← Alle artikelen

Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 2. Het recht van enquête

Artikel 2:347 BW

In werking getreden op 1 januari 1994 (Stb. 1993, 597)

Tot het indienen van een verzoek als bedoeld in artikel 345 is voorts bevoegd een vereniging van werknemers die in de onderneming van de rechtspersoon werkzame personen onder haar leden telt en ten minste twee jaar volledige rechtsbevoegdheid bezit, mits zij krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers te behartigen en als zodanig in de bedrijfstak of onderneming werkzaam is.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:347 BW (18)

Hoge Raad (2)

  • Hoge Raad · 4 november 2016

    SNS

    Enquêtebevoegdheid van onteigende aandeelhouders SNS Reaal na onteigening Interventiewet

    “Anders dan de Staat c.s. aanvoeren, staan doel en strekking van de Interventiewet niet in de weg aan ontvankelijkheid van VEB c.s. en Stichting Beheer. Vooropgesteld wordt dat de omstandigheid dat een onteigening heeft plaatsgevonden niet reeds als zodanig in de weg staat aan een enquête, bijvoorbeeld op verzoek van een vakorganisatie als bedoeld in art. 2:347 BW of op verzoek van de Staat als huidige aandeelhouder. Ook zijn partijen het – terecht – erover eens dat een onteigening niet zou nopen tot het afbreken van een reeds aanhangig gemaakte enquête (zie rov. 3.21 van de bestreden beschikking). Een argument van de Staat c.s. in dit verband is dat de algehele overgang van de onteigende aandelen op de Staat tot gevolg heeft gehad dat ook de bevoegdheid van de voormalige aandeelhouders tot het verzoeken van een enquête is komen te vervallen. Voor zover dat argument steunt op de omstandigheid dat door de onteigening de hoedanigheid van aandeelhouder geheel verloren is gegaan, stuit het af op hetgeen hiervoor in 3.5.2–3.5.6 is overwogen. Uit die overwegingen volgt ook dat de enkele omstandigheid dat aan de Staat in verband met zijn positie als nieuwe aandeelhouder enquêtebevoegdheid […]”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:HR:2016:2456

  • Hoge Raad · 10 januari 1990

    OGEM Holding

    Enquête Ogem: ontvankelijkheid cassatie, doeleinden enquête en begrip wanbeleid

    “Verweerders hebben aangevoerd dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is, omdat ingevolge artikel 2:359 BW beroep in cassatie tegen beschikkingen van de Ondernemingskamer uit hoofde van Titel 7 (thans: Titel 8, Afdeling 2) van Boek 2 BW uitsluitend toekomt aan de procureur-generaal die de vordering heeft gedaan, de rechtspersoon en de verzoekers, althans zo velen van hen als overeenkomstig de artikelen 2:346 en 2:347 BW tot het instellen van een verzoek in eerste aanleg bevoegd zijn, zodat voor verzoekers, allen voormalige leden van de Raad van Bestuur en/of van de Raad van Commissarissen van Ogem, geen cassatieberoep openstaat.”

    r.o. 3.1

    ECLI:NL:HR:1990:AC1234

Conclusies van de A-G (16)

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 oktober 2019

    Concernenquête SNS Reaal en SNS Bank; obligatiehouders als belanghebbenden

    “De kring van belanghebbenden wordt met de maatstaf uit de Scheipar-beschikking ruimer getrokken dan degenen die ex art. 2:345 lid 2, 2:346 en 2:347 BW bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek. De wet bevat in die bepalingen een limitatief bedoelde opsomming die de enquêtebevoegdheid beperkt tot de advocaat-generaal bij het hof Amsterdam (art. 2:345 lid 2 BW), leden van een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij (art. 2:346 lid 1 onder a BW), aandeelhouders en certificaathouders van een NV of BV (2:346 lid 1 onder b en c BW), de rechtspersoon zelf (art. 2:346 lid 1 onder d en lid 2 BW), degene aan wie bij de statuten of bij overeenkomst met de rechtspersoon de enquêtebevoegdheid is toegekend (art. 2:346 lid 1 onder e BW), de curator (art. 2:346 lid 3 BW) en vakorganisaties (art. 2:347 BW). In de literatuur is de vraag aan de orde gesteld of ook crediteuren van de vennootschap - verschaffers van vreemd vermogen - enquêtebevoegd kunnen zijn. Die bevoegdheid kan door een verschaffer van vreemd vermogen op verschillende manieren worden verkregen: in het kader van een pandrecht op de aandelen, door de bevoegdheid toe te kennen in een kredietovereenkomst […]”

