← Alle artikelen

Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 3. Het openbaar bod

Artikel 2:359d BW

In deze vorm in werking sinds 1 januari 2013, laatst gewijzigd bij Stb. 2012, 313

1

Tegen degene die een openbaar bod heeft uitgebracht en als aandeelhouder voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van de doelvennootschap verschaft alsmede ten minste 95% van de stemrechten van de doelvennootschap vertegenwoordigt, kan door een andere aandeelhouder een vordering worden ingesteld tot overneming van de aandelen van de andere aandeelhouder. Hetzelfde geldt, indien twee of meer groepsmaatschappijen dit deel van het geplaatste kapitaal samen verschaffen en dit deel van de stemrechten samen vertegenwoordigen en een van hen het openbaar bod heeft uitgebracht.

2

Zijn er verschillende soorten aandelen dan kan de vordering worden ingesteld ten aanzien van de soort waarvan degene die een openbaar bod heeft uitgebracht alleen of samen met groepsmaatschappijen ten minste 95% van het geplaatste kapitaal verschaft en 95% van de stemrechten vertegenwoordigt.

3

De vordering moet binnen drie maanden na afloop van de termijn voor aanvaarding van het bod worden ingesteld.

4

Over de vordering oordeelt in eerste aanleg de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. Van de uitspraak staat uitsluitend beroep in cassatie open.

5

Indien tegen een of meer gedaagden verstek is verleend, moet de rechter ambtshalve onderzoeken of de gedaagden de vereisten van lid 1 onderscheidenlijk lid 2 vervullen.

6

Staat het bevel tot overneming bij gerechtelijk gewijsde vast, dan deelt de overnemer de dag en plaats van betaalbaarstelling van de prijs schriftelijk mee aan de houders van de over te nemen aandelen.

7

Artikel 359c, leden 6, 7 en 9, is van overeenkomstige toepassing.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:359d BW (4)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Conclusies van de A-G (4)

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 februari 2021

    Uitkoop artikel 2:92a BW: consignatie, verzettermijn en processueel ondeelbare rechtsverhouding

    “In verband met art. 2:92a BW is voorts niet relevant dat art. 2:359d BW de achtergebleven minderheidsaandeelhouder het recht geeft om, na een openbaar bod, een vordering tot overneming van de aandelen in te stellen tegen de meerderheidsaandeelhouder. Bij art. 2:92a BW is dit niet mogelijk.”

    r.o. 4.64

    ECLI:NL:PHR:2021:149

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 mei 2020

    Uitkoop: prijsvaststelling en correctie voor 'tunneltjes graven' door uitkopende meerderheidsaandeelhouder

    “[…] uitkoopprijs, met als gevolg dat wanneer de OK van oordeel zou zijn dat een reële en redelijke vergoeding dat maximumbedrag te boven zou gaan, de uitkoopvordering wordt afgewezen (zie ook rov. 2.7 eindarrest). Anders dan bij de geschillenregeling, spelen de gedragingen van aandeelhouders in een uitkoopprocedure in beginsel geen rol. Afgezien van de situatie van een openbaar bod (vgl. art. 2:359d BW), bestaat ook geen met art. 2:201a BW corresponderend recht van een minderheidsaandeelhouder om te worden uitgekocht. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een dergelijk recht voor een minderheidsaandeelhouder wel is overwogen, maar dat daarvan bewust is afgezien. De minderheidsaandeelhouder is, indien onderdrukt, aangewezen op de uittredingsvordering van art. 2:343 BW in de geschillenregeling.”

    r.o. 3.20

    ECLI:NL:PHR:2020:450

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 april 2013

    Vernietiging reserveringsbesluit prioriteitsaandeelhouder; zorgvuldigheidsplicht jegens minderheidsaandeelhouders (KLM)

