← Alle artikelen

Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 2. Het recht van enquête

Artikel 2:351 BW

In deze vorm in werking sinds 1 januari 2013, laatst gewijzigd bij Stb. 2012, 274

1

De door de ondernemingskamer benoemde personen zijn gerechtigd tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon en de vennootschap bedoeld in artikel 345 lid 1 waarvan zij de kennisneming tot een juiste vervulling van hun taak nodig achten. De bezittingen van de rechtspersoon en de vennootschap moeten hun desverlangd worden getoond. De bestuurders, de commissarissen zo die er zijn, alsmede degenen die in dienst zijn van de rechtspersoon of de vennootschap, zijn verplicht desgevraagd alle inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek. Eenzelfde verplichting rust op hen die bestuurders of commissarissen van de rechtspersoon of vennootschap waren, of bij deze in dienst waren, gedurende het tijdvak waarover het onderzoek zich uitstrekt.

2

De ondernemingskamer kan, indien dit voor de juiste vervulling van hun taak nodig is, de door haar benoemde personen op hun verzoek machtigen tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van een rechtspersoon die nauw verbonden is met de rechtspersoon ten aanzien waarvan het onderzoek plaatsvindt. De bepalingen van de derde en de vierde volzin van het lid 1 zijn van overeenkomstige toepassing.

3

Het is de met het onderzoek belaste personen verboden, hetgeen hun bij hun onderzoek blijkt, verder bekend te maken dan hun opdracht met zich brengt.

4

De met het onderzoek belaste personen stellen een verslag op van hun bevindingen. Zij stellen degenen die in het verslag worden genoemd in de gelegenheid om opmerkingen te maken ten aanzien van wezenlijke bevindingen die op henzelf betrekking hebben. Het is een ieder verboden om mededelingen te doen uit de inhoud van het concept verslag of delen daarvan die hem ter voldoening aan het bepaalde in de vorige volzin zijn voorgelegd.

5

De met het onderzoek belaste personen zijn niet aansprakelijk voor schade die het gevolg is van het verslag van de uitkomst van het onderzoek, tenzij zij met betrekking tot hun in het verslag neergelegde bevindingen of met betrekking tot het onderzoek opzettelijk onbehoorlijk hebben gehandeld dan wel met kennelijk grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:351 BW (29)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (6)

  • Hoge Raad · 3 april 2020

    Enquête SNS: verschoningsrecht en recht van rechtspersoon om inzage te weigeren

    “[…] aan SNS Reaal c.s. een bevel te geven om de desbetreffende informatie alsnog “formeel” aan de onderzoekers te verstrekken; - in welk geval de raadsheer-commissaris daarover zal beslissen nadat de onderzoekers en SNS Reaal c.s. alsmede de verschoningsgerechtigde zelf in de gelegenheid zijn gesteld zich daarover uit te laten. (rov. 3.15) Indien SNS Reaal c.s. – of anderen die op de voet van art. 2:351 lid 1 BW verplicht zijn inlichtingen te verschaffen – in een later stadium van het onderzoek met een beroep op een afgeleid verschoningsrecht aan de onderzoekers (volledige) inzage weigeren in door de onderzoekers opgevraagde stukken en zij die stukken niet “informeel” aan de onderzoekers verstrekken of hebben verstrekt, geldt het volgende. SNS Reaal c.s. – respectievelijk die anderen – dienen dan aan de onderzoekers toe te lichten – zonder dat zij de inhoud van de desbetreffende informatie hoeven prijs te geven – op grond waarvan de desbetreffende informatie onder de reikwijdte van een verschoningsrecht van een advocaat of notaris valt. De onderzoekers kunnen een geschil daarover voorleggen aan de raadsheer-commissaris door hem te verzoeken betrokkene een bevel te geven om de […]”

    r.o. 2.2 · lid 1

    “[…] aan SNS Reaal c.s. een bevel te geven om de desbetreffende informatie alsnog “formeel” aan de onderzoekers te verstrekken; - in welk geval de raadsheer-commissaris daarover zal beslissen nadat de onderzoekers en SNS Reaal c.s. alsmede de verschoningsgerechtigde zelf in de gelegenheid zijn gesteld zich daarover uit te laten. (rov. 3.15) Indien SNS Reaal c.s. – of anderen die op de voet van art. 2:351 lid 1 BW verplicht zijn inlichtingen te verschaffen – in een later stadium van het onderzoek met een beroep op een afgeleid verschoningsrecht aan de onderzoekers (volledige) inzage weigeren in door de onderzoekers opgevraagde stukken en zij die stukken niet “informeel” aan de onderzoekers verstrekken of hebben verstrekt, geldt het volgende. SNS Reaal c.s. – respectievelijk die anderen – dienen dan aan de onderzoekers toe te lichten – zonder dat zij de inhoud van de desbetreffende informatie hoeven prijs te geven – op grond waarvan de desbetreffende informatie onder de reikwijdte van een verschoningsrecht van een advocaat of notaris valt. De onderzoekers kunnen een geschil daarover voorleggen aan de raadsheer-commissaris door hem te verzoeken betrokkene een bevel te geven om de […]”