    r.o. 3.13

    “Mijns inziens heeft de wetgever deze bezwaren onder ogen gezien.Een belanghebbende, die zelf niet enquêtebevoegd is in de zin van art. 2:345-2:347 BW, krijgt de bevoegdheid om een tegenverzoek te doen pas nadat een enquêteverzoek is ingediend. Dat het verweerschrift ex art. 282 lid 4 Rv een zelfstandig verzoek - ook wel tegenverzoek genoemd - mag bevatten wil zeggen dat de belanghebbende (ook als die zelf niet enquêtebevoegd is) bij verweerschrift bijvoorbeeld kan verzoeken om afwijzing van het door een enquêtebevoegde ingediende enquêteverzoek en als hij het ingediende enquêteverzoek ondersteund ook kan verzoeken om het door een enquêtebevoegde ingediende enquêteverzoek uit te breiden. Een dergelijk tegenverzoek in de zin van art. 282 lid 4 Rv is echter met waarborgen omkleed. Het kan alleen betrekking hebben op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. De rechter kan bovendien aan de verzoeker en aan de overige belanghebbenden, waaronder ook de vennootschap als verweerster, gelegenheid geven tegen dit zelfstandige verzoek een verweerschrift in te dienen.”

    r.o. 3.19

    “[…] wordt gesteld van de bezwaren tegen het gevoerde beleid, zodat zij gelegenheid heeft die bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen. Aldus wordt voorkomen dat zij rauwelijks in rechte wordt betrokken. Een belanghebbende die niet enquêtebevoegd is, kan ex art. 282 Rv een tegenverzoek doen, nadat een enquêteverzoek is ingediend door een partij die daartoe ex art. 2:345-2:347 BW wel bevoegd is. De situatie die art. 2:349 lid 1 BW beoogt te voorkomen, dat de rechtspersoon rauwelijks in rechte wordt betrokken, is dus bij een tegenverzoek van een belanghebbende die zelf niet enquêtebevoegd is, niet meer aan de orde. De rechtspersoon kan dan bedacht zijn op een tegenverzoek ex art. 282 lid 4 Rv. SNS Reaal c.s. zijn bij aanvullend verweerschrift van 24 mei 2017 ook in de gelegenheid gesteld te reageren op het tegenverzoek van ROOS c.s. In dat aanvullende verweerschrift van 37 pagina’s heeft SNS Reaal c.s. betoogd dat ROOS c.s. niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, althans dat ROOS c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun zelfstandige tegenverzoek, althans dat dit verzoek moet worden afgewezen en een te gelasten onderzoek niet moet worden uitgebreid met […]”

    r.o. 3.22

    ECLI:NL:PHR:2019:1058

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 oktober 2019

    Concernenquête SNS Reaal en SNS Bank: maatstaf bevoegdheidsdoorbraak en reikwijdte onderzoek

    “[…] en art. 2:356 BW. Iets anders is dat de OK ingevolge art. 2:351 lid 2 BW de onderzoekers op hun verzoek bepaalde onderzoeksbevoegdheden kan verlenen ten aanzien van een rechtspersoon die nauw verbonden is met de rechtspersoon die door de OK is aangewezen als voorwerp van enquête. Die nauw verbonden rechtspersoon wordt dan echter niet zelf voorwerp van de enquête.” In art. 2:345 lid 2, 2:346 en 2:347 BW is geregeld wie bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek. Uit de tekst en strekking van deze bepalingen volgt dat de daarin opgenomen opsomming van enquêtegerechtigden limitatief is. De bevoegdheid tot het indienen van een enquêteverzoek komt slechts toe aan degenen aan wie die bevoegdheid in de wet is toegekend. De wetgever heeft bewust ervoor gekozen de kring van enquêtegerechtigden zo nauwkeurig mogelijk af te bakenen. Het enquêterecht is immers “een zeer bijzondere bevoegdheid, welke, indien verkeerd toegepast, voor de vennootschap uiterst nadelige gevolgen kan hebben.””

