betekenis voor de toepassing van deze artikelen op beslissingen zie ik niet: ook als een beslissing zou worden vernietigd of nietig blijkt, heeft dit geen consequenties voor de geldigheid van de externe rechtshandeling die hierop is gevolgd. Dat betekent niet dat beslissingen zich aan iedere controle van de rechter onttrekken; deze speelt zich bij voorbeeld af bij de toepassing van art. 2:9 BW of in het enquêterecht. Met Maeijer en Van der Grinten zou ik willen verdedigen dat beslissingen niet kwalificeren als besluiten in de zin van art. 14 - 16.(17), (18)”

    r.o. 3.7

    “Op 2 november 2006 heeft het bestuur de beslissing genomen om de MCA te beëindigen. Dit betreft dit een beslissing van het bestuur en is geen besluit dat voor nietigverklaring of vernietiging in aanmerking komt. Een dergelijke beslissing kan weliswaar worden getoetst aan art. 2:9, 6:162 BW of in het enquêterecht van betekenis zijn, maar komt niet voor nietigverklaring of vernietiging in aanmerking, omdat de beslissing geen rechtshandeling behelst.”

    r.o. 3.23

    ECLI:NL:PHR:2010:BN8533

  • Parket bij de Hoge Raad · 25 juni 2010

    Reikwijdte décharge bij eenmans-BV en bestuurdersaansprakelijkheid door curator

    “Na wijziging van eis bij pleidooi in appèl(5) heeft de curator gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van €196.566,93. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [eiser] ten laste van [A] geldopnamen heeft gedaan en op naam en rekening van [A] zaken voor zich in privé heeft gekocht. Voorts heeft [eiser] volgens de curator spookfacturen betaald voor niet verrichte werkzaamheden. Deze onttrekkingen en aankopen zijn nooit met [A] verrekend. [Eiser] is daarom volgens de curator aansprakelijk uit hoofde van art. 2:9 BW, althans art. 6:162 BW. [Eiser] heeft de vordering bestreden.”

    r.o. 2.1

    “Vervolgens behandelt het hof de vordering die is ingesteld op grond van art. 2:9 BW. Het hof oordeelt dat de onttrekkingen en betalingen als kennelijk onbehoorlijk bestuur zijn aan te merken en dat [eiser] hiervan een ernstig verwijt is te maken (rov. 8.17). [eiser] heeft gesteld dat hem in de betreffende periode uitdrukkelijk décharge is verleend. Dit vloeit bovendien voort uit de vaststelling van de jaarrekening, nu de vaststelling van de jaarrekening op grond van art. 12 lid 4 van de statuten tevens de décharge van de directie meebrengt. Gezien de betwisting door de curator van de décharge, laat het hof [eiser] toe tot het bewijs (rov. 8.21). Het hof tekent hierbij bij voorbaat aan dat een eventueel geslaagd beroep op de décharge niet nietig is en evenmin zal stranden op art. 2:8 lid 2 BW: "8.23. Het hof oordeelt echter dat in dit geval een decharge niet nietig is en een beroep hierop niet onaanvaardbaar. Het staat immers een vennootschap vrij haar bestuurder te dechargeren en dus een vorderingsrecht jegens haar (ex)-bestuurder prijs te geven, ook al betreft het een vordering jegens hem wegens opzettelijk benadelend handelen. (HR 20 oktober 1989, NJ 1990, 308). Van […]”

    r.o. 2.5

    “Op grond van art. 2:9 BW zijn bestuurders jegens de vennootschap verplicht tot een behoorlijke taakvervulling. Indien een bestuurder bij de uitoefening een ernstig verwijt kan worden gemaakt, dan kan deze jegens de vennootschap aansprakelijk zijn. Deze bepaling dient het belang van de vennootschap en, in geval van faillissement, mede het belang van haar crediteuren. Door décharge te verlenen doet de vennootschap afstand van het recht om bestuurders aan te spreken uit hoofde van art. 2:9 BW. De reikwijdte van de décharge is afgegrensd in Staleman/Van de Ven.”

    r.o. 3.2

    “[…] zijn. De vennootschap en andere belanghebbenden kunnen er belang bij hebben om van de reikwijdte van het dechargebesluit op de hoogte te zijn, bij voorbeeld als de vraag van het vorderen van vernietiging van het dechargebesluit aan de orde komt. Ook is het betrekkelijk gemakkelijk kunnen bepalen van de reikwijdte van een dechargebesluit van belang in geval de vennootschap de bestuurder uit art. 2:9 BW aanspreekt en de bestuurder zich bij verweer op decharge beroept. Op de relevantie van vernietiging van een dechargebesluit en het zich bij wijze van verweer beroepen op een dechargebesluit wijzen Van Solinge/Nieuwe Weme: "In het geval van een eenpersoons-BV .......waarbij die vennootschap naast de directeur andere werknemers in dienst heeft en een onderneming in stand houdt, achten we ook denkbaar dat het dechargebesluit, ondanks bekendheid met de dechargerenden met de gepleegde handelingen, vernietigbaar is wegens te grote verwaarlozing van het belang van vennootschap en onderneming dat dan moeilijk te vereenzelvigen is met het belang van de directeur die de enige....aandeelhouder is.....In dergelijke gevallen kunnen onder omstandigheden de redelijkheid en billijkheid meebrengen […]”

    r.o. 3.7

    ECLI:NL:PHR:2010:BM2332

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 april 2010

    Middellijk bestuurder aansprakelijk voor faillissementstekort ex artikel 2:248 en 2:11 BW

    “Aan deze vordering heeft de curator ten grondslag gelegd, enerzijds dat sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 lid 2 BW omdat [eiser] als bestuurder van [A] B.V. niet heeft voldaan aan de op hem rustende boekhoudplicht van art. 2:10 BW respectievelijk dat hij heeft verzuimd de jaarstukken over 2002 van [A] B.V. tijdig te deponeren (art. 2:394 BW), en anderzijds dat [eiser] zich als bestuurder van [A] B.V. heeft schuldig gemaakt aan kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW en dat aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Voorts heeft de curator zich in dit verband beroepen op art. 2:9 BW.”

    r.o. 1.4

    ECLI:NL:PHR:2010:BL3290

  • Parket bij de Hoge Raad · 22 januari 2010

    Aansprakelijkheid bestuurder en aandeelhouders jegens minderheidsaandeelhouder bij activatransactie tijdens surseance

    “[…] Ook zou de koopprijs te laag zijn en zouden [eiseres] noch andere potentieel geïnteresseerden in de gelegenheid zijn gesteld mee te bieden. Bovendien verwijt [eiseres] [verweerder 1] dat hij in strijd met de statuten heeft nagelaten de faillissementsaanvraag ter goedkeuring aan de AVA voor te leggen. In dit verband is NOM/[...] van betekenis(16) waarin de Hoge Raad overwoog: "5.3 Ingevolge art. 2:9 BW is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Deze bepaling wordt naar vaste rechtspraak aldus uitgelegd, dat voor aansprakelijkheid op de voet daarvan noodzakelijk is dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij de beoordeling of de bestuurder inderdaad een ernstig verwijt treft als zojuist bedoeld, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken (HR 29 november 2002, nr. C 01/096, 2003, 455). In deze zaak gaat het echter niet om de aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de rechtspersoon die hij bestuurt, maar tegenover een individuele aandeelhouder. (...) Gezien de zelfgekozen betrokkenheid van individuele aandeelhouders bij de gang van zaken binnen de vennootschap, brengen […]”

    r.o. 3.3

    “Wat er verder zij van de redenering van het hof, het middelonderdeel kan niet tot cassatie leiden wegens gemis aan belang. Gesteld noch gebleken is dat de betreffende statutaire norm (art. 11, lid 3, statuten) specifiek strekte tot bescherming van de belangen van [eiseres]. Als dat niet het geval is, kan in beginsel alleen de vennootschap terzake van schending van de statuten uit art. 2:9 BW tegen een bestuurder ageren.”

    r.o. 4.9

    ECLI:NL:PHR:2010:BK4927

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 oktober 2009

    Tegenstrijdig belang artikel 2:256 BW: uitdrukkelijk aanwijzingsbesluit bij financier-bestuurder

    “Schending van deze voorschriften heeft volgens het wetsvoorstel in beginsel(12) geen gevolgen voor de geldigheid van de rechtshandeling. Wel kan het niet nakomen van deze verplichtingen volgens wetgever leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:9 of art. 6:162 BW. De wettelijke tegenstrijdig belang-regeling wordt daarmee een intern werkende besluitvormingsregeling.”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:PHR:2009:BI7129

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 september 2009

    Verrekening door bestuurder tegen vordering curator ex artikel 2:248 BW

    “In de st.(7) wordt door eiser tot cassatie verdedigd dat art. 2:248 BW moet worden beschouwd als een vorm van interne aansprakelijkheid, dat wil zeggen als een variant van de norm in art. 2:9 BW (voorheen 2:8 BW) die leert dat een bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is om zijn taak behoorlijk te vervullen. Ook volgens Löwensteyn(8) lag het meer voor de hand om art. 2:138 BW (art. 2:248 BW) te beschouwen als een vordering ex art. 2:9 BW die door de curator wordt ingesteld. Hij schreef over art. 2:138(2:248) onder meer: "(..) Hierin komt een bepaalde visie van de wetgever en de literatuur op het karakter van de vordering ex art. 2:138 tot uitdrukking. Zij zou een actie uit onrechtmatige daad van de crediteuren jegens de bestuurders zijn.(..) Men bedenke echter dat de curator in het faillissement altijd optreedt in het belang van de crediteuren, maar dit doet door de rechtsvorderingen van de gefailleerde op derden namens de boedel in te stellen waarna de te betalen bedragen in de boedel vloeien om aan de crediteuren volgens de door de faillissementswet gestelde regels onder de crediteuren te worden verdeeld. De zo ingewikkeld geconstrueerde 'actie uit onrechtmatige daad […]”

    r.o. 3.4

    “[…] nadeel van lijden. Ook het omgekeerde is denkbaar. Tenslotte is denkbaar, dat dezelfde gedraging die jegens de vennootschap als onbehoorlijke taakvervulling moet worden aangemerkt tevens voor de curator aanleiding is om ten behoeve van de boedel - dus de schuldeisers van de vennootschap - de aktie van artikel 138 (248) in te stellen. Het achtste lid maakt zulks duidelijk.(..)" Op grond van art. 2:9 BW (destijds art. 2:8 BW) is de bestuurder tegenover de rechstpersoon gehouden zijn taak behoorlijk te vervullen. Indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervult en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van de rechtspersoon handelt zij onrechtmatig jegens de schuldeisers.”

    r.o. 3.5

    “[…] art. 2:248 BW op gelijke voet moet worden behandeld als een vordering van de gezamelijke, individuele schuldeisers van deze vennootschap tegen diezelfde bestuurder op grond van onrechtmatige daad, zijn oordeel op onjuiste rechtsopvattingen rust. In dat geval heeft het hof miskend dat art. 2:248 BW geen lex speciales is van art. 6:162, maar moet worden beschouwd als een nadere invulling van art. 2:9 BW voor een specifiek geval, aldus het middel. In dit verband geldt voor een vordering ex art. 2:248 BW hetzelfde als voor een vordering ex art. 2:9 BW. Niets staat in beginsel aan een beroep op verrekening door de bestuurder in de weg, althans kan een succesvol beroep daarop niet bij voorbaat worden uitgesloten wegens het ontbreken van de vereiste wederkerigheid. Volgens het middel bestond tussen [eiseres] als bestuurder en de (verschillende onderdelen van) de Simoca Groep immers - anders dan tussen Gatzen als willekeurige derde en de curator in het arrest Peeters-Gatzen - een in art. 2.9 BW bedoelde functionele, rechtspersonenrechtelijke relatie. Het hof heeft miskend dat het juist deze relatie is, die [eiseres]'s beroep op verrekening ex art. 53 Fw mogelijk maakt.”

    r.o. 3.11

    “Deze klacht kan om dezelfde reden als de klacht in de tweede alinea niet tot cassatie leiden.”

    r.o. 3.12

    ECLI:NL:PHR:2009:BI5912

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 juni 2009

    Conclusie: enquête naar failliete vennootschap en doeleinden enquêterecht (KPNQwest)

    “De bewijsrechtelijke betekenis van een oordeel wanbeleid voor een eventuele vervolgprocedure is n.m.m. in twee opzichten beperkt. Een wanbeleid-oordeel zal slechts onder omstandigheden leiden tot een voorshands bewijsoordeel van de rechter. De inhoud van dit voorshandse bewijsoordeel heeft bovendien betrekking op slechts een gedeelte van hetgeen moet worden vastgesteld voordat een bestuurder jegens de vennootschap aansprakelijkheid kan worden gehouden, bijv. op grond van art. 2:9 BW. Het oordeel dat een aangesproken persoon tegenover de rechtspersoon zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen is daartoe niet voldoende. Tevens is vereist dat de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.(63) Worden bestuurders of commissarissen op grond van art. 6:74 of 6:162 aangesproken, dan zal - daargelaten of sprake is van afgeleide schade - ongekwalificeerde schuld m.i. evenmin volstaan. Aansprakelijkheid op grond van art. 2:138/248 vereist weliswaar geen ernstige verwijtbaarheid, maar wel kennelijk onbehoorlijk bestuur en een extra causaliteitstoets.”

    r.o. 5.4.3

    “[…] 2.8 overweegt de Ondernemingskamer dat belanghebbenden dit betoog niet voldoende hebben weersproken. Daarom staat volgens de Ondernemingskamer niet met zekerheid vast dat een eventuele enquête niet zal plaatsvinden. Volgens het onderdeel verliest de Ondernemingskamer uit het oog dat de in art. 2:138 lid 10 bedoelde regeling is bedoeld voor het instellen van een rechtsvordering op grond van art. 2:9 BW of art. 2:138/248 BW of het voor het instellen van een voorafgaand onderzoek naar de mogelijkheid daartoe. In een enquêteprocedure gaat het niet om een dergelijke rechtsvordering of een dergelijk onderzoek. Het subonderdeel verwijst in dit verband naar de Unilever-beschikking waarin de Hoge Raad oordeelt dat tot de doeleinden van het enquêterecht niet behoort het beslechten van vermogensrechtelijke geschillen, alsmede naar een artikel van Kuijpers.(74)”

    r.o. 8.7

    “Het onderdeel mist feitelijke grondslag. De Ondernemingskamer heeft immers geen oordeel gegeven over de garantstellingsregeling curatoren. Zij heeft slechts overwogen dat het betoog van VEB c.s. onvoldoende is weersproken. Het subonderdeel faalt om nog een reden. Ik meen dat niet is uitgemaakt óf de Garantstellingsregeling curatoren 2005(75) kan worden aangewend ter financiering van een enquêteonderzoek. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat de minister een door de rechter-commissaris goedgekeurde aanvraag toewijst. Het is evenwel niet aan de Ondernemingskamer om over de rechtmatigheid hiervan een oordeel uit te spreken. Indien zou vaststaan dat de curatoren beroep op de Garantstellingsregeling kunnen doen, terwijl tevens zou vaststaan dat het onderzoek op geen andere wijze zou kunnen worden gefinancierd, zou de Ondernemingskamer het enquêteverzoek in behandeling moeten nemen.”

    r.o. 8.8

    ECLI:NL:PHR:2009:BD5516

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 juni 2009

    Beklamel-aansprakelijkheid bestuurder bij ongeclausuleerde kapitaalinstandhoudingsverklaring; objectieve wetenschapsmaatstaf

    “In de op art. 2:9 BW gebaseerde jurisprudentie is een bestuurder jegens de vennootschap aansprakelijk wegens onbehoorlijke taakvervulling, indien hem ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij de beoordeling of de bestuurder een ernstig verwijt treft, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken.(12) Inmiddels past de Hoge Raad de norm van ernstige verwijtbaarheid ook toe in gevallen waarin een bestuurder in persoon wordt aangesproken door anderen dan de vennootschap. Zo werd in NOM/[A](13) bevestigend beantwoord de vraag of deze norm overeenkomstig geldt wanneer een aandeelhouder een bestuurder aansprakelijk stelt voor de wijze waarop deze in het kader van zijn bestuurstaak jegens de aandeelhouder heeft gehandeld.”

    r.o. 3.3

    “In Ontvanger/[B](14) heeft de Hoge Raad de Beklamel-norm en de art. 2:9-norm met elkaar in verbinding gebracht. Anders dan in Beklamel ging het in Ontvanger/[B] niet om handelen namens de vennootschap, maar om het bewerkstelligen of toelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. De Hoge Raad nam de gelegenheid te baat om de aansprakelijkheid van bestuurders in beide (te onderscheiden) situaties in hetzelfde kader van art. 2:9 te plaatsen: "Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar […]”

    r.o. 3.4

    “[…] voor de vennootschap om aan haar verplichtingen tegenover Fortis te voldoen, doch tevens voor de inhoud en betekenis van de desbetreffende verplichtingen. In elk geval geldt een en ander voor de wetenschap die noodzakelijk is voor persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser 1]. Hiertoe is vereist dat hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het hof zou dit hebben miskend, althans zijn oordeel onvoldoende hebben gemotiveerd.”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:PHR:2009:BI0468

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 juni 2008

    Conclusie: bestuurdersaansprakelijkheid jegens aandeelhouder; ernstig verwijt, schending statutaire goedkeuringsplicht

    “[…] [eiseres 1] als bestuurder van [A] jegens NOM in acht moest nemen. Volgens de rechtbank is sprake van een dergelijke schending, nu [eiseres 1] de onder 1.3 van deze conclusie vermelde statutaire bepaling niet heeft nageleefd (rov. 5.2). Voor de vraag óf [eiseres 1] aansprakelijk is, dient volgens de rechtbank eerst de vraag beantwoord te worden of [eiseres 1] ook jegens [A] op voet van art. 2:9 BW aansprakelijk is. Hiertoe is noodzakelijk dat [eiseres 1] als bestuurder van [A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat hiervan in dit geval geen sprake is (rov. 5.3). Daarnaast komt aan NOM een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad toe, indien sprake is van een vooropgezet doel om NOM schade toe te brengen. De stellingen van NOM hierover zijn echter onvoldoende onderbouwd (rov. 5.4). Bovendien is gesteld noch gebleken dat [eiseres 1] als bestuurder van [A] onzorgvuldig jegens NOM als crediteur heeft gehandeld. De enkele omstandigheid dat de statutaire bepaling is overtreden doet geen aansprakelijkheid jegens crediteuren van de vennootschap ontstaan (rov. 5.5). Volgens de rechtbank heeft NOM de stelling dat sprake is van een tekortkoming van de […]”

    r.o. 2.4

    “Het hof heeft 22 maart 2006 arrest gewezen.(3) Het hof overweegt in rov. 6-8 dat uitsluitend grieven worden gericht tegen het oordeel van de rechtbank: * dat het vastgestelde onrechtmatig handelen van [eiser] c.s. jegens NOM als aandeelhoudster dient te worden getoetst aan art. 2:9 BW (rov. 5.3 van het bestreden vonnis); en * dat aansprakelijkheid van [eiser 2] ontbreekt (enkel) nu [eiseres 1] niet aansprakelijk wordt geacht (rov. 5.7 van het bestreden vonnis).”

    r.o. 2.6

    “Volgens het hof bestaat er onvoldoende grondslag om art. 2:9 BW van overeenkomstige toepassing te doen zijn op de verhouding tussen de bestuurder en een ander orgaan (zoals de aandeelhoudersvergadering), en nog minder op de verhouding tussen de bestuurder en een individuele aandeelhouder, zoals NOM (rov. 9). Nu de hierop betrekking hebbende grief doel treft, onderzoekt het hof of de schending van een zorgvuldigheidsnorm door [eiser] c.s. jegens NOM als aandeelhouder, kan leiden tot een verplichting tot schadevergoeding die NOM in haar hoedanigheid van aandeelhouder heeft geleden. De vraag of [eiser] c.s. jegens NOM aansprakelijk is uit hoofde van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de participatie- en aandeelhoudersovereenkomst, wordt niet door de grieven in hoger beroep bestreken (rov. 11). Het hof gaat voorbij aan hetgeen NOM bij pleidooi heeft aangevoerd, nl. dat er geen plaats is voor onderscheid naar hoedanigheid (aandeelhouder dan wel financier), hetgeen ertoe leidt dat in hoger beroep (tevens) dient te worden beoordeeld of NOM aanspraak kan maken op schade die zij anders dan als aandeelhouder heeft geleden. Dit betoog moet worden gezien als een nieuwe grief die […]”

    r.o. 2.7

    “Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak, zo luidt de eerste zin van art. 2:9 BW. Een schadevordering van de vennootschap op de bestuurder op grond van dit artikel maakt eerst kans van slagen, indien de bestuurder in de uitoefening van zijn taak een ernstig verwijt kan worden gemaakt.(9) De aangesproken (ex-)bestuurder is niet aansprakelijk jegens de vennootschap voor ieder verwijtbaar handelen of nalaten; art. 2:9 BW biedt hem een zekere bescherming.”

    r.o. 5.5

    ECLI:NL:PHR:2008:BC4959

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 maart 2008

    Conclusie: onmiddellijke voorzieningen OK en zorgplicht jegens minderheidsaandeelhouders (Begemann)

    “Het subonderdeel loopt stuk op hetgeen ik hierboven in par. 3.31 heb betoogd. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping. Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal 1 Ontleend aan rov. 2.1 t/m 2.33 van de bestreden beschikking. 2 Gepubliceerd in JOR 2007, 68. 3 Gepubliceerd in de JOR 2007, 142 met noot Blanco Fernandez. 4 Curs. LT. 5 In de par. 12-15 van het verzoekschrift wordt abusievelijk gesproken van rov. 3.2. Blijkens noot 19 van het verweerschrift hebben verweerders dit (althans in de par. 12-13) onderkend. 6 Prod. 12 bij verzoekschrift. 7 Prod. 5 bij verweerschrift. 8 Curs. LT. 9 HR 14 september 2007, JOR 2007, 238 m.nt. Bartman onder JOR 2007, 239. 10 HR 30 maart 2007, NJ 2007, 293 m.nt. Ma, rov. 4.4. 11 Ondernemingskamer 23 december 2005, JOR 2006, 36 m.nt. Olden onder JOR 2006, 38. 12 Vgl. par. 4.6 van mijn conclusie vóór HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. Ma (ABN AMRO). 13 Ik neem aan dat hier art. 2:9 BW is bedoeld.”