    “Aandeelhouders die een overname afwijzen, bijvoorbeeld omdat zij menen dat de waarde van de onderneming onvoldoende tot uitdrukking komt in de hoogte van het bod, kunnen na het slagen in een ongemakkelijke positie komen.(5) Het risico bestaat dat zij alsnog kunnen worden uitgekocht (vgl. art. 2:359d en 2:92a BW), al dan niet na een (driehoeks)fusie. Zij dienen volgens de Hoge Raad rekening te houden met de mogelijkheid dat de vennootschap door fusie, splitsing of omzetting een gedaantewisseling kan ondergaan die tot gevolg heeft dat het belang van de minderheidsaandeelhouders tot onder de uitkoopgrens van 5% daalt, wanneer zij tot de aankoop van een minderheidspakket overgaan of een minderheidsbelang aanhouden.(6) Is de overnemer niet in staat of bereid om de minderheidsaandeelhouders uit te kopen, dan duurt de lastige positie van minderheidsaandeelhouders voort: in de regel zullen zij in de AVA geen doorslaggevende stem hebben en daarom verstoken blijven van betekenisvolle invloed. Het zal bovendien niet altijd eenvoudig zijn hun belang alsnog te vervreemden tegen een goede prijs: in de wetenschap dat het gaat om een minderheidspakket zullen externe partijen vaak weinig interesse […]”

    r.o. 3.3

    “[…] belang op grond waarvan de bieder een jaar na het biedingsbericht geen effecten mag verwerven tegen voor de rechthebbende van die effecten gunstiger voorwaarden dan volgens het openbaar bod. Op grond van art. 56b Vrijstellingsregeling Wft worden vrijgesteld van art. 5:79 Wft bieders voor zover zij hun effecten verwerven volgens 2:92a of 2:336 BW; kennelijk is over het hoofd gezien art. 2:359c en 2:359d BW onder de vrijstelling te brengen. 8 Vgl. het biedingsbericht dat vermeldt: "The absence of an active trading market could reduce the liquidity and market value of your KLM common shares." 9 B. Bier, Uitkeringen aan aandeelhouders, 2003, p. 68. 10 HR 1 maart 2002, LJN AD9857, NJ 2002, 296 (Zwagerman). 11 OK 6 juni 2011, LJN BQ9757, JOR 2011, 282 (JeeZet). Vgl. voorts o.a. OK 15 maart 2005, JOR 2005/88 (EMBA),OK 6 mei 2008, LJN BD4675, ARO 2008, 88 (Part-Energy/Wilmont) en OK 29 juni 2010, ARO 2010, 104 (Poststate Beheer). 12 Het vervolg illustreert hoe de Ondernemingskamer in concreto toetst: "3.11. De Ondernemingskamer stelt ten aanzien van Synpact Holding vast dat volgens artikel 23 lid 1 van haar statuten de winst ter beschikking staat van de algemene vergadering van […]”

    r.o. 4.20

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ9145

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 januari 2004

    Uitkoop: statutair unanimiteitsvereiste is geen bijzonder zeggenschapsrecht in de zin van artikel 2:201a lid 4 BW

    “[…] Vgl. W. Westbroek, Uitkoop en geschillenregeling, WPNR 5759 (1985), blz. 711 (§ 7). 7 Van der Vlist, t.a.p. 8 W. Westbroek, Uitkoopregeling en geschillenregeling, WPNR 1985, 5759, blz. 711. Zie ook Josephus Jitta die hetzelfde verband als Westbroek legt met art. 2: 76a B.W. in JOR 2002, 156. 9 Zie ook Asser-Maeijer, 2-III-2000, nr. 511, blz. 766. 10 Handboek, twaalfde druk, nr. 199. 11 Zie art. 2:359d lid 1 sub b BW van Wetsvoorstel 25 732. 12 Zie Pb nr. C 045 E van 25 februari 2003 art. 11 lid 4. 13 Zie ook R. van der Vlist, Uitkoop van kleine minderheidsbelangen in NV's en BV's, De NV 1985, blz. 162: "De charme van het onderhavige wetsontwerp is gelegen in zijn eenvoud". 14 Wetsvoorstel 18.904, nr. 17. 15 Asser-Maeijer, 2-III, nr. 511-2000, blz. 765 16 Handboek, twaalfde druk, nr. 199. 17 Asser-Maeijer 2-III, 2000, nr. 512 (blz. 766). Maeijer verwijst tevens naar L.G.H.J. Houwen, Maandblad NV 66 (1988), blz. 24 (25?) en R. van der Vlist, Maandblad NV 63 (1985), blz. 164. Zie in andere zin: K. Frielink, V&O 1996, blz. 133. 18 P. van Schilfgaarde/J. Winter, Van de BV en de NV, 2003, nr. 130 (blz. 334). Hetzelfde standpunt nam Van Schilfgaarde in de 12e druk (2001) in. Zie ook […]”

    r.o. 2.16 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2004:AO1777