    r.o. 3.3

    “[…] een concern één daartoe behorende rechtspersoon fungeert als formele werkgever van al degenen die werkzaam zijn bij de andere concerngenoten van die formele werkgever wordt geconcludeerd dat de betrokken vakbondsleden “werkzaam” zijn in zowel de onderneming van die concerngenoten als in die van de formele werkgever, de personeels-BV. Dit betekent volgens de SER dat de vakorganisatie ex art. 2:347 BW ten aanzien van beide rechtspersonen enquêtebevoegd is. In het Aanvullend advies wijziging enquêterecht wordt in dit verband erkend dat: “deze conclusie alleen door middel van een indringende uitleg daarvan [van de wettekst, art. 2:346 en 2:347 BW, A-G] kan worden bereikt. De raad acht het daarom aanbevelenswaardig dat in het kader van een herziening van het enquêterecht (…) deze uitleg buiten twijfel wordt gesteld, hetzij door een aanpassing van de wettekst, hetzij door een uit de parlementaire behandeling blijkende overeenstemming over deze uitleg.” De tweede situatie die wordt behandeld in het SER-advies betreft het geval waarin het beleid van de dochter-rechtspersoon, in wier onderneming leden van een vakorganisatie werkzaam zijn, onder invloed staat van het beleid van de […]”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:PHR:2019:1059

  • Parket bij de Hoge Raad · 24 juni 2016

    Enquêtebevoegdheid van onteigende SNS-aandeelhouders ondanks niet meer voldoen aan kapitaalseis

    “De bevoegdheid om een verzoek als bedoeld in artikel 2:345 lid 1 BW in te dienen is door de wetgever - limitatief - toegekend aan (rechts)personen die voldoen aan een van de in de artikelen 2:346 en 2:347 BW opgesomde criteria. Ook (in artikel 2:345 lid 2 BW) aan de advocaat-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam (hierna de advocaat-generaal te noemen) en aan in de wet vermelde anderen is het enquêterecht toegekend.”

    r.o. 3.12

    “Bij de ontvankelijkheidsvraag gaat het in wezen om uitleg van de artikelen 2:345-2:347 BW. In deze wetsartikelen zijn de enquêtebevoegde partijen limitatief opgesomd. Ik ga daar hierna op in. Bij de vervolgvraag of een enquêteverzoek toewijsbaar is, heeft de ondernemingskamer een discretionaire bevoegdheid, met dien verstande dat een enquête alleen kan worden bevolen wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. De ondernemingskamer zal bij zijn beoordeling een belangenafweging moeten verrichten, waarbij onder meer ook de bezwaren tegen een enquête voor de onderneming aan de orde kunnen komen.”

    r.o. 3.2

    “Tot het indienen van een enquêteverzoek zijn thans bevoegd aandeelhouders en certificaathouders (met een bepaald belang), de rechtspersoon zelf (in geval van faillissement de curator), de advocaat-generaal bij het hof Amsterdam en vakorganisaties (zie de artikelen 2:345, 2:346 en 2:347 BW). Voor NV’s en BV’s met een geplaatst kapitaal van meer dan 22,5 miljoen euro (zoals SNS Reaal) zijn bevoegd de aandeel- of certificaathouders die ten minste 1% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. In het geval van een beursvennootschap is een pakket van minimaal 20 miljoen euro voldoende.”

    r.o. 3.9

    ECLI:NL:PHR:2016:536

  • Parket bij de Hoge Raad · 24 juni 2016

    Enquêtebevoegdheid van onteigende SNS-aandeelhouders na Interventiewet; conclusie strekt tot verwerping

    “De bevoegdheid om een verzoek als bedoeld in artikel 2:345 lid 1 BW in te dienen is door de wetgever - limitatief - toegekend aan (rechts)personen die voldoen aan een van de in de artikelen 2:346 en 2:347 BW opgesomde criteria. Ook (in artikel 2:345 lid 2 BW) aan de advocaat-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam (hierna de advocaat-generaal te noemen) en aan in de wet vermelde anderen is het enquêterecht toegekend.”