    r.o. 3.33

    ECLI:NL:PHR:2008:BC2725

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 juli 2007

    ABN AMRO/LaSalle: goedkeuringsrecht aandeelhoudersvergadering bij verkoop dochter, artikel 2:107a en 2:8 BW

    “Rechtelijke toetsing van bestuursbeleid is in het Nederlandse recht de laatste jaren met name in de volgende gevallen aan de orde: (i) in een enquêteprocedure waarbij de maatstaf is (in de eerste fase) of sprake is van gerede twijfel om aan een juist beleid te twijfelen en (in de tweede fase) of sprake is van wanbeleid; (ii) in zaken over de civielrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurders. Uw Raad heeft in de Laurus-beschikking(12) overwogen dat civielrechtelijke aansprakelijkheid kan ontstaan indien "de aangesproken persoon tegenover de rechtspersoon zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen." De norm voor het handelen van bestuurders wordt onder andere ingekleurd door het bepaalde in art. 2:9 BW, op grond waarvan een bestuurder gehouden is jegens de vennootschap tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. In HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 (Staleman / Van de Ven) oordeelde Uw Raad dat deze norm wordt geschonden indien de bestuurder een "ernstig verwijt" valt te maken.(13)”

    r.o. 3.9

    “De rechtelijke toetsing van ondernemingsbeleid geschiedt in de Verenigde Staten vooral in het kader van aansprakelijkheidsprocedures die aandeelhouders met behulp van een zogenaamde "derivative suit" (een soort afgeleide actie) aanhangig maken. Deze Amerikaanse aansprakelijkheidsacties hebben de meeste verwantschap met onze art. 2:9 BW-acties. De toetsing van bestuursbeleid geschiedt in aansprakelijkheidsprocedures aan de hand van de in de jurisprudentie ontwikkelde "business judgment rule". Op grond daarvan toetst de rechter in beginsel alleen of het bestuur zich gehouden heeft aan (i) de duty of loyalty, (ii) de duty of care, (iii) en de duty of good faith. Het idee is dat de eisende aandeelhouders aantonen dat een bestuurder in strijd met één van deze duties heeft gehandeld. Als hun dat niet lukt, treedt de rechter niet in de beoordeling van het bestuursbeleid. Het bestuur is daarmee een grote mate van vrijheid gegund bij het bepalen van het beleid zonder voor aansprakelijkheid te hoeven vrezen. Als de eisende aandeelhouders er wel slagen aan te tonen dat één van de bovengenoemde duties is geschonden, dan toetst de rechter het bestuursbeleid volledig (de zogenoemde entire […]”

    r.o. 3.10

    “[…] is.[curs. LT](42) - Memorie van Toelichting over de strekking van lid 2 van art. 2:107a BW "Lid 2 komt overeen met lid 2 van artikel 2:164/274 BW, hetgeen betekent dat derden worden beschermd tegen het ontbreken van goedkeuring. Het uitvoeren van een besluit zonder de wettelijk vereiste goedkeuring kan leiden tot aansprakelijkheid van de bestuurders jegens de vennootschap op basis van artikel 2:9 BW. Dat wordt ook aangenomen voor artikel 2:164/274 BW."(43) - Toelichting op art. 2:107a lid 1 sub c BW in de Nota naar aanleiding van het verslag "(...) In lid 1 onderdeel c van artikel 2:107a BW is bepaald dat goedkeuring vereist is voor het nemen van een deelneming ter waarde van ten minste een derde van het balanstotaal volgens de laatst vastgestelde jaarrekening. De beoogde deelneming heeft een eigen doelomschrijving en bestaande activiteiten. De status quo van de deelneming wordt op het moment van de verwerving door de verkrijgende vennootschap aanvaard. Of wijziging van de status quo mogelijk is hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van het belang dat in de deelneming wordt verworven. Afhankelijk van de waarde en omvang van de beoogde deelneming kan […]”

    r.o. 3.41

    “[…] van de vennootschap een soort "spoorboekje" zijn. Een consequentie van deze benadering is dat als gevolg van de terughoudendheid die in acht genomen moet worden bij het aannemen van niet in de wet of statuten toegekende bevoegdheden het zich heel wel kan voordoen dat het bestuur zich niet overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid jegens de aandeelhouders heeft gedragen of zijn taak ex art. 2:9 BW onbehoorlijk heeft vervuld, maar er niettemin geen verplicht goedkeuringsrecht voor de aandeelhoudersvergadering kan worden aangenomen. Zoals gezegd, dient hier met name het belang van rechtzekerheid mee te wegen, in bijzonder wanneer het gaat om een vennootschap met veel deelnemers.”

    r.o. 3.49

    ECLI:NL:PHR:2007:BA7970

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 juni 2007

    Conclusie: materieel begrip tegenstrijdig belang in artikel 2:256 BW

    “[…] art. 2:256 BW geen rol. Het op redelijke voorwaarden hebben verricht van een tegenstrijdig belang transactie kan wel een rol bij het beantwoorden van de vraag spelen of er sprake is geweest van wanbeleid in de zin van art. 2:355 BW als gevolg van het verrichten van een tegenstrijdig belang transactie en of de bestuurder vanwege een tegenstrijdig belang-handeling jegens de vennootschap ex art. 2:9 BW aansprakelijk is. Dat uiteindelijk nadeel in art. 2:256 BW geen rol kan spelen, heeft te maken met de omstandigheid dat art. 2:256 BW een ex ante door de vennootschap te vellen oordeel over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bestuurders vereist. Dat nadeel hoeft dan ook nog niet te zijn ingetreden. Het wanbeleid en het aansprakelijkheidsoordeel zijn ex post-oordelen waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening dient te houden.”

    r.o. 3.26

    “Hierbij dient men ook in aanmerking te nemen dat ongewenste situaties van tegenstrijdig belang niet alleen bestreden kunnen worden via art. 2:256 BW, maar ook (i) via de aansprakelijkheid van een bestuurder jegens de vennootschap op grond van art. 2:9 BW, (ii) het wanbeleid-oordeel dat in het kader van een enquêteprocedure wordt uitgesproken en (iii) de vernietiging van een besluit van een orgaan van de vennootschap.(22) Tegen deze achtergrond is het m.i. niet nodig art. 2:256 BW tot het uiterste op te rekken. Er zijn meer netten dan art. 2:256 BW waarin een bestuurder die een eigen persoonlijk belang ten koste van het vennootschappelijk belang behartigt verstrikt kan raken.”

    r.o. 3.41

    ECLI:NL:PHR:2007:BA0033

  • Parket bij de Hoge Raad · 2 maart 2007

    Samenloop artikel 2:9, 7:661 en 6:162 BW bij aansprakelijkheid oud-bestuurder en werknemers

    “[…] brengt het door NBW gestelde handelen van gedaagden -indien bewezen- met zich mee dat er sprake is van 'fouten' van gedaagden als werknemers/bestuurder ten opzichte van NBW als werkgever/vennootschap, waardoor -indien bewezen- laatstgenoemde schade heeft geleden. De rechtbank overwoog dat voor een dergelijke schadevordering een grondslag in de wet is te vinden: artikel 7:661 BW en artikel 2:9 BW (rov. 3.3). Omdat NBW aan haar vordering onrechtmatig handelen van gedaagden ten grondslag heeft gelegd en zij dit in haar conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident uitdrukkelijk heeft aangegeven, was de rechtbank van oordeel dat er geen sprake kon zijn van een aanvulling van rechtsgronden op de voet van art. 48 Rv zodat de vordering van NBW slechts beoordeeld kon worden op de door NBW aangedragen grondslag: onrechtmatige daad (rov. 3.4). De rechtbank was van oordeel dat de vraag of de stellingen van NBW -indien bewezen- onafhankelijk van aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 7:661 BW dan wel artikel 2:9 BW zouden kunnen leiden tot aansprakelijkheid op grond van 6:162 BW negatief moet worden beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank verzet de strekking van de […]”

    r.o. 1.7

    “[…] beoordeeld kan worden op de door NBW aangedragen grondslag, kan naar het oordeel van het hof dan ook niet slagen in het licht van het beroep van [verweerder 1], [verweerder 2], [verweerder 3] en [verweerder 4] op HR 15 mei 1998, NJ 1998, 625. Naar het oordeel van het hof kan ook de grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 3.5, dat de strekking van de artikelen 7:661 BW en 2:9 BW zich verzet tegen de toepasselijkheid van de bepalingen ter zake van onrechtmatige daad, niet slagen omdat de genoemde artikelen het karakter hebben van een lex specialis die niet omzeild mag worden door op een andere (ruimere) grondslag te procederen.”

    r.o. 1.8

    “Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel I richt zich tegen de verwerping door het hof (in rov. 5) van de grief van NBW gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat er in het onderhavige geval geen ruimte bestaat voor de aanvulling van rechtsgronden vanwege de proceshouding van NBW. Onderdeel II richt zich tegen de verwerping door het hof (in rov. 7) van de grief van NBW tegen het oordeel van de rechtbank dat de strekking van de artikelen 7:661 BW en 2:9 BW zich verzet tegen de toepasselijkheid van de bepalingen ter zake onrechtmatige daad in het onderhavige geval. Aanvullen van rechtsgronden”

    r.o. 2.1

    “Onderdeel I richt zich met zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof in rov. 5 (voorzover dit oordeel betrekking heeft op de vordering van NBW tegen [verweerder 1]) dat er in het onderhavige geval in het geheel geen ruimte bestaat voor de aanvulling van rechtsgronden vanwege de proceshouding van NBW. Het onderdeel betoogt dat uit de stellingen van NBW in haar MvG blijkt dat NBW (in ieder geval in hoger beroep) haar vorderingen tegen [verweerder 1] niet alleen op basis van art. 6:162 BW maar tevens op basis van de artt. 2:9 en 7:661 BW beoordeeld wenste te zien. Naar het onderdeel betoogt is het hof met zijn oordeel in rov. 5 onvoldoende gemotiveerd voorbij gegaan aan deze essentiële stellingen van NBW in hoger beroep.”

    r.o. 2.3

    ECLI:NL:PHR:2007:AZ3535

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 juni 2006

    Enquête: schending statuten en wet niet per se gegronde redenen voor twijfel aan beleid

    “Het onderdeel tracht steun te vinden in de jurisprudentie over bestuurdersaansprakelijkheid. Het verwijst daarbij naar HR 29 november 2002, NJ 2003, 455 (rov 3.4.5). In deze uitspraak formuleerde de Hoge Raad het uitgangspunt dat het enkele feit dat een bestuurder heeft gehandeld in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, als een zwaarwegende omstandigheid moet worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van art. 2:9 BW vestigt.”

    r.o. 4.10

    “[…] een zwaarwegende omstandigheid dient te worden aangemerkt, maar dat dit onverlet laat dat uitdrukkelijk ook de andere omstandigheden van het geval dienen te worden meegewogen en door de rechter kenbaar in zijn motivering dienen te worden betrokken. Men leze de door het onderdeel aangehaalde rechtsoverweging in zijn geheel: "3.4.5. Onderdeel 2.1 slaagt. Voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat gehandeld is in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, moet in dit verband als een zwaarwegende omstandigheid worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. Indien de aldus aangesproken bestuurder echter feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert, dient de rechter deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel te betrekken."(15)”

    r.o. 4.13

    ECLI:NL:PHR:2006:AX6615

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 april 2005

    Ontslag statutair bestuurder door AVA omvat in beginsel ook arbeidsovereenkomst

    “[…] inzake dit ontslag voorop staan, omdat het bestuurderschap van een b.v. nu eenmaal een vennootschappelijke functie is. Dat is in overeenstemming met hetgeen op andere punten in het Burgerlijk Wetboek over de positie van de bestuurder is geregeld. Ik wijs bij voorbeeld op de wettelijke regeling inzake de aansprakelijkheid van een bestuurder jegens zijn vennootschap. Deze is te vinden in art. 2:9 BW. Deze is strenger dan de algemene regeling voor de aansprakelijkheid van de werknemer jegens zijn vennootschap die in art. 7:661, lid 1 BW is opgenomen. De beoordeling van de aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de vennootschap kan in ieder geval op basis van het strengere art. 2:9 BW plaatsvinden(2). Daarnaast geldt bij voorbeeld dat anders dan voor een gewone werknemer geldt een bestuurder van een vennootschap niet zonder meer instructies van zijn werkgever hoeft op te volgen (art. 7:660 BW versus art. 2:239, lid 4 BW). Ik meen hierin de beleidslijn van de wetgever te onderkennen aspecten van het arbeidsrecht die ten opzichte van bestuurders problematisch zijn te ecarteren door aanpassing van het arbeidsrecht. Dit blijkt uit de omstandigheid dat de wetgever heeft bepaald […]”

    r.o. 2.3

    ECLI:NL:PHR:2005:AS2030

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 maart 2003

    Enquête: voormalig bestuurder belanghebbende, certificaathouder, onmiddellijke voorziening en machtiging onderzoeker

    “Een eventuele vaststelling in de tweede procedure dat (voormalige) bestuurders verantwoordelijk zijn voor wanbeleid kan - ook afgezien van een beslissing omtrent kostenverhaal - van invloed zijn op eventuele persoonlijke aansprakelijkheid(20). De ondernemingskamer is weliswaar niet bevoegd een oordeel te geven over de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders/commissarissen voor de gevolgen van het geconstateerde wanbeleid(21), maar de ondernemingskamer ontkomt niet altijd aan een oordeel omtrent het functioneren van individuele bestuurders en commissarissen bij het treffen van bepaalde voorzieningen (zie art. 2:356 sub a, b en c)(22). Zowel het oordeel omtrent wanbeleid als het treffen van voorzieningen kunnen later een rol spelen in procedures tegen individuele (ex)bestuurders en (ex)commissarissen bijvoorbeeld op grond van art. 2:9 of 2:248 BW(23).”

    r.o. 2.17

    ECLI:NL:PHR:2003:AF9440

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 november 2002

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid bij ontbrekende RvC-goedkeuring voor afstoten deelneming; ernstig verwijt

    “Voor zover in cassatie nog van belang heeft [verweerster] aan deze vordering onder meer ten grondslag gelegd dat [eiser] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in art. 2:9 BW, althans onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld(14) door: (1) in strijd met de belangen van [verweerster] een koopoptie aan ISTD te verlenen en de aandelen vervolgens aan ISTD te verkopen tegen een - naar hij wist - veel te lage prijs (dagvaarding onder 24); (2) de koopoptie aan ISTD te verlenen en de aandelen vervolgens aan ISTD te verkopen zonder dat hij daarvoor de door art. 20 lid 1 sub d en e der statuten vereiste goedkeuring van de raad van commissarissen had verkregen (dagvaarding 20, 21, 26).”

    r.o. 2.2.1

    “Ingevolge het bepaalde in art. 2:9 BW is elke bestuurder jegens de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke taakvervulling. Naar luidt van dit artikel leidt een tekortkoming daarin tot aansprakelijkheid tenzij deze niet aan de bestuurder is te wijten. De gangbare opvatting - ook onderschreven door Uw Raad - is evenwel dat voor aansprakelijkheid een ernstig verwijt vereist is. Of daarvan sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.(26) Dat meer nodig is dan enkel verwijt, ligt ook besloten in de parlementaire geschiedenis.(27)”

    r.o. 3.33

    “Het onderdeel mist feitelijke grondslag aangezien het Hof de aansprakelijkheid van [eiser] onmiskenbaar heeft gegrond op (het door [verweerster] ook uitdrukkelijk als primaire grondslag in stelling gebrachte) art. 2:9 BW. De overige middelen gaan daarvan terecht ook uit.”

    r.o. 3.55

    “[…] redengevend voor het ernstig verwijt zou willen beschouwen. Het Hof heeft dat mogelijk bedoeld, maar het is wel een vrijmoedige lezing van het arrest. 26 HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 Ma, rov. 3.3.1, welke maatstaf vervolgens nader wordt uitgewerkt; HR 11 juni 1999, NJ 1999, 586, rov. 3.4; HR 10 december 1999, NJ 2000, 6, rov. 3.2. Zie voorts: Rechtspersonen (Huizink), aant. 3-4a bij art. 2:9 (vereist is dat bestuurders het "uitermate bont" hebben gemaakt); Asser-Maeijer 2-III, 2000, nr 321 (het gaat om een "onmiskenbare, duidelijke tekortkoming, waarover geen redelijk oordelend en verstandig ondernemer twijfelt"); P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV (1998) nr 47; J.B. Wezeman, Aansprakelijkheid van bestuurders (1998) blz. 65-73 (handelingen die door geen redelijk handelend bestuurder in dezelfde omstandigheden zouden zijn verricht). Deze maatstaf werd reeds voor genoemd arrest van 10 januari 1997 door de meeste schrijvers aangehangen; zie de literatuur vermeld in Wezeman a.w. blz. 67 noot 9. 27 Zie uitvoerig A-G Mok voor HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 Ma onder 3.3.2.2. 28 Van der Heijden/Van der Grinten, a.w. blz. 457; H. Beckman, in: Bestuur en toezicht (1994) blz. […]”

    r.o. 3.60

    ECLI:NL:PHR:2002:AE7011

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 februari 1992

    Redelijk belang bij vernietiging ALV-besluit tot goedkeuring bestuursbeleid en decharge vereniging

    “[…] a, dat per 1 januari 1992 art. 2:11, lid 2, op dit punt zal vervangen). De auteur verwijst naar HR 19 mei 1989, NJ 1989, 652. Zie voorts: T.J. Dorhout Mees, Nederlands handels en faillissementsrecht 1, 1984, nr. 4.368, p. 257. Vonnis in eerste aanleg, r.o. 4, voorlaatste al .; niet bestreden. Vgl. art. 22, lid 7 van de statuten van Buma, prod. 1 bij c.v.a. in prima. Dit volgt uit art. 2:8 (art. 2:9 nieuw) , BW. R.o. 4, laatste al., als zodanig niet bestreden. Bijv. een actie uit onrechtmatige daad tegen Buma. Die had waarschijnlijk wel tot een materiële beoordeling geleid. Welk resultaat zulk een beoordeling zou hebben gehad kan nu in het midden blijven.”

    r.o. 2.4

    ECLI:NL:PHR:1992:AD1631

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 augustus 2025

    Enquête tweede fase: geen wanbeleidsoordeel bij ontbreken te respecteren belang

    In de tweede fase van een enquêteprocedure wees de OK de verzoeken van een minderheidsaandeelhouder tot vaststelling van wanbeleid en het treffen van voorzieningen af, omdat de gebreken bij een aandelenuitgifte en conversie onjuist beleid maar geen wanbeleid opleverden en een wanbeleidsoordeel geen te respecteren belang diende. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Hij acht het juist dat de OK een wanbeleidsoordeel kan weigeren als daarmee in de gegeven omstandigheden geen rechtens te respecteren belang is gediend, mede gelet op herstelmaatregelen van de vennootschap.

    ECLI:NL:PHR:2025:916

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 september 2022

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid stichtingsbestuurder bij ontbreken statutair vereiste RvC-goedkeuring (Curaçao)

    Een stichting op Curaçao stelde haar voormalige bestuurder intern aansprakelijk op grond van artikel 2:14 (oud) BW Curaçao, omdat zij een overeenkomst sloot zonder statutair vereiste goedkeuring van de raad van commissarissen. De A-G concludeert dat het hof verklaringen van commissarissen en de verweren van de bestuurder onvoldoende heeft betrokken bij de vraag of een ernstig verwijt bestaat. Strijd met statutaire bepalingen is zwaarwegend, maar de drempel voor een ernstig verwijt is hoog. De A-G concludeert tot vernietiging en terugwijzing.

    ECLI:NL:PHR:2022:845

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 december 2021

    Beklamel-aansprakelijkheid rechtspersoon-bestuurder en middellijk bestuurders stichting via artikel 2:11 BW

    Een stichting deed aan participanten in een fonds de toezegging dat bij beëindiging van hun deelneming minimaal een bepaald bedrag zou worden terugbetaald, maar kon dit niet nakomen en bood geen verhaal. Het hof hield de rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW (Beklamel-criterium) en de middellijk bestuurders via artikel 2:11 BW. De A-G concludeert dat de cassatieklachten over de motivering van de toezegging en van het ernstig verwijt falen, en dat het arrest in stand kan blijven.

    ECLI:NL:PHR:2021:1191

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 juni 2018

    Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder voor misleiding participanten film-CV; ernstig verwijt-maatstaf

    Participanten in een film-CV zijn misleid doordat de film niet voor eigen rekening en risico is geproduceerd, hun inleg verloren is gegaan en de fiscale voordelen zijn gemist. Het hof wees de vordering toe tegen een vennootschap en haar bestuurder, die ook in persoon aansprakelijk werd gehouden. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: het hof nam in de eerste plaats gewone persoonlijke aansprakelijkheid aan, zodat de ernstig verwijt-maatstaf niet nodig was, en die maatstaf is ten overvloede ook niet miskend.

    ECLI:NL:PHR:2018:750

  • Parket bij de Hoge Raad · 25 oktober 2013

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW; steunverbod artikel 2:207c BW; causaal verband en pauliana

    Een curator spreekt de bestuurder-vennootschap en haar bestuurder en enig aandeelhouder aan voor het boedeltekort wegens onbehoorlijk bestuur, mede omdat een lening voor de aankoop van de eigen aandelen in strijd was met het steunverbod. De A-G acht de klachten gegrond over de berekening van de vrij uitkeerbare reserves, waarbij bankleningen als vreemd vermogen het eigen vermogen niet raken, en over het causaal verband met het faillissement. Ook slagen klachten over de verjaring van de faillissementspauliana. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.

    ECLI:NL:PHR:2013:1116

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 december 2010

    Externe aansprakelijkheid niet-handelend bestuurder en trustee bij afgeblazen vastgoedproject

    Gedupeerde investeerders in een afgeblazen vastgoedproject spreken een bestuurder en trustmaatschappijen aan uit onrechtmatige daad. De A-G acht de interne taakvervullingsmaatstaf van artikel 2:9 BW niet bepalend voor de externe aansprakelijkheid van een bestuurder jegens derden. Hij oordeelt ook dat een trustee zich niet kan verschuilen achter het ontbreken van zeggenschap als zij tot toezicht was verplicht. De A-G concludeert tot vernietiging en verwijzing.