    r.o. 2.3.4 · lid 1

    “De raadsheer-commissaris kan op de voet van art. 2:350 lid 4 BW aanwijzingen geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Ten aanzien van de rechtspersoon waarop het onderzoek betrekking heeft, geeft art. 2:351 lid 1 BW de onderzoekers onder meer het recht tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan zij de kennisneming nodig achten voor een juiste vervulling van hun taak. De rechtspersoon en zijn (voormalige) bestuurders, commissarissen en werknemers zijn verplicht om mee te werken aan het onderzoek. Wanneer een onderzoeker inzage wordt geweigerd, kan de raadsheer-commissaris op grond van art. 2:352 lid 1 BW de bevelen geven die de omstandigheden nodig maken. Verschoningsrecht”

    r.o. 3.2.1 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2020:600

  • Hoge Raad · 13 juni 2014

    Enquête: geen recht op kopie gespreksopname en aanpassing verslag door gehoorde personen

    “[…] de Advocaat-Generaal onder 2.9 en 2.11. 3.5.1 Bij de beoordeling van de klachten wordt het volgende vooropgesteld. 3.5.2 De door de ondernemingskamer benoemde onderzoeker heeft op de voet van art. 2:345 lid 1 BW tot taak een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. De onderzoeksbevoegdheden van de onderzoeker zijn in de wet summier geregeld (de art. 2:351, 2:352 en 2:352a BW). De onderzoeker is, behoudens eventuele aanwijzingen van de ondernemingskamer – en inmiddels ook: de raadsheer-commissaris (art. 2:351 lid 4 BW) –, in beginsel vrij in de inrichting van het onderzoek en het verslag. Er zijn geen wettelijke voorschriften met betrekking tot de verslaglegging van verklaringen van personen die door de onderzoeker worden gehoord. 3.5.3 De Ondernemingskamer heeft "Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers" opgesteld (www.rechtspraak.nl). Daarin is vermeld dat het gaat om een – niet uitputtend – overzicht van wat de betrokken wettelijke bepalingen, jurisprudentie en overige rechtsregels voor het onderzoek kunnen meebrengen voor de onderzoeker die zijn werkzaamheden verricht naar de maatstaf van hetgeen in de […]”

    r.o. 3.4 · lid 4

    “De door de ondernemingskamer benoemde onderzoeker heeft op de voet van art. 2:345 lid 1 BW tot taak een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. De onderzoeksbevoegdheden van de onderzoeker zijn in de wet summier geregeld (de art. 2:351, 2:352 en 2:352a BW). De onderzoeker is, behoudens eventuele aanwijzingen van de ondernemingskamer – en inmiddels ook: de raadsheer-commissaris (art. 2:351 lid 4 BW) –, in beginsel vrij in de inrichting van het onderzoek en het verslag. Er zijn geen wettelijke voorschriften met betrekking tot de verslaglegging van verklaringen van personen die door de onderzoeker worden gehoord.”

    r.o. 3.5.2 · lid 4

    “[…] toepassing zijn, hangt onder meer af van de rechtspersoon, de te onderzoeken onderwerpen, de omvang en de gewenste diepgang van het onderzoek en de (aard en gevoeligheid van) (bepaalde) bevindingen. In ieder geval stelt de onderzoeker degenen die in het verslag worden genoemd in de gelegenheid opmerkingen te maken ten aanzien van wezenlijke bevindingen die op hemzelf betrekking hebben (artikel 2:351 lid 4 BW)." In de versie van 1 januari 2011 stond de laatste volzin niet.”

    r.o. 3.5.3 · lid 4

    ECLI:NL:HR:2014:1403

  • Hoge Raad · 20 november 2009

    Enquête: procedure voor bevel tot onbelemmerde inzage onderzoekers (artikel 2:352 lid 1 BW)