    r.o. 3.12

    “Bij de ontvankelijkheidsvraag gaat het in wezen om uitleg van de artikelen 2:345-2:347 BW. In deze wetsartikelen zijn de enquêtebevoegde partijen limitatief opgesomd. Ik ga daar hierna op in. Bij de vervolgvraag of een enquêteverzoek toewijsbaar is, heeft de ondernemingskamer een discretionaire bevoegdheid, met dien verstande dat een enquête alleen kan worden bevolen wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. De ondernemingskamer zal bij zijn beoordeling een belangenafweging moeten verrichten, waarbij onder meer ook de bezwaren tegen een enquête voor de onderneming aan de orde kunnen komen.”

    r.o. 3.2

    “Tot het indienen van een enquêteverzoek zijn thans bevoegd aandeelhouders en certificaathouders (met een bepaald belang), de rechtspersoon zelf (in geval van faillissement de curator), de advocaat-generaal bij het hof Amsterdam en vakorganisaties (zie de artikelen 2:345, 2:346 en 2:347 BW). Voor NV’s en BV’s met een geplaatst kapitaal van meer dan 22,5 miljoen euro (zoals SNS Reaal) zijn bevoegd de aandeel- of certificaathouders die ten minste 1% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. In het geval van een beursvennootschap is een pakket van minimaal 20 miljoen euro voldoende.”

    r.o. 3.9

    ECLI:NL:PHR:2016:537

  • Parket bij de Hoge Raad · 25 mei 2012

    Enquête: geen tussentijds cassatieberoep tegen toelating als belanghebbende

    “Het recht van enquête is neergelegd in de tweede afdeling van titel 8 van boek 2 BW (art. 2:344 tot en met 2:359 BW). De enquêteprocedure vormt een bijzondere rechtsgang bij een daartoe speciaal aangewezen rechterlijke instantie(4) en valt uiteen in twee fasen. In de eerste fase kan op de voet van art. 2:345 lid 1 BW door degenen die daartoe op grond van de art. 2:346 BW en 2:347 BW de bevoegdheid bezitten, een verzoek worden gedaan om een of meer onderzoekers te benoemen die een onderzoek instellen naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. De tweede fase tot vaststelling van wanbeleid en het treffen van voorzieningen wordt wederom ingeleid met een verzoekschrift (art. 2:355 BW). In beide fasen moet het verzoek worden gedaan bij verzoekschrift dat moet worden ingediend bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. De regeling van het enquêterecht in Boek 2 bevat geen eigen voorschrift voor het hiervoor onder 1.6 genoemde verzoek, hetgeen meebrengt dat de bepalingen van de verzoekschriftprocedure in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (boek I titel 3) van toepassing zijn.”

    r.o. 2.3

    ECLI:NL:PHR:2012:BW0242

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 juli 2011

    Enquête: ontvankelijkheid medeverzoeker na intrekking verzoek door andere verzoekster; kapitaaleis

    “Art. 2:346 en 2:347 BW formuleren vereisten waaraan (rechts)personen moeten voldoen om bevoegd te zijn om bij de Ondernemingskamer een verzoek in te dienen om een enquêteonderzoek in te stellen naar de gang van zaken bij een rechtspersoon conform art. 2:345 BW. De onderhavige procedure betreft verzoekers die aandeelhouders waren in de doelvennootschap, zodat art. 2:346, aanhef en onder b BW van belang is. Dat artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt: Tot het indienen van een verzoek als bedoeld in artikel 345 zijn bevoegd (...) b. indien het betreft een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: een of meer houders van aandelen of van certificaten van aandelen, die alleen of gezamenlijk ten minste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen of rechthebbenden zijn op een bedrag van aandelen of certificaten daarvan tot een nominale waarde van € 225 000 of zoveel minder als de statuten bepalen.”

    r.o. 4.10

    ECLI:NL:PHR:2011:BQ0505

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 juni 2006

    Conclusie: intrekking preferente aandelen Unilever en voeging in enquêteprocedure