    ECLI:NL:PHR:2010:BO1979

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 april 2003

    Conclusie: maatstaf ernstig verwijt artikel 2:9 BW en gewicht enquêtebeschikkingen

    In deze conclusie gaat het om de interne aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van artikel 2:9 BW en het gewicht van OK-beschikkingen over wanbeleid en enquêtekosten in een gewone civiele procedure. De A-G meent dat het hof een te strenge maatstaf hanteerde, omdat een ernstig verwijt de norm is, en dat het de gestelde feiten niet buiten beschouwing mocht laten. OK-beschikkingen binden de burgerlijke rechter niet. Hij concludeert tot vernietiging.

    ECLI:NL:PHR:2003:AF3419

  • Parket bij de Hoge Raad · 24 maart 2000

    Conclusie: volstortingsplicht en kasrondje bij bankverklaring oprichting B.V.

    In deze conclusie gaat het om de vraag of oprichters van een B.V. aan hun volstortingsplicht hebben voldaan, nu het gestorte bedrag via een bankverklaring van een krediet afkomstig was en na de oprichting werd teruggestort, waarna de bankrekeningen werden samengevoegd. De curator vordert volstorting van de aandelen. De plaatsvervangend procureur-generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2000:AA5258

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 december 2025

    Enquête: tegenstrijdig belang bestuurder en vermogensrechtelijk geschil; A-G concludeert tot verwerping

    “[…] voorstaat. 3.7.5 In het subonderdeel wordt ook geen beroep gedaan op de tekst van art. 2:239 lid 5-6 BW. 3.7.6 Uit de parlementaire geschiedenis van (onder meer) art. 2:239 lid 5-6 BW valt mede het volgende op te maken. - Art. 2:239 lid 1 BW regelt de taak van het bestuur als orgaan van de vennootschap en moet daarmee worden onderscheiden van de regel voor de individuele bestuurder in art. 2:9 BW. De norm voor de taakuitoefening van leden van het toezichthoudend orgaan staat thans in art. 2:250 BW voor de raad van commissarissen. Algemeen wordt aangenomen dat zij evenzeer geldt voor de bestuurders. Het voorgestelde lid 5 van art. 2:239 BW legt de norm voor het handelen van iedere bestuurder vast. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Daarbij maakt het niet uit of zijn taak uitvoerend of algemeen/toezichthoudend is. - De vennootschap moet worden beschermd tegen het risico dat een bestuurder bij zijn handelen - dat gericht moet zijn op het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming - zich meer gelegen laat liggen aan een, direct of indirect, persoonlijk belang. […]”

    r.o. 3.7

    “Uit de parlementaire geschiedenis van (onder meer) art. 2:239 lid 5-6 BW valt mede het volgende op te maken. - Art. 2:239 lid 1 BW regelt de taak van het bestuur als orgaan van de vennootschap en moet daarmee worden onderscheiden van de regel voor de individuele bestuurder in art. 2:9 BW. De norm voor de taakuitoefening van leden van het toezichthoudend orgaan staat thans in art. 2:250 BW voor de raad van commissarissen. Algemeen wordt aangenomen dat zij evenzeer geldt voor de bestuurders. Het voorgestelde lid 5 van art. 2:239 BW legt de norm voor het handelen van iedere bestuurder vast. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Daarbij maakt het niet uit of zijn taak uitvoerend of algemeen/toezichthoudend is. - De vennootschap moet worden beschermd tegen het risico dat een bestuurder bij zijn handelen - dat gericht moet zijn op het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming - zich meer gelegen laat liggen aan een, direct of indirect, persoonlijk belang. Anders geformuleerd, het gaat om een concrete situatie waarin de bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare […]”

    r.o. 3.7.6

    “De onder 3.7.12 hiervoor geschetste lijn zou trouwens ook passen bij het belang dat in de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak wordt gehecht aan collegiaal bestuurlijk toezicht bij rechtspersonen, een vorm van intern toezicht tussen bestuurders (uitgaande dus van een meerhoofdig bestuur). Daarmee strookt bijvoorbeeld: - dat art. 2:239 lid 6 BW (mede) strekt tot bescherming van het in art. 2:239 lid 5 BW bedoelde vennootschapsbelang, dat als gezegd elke bestuurder tot normatief richtsnoer dient, met inachtneming ook van art. 2:8 lid 1 BW en art. 2:9 lid 1, eerste zin BW; - dat de vennootschap een zelfstandig belang erbij heeft dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd; - dat het bestuur slagvaardig moet kunnen handelen bij het (bepalen en) uitvoeren van het beleid en de strategie van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, juist ook in het vennootschapsbelang.”

    r.o. 3.7.14 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2025:1334

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 april 2024

    Conclusie A-G: wanbeleid bij LBO en fusie kinderopvangbedrijf, publiek belang en tegenstrijdig belang

    “[…] zijn bestuurstaken heeft uitgeoefend, aansprakelijk is jegens de rechtspersoon voor het geheel of een deel van die ‘kostenschade’. Wat in de papieren kan lopen, zoals de onderhavige zaak illustreert. Zie ook onder 3.109.4 hierna. In essentie gaat het in deze opzet van art. 2:354 BW dus om een eigenstandige grondslag voor interne bestuurdersaansprakelijkheid, met een zekere verwantschap aan art. 2:9 BW. Want met de regeling van (art. 2:350 lid 3 BW en) art. 2:354 BW is, aldus de Hoge Raad, “een bijzondere regeling getroffen voor een concrete casuspositie, hetgeen tot gevolg heeft dat de algemeen gestelde aansprakelijkheidsregeling van art. 2:9 BW niet meer aan bod komt.” Zo is in dit verband meer recent wel opgemerkt door A-G Timmerman: “Mijns inziens kan verantwoordelijkheid voor onjuist beleid niet zonder meer tot uiteenlopende vormen van aansprakelijkheid daarvoor leiden. Verantwoordelijkheid is een voorwaarde voor aansprakelijkheid d.w.z. voor het moeten opdraaien voor de gevolgen van een bepaald gedrag. Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid moeten - zo meen ik - worden onderscheiden. Dit geldt ook bij de toepassing van art. 2:354 BW. (…) Ik meen dat de belangrijkste van […]”

    r.o. 3.99

    ECLI:NL:PHR:2024:385

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 september 2022

    Conclusie: bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW, voortzetting verlieslatende onderneming, verwerping cassatie

    “[…] die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement (niet (ook) dat boedeltekort of anderszins schade) vereist, is trouwens een bewuste keuze geweest van de wetgever die verband houdt met het antimisbruik-karakter van art. 2:248 BW en de beoogde versterking van de positie van de curator in het kader van deze bepaling. Deze keuze heeft de wetgever bijvoorbeeld niet gemaakt bij art. 2:9 BW. Maar daarop is de aansprakelijkheid van [eiseressen] jegens de boedel van [wegtransportbedrijf] niet gebaseerd, wel op art. 2:248 BW (in verbinding met art. 2:11 BW). 3.20.3 Ten derde. Het hof zou daar een onjuiste zwart/wit-redenering hanteren, waar het overweegt dat voor aansprakelijkheid hier niet vereist is dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling de enige oorzaak is van het faillissement. “Het gaat wel om oorzakelijk verband, zij het lichter “aannemelijk veroorzaakt ” is voldoende.” Vaak zullen meer oorzaken invloed hebben gehad. In die “naar voren gebrachte, gestelde, resp. gemotiveerd weersproken, mogelijke oorzaken” zal dan “de rechter een afweging hebben te maken uit de meerdere naar voren gebrachte alternatieven”.De rechtsklacht strandt in zoverre op het volgende. […]”

    r.o. 3.20

    “[…] die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement (niet (ook) dat boedeltekort of anderszins schade) vereist, is trouwens een bewuste keuze geweest van de wetgever die verband houdt met het antimisbruik-karakter van art. 2:248 BW en de beoogde versterking van de positie van de curator in het kader van deze bepaling. Deze keuze heeft de wetgever bijvoorbeeld niet gemaakt bij art. 2:9 BW. Maar daarop is de aansprakelijkheid van [eiseressen] jegens de boedel van [wegtransportbedrijf] niet gebaseerd, wel op art. 2:248 BW (in verbinding met art. 2:11 BW).”

    r.o. 3.20.2

    ECLI:NL:PHR:2022:803

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 oktober 2020

    Artikel 2:248 BW: ontzenuwing bewijsvermoeden door niet-kennelijk onbehoorlijke bestuursdaden als andere oorzaak

    “[…] zijnde een bedrag nader op te maken bij staat, telkens vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; - H. bepaalt dat over de vorderingen onder D. en E. gedaagden zullen worden veroordeeld tot voldoening van de wettelijke rente over het verschuldigde vanaf de dag der dagvaarding voor zover deze rente ziet op het op grond van art. 2:9 BW verschuldigde bedrag, zulks tot de dag van algehele voldoening; - I. ieder van de bestuurders hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure.”

    r.o. 2.1

    “[…] geformuleerd, wel beperkt is tot “vorderingen van de curator ter zake de aansprakelijkheid van geïntimeerden voor het faillissementstekort”, waarmee de curator in brede zin doelt op zijn vorderingen op grond van art. 2:248 BW (waarop het vervolg in met name nrs. 57-61 ook ziet, waaronder art. 2:248 lid 2 BW), niet (ook) op zijn tevens ingestelde schadevergoedingsvorderingen op grond van art. 2:9 BW en/of art. 6:162 BW;, - nrs. 57-62 van de memorie van grieven ook, maar niet alleen, zien op het betoog van de curator dat “in de periode voor 1 juni 2010” geen sprake is geweest “van een van buiten komende oorzaak” (in het kader van art. 2:248 lid 2 BW); dat wordt - naast nr. 62 - onderstreept door nr. 61, waarin de curator bijvoorbeeld “[i]n algemene zin” ingaat op “kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 2:248 BW” en erop wijst dat zijns inziens daarvan sprake is “zowel voor het uittreden van [betrokkene 1] ” (dus vóór 1 juni 2010) indien de stellingen van [eiseressen 2 + 4 + 6] kunnen aangenomen als waar maar zeker “in de periode van na het uittreden van [betrokkene 1] ” (dus ná 1 juni 2010), op de gronden als in de procedure in eerste aanleg alsmede deze […]”

    r.o. 3.12

    “[…] bestuurder de mogelijkheid gegeven, de aansprakelijkheid af te weren indien hem ter zake van het onbehoorlijk bestuur geen verwijt treft. Hierdoor wordt een individuele bestuurder voldoende beschermd. Ik zie dan ook geen aanleiding af te zien van het beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid. (…) (…) ook al spreekt artikel 8 [gedoeld wordt op art. 2:8 BW oud, een voorloper van het huidige art. 2:9 BW, A-G] van een gehoudenheid van iedere individuele bestuurder tot behoorlijke taakvervulling, daarmee [wordt] uiteraard niet ontkend dat ook het bestuur als geheel tot een dergelijke behoorlijke taakvervulling gehouden is. Voorts stel ik (…) vast, dat in de theorie het beginsel van de collectieve verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van het bestuur voor het bestuursbeleid wordt aangenomen en dat die beleidsbepaling steeds een aangelegenheid is die, in de woorden van artikel 8, tot de werkkring van alle bestuurders behoort. In het voorgestelde artikel 138 (248) wordt op die gedachtengang voortgebouwd en uitdrukkelijk uitgegaan van een collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur voor met name het financiële beleid van de vennootschap. Ook al kan er binnen het bestuur een […]”

    r.o. 3.15

    ECLI:NL:PHR:2020:1012

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 april 2020

    Einde enquêteprocedure en niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen onmiddellijke voorzieningen (e-Traction)

    “[…] in de tweede fase van de enquête procedure door de rechtspersoon zullen worden gedragen. De Ondernemingskamer overweegt voorts dat de wettekst van artikel 2:357 lid 6 spreekt van “onbehoorlijke taakvervulling” en niet van onrechtmatig handelen. De Ondernemingskamer leest daarin echter geen beperking tot de kosten van verweer ter zake van de vaststelling van aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW, maar begrijpt de wettekst aldus dat het gaat om iedere aansprakelijkstelling - door de rechtspersoon of door derden - van de genoemde door de Ondernemingskamer benoemde functionarissen ter zake van de door hen uit hoofde van hun benoeming vervulde taak. Een redelijke toepassing van genoemd artikel brengt immers mee dat ook kosten van verweer ter zake van vorderingen op grond van onrechtmatige daad van met de rechtspersoon nauw verbonden partijen, zoals (middellijk) aandeelhouders en dochtervennootschappen, door de vennootschap moeten worden betaald.”

    r.o. 3.18

    ECLI:NL:PHR:2020:467

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 maart 2020

    Bezoldiging bestuurder: Imeko-regel en afzonderlijke functie als vestigingsmanager

    “[…] dat orgaan, in een duidelijk te onderscheiden andere functie verricht en die duidelijk te onderscheiden zijn van het bestuurderschap. Voor zover dáárbij een belangenconflict zou kunnen opspelen, voorziet de wet sinds 1 januari 2013 met onder meer art. 2:129 lid 5-6 BW (voordien art. 2:146 (oud) BW) in een specifieke regeling ter zake, nog daargelaten gedragsnormerende bepalingen als art. 2:8 en 2:9 BW. Het hof is in het arrest, zie in het bijzonder rov. 3.4 t/m 3.6 en rov. 3.10, dan ook terecht van deze bevoegdheidsverdeling uitgegaan. Ik wijs er nog op dat Orthocenter bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst VM met [verweerder] kennelijk eveneens ervan uitging dat [betrokkene 1] als de algemeen statutair directeur bevoegd was ter zake Orthocenter te vertegenwoordigen. Het hof heeft in rov. 3.4 weliswaar vastgesteld dat [betrokkene 2] de arbeidsovereenkomst VM heeft meegetekend “voor akkoord” waar [betrokkene 1] “namens Orthocenter” tekende als haar algemeen statutair directeur (te onderscheiden van de arbeidsovereenkomst statutair directeur, die [betrokkene 2] overeenkomstig art. 13 van de statuten namens Orthocenter heeft getekend als de voorzitter van haar RvC), maar in […]”

    r.o. 3.16

    ECLI:NL:PHR:2020:290

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 februari 2020

    Conclusie: jaarrekening 2017 GGN Holding, uittreders als vreemd vermogen, inzichtsvereiste

    “[…] grond van art. 5 lid 27 en 28 Participantenovereenkomst deze inkoop mag afstellen indien de verwachting niet gerechtvaardigd is dat binnen zes maanden wel aan deze wettelijke vereisten zal worden voldaan; b. dat aan de wettelijke vereisten voor inkoop al geruime tijd niet is voldaan en ook niet meer zal worden voldaan omdat (i) GGN Holding in ieder geval per ultimo 2017 niet over het door art. 2:98 lid 2 BW voor inkoop van het [verweerster] -certificaat vereiste vrij uitkeerbare vermogen beschikt en dat niet zal veranderen, terwijl bovendien de door art. 2:98 lid 4 BW voor inkoop van het [verweerster] -certificaat vereiste AV-machtiging per 23 mei 2018 is komen te vervallen en niet opnieuw zal worden gegeven, (ii) het krachtens de wet voor GGN Holding als gerechtsdeurwaarder geldende solvabiliteitsvereiste gelet op de cijfers per ultimo 2017 inkoop niet toelaat, en (iii) door deze inkoop de continuïteit van GGN Holding ernstig in gevaar zou komen, zodat ook art. 2:9 BW aan inkoop in de weg staat.”

    r.o. 3.3

    “Het subonderdeel faalt. De ondernemingskamer is in rov. 3.14 wel degelijk op het verweer van GGN Holding ingegaan dat niet aan de wettelijke vereisten voor inkoop is voldaan. In die rov. maakt de ondernemingskamer melding van een bijzondere regeling waarin inkoop van een certificaat kan worden uitgesteld. Daarbij overweegt de ondernemingskamer nog dat feiten waaruit blijkt dat ten tijde van de aanbieding door [verweerster] van haar aandelen niet aan de wettelijke inkoopeisen werd voldaan niet voldoende zijn gesteld of gebleken.”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:PHR:2020:172

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 januari 2020

    Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig

    “[…] dat thans in behandeling is bij de Tweede Kamer. Dat wetsvoorstel voorziet inmiddels onder meer in de opname van regelingen over de raadgevende stem in art. 2:44 lid 6 BW (bestuurders bij een verenigingsvorm) en in art. 2:47 lid 7 BW (commissarissen bij een verenigingsvorm), waar aanvankelijk opname van een algemene regeling ter zake in Titel 1 van Boek 2 BW was beoogd (een nieuw art. 2:9 lid 7 BW en art. 2:11 lid 9 BW). Over dit laatste vermeldt de toelichting: “Lid 7 Het voorgestelde zevende lid bepaalt dat de bestuurders een raadgevende stem hebben in de algemene vergadering. Doel van de toekenning van deze raadgevende stem is dat de bestuurders in de gelegenheid worden gesteld om hun visie op de door de algemene vergadering voorgenomen besluiten te doen blijken zodat de aandeelhouders of de leden met die visie rekening kunnen houden. Op dit moment is de raadgevende stem alleen wettelijk geregeld voor de NV (artikel 2:117 lid 4 BW) en voor de B.V. (artikel 2:227 lid 7 BW). Mede gezien de aanbevelingen die er in de consultatie op dat punt zijn gedaan, wordt nu voorgesteld om een regeling over de raadgevende stem van bestuurders op te nemen in het algemene gedeelte […]”

    r.o. 4.34

    ECLI:NL:PHR:2020:111

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 juni 2019

    Uitleg statutaire aanbiedingsregeling, aandeelhoudersovereenkomst en redelijkheid en billijkheid

    “[…] directie daarvan in kennis te stellen, bij gebreke waarvan de vennootschap gevolmachtigd is om tot verkoop en levering van de aandelen over te gaan, een en ander met veroordeling van [eiseres] in de gedingkosten. Voor het geval geen aanbiedingsplicht mocht worden aangenomen, hebben [verweerders 2 en 3] een verklaring voor recht gevorderd (viii) dat [eiseres] onrechtmatig en in strijd met artikel 2:9 BW heeft gehandeld.”

    r.o. 2.3

    ECLI:NL:PHR:2019:768

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 oktober 2018

    Artikel 2:248 lid 2 BW: te late openbaarmaking jaarrekening geen onbelangrijk verzuim

    “Bij dagvaarding van 17 april 2013 hebben de curatoren in rechte betrokken: [betrokkene 1] , [eiser] en [betrokkene 4] . De curatoren hebben gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: “1. te verklaren voor recht dat [betrokkene 1] , [eiser] en [betrokkene 4] jegens de boedel van [A] hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van de artikelen 2:248 BW en/of 6:162 BW en/of 2:9 BW, alsmede dat zij uit dien hoofde jegens de boedel van [A] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het gehele boedeldeficit; 2. [betrokkene 1] , [eiser] en [betrokkene 4] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de boedel van het gehele boedeldeficit van [A] , welk deficit zo nodig nader opgemaakt zal dienen te worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet; 3. [betrokkene 1] , [eiser] en [betrokkene 4] hoofdelijk te veroordelen om aan de curatoren van [A] te voldoen een bedrag van € 30.000.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, bij wijze van voorschot op het door [betrokkene 1] , [eiser] en [betrokkene 4] te betalen boedeldeficit; 4. [betrokkene 1] , [eiser] en [betrokkene 4] hoofdelijk te […]”

    r.o. 2.1

    “Uit het bestreden arrest blijkt dat de curatoren aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd dat [betrokkene 1] en [eiser] als bestuurders en [betrokkene 4] als bestuurder/feitelijk bestuurder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeldeficit op grond van de artikelen 2:248 BW en/of 2:9 BW en/of 6:162 BW.”

    r.o. 2.2

    ECLI:NL:PHR:2018:1428

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 november 2013

    Enquête joint venture-vennootschap: vennootschappelijk belang, wanbeleid en verwatering

    “[…] miskennen dat er in rov. 3.65 (slotzin) met de term “aansprakelijkheid” enkel gedoeld wordt op de toewijzing van het verzoek van de Vennootschap betreffende het verhaal van de onderzoekskosten (ex art. 2:354 BW). De onderdelen gaan er ook ten onrechte van uit dat de Ondernemingskamer in rov. 3.65 met de kwalificatie “ernstig verwijt” een oordeel heeft gegeven over aansprakelijkheid ex art. 2:9 BW; de vaststelling van een dergelijke aansprakelijkheid is in deze enquêteprocedure niet aan de orde (vgl. HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, NJ 2006/443, rov. 3.7-3.8 (Laurus); HR 4 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7240, NJ 1997/671, rov. 4.1.3 (Text Lite)). Uit het gegeven dat de Ondernemingskamer geconstateerd heeft dat de bestuurders van de Vennootschap ter zake van hun optreden bovendien zelfs een ‘ernstig verwijt’ kan worden gemaakt, volgt – anders dan de onderdelen kennelijk wensen te betogen – ook niet dat de Ondernemingskamer in de onderhavige enquêteprocedure een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. 4.7.12 Onderdeel 2.2(c) betoogt dat de Ondernemingskamer mede in aanmerking had moeten nemen “de, uit notulen van bestuursvergaderingen en/of andere stukken blijkende, […]”

    r.o. 4.7

    “Onderdeel 2.1 bevat geen zelfstandige klachten. Onderdelen 2.2(a) en 2.2(b) gaan uit van een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. De onderdelen miskennen dat er in rov. 3.65 (slotzin) met de term “aansprakelijkheid” enkel gedoeld wordt op de toewijzing van het verzoek van de Vennootschap betreffende het verhaal van de onderzoekskosten (ex art. 2:354 BW). De onderdelen gaan er ook ten onrechte van uit dat de Ondernemingskamer in rov. 3.65 met de kwalificatie “ernstig verwijt” een oordeel heeft gegeven over aansprakelijkheid ex art. 2:9 BW; de vaststelling van een dergelijke aansprakelijkheid is in deze enquêteprocedure niet aan de orde (vgl. HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, NJ 2006/443, rov. 3.7-3.8 (Laurus); HR 4 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7240, NJ 1997/671, rov. 4.1.3 (Text Lite)). Uit het gegeven dat de Ondernemingskamer geconstateerd heeft dat de bestuurders van de Vennootschap ter zake van hun optreden bovendien zelfs een ‘ernstig verwijt’ kan worden gemaakt, volgt – anders dan de onderdelen kennelijk wensen te betogen – ook niet dat de Ondernemingskamer in de onderhavige enquêteprocedure een onjuiste maatstaf heeft aangelegd.”