    “Art. 2:352 lid 1 BW geeft aan de voorzitter van de ondernemingskamer de bevoegdheid desverzocht de daarin bedoelde bevelen te geven die strekken ter handhaving van de in art. 2:351 BW aan de door de ondernemingskamer benoemde personen ter vervulling van hun onderzoekstaak verleende rechten en bevoegdheden. Dit een en ander brengt mee dat deze personen (de onderzoekers) zich op een eenvoudige en snelle wijze tot de voorzitter van de ondernemingskamer moeten kunnen wenden ter verkrijging van een dergelijk bevel. De aard van het verzoek tot deze ordemaatregel noopt in het algemeen niet tot een beslissing over geschilpunten en rechtvaardigt een informele procedure, waarin alleen de noodzaak van het bevel in verband met de omvang van de verplichting tot medewerking aan het verschaffen van gegevens eventueel ter discussie kan staan. Uit de wet vloeit derhalve, anders dan onderdeel 4a betoogt, voort dat de verzoekschriftprocedure in dit geval niet verder van toepassing is dan past bij een verzoek tot het geven van een bevel als hier bedoeld.”

    r.o. 3.5

    “Het gedeeltelijk slagen van onderdeel 4a kan niet tot cassatie leiden. De voorzitter van de ondernemingskamer heeft de curatoren in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek van de onderzoekers en aldus in overeenstemming gehandeld met hetgeen hiervoor in 3.7 over de aard en inrichting van de procedure is overwogen. Het door de voorzitter gegeven bevel richt zich alleen tot KPNQwest en haar curatoren en houdt niet meer in dan dat zij hun uit art. 2:351 lid 1, eerste zin, BW voortvloeiende verplichtingen jegens de onderzoekers dienen na te komen, zodat reeds om die reden ook niet valt in te zien welke rechtens relevante belangen van derden - waaromtrent het verzoekschrift in cassatie ook niets concreets aandraagt - hier in het geding zouden kunnen zijn. 4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 november 2009.”

    r.o. 3.8 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2009:BJ7322

  • Hoge Raad · 6 juni 2003

    Scheipar

    Enquête: voormalig bestuurder belanghebbende, economisch certificaathouder, machtiging onderzoeker bij buitenlandse dochter

    “Onderdeel 6 klaagt dat de Ondernemingskamer ten onrechte de benoemde onderzoeker heeft gemachtigd tot het raadplegen van de boeken, bescheiden, en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van SNF S.A., zulks zoals in rov. 3.9 nader is omschreven. Deze klacht is gegrond. De Ondernemingskamer heeft miskend dat in het tweede lid van art. 2:351 BW uitdrukkelijk is bepaald dat deze machtiging alleen door haar kan worden gegeven op verzoek van de door haar benoemde personen indien dit voor een juiste vervulling van hun taak nodig is. Hieruit volgt dat de Ondernemingskamer niet ambtshalve of op verzoek van de partij die voorlopige voorzieningen vraagt, deze machtiging kan verlenen, doch alleen daarover kan beslissen naar aanleiding van een eventueel verzoek van de door haar benoemde onderzoeker waarin wordt toegelicht waarom deze machtiging in verband met een behoorlijke taakvervulling van de onderzoeker(s) in het onderhavige geval noodzakelijk is en waarover de betrokken rechtspersoon zo nodig en zo mogelijk kan worden gehoord. De overige klachten van het onderdeel behoeven geen bespreking.”

    r.o. 3.8 · lid 2

    “Onderdeel 7 betoogt dat het slagen van een van de voorgaande onderdelen betekent dat ook de beschikking van 12 augustus 2002 niet in stand kan blijven. Dit betoog gaat echter niet op voor het slagen van (alleen) onderdeel 6, zodat het onderdeel faalt.”

    r.o. 3.9

    ECLI:NL:HR:2003:AF9440

  • Hoge Raad · 3 oktober 2025

    Enquête: cassatie over hoor en wederhoor door onderzoeker verworpen (artikel 81 RO)

    Een vennootschap stelde cassatieberoep in tegen een beschikking van de OK in een enquêteprocedure. Het ging volgens de inhoudsindicatie om de vraag of de onderzoeker het beginsel van hoor en wederhoor en equality of arms had geschonden (artikel 2:351 lid 4 BW). De Hoge Raad verwerpt het beroep met een artikel 81 RO-motivering, zonder inhoudelijke overwegingen.

    ECLI:NL:HR:2025:1461

  • Hoge Raad · 30 maart 2007

    Enquête: reikwijdte artikel 2:349 lid 1 BW en vrijheid OK bij omvang onderzoek

    Een stichting verzocht de OK om een enquête naar drie inmiddels failliete vennootschappen. De Hoge Raad oordeelt dat het verweer van ontbrekend voorafgaand schriftelijk bezwaar (artikel 2:349 lid 1 BW) alleen aan de rechtspersoon zelf toekomt. Daarnaast is de OK bij het bepalen van omvang en periode van het onderzoek niet strikt gebonden aan het verzoek, mits zij geen verrassingsbeslissing geeft. Beide cassatieberoepen worden verworpen.