    “Ook de onderdelen 2.1 en 2.2 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Beide onderdelen keren zich tegen het niet honoreren van het verzoek van Mellon tot voeging in de hoofdzaak. Aangevoerd wordt dat daartoe niet redengevend kan zijn dat er naar het oordeel van de ondernemingskamer geen gegronde redenen zijn om aan de juistheid van het beleid van Unilever ten aanzien van de intrekking te twijfelen. Daarmee heeft de ondernemingskamer miskend dat het verzoek van Mellon tot voeging in de procedure in de hoofdzaak niet afhankelijk is van de vraag of gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, maar van de vraag of Mellon kan worden aangemerkt als bevoegd tot het indienen van een verzoek op grond van art. 2:346 of 2:347 BW of als belanghebbende, aldus het onderdeel.”

    r.o. 3.17

    ECLI:NL:PHR:2006:AX6622

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 februari 2003

    Conclusie A-G: wanbeleid HBG, consultatieplicht algemene vergadering van aandeelhouders bij afwijzing bod

    “De enquêteprocedure in de zin van de art. 2:344 e.v. BW geschiedt in het algemeen in twee fasen(7). Allereerst kan de ondernemingskamer op verzoek van degenen die ingevolge de art. 2:346 en 2:347 BW daartoe bevoegd zijn een onderzoek bevelen naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon. De ondernemingskamer wijst het verzoek slechts toe wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen (art. 2:350 lid 1 BW)(8). De ondernemingskamer kan ingevolge art. 2:349a BW op verzoek van de indieners van het verzoek een onmiddellijke voorziening treffen voor ten hoogste de duur van het geding.”

    r.o. 2.2

    ECLI:NL:PHR:2003:AF1486

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 februari 2002

    Kan een vennootschap zelf een enquête bij zichzelf verzoeken? Conclusie P-G

    “[…] 10. Verslag [II 1924-1925], 69, nr. 1, p. 8, 13, 63. (De eerdere parlementaire stukken over dit wetsontwerp zijn gedrukt onder nr. 217, zitting 1909-1910). 11. Wet van 10 september 1970 tot wijziging van de artikelen 53-54c van het Wetboek van Koophandel (Herziening van het enquêterecht), Stb. 411. 12. Commissie Verdam, SER-uitgave 67/5. 13. Art. 53, lid 2, aanhef en onder b, W.v. K, thans art. 2:347 BW. In het wetsvoorstel was deze bevoegdheid beperkt tot de erkende centrale vakorganisaties, maar onder druk van de Staten-Generaal en de vakorganisaties heeft de regering deze eis geschrapt. 14. Art. 53 lid 2, aanhef en onder a,W.v. K, thans art. 2:346, sub b, BW 15. Bij wet van 19 april 1999 (reorganisatie Openbaar Ministerie en instelling landelijk parket), Stb. 194, is deze bevoegdheid toegekend aan de advocaat-generaal. 16. M.v.t [II 1968-1969] 9596, nr. 1, p. 1. 17. M.v.t [II 1967-1968], 9596, nr. 3, p. 1 rk. 18. VV [II 1968-1969], 9595 en 9596, nr. 5, p.17, rk. 19. M.v.a. [II 1968-1969], 9595, 9596, nr. 6, p. 14 rk. 20. Kamerst. 9595, inzake wettelijke bepalingen met betrekking tot de jaarrekening van ondernemingen (Stb. 1970, 414). 21. M.v.t., [II 1967-1968], 9595, nr. 3, […]”

    r.o. 4.5.2.2

    ECLI:NL:PHR:2002:AD8831

  • Parket bij de Hoge Raad · 7 december 2018

    Enquêtebevoegdheid van middellijk aandeelhouder via buitenlandse tussenholding; gelijkstelling met aandeelhouder

    Een middellijk aandeelhouder, die via een Luxemburgse tussenholding een belang houdt in de vennootschap waarover hij een enquête wil, is door de OK niet-ontvankelijk verklaard. De A-G bespreekt uitgebreid wetsgeschiedenis en rechtspraak over gelijkstelling van economisch gerechtigden met aandeelhouders (artikel 2:346 BW) en concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2018:1354

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 september 2026

    Enquêtebevoegdheid indirect aandeelhouder: gelijkstelling met aandeelhouder via tussenholdings