    r.o. 4.7.11

    ECLI:NL:PHR:2013:1826

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 september 2007

    Enquête: reikwijdte onmiddellijke voorziening OK en onafhankelijkheid commissarissen bij minderheidsaandeelhouders

    “[…] - alleszins begrijpelijk en ook geoorloofd - zie III.2.2. sub f van de Code - dat leden van het bestuur van een groepsmaatschappij tot commissaris worden benoemd. Daaruit volgt nog niet dat de commissarissen het groepsbelang van Tele2 leidend zouden nemen dan wel doorslaggevend zouden achten. Met name niet nu ook deze commissarissen zich op grond van het bepaalde in de artt. 2:8, 2:149 jo. 2:9, en 2:140 lid 2 BW, alsmede het bepaalde in de Code in III.6 hebben te richten naar het vennootschappelijk belang.”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:PHR:2007:BA4887

  • Parket bij de Hoge Raad · 10 november 2006

    Ontslag stichtingsbestuurders wegens wanbeheer; belanghebbende en uitvoerbaarheid bij voorraad (artikel 2:298 BW)

    “[…] verstrekt; d. hebben bewerkstelligd dat met betrekking tot de uitvoering van de genoemde projecten aanzienlijke geldbedragen als voorschot werden betaald terwijl hiervoor geen werkzaamheden werden verricht die hiermee in verhouding stonden. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [verzoeker 2] en [verzoeker 1] hiermee in strijd met de statuten (art. 8 lid 6 en art. 9 lid 1) en de wet (art. 2:9 BW) gehandeld en hebben zij zich tevens schuldig gemaakt aan wanbeheer nu zij door de 'voorschot'betalingen aanzienlijke bedragen aan de Stichting hebben ontrokken zonder dat hiermee het doel van de Stichting werd gediend. Dit is volgens de rechtbank temeer het geval nu [verzoeker 2] via zijn investeringsmaatschappij Tipica 100% aandeelhouder is van Lion en IHD France een 100% dochter is van IHD International waarvan [verzoeker 2] voor 38% aandeelhouder is. Vervolgens heeft de rechtbank [verzoekers] als bestuurders van de Stichting ontslagen. Voorts heeft zij de derde volzin van art. 3.1 van de statuten, waarin is bepaald dat IHD International B.V. 2/3 gedeelte van het bestuur van de Stichting benoemt, buiten werking gesteld en mr. J.C. Dorrepaal als bestuurder benoemd. Deze […]”

    r.o. 2.3

    ECLI:NL:PHR:2006:AY8290

Hoven en Ondernemingskamer (18)

  • Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 15 september 2026

    Vereniging vordert van erven oud-penningmeester terug; artikel 2:9 BW onvoldoende onderbouwd

    “Daarmee staat vast dat ook de grondslag onbevoegd handelen af valt. Grondslag onrechtmatig handelen en artikel 2:9 BW, schade”

    r.o. 5.32

    “Ten slotte stelt [appellant] in de memorie van grieven dat [erflater] onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar en beroept zij zich daarnaast op artikel 2:9 BW. Een concrete onderbouwing, anders dan de twee hierboven besproken goedkeuringskwesties, ontbreekt echter en [appellant] volstaat met algemeenheden als dat [erflater] “onmiskenbaar tekortgeschoten [is] als bestuurder” en geen enkel ander bestuurder onder dezelfde omstandigheden zo zou hebben gehandeld als [erflater] heeft gedaan.”

    r.o. 5.33

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2476

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 16 juli 2026

    Enquête Grand Met: twijfel over inbreng in natura, governance en informatievoorziening; bestuurder en beheerder benoemd

    “[…] In dit stelsel ligt besloten dat niet alleen de aandeelhouders een verantwoordelijkheid hebben dat de aandelen die zij na oprichting nemen tegen inbreng in natura daadwerkelijk worden volgestort, maar dat ook op de bestuurders een verantwoordelijkheid rust. Bestuurders die willens en wetens een te lage inbreng aanvaarden, kunnen in voorkomend geval immers worden aangesproken op grond van art. 2:9 BW (Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 63).”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1934

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 30 juni 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid wegens frustratie van verhaal en groepsaansprakelijkheid van concernvennootschappen

    “Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.”

    r.o. 5.7

    ECLI:NL:GHARL:2026:4226

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 23 juni 2026

    Corporate opportunities: bestuurders en aandeelhouders niet aansprakelijk voor mislopen zakelijke kansen

    “Vooropgesteld gaat het in deze zaak om interne bestuurdersaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 2:9 BW en aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Everizone heeft haar (voormalig, indirect) bestuurders en aandeelhouders aansprakelijk gesteld.”

    r.o. 4.5

    ECLI:NL:GHARL:2026:4155

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 26 mei 2026

    Groepsaansprakelijkheid bestuurders/aandeelhouders voor onrechtmatig financierings- en investeringsbeleid; ernstig verwijt

    “Ingeval de onrechtmatige deelneming aan de gedragingen van een groep heeft plaatsgevonden in het kader van de taakvervulling van een bestuurder, of daarmee zeer nauw samenhangt, geldt ter bepaling van de aansprakelijkheid van die bestuurder nog het volgende. Artikel 2:9 BW houdt een norm in voor het handelen van een bestuurder van een rechtspersoon bij de vervulling van de hem opgedragen taak. In de rechtspraak is aangenomen dat aansprakelijkheid wegens schending van die norm slechts bestaat indien de bestuurder van zijn handelen een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Deze verzwaarde aansprakelijkheidsnorm van artikel 2:9 BW is ook van toepassing als sprake is van een externe onrechtmatige daad die is begaan bij de taakvervulling van de bestuurder of bij handelen dat zeer nauw samenhangt met die taakvervulling. Naar het oordeel van het hof geldt deze verzwaarde aansprakelijkheidsnorm evenzeer in het geval dat een bestuurder op grond van artikel 6:166 BW wordt aangesproken wegens onrechtmatige deelneming aan gedragingen van een groep. [appellant] is aansprakelijk voor het onrechtmatige financieringsbeleid van de groep - Handelen [appellant] e.a. in groepsverband”

    r.o. 4.12

    ECLI:NL:GHARL:2026:3231

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 26 mei 2026

    Groepsaansprakelijkheid bestuurder voor onrechtmatig financierings- en investeringsbeleid; persoonlijk ernstig verwijt

    “Ingeval de onrechtmatige deelneming aan de gedragingen van een groep heeft plaatsgevonden in het kader van de taakvervulling van een bestuurder, of daarmee zeer nauw samenhangt, geldt ter bepaling van de aansprakelijkheid van die bestuurder nog het volgende. Artikel 2:9 BW houdt een norm in voor het handelen van een bestuurder van een rechtspersoon bij de vervulling van de hem opgedragen taak. In de rechtspraak is aangenomen dat aansprakelijkheid wegens schending van die norm slechts bestaat indien de bestuurder van zijn handelen een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Deze verzwaarde aansprakelijkheidsnorm van artikel 2:9 BW is ook van toepassing als sprake is van een externe onrechtmatige daad die is begaan bij de taakvervulling van de bestuurder of bij handelen dat zeer nauw samenhangt met die taakvervulling. Naar het oordeel van het hof geldt deze verzwaarde aansprakelijkheidsnorm evenzeer in het geval dat een bestuurder op grond van artikel 6:166 BW wordt aangesproken wegens onrechtmatige deelneming aan gedragingen van een groep. [appellant] is aansprakelijk voor het onrechtmatige financieringsbeleid van de groep - Handelen [appellant] e.a. in groepsverband”

    r.o. 4.12

    ECLI:NL:GHARL:2026:3232

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 26 mei 2026

    Groepsaansprakelijkheid bestuurder voor onrechtmatig financierings- en investeringsbeleid; persoonlijk ernstig verwijt

    “Ingeval de onrechtmatige deelneming aan de gedragingen van een groep heeft plaatsgevonden in het kader van de taakvervulling van een bestuurder, of daarmee zeer nauw samenhangt, geldt ter bepaling van de aansprakelijkheid van die bestuurder nog het volgende. Artikel 2:9 BW houdt een norm in voor het handelen van een bestuurder van een rechtspersoon bij de vervulling van de hem opgedragen taak. In de rechtspraak is aangenomen dat aansprakelijkheid wegens schending van die norm slechts bestaat indien de bestuurder van zijn handelen een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Deze verzwaarde aansprakelijkheidsnorm van artikel 2:9 BW is ook van toepassing als sprake is van een externe onrechtmatige daad die is begaan bij de taakvervulling van de bestuurder of bij handelen dat zeer nauw samenhangt met die taakvervulling. Naar het oordeel van het hof geldt deze verzwaarde aansprakelijkheidsnorm evenzeer in het geval dat een bestuurder op grond van artikel 6:166 BW wordt aangesproken wegens onrechtmatige deelneming aan gedragingen van een groep. [appellant] is aansprakelijk voor het onrechtmatige financieringsbeleid van de groep - Handelen [appellant] e.a. in groepsverband”

    r.o. 4.12

    ECLI:NL:GHARL:2026:3233

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 26 mei 2026

    Groepsaansprakelijkheid bestuurder voor onrechtmatig financierings- en investeringsbeleid; persoonlijk ernstig verwijt

    “Ingeval de onrechtmatige deelneming aan de gedragingen van een groep heeft plaatsgevonden in het kader van de taakvervulling van een bestuurder, of daarmee zeer nauw samenhangt, geldt ter bepaling van de aansprakelijkheid van die bestuurder nog het volgende. Artikel 2:9 BW houdt een norm in voor het handelen van een bestuurder van een rechtspersoon bij de vervulling van de hem opgedragen taak. In de rechtspraak is aangenomen dat aansprakelijkheid wegens schending van die norm slechts bestaat indien de bestuurder van zijn handelen een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Deze verzwaarde aansprakelijkheidsnorm van artikel 2:9 BW is ook van toepassing als sprake is van een externe onrechtmatige daad die is begaan bij de taakvervulling van de bestuurder of bij handelen dat zeer nauw samenhangt met die taakvervulling. Naar het oordeel van het hof geldt deze verzwaarde aansprakelijkheidsnorm evenzeer in het geval dat een bestuurder op grond van artikel 6:166 BW wordt aangesproken wegens onrechtmatige deelneming aan gedragingen van een groep. [appellant] is aansprakelijk voor het onrechtmatige financieringsbeleid van de groep - Handelen [appellant] e.a. in groepsverband”

    r.o. 4.12

    ECLI:NL:GHARL:2026:3234

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 19 mei 2026

    Persoonlijke aansprakelijkheid commissarissen woningcorporatie voor gedwongen vertrek RvC-voorzitter afgewezen

    “[appellant] heeft gevorderd dat de rechtbank uitspreekt (voor recht verklaart) dat de commissarissen ieder voor zich en ook gezamenlijk onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld en aansprakelijk zijn op grond van een (gewone) onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW jo. artikel 6:166 BW, met veroordeling van ieder van de commissarissen afzonderlijk (en ook gezamenlijk) tot betaling van een schadevergoeding. Die zou dan moeten worden begroot in een afzonderlijke procedure - de zogenaamde schadestaat. Voor het geval dat niet kan worden toegewezen, heeft [appellant] gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat ieder van de commissarissen tegenover hem onrechtmatig heeft gehandeld en jegens hem aansprakelijk is op grond van een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW jo. artikel 2:9 BW. De rechtbank heeft in een vonnis van 24 oktober 2024 deze vorderingen afgewezen.”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:GHARL:2026:3212

  • Gerechtshof Amsterdam · 12 mei 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW: verjaring, decharge en matiging bij fiscale schuld

    “Met betrekking tot de vordering tegen [geïntimeerde 1] heeft het hof de vordering op de grondslag van artikel 6:162 BW niet toewijsbaar geacht en de grieven II tot en met IX van de curator gegrond geacht voor zover daarmee wordt geklaagd over de verwerping van de vordering op de grondslag van artikel 2:9 BW, maar overwogen dat over de door [geïntimeerde 1] aangevoerde formele verweren en over de schadeomvang nog nadere uitwisseling van standpunten nodig is. Deze uitwisseling van standpunten heeft plaatsgevonden in de nadere memories van de curator en [geïntimeerde 1] en de antwoordmemories in reactie daarop. De vordering uit hoofde van artikel 2:9 BW tegen [geïntimeerde 1] De formele verweren Het beroep op verjaring”

    r.o. 3.2

    “Nu de formele verweren van [geïntimeerde 1] tegen de vordering op grond van artikel 2:9 BW worden verworpen, dient te worden bepaald welke schade kan worden toegerekend aan het handelen van [geïntimeerde 1] in strijd met genoemd artikel en of er gronden zijn voor matiging daarvan.”

    r.o. 3.11

    “Hoewel het hof van oordeel is dat [geïntimeerde 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt bij zijn bestuurlijk handelen en hij op de voet van artikel 2:9 BW aansprakelijk is jegens [naam] , neemt dit niet weg dat er gronden kunnen zijn de schade op de voet van artikel 6:109 lid 1 BW te matigen (vgl. recent HR 5 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1384).”

    r.o. 3.25

    “In de zaak tegen [geïntimeerde 1] heeft het slagen van de grieven II tot en met IX voor zover betrekking hebbend op de vordering ex artikel 2:9 BW tot gevolg dat het bestreden zal vonnis worden vernietigd en de vordering van de curator zal worden toegewezen tot een bedrag van € 100.000,-, met wettelijke rente vanaf heden. Nu partijen in deze zaak over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.”

    r.o. 3.31

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1520

  • Gerechtshof Den Haag · 14 april 2026

    Artikel 2:248 BW: onbehoorlijk bestuur door niet-publicatie jaarrekeningen; matiging tot nihil

    “[…] gelijk aan het tekort als bedoeld in artikel 2:216 lid 3 BW, met een maximum van het faillissementstekort, ontstaan als gevolg van het dividendbesluit, met wettelijke rente,meer subsidiair (ten aanzien van [appellant 1])h) voor recht te verklaren dat [appellant 1] zijn bestuurstaak onbehoorlijk heeft vervuld en aansprakelijk is voor de schade die Dudok Groep daardoor heeft geleden (ex artikel 2:9 jo. 2:11 BW),i) [appellant 1] te veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat, met wettelijke rente, enj) [appellant 1] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schade van € 500.000,-, en, ten aanzien van alle vorderingenk) [appellanten] hoofdelijk althans één of meerderen van hen te veroordelen in de kosten van het geding, de beslagkosten ad € 4.646,84 daaronder begrepen.”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:GHDHA:2026:562

  • Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 31 maart 2026

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid voor bezoldiging zonder statutair AVA-besluit

    “[…] 3] hebben het er als bestuurder van [X] en (indirect van) [Y] toe geleid dat zonder rechtsgrond in de perioden 1 tot en met 3 betalingen van meer dan € 8.000,00 per maand zijn gedaan aan hun respectieve eenmanszaken, terwijl die geen contractuele relatie hadden met [X] en/of [Y] . Daarnaast stellen [X en Y] zich op het standpunt dat de (terug)betalingsverplichting (ook) volgt uit artikel 2:9 BW. De OK heeft met gezag van gewijsde vastgesteld in haar beschikking van 16 december 2019 dat sprake is van ‘collectief wanbeleid’ van het bestuur van [X en Y] Daarmee staat vast dat er sprake is geweest van een onbehoorlijke taakvervulling door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . Hen valt ter zake van de wijze van hun taakvervulling persoonlijk een ernstig verwijt te maken. De onttrekkingen zijn tevens aan te merken als een onrechtmatige daad jegens [X en Y]”

    r.o. 3.2.2

    “[…] hiervan concludeert de rechtbank dat de betaling van [Y] aan [eenmanszaak geïnt. 1] van € 108.000,00 onverschuldigd is verricht (rov. 4.43.-4.45.). * Overigens ten aanzien van de grondslag van de vorderingen van [X en Y] : - [X en Y] leggen aan de vorderingen tevens ten grondslag dat er sprake is geweest van een onbehoorlijke taakvervulling door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] (artikel 2:9 BW) en dat de onttrekkingen zijn aan te merken als een onrechtmatige daad jegens [X en Y] Zoals hiervoor is overwogen is een aantal door [X en Y] aan [geïntimeerden] betaalde bestuurdersvergoedingen onverschuldigd betaald, zodat de rechtbank aan deze grondslag niet toekomt. Voor zover de bestuurdersvergoedingen (en overige vergoedingen) niet onverschuldigd zijn betaald, is er een grondslag voor deze betalingen, zoals de betaling van een redelijk loon op grond van artikel 7:405 lid 2 BW. De gestelde onbehoorlijke taakvervulling door [geïntimeerden] (hetgeen door [geïntimeerden] overigens gemotiveerd wordt betwist), doet hier niet aan af (rov. 4.46.). De procedure in hoger beroep bij het hof”

    r.o. 5.10

    “[…] hiervan concludeert de rechtbank dat de betaling van [Y] aan [eenmanszaak geïnt. 1] van € 108.000,00 onverschuldigd is verricht (rov. 4.43.-4.45.). * Overigens ten aanzien van de grondslag van de vorderingen van [X en Y] : - [X en Y] leggen aan de vorderingen tevens ten grondslag dat er sprake is geweest van een onbehoorlijke taakvervulling door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] (artikel 2:9 BW) en dat de onttrekkingen zijn aan te merken als een onrechtmatige daad jegens [X en Y] Zoals hiervoor is overwogen is een aantal door [X en Y] aan [geïntimeerden] betaalde bestuurdersvergoedingen onverschuldigd betaald, zodat de rechtbank aan deze grondslag niet toekomt. Voor zover de bestuurdersvergoedingen (en overige vergoedingen) niet onverschuldigd zijn betaald, is er een grondslag voor deze betalingen, zoals de betaling van een redelijk loon op grond van artikel 7:405 lid 2 BW. De gestelde onbehoorlijke taakvervulling door [geïntimeerden] (hetgeen door [geïntimeerden] overigens gemotiveerd wordt betwist), doet hier niet aan af (rov. 4.46.). De procedure in hoger beroep bij het hof”

    r.o. 3.2.7

    “Het debat tussen partijen in hoger beroep laat zich op grond van de wederzijdse grieven als volgt samenvatten. [X en Y] betogen dat [geïntimeerden] primair op grond van artikel 2:9 BW jo 2:11 BW hoofdelijk dienen te worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 427.395,07 aan [X] en een bedrag van € 534.005,13 aan [Y] , steeds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de betalingen. Zij leggen hieraan ten grondslag dat de OK met gezag van gewijsde heeft beslist dat sprake is van wanbeleid van de (indirecte) bestuurders in [X] en [Y] , met name omdat betalingen ten titel van bezoldiging zijn verricht aan [geïntimeerden] zonder dat rechtsgeldige besluiten van de AVA over de bestuurdersbezoldiging voorhanden waren. Onder verwijzing naar de beslissingen van de OK is het standpunt van [X en Y] dat ook betalingen ten titel van reiskosten, vertaalkosten, juridische kosten en niet gespecificeerde kosten onder ‘bezoldiging en verdere arbeidsvoorwaarden’ als bedoeld in de statuten vallen en zonder rechtsgrond zijn betaald. Het voorgaande geldt volgens [X en Y] voor de periode 1 van 1 januari 2017 tot 6 april 2018, per welke datum de OK de bestuurders heeft […]”

    r.o. 3.7

    ECLI:NL:GHSHE:2026:865

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 24 maart 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid: voortzetten verlieslatende onderneming geen kennelijk onbehoorlijk bestuur; vorderingen curator afgewezen

    “De curator heeft bij de rechtbank primair een verklaring voor recht gevorderd dat, kort gezegd, [de bestuurder] aansprakelijk is voor het tekort in faillissement omdat zij haar taken als bestuurder kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in artikel 2:248 BW. Subsidiair heeft hij een verklaring voor recht gevorderd dat [de bestuurder] aansprakelijk is voor schade op te maken bij staat, wegens onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in artikel 2:9 BW. Primair en subsidiair heeft de curator een voorschot gevorderd van € 850.000. De curator heeft in de kern aangevoerd dat [de bestuurder] de verlieslatende onderneming te lang heeft voortgezet zonder maatregelen te nemen om het tij te keren en dat zij eerder het faillissement had moeten aanvragen. Verder heeft de curator gewezen op paulianeus handelen, op het ontvreemden of vervreemden van spullen van [naam1] voorafgaand aan het faillissement, op roekeloos gedrag en ontbrekend kasgeld.”

    r.o. 2.2

    “Het hof zal het vonnis vernietigen en de vorderingen van de curator alsnog afwijzen. De grieven tegen de afwijzing van opheffing van het beslag zijn terecht aangevoerd. De proceskosten van de hele procedure bij de rechtbank zijn dan ook voor rekening van de curator. [de bestuurder] was niet gehouden de onderneming van [naam1] te staken en heeft bovendien maatregelen genomen om het tij te keren. Daarom is geen sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:248 BW. Daarbij komt dat het voorzetten van de onderneming gedurende de drie jaar voor het faillissement geen belangrijke oorzaak is van het faillissement; uit de stellingen van de curator volgt dat de vennootschap al ruim daarvoor in zwaar weer verkeerde. De andere verweten gedragingen leveren evenmin kennelijk onbehoorlijk bestuur op, terwijl die evenmin belangrijke oorzaken van het faillissement zijn. Om dezelfde redenen dat geen sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur is ook geen sprake van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 2:9 BW. Het hof licht de beslissing hierna toe.”

    r.o. 2.4

    “Op grond van artikel 2:9 BW lid 2 is iedere bestuurder hoofdelijk aansprakelijk jegens de vennootschap voor de schade die het gevolg is van onbehoorlijke taakvervulling, tenzij hem geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij de beoordeling of de bestuurder een ernstig verwijt treft, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken.”