    ECLI:NL:HR:2007:AZ8210

Conclusies van de A-G (17)

  • Parket bij de Hoge Raad · 11 juli 2025

    Enquête: hoor en wederhoor door onderzoeker en bruikbaarheid onderzoeksverslag

    “Onderdeel 1 stelt dat het oordeel van de OK in rov. 4.3 van de beschikking dat geen (wezenlijke) gebreken kleven aan het onderzoeksverslag, en dat zij dus in staat is om op basis hiervan het voorliggende geschil te beoordelen: - getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans in strijd is met het recht op hoor/wederhoor en equality of arms zoals neergelegd in art. 2:351 lid 4 BW, art. 19 Rv en art. 6 lid 1 EVRM; - althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.”

    r.o. 3.2 · lid 4

    “Een schending van art. 2:351 lid 4 BW en art. 19 Rv/art. 6 lid 1 EVRM staat daarmee vast. Art. 6 lid 1 EVRM is weliswaar niet als zodanig van toepassing op de onderzoeksfase, maar de procedure als geheel moet wel fair zijn. De werking van art. 6 lid 1 EVRM ‘straalt uit’ naar de onderzoeksfase, zodat (ook) de onderzoeker gehouden kan zijn rekening te houden met de uit dat artikel voortvloeiende procedurele normen, met name in een inquisitoire enquête als de onderhavige. Vanwege de onder 1.1 genoemde omstandigheden (zie onder 3.5 hiervoor) kon Bertona niet langer effectief kennisnemen van en commentaar leveren op “het onderzoeksverslag”. Dit hangt nauw samen met het feit dat het onderzoeksverslag in wezen het enige bewijsmiddel is dat ten grondslag ligt aan de wanbeleidoordelen van de OK en dat in de tweedefaseprocedure geen recht op tegenbewijs bestaat. De onderzoeker had daarom al in de onderzoeksfase Bertona in de gelegenheid moeten stellen haar kant van het verhaal te doen. Nu de onderzoeker dit heeft nagelaten, kleven wezenlijke gebreken aan (de totstandkoming van) het onderzoeksverslag.”

    r.o. 3.8 · lid 4

    “De wijze waarop het onderzoek moet worden verricht, is niet als zodanig in de wet geregeld. De onderzoeker is - behoudens eventuele aanwijzingen van de OK of de in art. 2:350 lid 4 BW bedoelde raadsheer-commissaris (hierna: de r-c) - in beginsel vrij in de inrichting van het onderzoek en het verslag daarvan, en in de beoordeling wie hij daarbij wanneer wenst te horen en welke gegevens hij daarbij meent nodig te hebben. Wel zijn in de rechtspraak enige (richt)lijnen ontwikkeld wat betreft de taak en werkwijze van de onderzoeker. Los daarvan kent de wet de onderzoeker, kort gezegd, de volgende verplichtingen toe: het betrachten van geheimhouding (art. 2:351 lid 3 BW); het opstellen van een verslag van het onderzoek (art. 2:351 lid 4, eerste zin BW); en het voorleggen van een concept van het verslag aan daarin genoemde personen in het kader van hoor/wederhoor, voor zover sprake is van wezenlijke bevindingen daarin die op henzelf betrekking hebben (art. 2:351 lid 4, tweede zin BW). Bij dit laatste geldt dat uit het verslag moet blijken dat is voldaan aan dat voorschrift (art. 2:353 lid 1, tweede zin BW).”

    r.o. 3.14 · leden 3, 4

    “Indien een betrokkene van mening is dat de onderzoeker niet (voldoende) rekenschap geeft van het in art. 2:351 lid 4, tweede zin BW bedoelde recht op hoor/wederhoor, kan hij zich op de voet van art. 2:350 lid 4 BW wenden tot de r-c (die zich uitsluitend op de procesmatige kant van het onderzoek richt, niet op de inhoud daarvan). De r-c kan op verlangen van verzoekers of belanghebbenden aanwijzingen geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd (art. 2:350 lid 4, tweede zin BW). De r-c kan ook op verlangen van de onderzoeker een aanwijzing geven (art. 2:350 lid 4, vierde zin BW). Ik veronderstel dat de r-c de onderzoeker een aanwijzing kan geven tot het alsnog bieden van een gelegenheid tot zulk hoor/wederhoor aan een verzoeker of een belanghebbende. Voor het overige stelt de wet geen ‘sanctie’ op niet-naleving van art. 2:351 lid 4, tweede zin BW door de onderzoeker. Overigens is mij niet gebleken dat Bertona zich in de onderhavige zaak tot de r-c heeft gewend.”