    “[…] feiten en omstandigheden waarop Felman in haar spreekaantekeningen onder 3 ook nog heeft gewezen ‘toch wel’ relevant zijn bij beantwoording van de hier voorliggende gelijkstellingsvraag. 4.32.8 Met het voorgaande blijft een evenwichtige toepassing van, in dit geval, art. 2:346 lid 1, aanhef en onder c BW, behouden. Daarbij betrek ik dat de in art. 2:346 BW (gelijk art. 2:345 lid 2 BW en art. 2:347 BW) vervatte opsomming van degenen die bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek, een limitatieve is. En dat de wetgever (ook) de inmiddels in art. 2:346 lid 1, aanhef en onder b-d BW voor kapitaalvennootschappen uitgemonde regeling telkens op behoedzame wijze vorm en inhoud heeft gegeven. Soms is die regeling om aansprekende redenen ingeperkt, op andere momenten zag de wetgever aanleiding juist de teugels wat te vieren. De grondtoon hierin is evenwel steeds dat enquêtebevoegdheid (van anderen dan de vennootschap in kwestie) niet zomaar wordt toebedeeld, maar gericht en met een zekere reserve. Daarbij is in de wetsgeschiedenis bij herhaling verwezen naar de ingrijpende gevolgen die een enquête kan hebben voor de vennootschap in kwestie, op wier belang de regeling van het […]”

    r.o. 4.32

    “Met het voorgaande blijft een evenwichtige toepassing van, in dit geval, art. 2:346 lid 1, aanhef en onder c BW, behouden. Daarbij betrek ik dat de in art. 2:346 BW (gelijk art. 2:345 lid 2 BW en art. 2:347 BW) vervatte opsomming van degenen die bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek, een limitatieve is. En dat de wetgever (ook) de inmiddels in art. 2:346 lid 1, aanhef en onder b-d BW voor kapitaalvennootschappen uitgemonde regeling telkens op behoedzame wijze vorm en inhoud heeft gegeven. Soms is die regeling om aansprekende redenen ingeperkt, op andere momenten zag de wetgever aanleiding juist de teugels wat te vieren. De grondtoon hierin is evenwel steeds dat enquêtebevoegdheid (van anderen dan de vennootschap in kwestie) niet zomaar wordt toebedeeld, maar gericht en met een zekere reserve. Daarbij is in de wetsgeschiedenis bij herhaling verwezen naar de ingrijpende gevolgen die een enquête kan hebben voor de vennootschap in kwestie, op wier belang de regeling van het enquêterecht is gericht. Zie nader onder 3.2-3.5 hiervoor. De onder 3.6-3.19 hiervoor geschetste ontwikkeling in rechtspraak van de Hoge Raad, waaraan de OK recht doet in de beschikking, strookt […]”

    r.o. 4.32.8

    ECLI:NL:PHR:2026:846

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 juni 2026

    Enquête Nexperia: ex parte onmiddellijke voorzieningen en hoor en wederhoor (artikel 2:349a BW)

    “[…] orde en het algemene belang een zodanig onderzoek eisen”, maar ook in gevallen waarin wordt opgetreden “op verzoek van personen, die niet zó nauw bij de gang van zaken in de onderneming zijn betrokken, dat hun een eigen bevoegdheid tot het uitlokken van een onderzoek kan worden toegekend”. Het gevolg van de wettelijke clausulering is dat een betrokkene die zelf op de voet van art. 2:346 en 2:347 BW geen toegang heeft tot het enquêterecht zich alleen dan (succesvol) tot de A-G bij het ressortsparket kan wenden als het openbaar belang in het geding is.”

    r.o. 4.67

    ECLI:NL:PHR:2026:584

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 juni 2026

    Ex parte onmiddellijke voorzieningen in enquête (Nexperia): eerlijk proces, artikel 2:349a BW

    “[…] orde en het algemene belang een zodanig onderzoek eisen”, maar ook in gevallen waarin wordt opgetreden “op verzoek van personen, die niet zó nauw bij de gang van zaken in de onderneming zijn betrokken, dat hun een eigen bevoegdheid tot het uitlokken van een onderzoek kan worden toegekend”. Het gevolg van de wettelijke clausulering is dat een betrokkene die zelf op de voet van art. 2:346 en 2:347 BW geen toegang heeft tot het enquêterecht zich alleen dan (succesvol) tot de A-G bij het ressortsparket kan wenden als het openbaar belang in het geding is.”