    r.o. 3.12

    “[…] blijven van hun vordering, aansprakelijk zijn wegens onrechtmatig handelen. Dat kan het geval zijn als de bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, en de bestuurder, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij de onder (i) bedoelde gevallen kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat […]”

    r.o. 3.13

    ECLI:NL:GHARL:2026:1786

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 6 maart 2026

    OK beslist welke 50%-aandeelhouder wordt uitgestoten; collectieve bestuursverantwoordelijkheid

    “[A] heeft namens de Vennootschap een opdracht aan Snijders Litigation gegeven om [aandeelhouder 2] c.s. namens de Vennootschap aansprakelijk te stellen in verband met voormelde problemen. Bij brief van 18 juli 2025 hebben advocaten van Snijders Litigation namens de Vennootschap [aandeelhouder 2] c.s. op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk gesteld voor schade die de Vennootschap zou hebben geleden als gevolg van naheffingsaanslagen, invorderingsrente, kosten van dwangbevelen en schade als gevolg van een herhaaldelijk liquiditeitstekort. De schade werd voorlopig geschat op € 100.000. Volgens de brief gold een interne taakverdeling tussen de bestuurders, die inhield dat [aandeelhouder 2] c.s. verantwoordelijk waren voor de gehele “financiële en administratieve aansturing” van de Vennootschap, waaronder het voeren van de boekhouding, het toezicht houden op de liquiditeitspositie, het verzorgen en (doen) indienen van fiscale aangiften en het onderhouden van contact met de accountant, boekhouder en belastingadviseur van de Vennootschap en met verzekeringsmaatschappijen. De facturen van Snijders Litigation ten bedrage van ongeveer € 23.000 inclusief btw zijn ten laste van de […]”

    r.o. 3.12

    “Het beginsel van collegiaal bestuur brengt mee dat alle bestuurders verantwoordelijk zijn voor een goede uitoefening van de bestuurstaak. Artikel 2:9 BW maakt het mogelijk dat krachtens de statuten een deel van de bestuurstaak aan een bepaalde bestuurder wordt toebedeeld. De statuten van de Vennootschap noemen de mogelijkheid van een dergelijke interne taakverdeling echter niet, zodat de problemen met de ziekteverzuimuitkering, het (mede daardoor ontstane) liquiditeitstekort en de daaruit voorvloeiende problemen met de belastingdienst, leveranciers en klanten, onder de collectieve bestuursverantwoordelijkheid vallen.”

    r.o. 4.6

    ECLI:NL:GHAMS:2026:884

  • Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 17 februari 2026

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid oud-bestuurders stichting derdengelden; geen matiging, geen verjaring

    “De rechtbank heeft geoordeeld dat [persoon A] jegens de Stichting Beheer Derdengelden hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:9 BW wegens onbehoorlijk bestuur (zie rov. 5.15 e.v. van het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023). De grieven 1 en 2 van [persoon A] en [persoon D] hebben betrekking op dat oordeel.”

    r.o. 6.6.1

    “[persoon A] hebben onder meer aangevoerd dat de rechtbank een verkeerde juridische maatstaf voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW heeft aangelegd. De rechtbank heeft de bestuurdersaansprakelijkheid getoetst aan de redactie anno 2023 van artikel 2:9 BW. Volgens [persoon A] had echter aangesloten moeten worden bij de oude redactie van 2:9 BW.”

    r.o. 6.6.2

    “Naar het oordeel van het hof maakt de redactie van artikel 2:9 BW geen verschil voor de uitkomst van deze zaak. Ongeacht welke redactie van toepassing is, zijn [persoon A] – hoofdelijk – aansprakelijk jegens de Stichting Beheer Derdengelden op grond van artikel 2:9 BW wegens onbehoorlijk bestuur. Het hof motiveert dit oordeel als volgt.”

    r.o. 6.6.4

    “[…] aanzienlijk bedrag dat over meerdere jaren van de derdengeldenrekening is afgehaald. Zoals hiervoor is overwogen, staat niet vast dat [persoon A] niet betrokken waren bij (ook) deze onttrekkingen. Hoe dit verder ook zij, staan blijft dat [persoon A] tekortgeschoten zijn in de behoorlijk vervulling van hun algemene bestuurstaak. Aan hen komt dus geen beroep toe op de disculpatiegrond van artikel 2:9 BW (in de huidige, noch de oude redactie).”

    r.o. 6.6.6

    ECLI:NL:GHSHE:2026:421

  • Gerechtshof Leeuwarden · 9 september 2008

    Stichting Schaapstil

    Stichting: vertegenwoordiging bij tegenstrijdig belang en ongeldig bestuursbesluit tot procederen tegen bestuurder

    “Het gaat in dit geding om een procedure waarbij (onder meer) de interne aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover de rechtspersoon aan de orde is (art. 2:9 BW). Een dergelijke procedure moet worden ingesteld door de rechtspersoon. Zoals ook uit de ter zake relevante literatuur blijkt, geldt hierbij dat de wettelijke bepalingen inzake het tegenstrijdig belang van toepassing zijn.”

    r.o. 6.1

    “[…] geldende, veel strengere, regeling naar andere rechtspersonen gaat naar het oordeel van het hof dan ook te ver. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat Schaapstil meerdere organen kent, zodat vertegenwoordigingsonbevoegdheid van het bestuur tot het op zichzelf bezien ongewenste gevolg zou leiden dat de stichting geen procedure kan beginnen op de voet van art. 2:9 BW tegen een van haar bestuurders. Mede om die reden ziet het hof evenmin aanleiding om andere bepalingen over vertegenwoordiging uit het BW (zoals art. 3:68) analoog toe te passen.”

    r.o. 6.3

    ECLI:NL:GHLEE:2008:BF0762

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 3 september 2026

    OK beveelt enquête en schorst bestuurder bij vastgelopen samenwerking binnen DDC-groep

    Twee aandeelhouders/bestuurders van een ICT-consultancyvennootschap verzoeken een enquête vanwege een vastgelopen samenwerking met de derde aandeelhouder/bestuurder, die de administratie voert voor meerdere gelieerde vennootschappen. De OK oordeelt dat de risicovolle inrichting van de administratie, het frequente tegenstrijdig belang en de escalatie gegronde redenen voor twijfel geven, mede in het licht van artikel 2:8 en 2:10 BW. Zij beveelt een onderzoek, schorst de bestuurder, benoemt een bestuurder met beslissende stem en beveelt overdracht van de administratie.

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2498

  • Gerechtshof Amsterdam · 14 april 2026

    Persoonlijke aansprakelijkheid feitelijk beleidsbepalers voor onbetaald gebleven schadevergoeding van concernvennootschap afgewezen

    Een schuldeiser stelde de oprichter van een concern en diens zoon als feitelijk beleidsbepalers persoonlijk aansprakelijk omdat een concernvennootschap een toegewezen schadevergoeding niet betaalde. Het hof oordeelt dat geen persoonlijk ernstig verwijt bestaat: het achterwege laten van een voorziening was verdedigbaar, de vennootschap had geen middelen meer en onttrekking van vermogen is onvoldoende onderbouwd. Ook ontbreekt causaal verband. De vorderingen worden alsnog afgewezen.

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1033

Rechtbanken (59)

  • Rechtbank Overijssel · 21 oktober 2026

    Kennelijk onbehoorlijk bestuur: curator wijst faillissementstekort-vordering tegen (indirect) bestuurder af

    “De curator heeft bij vordering sub II en III ook nog een beroep gedaan op een schending door Comitec GmbH en [gedaagde] van de normen die zijn opgenomen in artikel 6:162 BW en artikel 2:9 BW. Ook vordering sub II en III zijn ingestoken langs de lijn van bestuurdersaansprakelijkheid. Qua feitelijke onderbouwing constateert de rechtbank dat de curator bij vordering sub II en III geen andere verwijten maakt aan het adres van Comitec GmbH en [gedaagde] in vergelijking met vordering sub I. Omdat de juridische maatstaf bij artikel 6:162 BW (op het punt van bestuurdersaansprakelijkheid) en artikel 2:9 BW niet anders is dan bij artikel 2:248 lid 1 BW, moeten ook de vorderingen sub II en III worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor vordering sub IV, die in het verlengde ligt van de vorderingen I tot en met III. Totstandkoming koopovereenkomst tussen de curator en [gedaagde]”

    r.o. 5.12

    ECLI:NL:RBOVE:2026:6575

  • Rechtbank Overijssel · 14 oktober 2026

    Artikel 2:248 BW: formeel bestuurder aansprakelijk voor gehele faillissementstekort, geen matiging

    “Havers q.q. vordert, verkort weergeven, dat de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] aansprakelijk is op grond van artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek (BW), althans artikel 6:162 BW, althans artikel 2:9 BW voor het bedrag van de schulden van [bedrijf 1], voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan; II. voor recht verklaart dat [gedaagde 2] aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW voor een nader vast te stellen bedrag; III. [gedaagde 1] op grond van artikel 2:248 BW, althans artikel 2:9 BW, veroordeelt tot betaling van het gehele faillissementstekort van [bedrijf 1], zoals dit zal komen vast te staan na de te houden verificatievergadering in het faillissement van [bedrijf 1], vermeerderd met de boedelschulden, waaronder begrepen het salaris van de curator alsmede de overige faillissementskosten; IV. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] op grond van artikel 6:162 BW hoofdelijk veroordeelt [gedaagde 2] aan de curator te betalen een schadevergoeding nader op te maken bij staat; V. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een voorschot van € 32.625,00 op de […]”

    r.o. 4.1

    “Gelet op het voorgaande kan de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] op grond van artikel 6:162 BW en artikel 2:9 BW onbesproken blijven. Voorschot en rente”

    r.o. 5.12

    ECLI:NL:RBOVE:2026:6318

  • Rechtbank Den Haag · 7 oktober 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid (Beklamel) afgewezen bij afbetalingsregeling achtergestelde lening

    “De uit de VSO voortvloeiende schuld uit de achtergestelde lening betreft een schuld van de besloten vennootschap [gedaagde sub 1] . In de rechtspraak is aanvaard dat onder omstandigheden ook een bestuurder van een vennootschap aansprakelijk kan zijn voor het onbetaald en onverhaalbaar blijven van een schuld. Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid geldt een hoge drempel. In het algemeen mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf is aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder kan worden aangenomen, wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (de zogenoemde ‘Beklamel-situatie’).”

    r.o. 4.10

    ECLI:NL:RBDHA:2026:29748

  • Rechtbank Rotterdam · 30 september 2026

    Curator faalt: bestuurders ontzenuwen bewijsvermoeden onbehoorlijk bestuur; rekening-courantschuld wel toegewezen

    “[…] een voorschot van € 277.000,00 op het onder a. bedoelde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over het voorschot vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; Subsidiair te verklaren voor recht dat [naam gedaagden] c.s. hun taak als (voormalig) bestuurder of (voormalig) middellijk bestuurder van [bedrijf 1] onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:9 BW (juncto 2:11 BW); en [naam gedaagden] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:a. de door hen als gevolg van hun onbehoorlijk bestuur veroorzaakte schade, op te maken bij staat; en b. een voorschot van € 277.000,00 op het onder a. bedoelde bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente over het voorschot vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. Meer subsidiair te verklaren voor recht dat [naam gedaagden] c.s. onrechtmatig jegens de gezamenlijke schuldeisers inzake het faillissement van [bedrijf 1] hebben gehandeld ingevolge artikel 6:162 BW (juncto 2:11 BW); en [naam gedaagden] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van: a. de door hen als gevolg van het onrechtmatig handelen jegens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1] […]”

    r.o. 4.1

    “Voor zover, los van het bewijsvermoeden, de door de curator gemaakte verwijten wijzen in de richting van onbehoorlijke taakvervulling dan rechtvaardigt dat niet de conclusie dat de bestuurders wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling aansprakelijk zijn voor het boedeltekort. De mogelijk werkelijk relevante handelingen hebben plaatsgevonden voor de referteperiode. De vordering gegrond op kennelijk onbehoorlijk bestuur wordt dan ook afgewezen. De vordering op grond van artikel 2:9 BW kan evenmin worden toegewezen”

    r.o. 6.18

    ECLI:NL:RBROT:2026:13956

  • Rechtbank Den Haag · 16 september 2026

    Externe bestuurdersaansprakelijkheid jegens mede-aandeelhouder en gelieerde schuldeiser afgewezen

    “[eiseressen] vorderen dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis: I . verklaart voor recht dat [gedaagde 1] wanprestatie heeft gepleegd en/of onrechtmatig heeft gehandeld en/of aansprakelijk is op grond van onbehoorlijk bestuur; II. verklaart voor recht dat [gedaagde 2] wanprestatie heeft gepleegd en/of onrechtmatig heeft gehandeld en/of aansprakelijk is op grond van onbehoorlijk bestuur; III. verklaart voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiseressen] geleden schade op grond van artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en/of artikel 6:74 BW; IV. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] (hoofdelijk) veroordeelt tot betaling van de schade aan [eiseressen] , op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang vanaf 30 januari 2025 tot de dag van volledige betaling; V. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] (hoofdelijk) veroordeelt in de kosten van de procedure.”

    r.o. 3.1

    “[…] onder meer door haar bestuurstaken en werkzaamheden voor [eiseres 2] B.V. abrupt neer te leggen, geen zorg te dragen voor een behoorlijke overdracht van de administratie en tijdens haar bestuur een onjuiste voorstelling van zaken te geven over de financiële situatie van [eiseres 2] B.V. Voor zover [eiseressen] hiermee voortbouwen op het eerder namens [eiseres 2] B.V. gedane beroep op artikel 2:9 BW (en 2:11 BW), geldt dat deze bepaling de bestuurder verplicht tot een behoorlijke taakvervulling jegens de rechtspersoon. [gedaagde 1] was uit dien hoofde gehouden tot een behoorlijke taakvervulling jegens [eiseres 2] B.V. en niet rechtstreeks jegens [eiseressen] Een onbehoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 2:9 BW leidt dan ook niet zonder meer tot aansprakelijkheid jegens een aandeelhouder of schuldeiser van de vennootschap. [eiseressen] hebben onvoldoende gesteld en onderbouwd dat de gedragingen, naast een eventuele onbehoorlijke taakvervulling jegens [eiseres 2] B.V., jegens [eiseres 2] GmbH, als schuldeiser, en [eiseres 1] , als aandeelhouder, een zelfstandige onrechtmatige daad opleveren. Ook deze grondslag kan de vorderingen daarom niet dragen. Proceskosten”

    r.o. 4.8

    ECLI:NL:RBDHA:2026:27563

  • Rechtbank Rotterdam · 16 september 2026

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid: geen ernstig verwijt bij aanleg geluidswal met staalslakken

    “Na wijziging van eis resteren in de hoofdzaak (samengevat) de volgende vorderingen, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad toe te wijzen: vorderingen van Made in Scotland in verband met het gebruik van de staalslakken 1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk is voor de schade die Made in Scotland heeft geleden en nog zal lijden, 2. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de door Made in Scotland geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente, vorderingen van TDII met betrekking tot het gebruik van de Staalslakken primair 3. te verklaren voor recht dat [gedaagde] op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk is voor de schade die TDII heeft geleden en nog zal lijden, 4. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de door TDII geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente, subsidiair 5. [gedaagde] op grond van ongerechtvaardigde verrijking te veroordelen tot betaling aan TDII van € 5.993.259,13, te vermeerderen met de wettelijke rente, meer subsidiair 6. [gedaagde] op grond van ongerechtvaardigde verrijking te […]”

    r.o. 4.2

    “Made in Scotland c.s. baseren hun vordering op [gedaagde] primair op artikel 2:9 BW in verbinding met artikel 2:11 BW. Zij stellen dat [gedaagde] in het kader van de aanleg van de geluidswal zijn taak als (middellijk) bestuurder van Made in Scotland c.s. onbehoorlijk heeft vervuld. [gedaagde] is op 8 maart 2016 uitdrukkelijk gewezen op de risico’s van het gebruik van staalslakken, maar hij heeft die informatie niet gedeeld met de aandeelhouders, met de RvC als orgaan en evenmin met de andere leden van het MT. [gedaagde] heeft die risico’s volgens Made in Scotland c.s. ten onrechte met ‘een korrel zout’ genomen en heeft ondanks die risico’s namens TDII aan Sent One de opdracht verstrekt om staalslakken te gebruiken bij de aanleg van de geluidswal. [gedaagde] heeft verder nagelaten om, zoals in de aannemingsovereenkomst was bepaald, namens TDII een CAR-verzekering af te sluiten, en hij heeft niet gecontroleerd of Sent One een deugdelijke verzekering had afgesloten. [gedaagde] heeft ook niet gecontroleerd of Sent One haar werkzaamheden daadwerkelijk overeenkomstig de gemaakte afspraken uitvoerde, terwijl [gedaagde] namens TDII Pelt & Hooykaas had gevrijwaard voor mogelijke claims als […]”

    r.o. 5.2

    “Artikel 2:9 BW schrijft voor dat iedere bestuurder is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Voor aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van artikel 2:9 BW wegens onbehoorlijk bestuur is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daartoe behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen en het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die op zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. De hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover de vennootschap – namelijk alleen bij een persoonlijk ernstig verwijt – wordt gerechtvaardigd door het maatschappelijk belang dat moet worden voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten […]”

    r.o. 5.3

    “Uit het voorgaande volgt dat in het kader van de aanleg van de geluidswal geen sprake is van onbehoorlijk bestuur waarvan [gedaagde] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW kan daarom geen sprake zijn. Dat betekent dat de rechtbank de primaire vorderingen van Made in Scotland c.s. zal afwijzen. Finale kwijting en decharge”

    r.o. 5.32

    ECLI:NL:RBROT:2026:12183

  • Rechtbank Oost-Brabant · 9 september 2026

    Onbehoorlijk bestuur en onrechtmatige daad na enquête: terugbetaling managementfees, lening, bonus en schadestaat

    “Het eerste onderdeel betreft de vordering van i3 Nederland/Holding in conventie op grond van onverschuldigde betaling en onbehoorlijke taakvervulling (artikel 2:9 BW). Het standpunt van i3 Nederland/Holding komt erop neer dat Petrias/ [A] de volledige managementfee (van € 240.000,00 per jaar, na verhoging) ten laste van i3 Nederland/Holding aan zichzelf is blijven uitkeren, ook in de periode nadat [H] was aangesteld als bestuurder, en dat hiermee i3 Holding, voor die periode:- onverschuldigd heeft betaald; i3 Holding beroept zich op de vernietiging door de OK voor zover het gaat om managementfees boven € 60.000,00 per jaar vanaf 2016 en op het ontbreken van besluitvorming voor wat betreft 2014 en 2015 (boven € 60.000,00 per jaar)- onbehoorlijk heeft bestuurd gelet op alle omstandigheden. Het tweede onderdeel betreft de vordering van Petrias/ [A] in reconventie tot betaling van de nog niet betaalde managementfees. Voor een goed begrip wijst de rechtbank erop dat de OK besluiten heeft vernietigd over de periode vanaf 2016 (niet vanaf 2014) omdat er over de periode vanaf 2016 besluiten zijn genomen. Over 2014 en 2015 waren er geen besluiten en is daarom geen besluit vernietigd.”

    r.o. 4.5

    “De rechtbank behandelt beide onderdelen samen. De maatstaf voor onbehoorlijk bestuur (artikel 2:9 BW) is samengevat door advocaat-generaal mr. Assink in zijn conclusie van 16 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:185. De rechtbank citeert twee passages. 3.27.28 onder a “Wat ik uiteenzette onder 3.27.2-3.27.20 en 3.27.23-3.27.27 hiervoor [noot] sluit aan op Hoge Raad-rechtspraak. Dit volgt uit hetgeen ik daar opmerkte, alsook uit andere voorbeelden. a. Een eerste voorbeeld blijkt al uit 3.27.1 hiervoor. Ik licht dit hier extra uit. In het daar bedoelde arrest, [noot] wat gevoeglijk het moederarrest inzake art. 2:9 BW-bestuurdersaansprakelijkheid kan worden genoemd, spreekt de Hoge Raad - conform 2:9 BW - van het tekortschieten door de bestuurder jegens de rechtspersoon “in een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak”, van een tekortkoming in díe zin: “De (…) aangevoerde rechtsklacht betreft de maatstaf die behoort te worden gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of een bestuurder die (…) een natuurlijk persoon is en zijn taak in dienstbetrekking vervult, zozeer in een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak is tekortgeschoten dat hij krachtens art. 2:9 BW […]”

    r.o. 4.6

    “onder a “Wat ik uiteenzette onder 3.27.2-3.27.20 en 3.27.23-3.27.27 hiervoor [noot] sluit aan op Hoge Raad-rechtspraak. Dit volgt uit hetgeen ik daar opmerkte, alsook uit andere voorbeelden. a. Een eerste voorbeeld blijkt al uit 3.27.1 hiervoor. Ik licht dit hier extra uit. In het daar bedoelde arrest, [noot] wat gevoeglijk het moederarrest inzake art. 2:9 BW-bestuurdersaansprakelijkheid kan worden genoemd, spreekt de Hoge Raad - conform 2:9 BW - van het tekortschieten door de bestuurder jegens de rechtspersoon “in een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak”, van een tekortkoming in díe zin: “De (…) aangevoerde rechtsklacht betreft de maatstaf die behoort te worden gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of een bestuurder die (…) een natuurlijk persoon is en zijn taak in dienstbetrekking vervult, zozeer in een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak is tekortgeschoten dat hij krachtens art. 2:9 BW tegenover de rechtspersoon aansprakelijk is voor de schade welke deze als gevolg van die tekortkoming lijdt.” Alle omstandigheden die hij vervolgens noemt, als in aanmerking te nemen in het kader van de te hanteren ernstigverwijtmaatstaf, betreffen - niet […]”

    r.o. 3.27.28

    “[…] rechten die Bobeas c.s. jegens i3 pretendeert ontleent hij aan de Managementovereenkomst en andere overeenkomsten die Bobeas c.s. heeft gesloten met i3 in de persoon van zijn vader (Petrias). Diens zeer onzorgvuldig handelen bij het bestaan van tegenstrijdig belang heeft de Ondernemingskamer mede aan het wanbeleidsoordeel ten grondslag gelegd. Dat zeer onzorgvuldig handelen in strijd met artikel 2:9 BW ziet ook op het – na de tweedefasebeschikking gebleken - opnemen van een ongebruikelijk lange opzegtermijn van twaalf maanden in de Managementovereenkomst. Dit heeft ertoe geleid dat de positie van Bobeas c.s. de facto sterker was dan die van een statutair bestuurder: Bobeas c.s. kreeg als feitelijk bestuurder alle bevoegdheden van een statutair bestuurder maar kon niet, zoals een statutair bestuurder, te allen tijde worden ontslagen (vgl. artikel 2:244 lid 1 BW). Het is uiteindelijk aan de civiele rechter om te beoordelen of het door i3 jegens Bobeas c.s. gevoerde Bibolini-verweer kan slagen (vgl. HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:409, rov. 4.11, Gerechtshof Amsterdam 17 december 2019, CLI:NL:GHAMS:2019:4491, Gerechtshof Amsterdam 21 mei 2019, ECLI:NL:GHAMS:1724, Gerechtshof […]”

    r.o. 4.19

    ECLI:NL:RBOBR:2026:6480

  • Rechtbank Rotterdam · 9 september 2026

    Bestuurder persoonlijk aansprakelijk voor niet-nagekomen terugbetalingsverplichting leningen; geen doeloverschrijding

    “[…] gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder tegenover de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

    r.o. 5.15

    ECLI:NL:RBROT:2026:11679

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 9 september 2026

    Curator stelt bestuurder aansprakelijk ex 2:248 en 2:9 BW; afgewezen ondanks schending 2:10 en 2:394

    “De vraag is vervolgens of [partijen 1 en 2] op grond van artikel 2:9 BW jegens de vennootschap aansprakelijk is voor de door de vennootschap geleden schade. Volgens artikel 2:9 BW is elke bestuurder tegenover de vennootschap gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Voor aansprakelijkheid op grond van deze bepaling is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of daarvan sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.”

    r.o. 2.43

    “De curator baseert de aansprakelijk van [partijen 1 en 2] op deze rechtsgrond op hetzelfde feitencomplex als de aansprakelijk op grond van artikel 2:248 BW. Zij voegt daaraan toe dat de door haar onder a. tot en met zzzz. omschreven handelingen en gedragingen van [partijen 1 en 2] paulianeus zijn en een ernstige tekortkoming opleveren in het licht van artikel 2:9 BW.”

    r.o. 2.44

    “De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 18 februari 2026 overwogen dat de (rechts)handelingen en gedragingen onder 3a) niet kunnen worden aangemerkt als paulianeus, zodat daarop ook niet het ernstig verwijt kan worden gebaseerd dat de curator [persoon 1] c.s maakt. De overige verwijten die de curator [partijen 1 en 2] maakt kunnen niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Waarom dezelfde verwijten dan wel zouden kunnen leiden tot onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in artikel 2:9 BW, hetgeen een zwaardere toets is dan de toets van artikel 2:248 BW, is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet duidelijk. Dat betekent dat [partijen 1 en 2] niet op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk is wegens onbehoorlijk bestuur.”

    r.o. 2.45

    “Nu het beroep op artikel 2:9 BW niet slaagt, slaagt evenmin een beroep op onrechtmatige daad, omdat ook daarvoor geldt dat de bestuurder een ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt van zijn handelen, wil hij jegens de gezamenlijke schuldeisers aansprakelijk zijn voor de door hen geleden schade.”

    r.o. 2.46

    ECLI:NL:RBZWB:2026:8751

  • Rechtbank Overijssel · 8 september 2026

    Persoonlijke aansprakelijkheid (indirect) bestuurders voor cao-boete wegens niet-meewerken aan controle

    “De kantonrechter oordeelt als volgt. Uitgangspunt is dat een bestuurder niet persoonlijk aansprakelijk is voor de schulden van een besloten vennootschap. Dat kan onder bijzondere omstandigheden anders zijn. De bestuurder moet, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening (artikel 2:9 BW), een voldoende ernstig verwijt gemaakt kunnen worden. Of de bestuurders persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en de ernst van de geschonden norm en de overige omstandigheden van het geval. Van ernstige persoonlijke verwijtbaarheid van de bestuurder, die kan leiden tot externe aansprakelijkheid van de bestuurder, kan onder meer sprake zijn indien de bestuurder een bepaalde handelswijze van de vennootschap heeft bewerkstelligd of heeft toegelaten terwijl hij wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat die handelswijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Verder bepaalt artikel 2:11 BW dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon (zoals Ard International B.V. […]”

    r.o. 5.13

    ECLI:NL:RBOVE:2026:5488

  • Rechtbank Noord-Holland · 26 augustus 2026

    Bestuurder aansprakelijk voor eigen advocaatkosten ten laste van vennootschap na ruziesplitsing

    “[…] tegen [bedrijf 1] heeft gevoerd. [gedaagde 2] heeft met deze handelwijze in strijd gehandeld met de statutaire bepalingen van [bedrijf 1] (waaronder de regeling inzake tegenstrijdig belang) die beogen [bedrijf 1] te beschermen. Dit levert onbehoorlijke taakvervulling op: [gedaagde 2] kan daarvan een ernstig verwijt worden gemaakt en is daarom jegens [bedrijf 1] aansprakelijk op grond van artikel 2:9 BW. Bovendien heeft [gedaagde 2] hierdoor onrechtmatig gehandeld tegenover [bedrijf 1] en is hij ten koste van [bedrijf 1] ongerechtvaardigd verrijkt.”

    r.o. 4.13

    ECLI:NL:RBNHO:2026:11237

  • Rechtbank Overijssel · 19 augustus 2026

    Indirect bestuurder niet aansprakelijk wegens onvoldoende stellingen over tussenliggende bestuurders

    “Een bestuurder van een rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Een bestuurder die zijn taak zodanig onbehoorlijk vervult dat diegene een ernstig verwijt kan worden gemaakt en door die onbehoorlijke taakvervulling schade is ontstaan, kan aansprakelijk zijn voor die schade. Verder geldt dat als de rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is voor onbehoorlijk bestuur op grond van artikel 2:9 BW, deze aansprakelijkheid ook hoofdelijk op de achterliggende persoon (de indirect bestuurder) kan rusten.”

    r.o. 3.31

    ECLI:NL:RBOVE:2026:5241

  • Rechtbank Midden-Nederland · 6 augustus 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:9 BW) valt buiten reikwijdte deelgeschilprocedure

    “Dat geldt niet voor het verzoek van [verzoeker] dat hij heeft gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid. Volgens [verzoeker] zijn de bestuurders van [verweerster sub 1] op grond van artikel 2:9 BW in privé aansprakelijk. Hij stelt dat sprake is van onbehoorlijk bestuur omdat de bestuurders erop toe hadden moeten zien dat de premies werden betaald zodat er blijvend dekking bestond. Dit verzoek valt buiten de reikwijdte van de deelgeschilprocedure ex artikel 1019w Rv. De deelgeschilprocedure is bedoeld voor geschillen over de aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel maar niet voor geschillen over de aansprakelijkheid voor schade als gevolg van handelen van de bestuurders van een vennootschap (in dit geval het niet regelen van een verzekeringsdekking voor werknemers). Een dergelijk verzoek kan niet in een deelgeschil aan de rechter worden voorgelegd. Daarvoor moet een gewone bodemprocedure (bij de rechtbank) aanhangig worden gemaakt. Op dit punt zal [verzoeker] dus niet-ontvankelijk in zijn verzoek worden verklaard. [verzoeker] kan [verweerster sub 1] als zijn werkgever aanspreken maar de andere vennootschappen niet”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBMNE:2026:5595

  • Rechtbank Gelderland · 5 augustus 2026

    Claimstichting scheitert: bestuurdersaansprakelijkheid forex-vennootschappen afgewezen wegens onvoldoende gespecificeerde stellingen

    “Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:2006:AZ0758 (Ontvanger/ Roelofsen)) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens schuldeisers van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

    r.o. 4.12

    ECLI:NL:RBGEL:2026:6755

  • Rechtbank Gelderland · 22 juli 2026

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid bij toestemming schuldovername rekening-courantschuld; kennelijk onbehoorlijk bestuur afgewezen

    “[…] van het tekort in het faillissement nader op te maken bij staat; [de gedaagde in conventie] zal veroordelen tot betaling van een voorschot op het tekort in het faillissement begroot op een bedrag van € 500.000, te vermeerderen met wettelijke rente; Subsidiair: voor recht zal verklaren dat [de gedaagde in conventie] aansprakelijk is voor de schade die TVK heeft geleden op grond van artikel 2:9 BW dan wel artikel 6:162 BW, nader op te maken bij staat althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente; Meer subsidiair: het samenstel van rechtshandeling van overname van de rekeningcourantschuld van [de gedaagde in conventie] aan TVK zal vernietigen en [de gedaagde in conventie] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 90.780,26, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente; [de gedaagde in conventie] zal veroordelen in de proceskosten; [de gedaagde in conventie] zal veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.”

    r.o. 3.1

    “De curator legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat [de gedaagde in conventie] haar taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijk oorzaak van het faillissement is geweest als bedoeld in artikel 2:248 lid 1 BW. Aan haar subsidiaire vordering legt zij ten grondslag dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW dan wel artikel 6:162 BW en aan haar meer subsidiaire vordering legt zij ten grondslag dat sprake is van paulianeus handelen waardoor het samenstel van rechtshandelingen dient te worden vernietigd.”

    r.o. 3.2

    “[…] . Ook het verwijt van de curator dat [de gedaagde in conventie] een rekening-courantschuld bij TVK heeft laten ontstaan en bepaalde betalingen ten onrechte niet in de rekeningcourantverhouding heeft verwerkt, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat die omstandigheid een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW of ex artikel 2:9 BW”

    r.o. 5.6

    “De curator stelt subsidiair dat [de gedaagde in conventie] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW dan wel 2:9 BW aansprakelijk kan worden gehouden voor de geleden schade.”

    r.o. 5.7

    ECLI:NL:RBGEL:2026:6044

  • Rechtbank Amsterdam · 16 juli 2026

    Inzagerecht gezamenlijk bevoegd bestuurder in administratie van twee vennootschappen

    “[eiser] vordert inzage in de administratie van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in zijn hoedanigheid van gezamenlijk bevoegd bestuurder. In die hoedanigheid heeft hij op grond van artikel 2:8, 2:9 en 2:10 BW een eigen, rechtens te respecteren belang. [eiser] hoeft daarbij niet letterlijk ‘in de hoedanigheid van bestuurder’ [gedaagde 1] in rechte te betrekken. Het beroep van [gedaagde 1] op artikel 2:239 lid 6 BW, dat er eerst door [gedaagde 2] een besluit had moeten worden genomen, gaat niet op. Die bepaling ziet op bestuursbesluitvorming, niet op het inzagerecht van (één van) de bestuurder(s).”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:RBAMS:2026:9124

  • Rechtbank Rotterdam · 15 juli 2026

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW: voormalig bestuurder verduistert geld van stichting

    “Volgens artikel 2:9 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. Volgens artikel 2:9 lid 2 BW draagt elke bestuurder verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.”

    r.o. 5.2 · leden 1, 2

    “Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.”

    r.o. 5.3

    “De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] een ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW en beslist dat zij dan ook aansprakelijk is voor de schade van de Stichting. De rechtbank legt dit hierna uit.”

    r.o. 5.4

    “De Stichting vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat (i) [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Stichting en (ii) [gedaagde] haar taak als bestuurder van de Stichting kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en [gedaagde] een ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW. De rechtbank wijst deze vorderingen af, omdat de Stichting daar onvoldoende belang bij heeft in de zin van artikel 3:303 BW. De Stichting heeft namelijk niet toegelicht waarom zij, naast de veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de schade, nog een belang heeft bij de verklaringen voor recht. Immers uit de betalingsveroordeling van [gedaagde] volgt al dat zij onrechtmatig jegens de Stichting heeft gehandeld.”

    r.o. 5.9

    ECLI:NL:RBROT:2026:11389

  • Rechtbank Overijssel · 14 juli 2026

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid na onttrekking van contanten en privégebruik van pinpas

    “[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 6.000,- door [gedaagde]. Zij voert daartoe aan dat de aandeelhouders zijn overeengekomen dit bedrag in te brengen in de vennootschap teneinde de liquiditeitspositie te verbeteren. [gedaagde] erkent dat hij dit is overeengekomen en dat hij het bedrag nog aan [eiser] moet betalen. Omdat [gedaagde] dit deel van de vordering erkent, zal de kantonrechter [gedaagde] veroordelen tot betaling van € 6.000,- aan [eiser]. Bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW”

    r.o. 4.2

    “De kantonrechter overweegt vooropgesteld dat op grond van artikel 2:9 BW (interne bestuurdersaansprakelijkheid) iedere bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Een bestuurder die in de vervulling van zijn taak is tekortgeschoten is alleen aansprakelijk voor de schade die de door hem bestuurde rechtspersoon als gevolg van de tekortkoming lijdt, als hem ter zake daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBOVE:2026:4286

  • Rechtbank Den Haag · 13 juli 2026

    Kort geding tussen aandeelhouders: schorsing ava-besluiten en schorsing als bestuurder afgewezen

    “[…] B] c.s. – samengevat – het volgende aan. Het besluit van de ava van 19 december 2025 om [partij B sub 1] haar titel als Algemeen Directeur te ontnemen is onrechtmatig omdat dit in strijd is met de samenwerkingsovereenkomst, maar ook met de vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 Burgerlijk Wetboek (BW)), de plicht tot behoorlijke taakvervulling door bestuurders (artikel 2:9 BW) en het verbod op misbruik van bevoegdheden (artikel 3:13 BW). Het besluit moet dan ook worden geschorst en de gevolgen daarvan moeten ongedaan worden gemaakt. [partij A sub 2] B.V. heeft daarnaast in strijd met wettelijke vereisten besloten zich een management fee uit te keren. Zij had op dit punt ook een tegenstrijdig belang. [partij B] c.s. hebben belang bij een verbod het doen van uitkeringen voor de toekomst. [partij B sub 1] heeft verder belang bij inzage in de bankafschriften van Marketing Strategies. Vermoedelijk is [partij B sub 1] op 20 juni 2026 door de ava geschorst als bestuurder van Marketing Strategies. Indien daarvan sprake dient het besluit geschorst te worden en dienen de bestuursbevoegdheden en – rechten van [partij B sub 1] te worden hersteld.”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:RBDHA:2026:21811

  • Rechtbank Overijssel · 8 juli 2026

    Schending non-concurrentiebeding aandeelhoudersovereenkomst; afgeleide schade aandeelhouders niet vergoedbaar (Poot/ABP)

    “Door eigen belang voorop te stellen, hebben zij gehandeld in strijd met artikel 2.5 van de aandeelhoudersovereenkomst en artikel 2:8 en 2:9 BW. SEKA en [partij B] zijn op die gronden schadeplichtig tegenover Synologies en [partij A] . De schade bestaat uit de mindere winstuitkering van Synologies en [partij A] . Ten aanzien van SEKA wordt aanspraak gemaakt op boete van € 500.000,00 (artikel 16.1 aandeelhoudersovereenkomst). Subsidiair wordt de schade bestaande uit verminderde winst gevorderd op grond van onrechtmatige daad.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBOVE:2026:4341

  • Rechtbank Midden-Nederland · 1 juli 2026

    Aansprakelijkheid oud-bestuurder stichting ex artikel 2:9 BW voor onzakelijke lening aan opvolger

    “Het gaat hier om een eventuele aansprakelijkheid van een oud bestuurder van een stichting tegenover die stichting. Zoals hierna wordt besproken is het verwijt dat de Stichting [gedaagde] maakt niet beperkt tot de betaling aan [A] op 23 december 2022, maar ziet het verwijt met name op de constructie die deze betaling mogelijk heeft gemaakt en die tijdens de bestuurdersperiode van [gedaagde] (mede) door hem is voorbereid. Om die reden geldt, ondanks dat [gedaagde] geen bestuurder meer was op het moment dat de lening aan [A] is betaald, toch artikel 2:9 BW als maatstaf.”

    r.o. 3.7

    “Op grond van artikel 2:9 BW is elke bestuurder gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Van aansprakelijkheid is sprake als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zo zou hebben gehandeld en de bestuurder daarbij een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of sprake is van een ernstig verwijt, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. [gedaagde] is tegenover de Stichting aansprakelijk”

    r.o. 3.8

    “Met het handelen van [gedaagde] zoals hiervoor beschreven heeft [gedaagde] niet de belangen en het doel van de Stichting gewaarborgd, maar enkel zijn eigen belang vooropgesteld. Dit levert een ernstig verwijt op in de zin van artikel 2:9 BW.”

    r.o. 3.12

    “[…] worden, omdat hij al de hele dag met cijfertjes in de weer was. Daarnaast heeft [gedaagde] in deze procedure aangevoerd dat hij bij het aangaan van de leningen te goeder trouw heeft gehandeld, omdat hij op [B] en [A] vertrouwd heeft. [gedaagde] vindt dat hem hoogstens naïviteit kan worden verweten. [gedaagde] miskent met dit standpunt dat hij zich niet achter [B] of [A] kan verschuilen. Artikel 2:9 BW gaat bij een meerkoppig bestuur uit van collectieve verantwoordelijkheid. Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken en is voor het geheel van de schade die de rechtspersoon lijdt als gevolg van onbehoorlijk bestuur aansprakelijk. Een taakverdeling tast in principe de collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur niet aan. [gedaagde] was bovendien zelf ondernemer (eigenaar van een schoonmaakbedrijf met personeel). [gedaagde] had daarom moeten begrijpen dat deze voorwaarden niet door de beugel konden en in strijd waren met de statuten van de Stichting . [gedaagde] heeft de strijdigheid met de statuten naderhand ook bevestigd, door op de vraag van de medewerker van de Rabobank hoe sportverenigingen in [.] van deze leningen konden profiteren te […]”

    r.o. 3.15

    ECLI:NL:RBMNE:2026:4207

  • Rechtbank Noord-Holland · 17 juni 2026

    Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid en faillissementspauliana bij onderhandse executoriale verkoop activa

    “Omdat de aan het adres van [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] gemaakte verwijten dus niet tot bestuurdersaansprakelijkheid leiden, zal de rechtbank de primaire vorderingen (onder r.o. 3.1.I. tot en met 3.1.III.) afwijzen. Dat geldt ook voor de subsidiaire vorderingen die de curator op dezelfde verwijten baseert. Om de subsidiaire vorderingen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW te kunnen toewijzen, is namelijk in ieder geval vereist dat aan de bestuurder van de benadeling een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken. Daarvan is geen sprake. Buitengerechtelijke incassokosten”

    r.o. 4.23

    ECLI:NL:RBNHO:2026:8702

  • Rechtbank Overijssel · 16 juni 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onbetaald gelaten courtage van de vennootschap

    “[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag – kort weergegeven – dat zij met [gedaagde 1] een opdracht tot dienstverlening voor de verhuur van het pand aan de [adres] heeft gesloten, uit hoofde waarvan [gedaagde 1] courtage is verschuldigd. Naast [gedaagde 1] , zijn For en [gedaagde 2] als bestuurders hoofdelijk aansprakelijk jegens [eiseres] op grond van artikel 6:162 BW, artikel 2:9 BW en artikel 2:11 BW.”

    r.o. 4.2

    “De kantonrechter zal [gedaagde 1] veroordelen tot betaling van een bedrag van € 8.712,00. Aansprakelijkheid For en [gedaagde 2] op grond van artikel 6:162 (onrechtmatige daad) en artikel 2:9 en 2:11 BW (interne bestuurdersaansprakelijkheid)”

    r.o. 5.9

    “Volgens [eiseres] zijn For en [gedaagde 2] aansprakelijk jegens [eiseres] op grond van de artikelen 6:162 BW, artikel 2:9 BW en artikel 2:11 BW. For en [gedaagde 2] hebben namelijk bewerkstelligd dat [gedaagde 1] haar betalingsverplichting tegenover [eiseres] niet nakomt.”

    r.o. 5.10

    ECLI:NL:RBOVE:2026:4085

  • Rechtbank Limburg · 10 juni 2026

    Curator versus (indirect) bestuurders: 2:248 en 2:9 BW afgewezen, selectieve betalingen na peildatum toegewezen

    “[…] BW, nader op te maken bij staat overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:248 lid 5 BW, en ook artikel 612 e.v. Rv, te vermeerderen met wettelijke rente; Subsidiair: ( ii) [gedaagden in conventie] , ieder hoofdelijk, zal veroordelen tot betaling van alle schade die het gevolg is van hun onrechtmatig handelen jegens [eiser in conventie] en/of haar gezamenlijke schuldeisers op grond van art. 2:9 BW en/of art. 6:162 BW, op te maken bij staat overeenkomstig het bepaalde in artikel 612 e.v. Rv., te vermeerderen met wettelijke rente; Primair en subsidiair: iii) De Holding en [gedaagde in conventie 1] , te veroordelen tot betaling van de beslagkosten voor een bedrag begroot op € 1.972,89 inclusief btw en € 1,643.01 iv) [gedaagde in conventie 4] zal veroordelen tot betaling van de beslagkosten voor een bedrag begroot op € 1.458,64 inclusief btw en € 1.354,97 exclusief btw; v) [gedaagden in conventie] , ieder hoofdelijk, zal veroordelen tot betaling van een voorschot van € 100.000,00; vi) zal verklaren voor recht dat de curator de paulianeuze transacties tot een bedrag van € 16.900,87 rechtsgeldig heeft vernietigd, althans deze transacties alsnog zal vernietigen, met veroordeling […]”

    r.o. 3.1

    “De curator heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat de onder vi ingestelde vorderingen zijn bedoeld als meer subsidiaire vorderingen, nu de rechtshandelingen die als vermeend paulianeuze handelingen zijn opgevoerd tevens als onderbouwing van de subsidiaire vordering (gebaseerd op artikel 2:9 BW en 6:162 BW) zijn aangedragen. De rechtbank zal de vordering onder vi dan ook als meer subsidiaire vordering behandelen.”