    r.o. 4.65

    ECLI:NL:PHR:2026:585

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 juli 2013

    Enquête Fortis: wanbeleid systeembank, hindsight bias en verhouding tot Wft

    “[…] ontvankelijkheid, zoals de Stichting in haar brief van 8 oktober 2010 zelf ook stelt.” Bij faxbericht van 3 februari 2011 merkt SICAF op dat Fortis “de (inhoudelijke) vraag naar toelaatbaarheid van een zelfstandig verzoek om voorzieningen als bedoeld [in art.] 2:356 BW, ingesteld door een partij die niet is een oorspronkelijk verzoekster of een enquêtegerechtigde als bedoeld in art. 2:346 en 2:347 BW [verwart] met de (processuele) vraag of de Stichting als belanghebbende kan worden toegelaten tot het processuele debat in de tweede fase van de procedure.” Bij de mondelinge behandeling op 10 maart 2011 wordt van de zijde van SICAF uitdrukkelijk opgemerkt dat SICAF optreedt op de voet van art. 3:305a BW en dat de Stichting de belangen van de aandeelhouders die zij vertegenwoordigt (“alle beleggers die in de jaren 2007 en 2008 aandelen Fortis hebben gekocht”) “bundelt en belichaamt” en die “tot haar eigen belang [maakt] en (..) voor dat belang op[komt]”. Voorts wordt van de zijde van SICAF betoogd: “De steun voor en achterban van de Stichting is aanzienlijk en groeiende. Inmiddels hebben 164 wereldwijd opererende institutionele beleggingsinstellingen, tezamen houdende ongeveer […]”

    r.o. 6.83

    ECLI:NL:PHR:2013:172

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 april 2011

    Enquêtebevoegdheid primary beneficiary van trust bij Nederlandse kleindochter-BV

    “[…] Nederlanden A-G 1 Zie de beschikking van de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam van 5 november 2009, rov. 2.1 t/m 2.3. De beschikking is gepubliceerd onder LJN: BK8124, JOR 2010/10, m.nt. A. Doorman. 2 Zie voor een uitgebreide weergave van het verzoek rov. 1.1 van de bestreden beschikking. 3 Zie rov. 1.3 van de bestreden beschikking. 4 Art. 2:345 lid 2 BW, 2:346 onder a en c BW en 2:347 BW zijn voor de onderhavige zaak niet van belang, zodat ik deze bepalingen buiten beschouwing laat. 5 HR 1 februari 2002, LJN AD8831, NJ 2002/225 (De Vries Robbé); HR 4 februari 2005, LJN AR8899, NJ 2005/127, m.nt. Ma (Landis). 6 Herziening van het ondernemingsrecht, Rapport van de Commissie ingesteld bij beschikking van de Minister van Justitie van 8 april 1960, 's-Gravenhage 1965. 7 SER-advies 1967/5. 8 Kamerstukken II, 1967-1968, 9596, nr. 3, p. 5. 9 Kamerstukken II, 1967-1968, 9596, nr. 3, p. 4. 10 SER-advies inzake wijziging van het enquêterecht 88/14, p. 68. 11 SER-advies inzake wijziging van het enquêterecht 88/14, p. 68. 12 Stb. 597, in werking getreden op 1 januari 1994. 13 Kamerstukken II, 1991-1992, 22 400, nr. 3, p. 4 en 13. 14 Kamerstukken II, 1991-1992, 22 400, nr. 3, […]”

    r.o. 2.45

    ECLI:NL:PHR:2011:BP4943

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 maart 2003

    Enquête: voormalig bestuurder belanghebbende, certificaathouder, onmiddellijke voorziening en machtiging onderzoeker

    “De enquêteprocedure in de zin van de art. 2:344 e.v. BW geschiedt in het algemeen in twee fasen(14). Allereerst kan de ondernemingskamer op verzoek van degenen die ingevolge de art. 2:346 en 2:347 BW daartoe bevoegd zijn een onderzoek bevelen naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon. De ondernemingskamer wijst het verzoek slechts toe wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen (art. 2:350 lid 1 BW)(15). De ondernemingskamer kan ingevolge art. 2:349a BW op verzoek van de indieners van het verzoek een onmiddellijke voorziening treffen voor ten hoogste de duur van het geding.”

    r.o. 2.12

    ECLI:NL:PHR:2003:AF9440