    r.o. 3.2

    “Het bovenstaande betekent dat ook het verzoek ex artikel 2:248 lid 5 BW tot verwijzing naar de schadestaatprocedure dient te worden afgewezen. Subsidiair: het beroep op artikel 2:9 BW”

    r.o. 4.12

    “Voor zover de curator een zelfstandig beroep op artikel 2:9 BW heeft willen doen, heeft de curator zijn stellingen onvoldoende geconcretiseerd. Voor een geslaagd beroep op artikel 2:9 BW is immers vereist dat de curator stelt en zo nodig bewijst dat de vennootschap schade heeft geleden als gevolg van een tekortkoming van de bestuurder waarvan hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De curator heeft dit nagelaten. Het verwijt dat een te rooskleurig beeld is geschetst waardoor aandeelhouders/financiers zijn ingestapt treft geen doel. Niet valt immers in te zien hoe dit heeft geleid tot schade voor de vennootschap. Het betreft bovendien een verwijt vanuit de financiers/aandeelhouders. De curator kan evenwel geen vordering instellen namens individuele schuldeisers maar slechts ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Datzelfde geldt voor het verwijt dat het bestuur richting de aandeelhouders niet heeft voldaan aan de informatieverplichting zoals opgenomen in de aandeelhoudersovereenkomst. De curator heeft niet onderbouwd dat sprake is van een verplichting die beoogt de rechtspersoon te beschermen (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011 (Berghuizer […]”

    r.o. 4.13

    ECLI:NL:RBLIM:2026:5465

  • Rechtbank Oost-Brabant · 10 juni 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid boomkwekerij: B.V. wederpartij, geen persoonlijk ernstig verwijt

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”

    r.o. 5.6

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”

    r.o. 5.6.3

    ECLI:NL:RBOBR:2026:4078

  • Rechtbank Amsterdam · 3 juni 2026

    Bestuurder zorgcentrum niet persoonlijk aansprakelijk voor onregelmatige opzegging overeenkomst door vennootschap

    “[…] vordering, naast de aansprakelijkheid van de vennootschap grond kan zijn voor aansprakelijkheid van de bestuurder die heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap wanprestatie pleegt. Daarvoor is vereist dat de bestuurder tegenover de schuldeiser een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, mede gezien zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening op grond van artikel 2:9 BW. Van een dergelijk verwijt kan in ieder geval sprake zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat door hem de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de daardoor ontstane schade.”

    r.o. 4.17

    ECLI:NL:RBAMS:2026:5777

  • Rechtbank Midden-Nederland · 3 juni 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid na turbo-liquidatie: loonvordering werknemer tegen bestuurder afgewezen

    “[…] gebleven. Door uw handelswijze als bestuurder van [onderneming] B.V. is bewerkstelligd dan wel toegelaten dat [onderneming] B.V. haar wettelijke dan wel contractuele verplichtingen niet is nagekomen. Cliënt stelt zich derhalve op het standpunt dat u als bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. U bent uw verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW niet nagekomen, zodat u jegens cliënt als schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld. Reden waarom cliënt u op grond van artikel 2:9 jo. 2:11 BW aansprakelijk stelt als gevolg van onbehoorlijk bestuur waarvan u een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Cliënt maakt dan ook aanspraak op vergoeding van de door hem geleden schade. Schade Dat cliënt schade heeft geleden staat buiten kijf. De schade van cliënt bestaat uit de toegewezen vorderingen door de kantonrechter te Midden-Nederland middels het (herstel)vonnis van 5 februari 2025.(..)”.”

    r.o. 2.5

    ECLI:NL:RBMNE:2026:3435

  • Rechtbank Oost-Brabant · 3 juni 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid wegens te late verzekeringsmelding en selectieve betaling aan indirect bestuurder

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:RBOBR:2026:3777

  • Rechtbank Oost-Brabant · 3 juni 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid jegens minderheidsaandeelhouder na wanbeleid; verrekeningen en tegenstrijdig belang; bewijsopdracht

    “[…] samen met familieleden ook (indirect) aandeelhouder in [A] . Ook [eiseres] was in de betreffende periode aandeelhouder van [A] . Zij bezat 16,66% van de aandelen. De aandeelhouder van [eiseres] , [B] , is een neef van [gedaagde 2] . In deze procedure vordert [eiseres] vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het geconstateerde wanbeleid. Zij doet een beroep op artikelen 2:8, 2:9, 2:239 lid 6 en 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders een zorgvuldigheidsnorm jegens [eiseres] als minderheidsaandeelhouder hebben geschonden en dat hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ter toelichting op haar vordering verwijst [eiseres] onder meer naar het oordeel van de Ondernemingskamer. De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij een aantal bestuurshandelingen in strijd met artikel 6:162 BW in samenhang met artikelen 2:8, 2:9 en 2:239 lid 6 BW hebben gehandeld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een door hen jegens [eiseres] in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm geschonden en hen kan hiervan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Voor wat betreft het verwijt […]”

    r.o. 1.1

    “[eiseres] legt onder meer aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiseres] onrechtmatig hebben gehandeld, meer in het bijzonder hebben zij gehandeld in strijd met hun zorgplicht als bedoeld in artikel 2:8 BW in samenhang met artikel 2:9 BW. Daarnaast wijst [eiseres] op de bijzondere zorgplicht zoals geformuleerd in artikel 2:239 BW en op de groepsaansprakelijkheid zoals geformuleerd in artikel 6:166 BW. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] treft van hun handelen een persoonlijk ernstig verwijt omdat zij stelselmatig op basis van een vooropgezet plan [eiseres] als aandeelhouder van [A] hebben getroffen, onder bevoordeling van de aan hen gelieerde vennootschappen, [L] en [M] . [A] was een winstgevende onderneming totdat de familie [familienaam gedaagde 2] ruzie kreeg en [L] aan [D] en [gedaagde 2] werd toegedeeld. Daarna werd [B] feitelijk buitenspel gezet, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wilden [B] niets meer betalen. Thans is [A] ontbonden, bezit geen activa meer en de ondernemingsactiviteiten zijn gestaakt. Niet valt te verwachten dat de vereffenaar nog zal kunnen vereffenen, waardoor [eiseres] definitief haar schade als aandeelhouder heeft geleden.”

    r.o. 4.2

    “[eiseres] heeft, als minderheidsaandeelhouder van [A] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als (voormalig) bestuurders aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van hun handelen. Zij doet daarbij onder meer een beroep op artikel 6:162 BW in samenhang met artikelen 2:8, 2:9 en 2:239 lid 2 BW. Met het oordeel van de Ondernemingskamer dat sprake is geweest van wanbeleid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] staat hun aansprakelijkheid jegens [eiseres] voor de door hen verrichtte handelingen niet al vast. De rechtbank moet hierover een eigen afweging maken. Het oordeel van de Ondernemingskamer moet bij deze afweging wel in aanmerking worden genomen en kan, mede gelet op de inhoud van het onderzoeksrapport en het in de procedure bij de Ondernemingskamer gevoerde debat, bewijsrechtelijke betekenis hebben.”

    r.o. 5.2

    “Elke bestuurder is op grond van artikel 2:9 BW tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Deze bepaling wordt naar vaste rechtspraak aldus uitgelegd, dat voor aansprakelijkheid op de voet daarvan noodzakelijk is dat aan de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij de beoordeling of de bestuurder inderdaad een persoonlijk ernstig verwijt treft als zojuist bedoeld, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Deze norm geldt ook als het gaat om de aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een individuele aandeelhouder op grond van onrechtmatige daad. In een arrest van 20 juni 2008 heeft de Hoge Raad op dit punt als volgt overwogen: “5.3 Ingevolge art. 2:9 BW is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Deze bepaling wordt naar vaste rechtspraak aldus uitgelegd, dat voor aansprakelijkheid op de voet daarvan noodzakelijk is dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij de beoordeling of de bestuurder inderdaad een ernstig verwijt treft als zojuist bedoeld, moeten alle omstandigheden van het geval […]”

    r.o. 5.3

    ECLI:NL:RBOBR:2026:3929

  • Rechtbank Amsterdam · 27 mei 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid SPV-bestuurders via Ontvanger/Roelofsen bij onbetaalde additionele koopsom

    “Het uitgangspunt is dat alleen de vennootschap die de verbintenis is aangegaan tot nakoming kan worden aangesproken. In het algemeen mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld als hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 december 2006 overwogen dat persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder kan worden aangenomen als hij (i) namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap deze niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden, of (ii) als hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar contractuele verplichtingen niet nakomt en ook geen verhaal biedt voor de als gevolg daarvan optredende schade (ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen, rov. 3.5).”

    r.o. 4.11

    ECLI:NL:RBAMS:2026:5679

  • Rechtbank Gelderland · 27 mei 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid wegens selectieve betaling bij informele vereffening vóór turboliquidatie

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder […]”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:RBGEL:2026:4324

  • Rechtbank Oost-Brabant · 27 mei 2026

    Externe bestuurdersaansprakelijkheid na leegtrekken vennootschap; tussentijdse opzegging opdracht

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”

    r.o. 4.33

    ECLI:NL:RBOBR:2026:3719

  • Rechtbank Amsterdam · 13 mei 2026

    Bestuurder persoonlijk aansprakelijk voor onbetaalde leveranciersfacturen; ernstig verwijt, leverancierskrediet

    “[…] of een onrechtmatige daad pleegt, is in beginsel alleen de vennootschap aansprakelijk. Onder bijzondere omstandigheden kan ook de bestuurder aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad. Daarvoor is vereist dat de bestuurder tegenover de schuldeiser persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, mede gezien zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening op grond van artikel 2:9 BW. Van een dergelijk verwijt kan in ieder geval sprake zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat door hem de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de daardoor ontstane schade. Als de bestuurder betaling of verhaal frustreert, kan ook dat grond vormen voor persoonlijk ernstig verwijtbaar handelen. In het geval van ‘frustratie van betaling en verhaal’ zal het ernstig verwijt kunnen worden aangenomen als vast komt te staan dat de bestuurder ten tijde van zijn gedragingen weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelswijze van de vennootschap ertoe leidt dat deze haar betalingsverplichting niet zal nakomen en evenmin verhaal zal bieden […]”

    r.o. 4.5

    “Naar het oordeel van de rechtbank kan [gedaagde 2] als bestuurder van [gedaagde 1] een dergelijk persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. [gedaagde 2] had redelijkerwijs moeten begrijpen dat door zijn toedoen [gedaagde 1] haar verplichtingen tegenover Fuite Poultry niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden. [gedaagde 2] is dan ook op grond van artikel 2:9 BW persoonlijk aansprakelijk voor waartoe [gedaagde 1] wordt veroordeeld (4.1 tot en met 4.3). De rechtbank zal uitleggen waarom aan de hand van wat met name op zitting naar voren is gebracht door [gedaagden]”

    r.o. 4.6

    ECLI:NL:RBAMS:2026:5164

  • Rechtbank Midden-Nederland · 6 mei 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid overleden bestuurder aannemer; verzwaarde motiveringsplicht vereffenaar nalatenschap

    “Dat de curator van mening is dat [erflater (voornaam)] als bestuurder zijn taak niet (kennelijk) onbehoorlijk heeft vervuld op grond van artikel 2:248 BW of artikel 2:9 BW wil niet zeggen dat er ten opzichte van een individuele schuldeiser, in dit geval [eiser sub 1] c.s., niet onrechtmatig gehandeld kan zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Het gaat om verschillende aansprakelijkheidsgrondslagen. Het beoordelingskader bij bestuurdersaansprakelijkheid”

    r.o. 3.17

    ECLI:NL:RBMNE:2026:2451

  • Rechtbank Limburg · 29 april 2026

    Curator vs bestuurders: kennelijk onbehoorlijk bestuur, vermoeden ontzenuwd, Beklamel afgewezen

    “[…] voor [eiseres] niet mogelijk om deze gestegen kosten (volledig) door te berekenen. Doordat daarnaast onvoorziene reparatiekosten aan het rollend materieel optraden en facturen onbetaald bleven heeft het bedrijf het uiteindelijk niet gered ondanks pogingen om onbetaalde rekeningen te innen en afspraken te maken met de schuldeisers. Onbehoorlijke taakvervulling / onrechtmatig handelen (artikel 2:9 BW/ artikel 6:162 BW)”

    r.o. 4.14

    “De curator heeft tegen de achtergrond van de door de bestuurders geschetste omstandigheden onvoldoende gesteld en onderbouwd om te concluderen dat de situatie van het bedrijf van [eiseres] op enig moment zo uitzichtloos was dat geen kans bestond op het keren van het tij. Zodoende kan geen aansprakelijkheid worden vastgesteld op grond van artikel 2:9 BW.”

    r.o. 4.19

    ECLI:NL:RBLIM:2026:3810

  • Rechtbank Amsterdam · 15 april 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid: schending administratieplicht en onttrekkingen leiden tot boedeltekortaansprakelijkheid twee bestuurders

    “[…] voorschot op het boedeltekort van [eiser 1] van € 800.000,00, of een door de rechtbank te bepalen bedrag, 15. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk of elk apart veroordeelt om aan de curator van [eiser 2] te betalen een voorschot op het boedeltekort van [eiser 2] van € 2.000.000,00, of een door de rechtbank te bepalen bedrag, Subsidiair, aansprakelijk voor individuele schadeposten (artikel 2:9 BW) 16. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk veroordeelt om aan de curator van [eiser 1] € 2.424.075,00 te betalen, of [gedaagde 2] veroordeelt om aan de curator van [eiser 1] € 2.424.075,00 te betalen en [gedaagde 1] € 1.468.997,00, 17. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk veroordeelt om aan de curator van [eiser 2] € 2.558.118,96 te betalen, of [gedaagde 2] veroordeelt om aan de curator van [eiser 2] € 2.558.118,96 te betalen en [gedaagde 1] € 1.278.239,54, VII. Vernietiging onverplichte vermindering verhaalsmogelijkheden (artikel 2:248 lid 9 BW) 18. de vestiging van het hypotheekrecht op 9 maart 2021 door [gedaagde 2] en [gedaagde 6] ten gunste van [naam 6] te vernietigen, 19. [gedaagde 2] en [gedaagde 6] veroordeelt om binnen 7 dagen na de betekening van dit vonnis de […]”

    r.o. 3.2

    “[…] 2:248 lid 6 BW. 4.1.24. Met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van het boedeltekort in de faillissementen wordt niet toegekomen aan beoordeling van de andere afzonderlijke individuele vorderingen van de curator op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zoals die uit hoofde van rekening-courant verhoudingen, paulianeus handelen of onbehoorlijke taakvervulling op grond van artikel 2:9 BW. Dit zijn de vorderingen genoemd in 3.1 en de vorderingen in 3.2 met nummers 8, 9, 10, 11, 16 en 17. Deze worden dan ook afgewezen bij gebrek aan belang.”

    r.o. 4.1

    “Met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van het boedeltekort in de faillissementen wordt niet toegekomen aan beoordeling van de andere afzonderlijke individuele vorderingen van de curator op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zoals die uit hoofde van rekening-courant verhoudingen, paulianeus handelen of onbehoorlijke taakvervulling op grond van artikel 2:9 BW. Dit zijn de vorderingen genoemd in 3.1 en de vorderingen in 3.2 met nummers 8, 9, 10, 11, 16 en 17. Deze worden dan ook afgewezen bij gebrek aan belang.”

    r.o. 4.1.24

    ECLI:NL:RBAMS:2026:3787

  • Rechtbank Noord-Holland · 8 april 2026

    Curator versus bestuurder: administratieplicht online administratie, 2:248 afgewezen, onrechtmatige onttrekkingen toegewezen

    “[…] van de overige baten kunnen worden voldaan, één en ander nader op te maken bij staat; [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een voorschot op het onder 1 en 2 genoemde ter grootte van € 150.000,--, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; Subsidiair - Bestuurdersaansprakelijkheid o.g.v. 2:9 BW en 6:162 BW 4. te verklaren voor recht dat [gedaagde] de aan hem als bestuurder van [bedrijf 1] B.V. opgedragen taak als bedoeld in artikel 2:9 BW onbehoorlijk heeft vervuld, als gevolg waarvan [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [bedrijf 1] B.V. geleden schade, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, althans te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1] B.V. en [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator van de schade die de gezamenlijke schuldeisers daardoor hebben geleden; 5. primair de schade te begroten op het bedrag van de schulden van [bedrijf 1] B.V., voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, één en […]”

    r.o. 3.1

    “Omdat niet is gebleken dat [gedaagde] niet aan zijn administratieplicht heeft voldaan en daarom zijn taak als bestuurder van [bedrijf 1] onbehoorlijk heeft vervuld (verwijt 1) en het niet aannemelijk is dat de betalingen die [gedaagde] vanuit [bedrijf 1] aan zichzelf en aan Dolfijn heeft gedaan een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement (verwijt 2), zal de rechtbank de primaire vorderingen van de curator afwijzen. Subsidiaire vorderingen: aansprakelijkheid op grond van 2:9 BW en 6:162 BW”

    r.o. 4.16

    “Aan zijn subsidiaire vorderingen legt de curator ten grondslag dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het boedeltekort wegens onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder als bedoeld in artikel 2:9 BW dan wel wegens onrechtmatig handelen waarvan [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De curator legt daar de volgende verwijten aan ten grondslag: [gedaagde] heeft zonder rechtsgrond aanzienlijke bedragen aan het vermogen van [bedrijf 1] onttrokken waardoor [bedrijf 1] niet meer in staat was haar betalingsverplichtingen na te komen; [gedaagde] heeft derden (zzp-ers) voor [bedrijf 1] aan het werk gezet, wetende dat hun vorderingen niet betaald zouden kunnen worden; [gedaagde] heeft geen administratie gevoerd, waardoor hij als bestuurder geen zich had en/of kon hebben in de vermogenspositie van [bedrijf 1] ; [gedaagde] heeft namens [bedrijf 1] aanzienlijke rekening-courantleningen aan zichzelf, Dolfijn en Aymeks verstrekt die ertoe hebben geleid dat [bedrijf 1] niet in staat was haar eigen verplichtingen na te komen.”

    r.o. 4.17

    ECLI:NL:RBNHO:2026:8315

  • Rechtbank Oost-Brabant · 18 maart 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW: onttrekkingen, onjuiste informatiememoranda, administratie en deponering

    “[…] het faillissement is geweest zoals bedoeld in artikel 2:248 BW; 2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de boedel van [A] respectievelijk de curator, het tekort in het faillissement, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; Subsidiair 1. voor recht te verklaren dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder van [A] (kennelijk) onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in artikel 2:9 BW, als gevolg waarvan [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [A] daardoor geleden schade; 2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de failliete boedel van [A] respectievelijk de curator, de schade die [A] respectievelijk de gezamenlijke schuldeisers door het onbehoorlijk bestuur hebben geleden, welke schade zo nodig nader opgemaakt zal worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet dan wel wordt begroot op een door de rechtbank te bepalen bedrag; Zowel primair als subsidiair 1. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de failliete boedel van [A] respectievelijk de curator van een voorschot van € 800.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente; Meer Subsidiair 1. voor recht te verklaren dat [gedaagde] op grond van de artikelen 2:9 BW en/of 6:203 BW en/of […]”

    r.o. 3.1

    “De curator stelt dat [gedaagde] de onttrekking van € 166.988,04 heeft gedaan op een cruciaal tijdstip (12 januari 2023) waarop liquide middelen hard nodig waren. Begin 2023 stond de onderneming er slecht voor: een recente brand had een deel van de productielijn verwoest, binnen enkele maanden moest er € 3,4 miljoen geheel worden afgelost en er bestond een liquiditeitstekort binnen de onderneming. Later heeft [gedaagde] het bedrag van € 166.988,04 niet terugbetaald, maar oneigenlijk verrekend. [gedaagde] kan van dit handelen een ernstig verwijt worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW, aldus de curator.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBOBR:2026:1772

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 18 maart 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid franchisenemers: onvoldoende gesteld persoonlijk ernstig verwijt, beslag opgeheven

    “[…] van diens vordering doordat de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In het algemeen mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder tegenover de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarvan is sprake als het handelen of nalaten van de bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden aangenomen.”

    r.o. 5.6

    ECLI:NL:RBZWB:2026:2131

  • Rechtbank Limburg · 11 maart 2026

    Verzet: bestuurders aannemer niet persoonlijk aansprakelijk voor gebrekkige dakrenovatie

    “Daar waar [opdrachtgevers] stellen dat [persoon 2] en [aannemer 2] BV niet hebben gehandeld zoals dat van een redelijk handelend bestuurder mag worden verwacht kan dat mogelijk grond zijn voor onbehoorlijk bestuur op grond van artikel 2:9 of 2:248 BW maar dat zijn vorderingen die aan de vennootschap zelf dan wel de curator toekomen, niet aan [opdrachtgevers] .”

    r.o. 4.11

    ECLI:NL:RBLIM:2026:2037

  • Rechtbank Noord-Holland · 11 maart 2026

    Corporate opportunity en artikel 2:9 BW: titulair directeur in dienstbetrekking is geen bestuurder

    “Het verwijt wat TMDI c.s. [gedaagde 1] maken is een uitwerking van de tot de bestuurder gerichte norm van artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek. In deze zaak gaat het om een (titulair) directeur in dienstbetrekking (met volledige volmacht); niet om een bestuurder. [gedaagde 1] was geen (statutair) bestuurder van TMDI. Dat was Parinvest. Alleen daarom al kan het op de leer van de corporate opportunity gebaseerde verwijt geen doel treffen. Dat [gedaagde 1] via zijn holding Bella Vita 5% van de aandelen van TMDI houdt, is onvoldoende om hierover anders te denken. Geen aansprakelijkheid voor de Duitse order”

    r.o. 5.53

    ECLI:NL:RBNHO:2026:2288

  • Rechtbank Rotterdam · 11 maart 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid na turboliquidatie met selectieve betaling en gebrekkige transparantie

    “[…] aansprakelijkheid van degene die als bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In het algemeen mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld als hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. De betrokken bestuurder kan voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond […]”

    r.o. 5.2

    ECLI:NL:RBROT:2026:2669

  • Rechtbank Den Haag · 4 maart 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid aannemer: Beklamel afgewezen, ernstig verwijt bij laten betalen termijnfactuur kort voor faillissement

    “De rechtbank stelt voorop dat, indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering zal evenwel naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 Burgerlijk Wetboek (BW), een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:RBDHA:2026:4761

  • Rechtbank Den Haag · 4 maart 2026

    Persoonlijke aansprakelijkheid (oud)bestuurders en commissarissen zorgaanbieder wegens onrechtmatige declaraties

    “[…] onrechtmatig gehandeld door zorg in rekening te brengen waarvan zij wist of behoorde te weten dat zij geen aanspraak had op de betaling van de betreffende declaraties (artikel 6:162 BW). De (oud)bestuurders en -commissarissen van Sion hebben hun taak zodanig onzorgvuldig vervuld, dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (artikel 6:162 BW en/of artikel 6:166 lid 1 BW jo artikel 2:9 BW). Sion c.s. is hoofdelijk gehouden het door de verzekeraars onverschuldigd aan Sion betaalde bedrag terug te betalen, althans de door de verzekeraars geleden schade te vergoeden.”

    r.o. 4.2

    “Commissarissen kunnen (intern) jegens de vennootschap (artikel 2:9 BW) of (extern) jegens derden (artikel 6:162 BW) aansprakelijk zijn als zij hun taak niet naar behoren hebben vervuld en hen hiervan persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, in die zin dat geen redelijk denkend commissaris onder dezelfde omstandigheden zo gehandeld zou hebben. Of sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.”

    r.o. 5.31

    ECLI:NL:RBDHA:2026:5069

  • Rechtbank Gelderland · 25 februari 2026

    Feitelijk beleidsbepaler aansprakelijk voor pgb-fraude van gefailleerde zorg-BV

    “Bij deze beoordeling wordt voorop gesteld dat, wanneer een rechtspersoon tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, het uitgangspunt is dat alleen de rechtspersoon aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is echter, naast aansprakelijkheid van die rechtspersoon, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (artikel 2:9 en 2:248 BW). Of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Bovendien geldt in geval van een faillissement van een BV dat met een bestuurder gelijk wordt gesteld degene die het beleid van de BV (mede) heeft bepaald, als ware hij bestuurder (lid 7 van artikel 2:248 BW).”

    r.o. 4.11

    ECLI:NL:RBGEL:2026:1574

  • Rechtbank Noord-Holland · 18 februari 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid afgewezen na niet doorbetalen gecedeerde vordering; borgstelling wel toegewezen

    “Vervolgens moet beoordeeld worden of [gedaagden] als bestuurders van WES in persoon aansprakelijk zijn voor de schade die uit de tekortkoming van WES voortvloeit. Partijen zijn het eens over het toetsingskader dat daarvoor geldt en verwijzen naar het arrest Ontvanger/ [R.]. Het gaat daarbij om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Naast de aansprakelijkheid van de vennootschap voor deze benadeling, zal mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

    r.o. 4.16

    ECLI:NL:RBNHO:2026:1677

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 18 februari 2026

    Tussenvonnis: tegenstrijdig belang, pauliana en onrechtmatige daad bij doorstart modeketen

    “[…] met de wettelijke rente en verminderd met het bedrag dat de curator ontvangt van WomFam, FEWCH, SF Group en PTG Companies; subsidiair: 1) hoofdelijke veroordeling van [persoon 1] en Manfort tot vergoeding van de schade die is ontstaan als gevolg van hun onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW, althans op basis van hun interne aansprakelijkheid wegens schending van artikel 2:9 BW, nader op te maken bij staat; 2) hoofdelijke veroordeling van [persoon 1] en Manfort tot betaling van een voorschot op deze schadevergoeding van € 800.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente; 2) ter zake het bestuursverbod: 1) een verklaring voor recht dat ten aanzien van [persoon 1] sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 106a lid 1 a en/of b en/of c Fw; 2) [persoon 1] een bestuursverbod op te leggen voor de duur van vijf jaar op straffe van een dwangsom; 3) de griffier op te dragen om op grond van artikel 106b lid 3 Fw het vonnis naar de Kamer van Koophandel te sturen zodra het vonnis onherroepelijk zal zijn geworden; 3a) ter zake de nietige, althans vernietigde/vernietigbare rechtshandelingen: een verklaring voor recht dat gelet op het ontbreken van […]”

    r.o. 4.1

    “De curator legt aan haar vorderingen tegen Manfort als bestuurder en [persoon 1] als indirect bestuurder van Sandwich III ten grondslag dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur. Daardoor is het bestuur volgens de curator primair op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk voor het tekort van de boedel en subsidiair op grond van 6:162 BW aansprakelijk voor de door de gezamenlijke schuldeisers geleden schade, dan wel op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk voor de door Sandwich III geleden schade. Voor wat betreft de primaire grondslag doet de curator zowel een beroep op artikel 2:248 lid 2 BW vanwege schending van de publicatieplicht (artikel 2:394 BW) en boekhoudplicht (artikel 2:10 BW), als op artikel 2:248 lid 1 BW. De curator stelt dat de ernstige verwijten die [persoon 1] kunnen worden gemaakt een bestuursverbod rechtvaardigen.”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:RBZWB:2026:8750

  • Rechtbank Amsterdam · 5 februari 2026

    Voorlopig getuigenverhoor aandeelhouder tegen tijdelijk bestuurder afgewezen: afgeleide schade, fishing expedition

    “Op 16 december 2024 heeft [verweerder 1] [verzoeker 2] , [naam 1] , [verzoeker 1] en [bedrijf 4] gedagvaard voor de rechtbank Oost-Brabant en gevorderd hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 15,3 miljoen, met rente en kosten. Aan deze vordering heeft [verweerder 1] – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat gedaagden uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid in de zin van artikel 2:9 juncto 2:11 BW, dan wel 6:162 en 6:166 BW, aansprakelijk zijn voor de schade die [verweerder 1] als gevolg van de onttrekkingen heeft geleden.”

    r.o. 2.17

    “[…] [verweerder 1] als [verweerder 3] handelen vermoedelijk onrechtmatig jegens (in)direct aandeelhouder [verzoekers] 3.2.2. [verzoekers] wil in een nieuwe door hem nog aanhangig te maken procedure mogelijk zelf vorderingen instellen en onderbouwen tegen [verweerder 1] en/of andere partijen. Het zal daarbij gaan om onrechtmatige daad- en schadevergoedingsvorderingen zoals bedoeld in de artikelen 2:9, 6:162 en 6:166 BW en titel 1, afdeling 10 van boek 6 BW. [verzoekers] wil opheldering krijgen over de relevante feiten voordat hij zijn vorderingen instelt. Op die manier is hij beter in staat zijn positie en kansen in een procedure te beoordelen. Ook kan dan (beter) worden vastgesteld welke vorderingen tegen wie kunnen of moeten worden ingesteld. [verzoekers] wil bewijs verzamelen ter ondersteuning van deze vorderingen en voorkomen dat bewijs verloren gaat. Als uit de feiten blijkt dat niet opportuun is om tegen [verweerders] of de Financiers een schadevergoedingsprocedure op te starten, kan [verzoekers] ook nog kiezen voor de route van een enquête-procedure voor de Ondernemingskamer. [verzoekers] wil daarom 12 getuigen horen, onder wie [verweerder 3] .”

    r.o. 3.2

    “[verzoekers] wil in een nieuwe door hem nog aanhangig te maken procedure mogelijk zelf vorderingen instellen en onderbouwen tegen [verweerder 1] en/of andere partijen. Het zal daarbij gaan om onrechtmatige daad- en schadevergoedingsvorderingen zoals bedoeld in de artikelen 2:9, 6:162 en 6:166 BW en titel 1, afdeling 10 van boek 6 BW. [verzoekers] wil opheldering krijgen over de relevante feiten voordat hij zijn vorderingen instelt. Op die manier is hij beter in staat zijn positie en kansen in een procedure te beoordelen. Ook kan dan (beter) worden vastgesteld welke vorderingen tegen wie kunnen of moeten worden ingesteld. [verzoekers] wil bewijs verzamelen ter ondersteuning van deze vorderingen en voorkomen dat bewijs verloren gaat. Als uit de feiten blijkt dat niet opportuun is om tegen [verweerders] of de Financiers een schadevergoedingsprocedure op te starten, kan [verzoekers] ook nog kiezen voor de route van een enquête-procedure voor de Ondernemingskamer. [verzoekers] wil daarom 12 getuigen horen, onder wie [verweerder 3] .”

    r.o. 3.2.2

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1310

  • Rechtbank Den Haag · 21 januari 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid na staking activiteiten: vordering verjaard, geen onrechtmatig handelen

    “Dynatools heeft een aantal grondslagen aangedragen voor haar vorderingen. De advocaat van Dynatools heeft ter zitting toegelicht dat de primaire grondslag bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is (artikel 6:162 jo. 2:9 van het Burgerlijk Wetboek; hierna: BW), en dat deze wordt ingekleurd door de overige grondslagen. De overige grondslagen zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur (artikel 2:248 BW), vereenzelviging en de Actio Pauliana. Dynatools heeft bij dagvaarding ook de vereffeningsplicht (artikel 2:23b jo. 2:9 BW) als grondslag opgevoerd, maar tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van Dynatools aangegeven deze grondslag te laten varen. Onrechtmatige daad en kennelijk onbehoorlijk bestuur: de vorderingen van Dynatools zijn verjaard”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:RBDHA:2026:1090

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 21 januari 2026

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid bij vastgoedtransacties met meesterclausule en tegenstrijdig belang

    “Victoria OZ grondt haar vorderingen op onbehoorlijk bestuur (artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW) en onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). [gedaagde partij 2] is als indirect bestuurder op grond van artikel 2:11 BW in privé aansprakelijk. Victoria OZ stelt zich op het standpunt dat zij door het handelen van VVZ en [gedaagde partij 2] bij zeven vastgoedtransacties is benadeeld. VVZ en [gedaagde partij 2] hebben onroerende zaken aangekocht namens Victoria OZ. VVZ en [gedaagde partij 2] hebben zichzelf via de meesterclausule als meester aangewezen en de onroerende zaken voor een hoger bedrag doorverkocht. De verkoopopbrengst is door deze handelswijze ten goede gekomen aan VVZ en [gedaagde partij 2] en niet aan Victoria OZ. Bij deze ‘besmette’ transacties had VVZ een duidelijk aan Victoria OZ tegenstrijdig belang. VVZ heeft bij deze transacties haar persoonlijke belangen niet zorgvuldig gescheiden gehouden van de belangen van Victoria OZ. De verkoopopbrengsten zijn naar VVZ en [gedaagde partij 2] gegaan. VVZ had de beslissingen over het vastgoed aan de AVA dienen voor te leggen, maar dat is niet gebeurd. Hiermee handelen VVZ en [gedaagde partij 2] in strijd met artikel […]”

    r.o. 4.2

    “Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of VVZ in de periode dat zij bestuurder van Victoria OZ was deze taak onbehoorlijk heeft vervuld (artikel 2:9 BW). Als dat zo is, dan is VVZ verplicht de schade van Victoria OZ aan Victoria OZ te betalen. Ook verwijt Victoria OZ VVZ en [gedaagde partij 2] dat VVZ na haar ontslag als bestuurder zich nog als feitelijk bestuurder heeft gedragen en handelingen heeft verricht die volgens Victoria OZ onrechtmatig zijn. Ook daarover moet de rechtbank beslissen. 1) De [adres 1] , de [adres 2] en de [adres 3]”

    r.o. 5.6

    “Wat betreft de woningen aan de [adres 1] , de [adres 2] en de [adres 3] stelt Victoria OZ dat VVZ artikel 2:9 BW heeft geschonden.”

    r.o. 5.7

    “Artikel 2:9 BW is een zogenoemde interne aansprakelijkheid: de aansprakelijkheid van de bestuurder ten opzichte van de onderneming. Artikel 2:9 BW bepaalt dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Voor interne aansprakelijkheid wegens onbehoorlijk bestuur is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.”

    r.o. 5.8

    ECLI:NL:RBZWB:2026:295

  • Rechtbank Gelderland · 14 januari 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid afgewezen: Beklamel- en Roelofsen-norm bij verhuur Beachclub

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (de zogenaamde ‘Beklamel-norm’), en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten van de betrokken bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

    r.o. 5.3

    ECLI:NL:RBGEL:2026:503

  • Rechtbank Overijssel · 14 januari 2026

    Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder en werknemer na faillissement afgewezen; geen betalingsonwil of selectieve betaling

    “[eiser] stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld op grond van de artikelen 2:9 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en 6:162 BW. Volgens [eiser] hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig gehandeld door: betalingsonwil te veroorzaken bij [bedrijf 1]; crediteuren van [bedrijf 1] selectief te betalen; [bedrijf 1] onrechtmatig te beconcurreren; het faillissement van [bedrijf 1] te bewerkstelligen.”

    r.o. 5.1

    “De rechtbank overweegt dat de vordering, voor zover deze is gegrond op artikel 2:9 BW, wordt afgewezen. Artikel 2:9 BW betreft de zogenaamde interne bestuurdersaansprakelijkheid van de bestuurder ten opzichte van de rechtspersoon. [eiser] treedt niet op namens [bedrijf 1] maar in hoedanigheid van certificaathouder en schuldeiser, zodat deze grondslag niet van toepassing is. Daarnaast was [gedaagde 2] geen bestuurder. [eiser] heeft deze grondslag ook niet verder uitgewerkt in zijn dagvaarding. De rechtbank zal de vordering hierna toetsen aan de andere aangevoerde grondslag van artikel 6:162 BW.”

    r.o. 5.2

    “[…] omstandigheden van het geval kan er grond zijn voor aansprakelijkheid van de bestuurder naast de vennootschap, onder andere wanneer de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Daarvoor is vereist dat, mede gelet op de verplichting van de bestuurder tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, het handelen of nalaten van de bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Tegen deze achtergrond kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder aan de orde zijn in het geval hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap in ernstige financiële moeilijkheden een schuldeiser heeft betaald […]”

    r.o. 5.12

    ECLI:NL:RBOVE:2026:119

  • Rechtbank Rotterdam · 14 januari 2026

    Bestuurder niet hoofdelijk aansprakelijk voor contractuele boete vennootschap: geen ernstig verwijt

    “Bij de beoordeling van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 2] is van belang dat naast aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, ook grond kan zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.”

    r.o. 5.36

    ECLI:NL:RBROT:2026:564

  • Rechtbank Gelderland · 7 januari 2026

    Beklamel-norm: tweede pandrecht geen verwijt, tanken vlak voor faillissement wel

    “[…] heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten van de betrokken bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

    r.o. 5.2

    ECLI:NL:RBGEL:2026:502

  • Rechtbank Overijssel · 19 augustus 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW toegewezen na schending administratie- en deponeringsplicht

    “Bij brief van 20 mei 2024 heeft de curator [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ex artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek (BW), artikel 2:9 BW en/of artikel 6:162 BW aansprakelijk gesteld voor het tekort in het faillissement van Serenotex, begroot op € 1.400.000,-. Tot zekerheid van verhaal voor zijn vordering heeft hij conservatoir beslag laten leggen op het woonhuis van [gedaagde 1] en op de aandelen van [gedaagde 2] in Inversion Beheer B.V.”

    r.o. 2.18

    “Nu gelet op de te late deponering van de jaarrekening over 2019 niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 2:394, eerste lid BW en door de gebreken in de administratie niet is voldaan aan artikel 2:10, eerste lid BW, geldt rechtens dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun taak als bestuurder van Serenotex onbehoorlijk hebben vervuld en dat wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Zij zijn er niet in geslaagd dit vermoeden te ontzenuwen. Daarom zijn zij op grond van artikel 2:248 BW hoofdelijk aansprakelijk voor het boedeltekort. (Meer) subsidiair heeft de curator artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd.”

    r.o. 3.1.3

    “De vorderingen van de curator als vermeld onder 3.1.1., I. en III. primair zullen worden toegewezen. Aan bespreking van het onder 3.1.1., II (gebaseerd op de artikelen 2:9 en/of 6:162 BW) en III (meer) subsidiair gevorderde komt de rechtbank niet toe, gelet op de toewijzing van het onder 3.1.1., III. primair gevorderde.”

    r.o. 4.8

    ECLI:NL:RBOVE:2026:5191

  • Rechtbank Overijssel · 17 juni 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW zorgonderneming: administratieplicht geschonden, bestuursverbod

    “In een brief van 25 juni 2025 van 23 pagina’s aan de bestuurders heeft de curator zijn bevindingen betreffende het faillissement uiteengezet en heeft hij de bestuurders aansprakelijk gesteld op grond van artikel 2:248 BW en op grond van artikel 2:9 BW en 6:162 BW. Tevens heeft de curator vragen gesteld aan de bestuurders en zijn ontbrekende stukken opgevraagd. De bestuurders hebben voorafgaand aan deze procedure niet gereageerd op de brief van de curator.”

    r.o. 3.10

    “[…] justitie te bepalen bedrag, te betalen aan de curator, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2024 tot de dag van algehele voldoening, dan wel enige andere in goede justitie te bepalen termijn; Subsidiair, 4. voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] hun taak als bestuurder van [bedrijf] B.V. kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld zoals bedoeld in artikel 2:9 BW dan wel jegens [bedrijf] B.V. onrechtmatig hebben gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW, en uit dien hoofde jegens de faillissementsboedel van [bedrijf] B.V. aansprakelijk zijn voor de schade die (de faillissementsboedel van) [bedrijf] B.V. daardoor heeft geleden; 5. voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf] B.V. en uit dien hoofde aansprakelijk zijn voor de schade die de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf] B.V. daardoor hebben geleden; 6. [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen om een schadevergoeding aan de curator te betalen, ten belope van de schade die (de faillissementsboedel van) [bedrijf] B.V. en/of de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf] - […]”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:RBOVE:2026:3457

  • Rechtbank Rotterdam · 18 maart 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid 2:248 BW: schending administratie- en publicatieplicht, disculpatie faalt

    “[…] worden voldaan, en b) een voorschot van € 250.000,00 op het onder a) bedoelde bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling, subsidiair 3) voor recht verklaart dat de bestuurders hun taak als (voormalig) bestuurder of (voormalig) middellijk bestuurder van [bedrijf 1] onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:9 BW (jo. 2:11 BW), en 4) de bestuurders hoofdelijk veroordeelt tot betaling van: a. a) de door hen als gevolg van hun onbehoorlijk bestuur veroorzaakte schade, op te maken bij staat, en b) een voorschot van € 250.000,00 op het onder a) bedoelde bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling, meer subsidiair 5) voor recht verklaart dat de bestuurders onrechtmatig jegens de gezamenlijke schuldeisers inzake het faillissement van [bedrijf 1] hebben gehandeld ingevolge artikel 6:162 BW (jo. 2:11 BW), en 6) de bestuurders hoofdelijk veroordeelt tot betaling van: a. a) de door hen als gevolg van het onrechtmatig handelen jegens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1] veroorzaakte schade, op te maken bij staat, […]”

    r.o. 4.1

    ECLI:NL:RBROT:2026:6388

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 18 maart 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW na Ponzi-achtige obligatiewerving; bestuursverbod opgelegd

    “De curator vordert, samengevat: I. een verklaring voor recht dat gedaagden tegenover de boedel van MBMO Group hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het gehele boedeltekort op grond van de artikelen 2:248 BW en/of 2:9 BW en/of 6:162 BW, II. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het gehele boedeltekort, nader op te maken bij staat, III. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 1.000.000,00, IV. gedaagden te veroordelen tot een bestuursverbod zoals bedoeld in artikel 106a Fw voor de duur van vijf jaren vanaf de datum dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan dan wel een periode te bepalen waarin gedaagden niet kunnen worden benoemd tot bestuurder van een rechtspersoon, V. de griffier op te dragen dit vonnis, zodra het in kracht van gewijsde is gegaan, toe te sturen naar de Kamer van Koophandel ter uitschrijving uit het handelsregister van gedaagden als bestuurders en ter registratie van het bestuursverbod, VI. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen de beslagkosten, vermeerderd met wettelijke rente.”

    r.o. 3.1

    “De curator legt aan de door hem gevorderde verklaring voor recht en zijn vordering tot betaling van (een voorschot op de) schadevergoeding ten grondslag, dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] als (indirect) bestuurders van MBMO Group en [gedaagde 5] als feitelijk leidinggevende van MBMO Group op grond van artikel 2:248 BW dan wel op grond van de artikelen 2:9 BW en 6:162 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag gelijk aan het tekort in het faillissement van MBMO Group wegens onbehoorlijk bestuur.”

    r.o. 4.2

    “Gedaagden zijn er niet in zijn geslaagd het bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW te weerleggen. Daarmee staat vast dat hun onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van MBMO Group. Dit betekent dat gedaagden op grond van artikel 2:248 lid 1 BW in samenhang gelezen met lid 7 van dat artikel en artikel 2:11 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het tekort in het faillissement van MBMO Group. Dit tekort moet nog worden vastgesteld. De rechtbank zal daarom voor recht verklaren dat gedaagden tegenover de boedel van MBMO Group hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het gehele boedeltekort op grond van artikel 2:248 BW en gedaagden hoofdelijk veroordelen tot betaling van het tekort, nader op te maken bij staat. Gelet op deze veroordeling, heeft de curator geen belang bij een onderzoek naar de vraag of gedaagden ook aansprakelijk zijn op grond van het bepaalde in artikel 2:9 BW en/of artikel 6:162 BW.”

    r.o. 4.13

    ECLI:NL:RBZWB:2026:1948

  • Rechtbank Gelderland · 28 januari 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW toegewezen; indirect bestuurder en bestuursverbod

    “De curator vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht te verklaren dat [gedaagde] en Gewoon Doen ! hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:248 BW, althans artikel 6:162 BW, althans artikel 2:9 BW voor het bedrag van de schulden van de gefailleerde vennootschap [bedrijf] , voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, althans voor een in goede justitie door de rechtbank vast te stellen bedrag; II. Gewoon Doen ! te veroordelen om aan de curator te betalen een bedrag gelijk aan de vordering van [bedrijf] op Gewoon Doen ! uit hoofde van de rekening-courantverhouding, ten bedrage van € 581.815,90, althans een in goede justitie door de rechtbank vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het toe te wijzen bedrag vanaf 31 mei 2023, althans vanaf 12 maart 2024 (datum faillissement), althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; III. [gedaagde] en Gewoon Doen ! hoofdelijk te veroordelen om aan de curator te betalen, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd: a. in geval van een veroordeling ex artikel 2:248 BW, het […]”

    r.o. 3.1

    ECLI:NL:RBGEL:2026:3389