    r.o. 3.18 · lid 4

    ECLI:NL:PHR:2025:792

  • Parket bij de Hoge Raad · 3 januari 2020

    Verschoningsrecht in de enquête: inzage onderzoekers in notulen en adviezen SNS

    “De onderzoeksbevoegdheden zijn in de wet summier geregeld (art. 2:351, 2:352 en 2:352a BW). Art. 2:351 lid 1 BW geeft de onderzoekers een nagenoeg onbeperkt recht tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vennootschappen die voorwerp van het onderzoek zijn, welk recht door een bevel van de raadsheer-commissaris op de voet van art. 2:352 lid 1 BW, voor zover nodig met oplegging van een dwangsom of met bijstand van de openbare macht op grond van art. 2:352 lid 2 BW kan worden geëffectueerd. Het is de onderzoekers verboden hetgeen hun bij hun onderzoek blijkt verder bekend te maken dan hun opdracht met zich brengt (art. 2:351 lid 3 BW). Schending van deze geheimhoudingsplicht is een misdrijf (art. 272 Sr).”

    r.o. 2.7 · leden 1, 3

    “[…] opgenomen concurrentiegevoelige informatie zwaarder zou wegen dan het belang van de onderzoeker bij kennisneming ervan: “(…) Xeikon miskent dat haar belang bij geheimhouding niet afdoet aan haar wettelijke verplichting tot het verschaffen van de hier bedoelde informatie en dat de wetgever heeft voorzien in het belang van geheimhouding van vertrouwelijke gegevens door het bepaalde in artikel 2:351 lid 3 BW; het is de onderzoeker verboden hetgeen hem bij zijn onderzoek blijkt, verder bekend te maken dan zijn opdracht met zich brengt. Xeikon heeft erop gewezen dat die geheimhoudingverplichting de onderzoeker niet belet gevoelige gegevens in het verslag op te nemen. Dit is op zichzelf juist, maar geen grond voor weigering om de desbetreffende gegevens te verschaffen. Uit artikel 2:353 lid 3 BW volgt dat het aan anderen dan Xeikon is verboden mededelingen uit het verslag te doen, voor zover dat niet voor een ieder ter inzage ligt.” Een rechtspersoon die voorwerp is van onderzoek kan zich dus jegens de onderzoekers niet verschonen van het geven van inzage in stukken in de zin van art. 2:351 BW met een beroep op het concurrentiegevoelige karakter van (een deel van) de […]”

    r.o. 2.10 · lid 3

    “De rechtspersoon en zijn (voormalige) bestuurders, commissarissen en werknemers zijn op grond van art. 2:351 BW en art. 2:352 BW verplicht om mee te werken aan het onderzoek. In verband met art. 6 EVRM is in de literatuur naar aanleiding van de Saunders-uitspraak van het EHRM de vraag opgeworpen of dit meewerken niet zou kunnen neerkomen op zelfincriminatie en of betrokkenen zich, met een beroep op het nemo tenetur-beginsel, niet zouden kunnen verschonen wegens het gevaar van een civielrechtelijke vervolging. Deze vraag wordt in civielrechtelijke rechtspraak en in de enquêterechtelijke literatuur - terecht - ontkennend beantwoord. Ik wijs er bovendien op dat uit de Saunders-uitspraak volgt dat het nemo tenetur-beginsel samenhangt met het zwijgrecht en zich niet uitstrekt tot zogenoemd wilsonafhankelijk materiaal. Bij het aan onderzoekers geven van inzage in notulen, besluiten en correspondentie gaat het om dergelijk wilsonafhankelijk materiaal. Het door (voormalige) functionarissen van de betrokken vennootschappen weigeren wilsafhankelijk materiaal - inlichtingen in de vorm van het beantwoorden van vragen van de onderzoekers - te verschaffen, omdat daarmee zou worden […]”

    r.o. 2.11

    “Art. 2:351 lid 1, eerste en tweede zin, BW is ontleend aan art. 53b K (oud). Het recht van de onderzoekers tot raadpleging van boeken en bescheiden gaat nog verder terug tot de regeling van het enquêterecht van 1928 (art. 53c K in de oorspronkelijke regeling). In de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel, waarin dit recht nog was geformuleerd als een medewerkingsplicht van bestuurders, commissarissen en personen in dienst van de naamloze vennootschap, werd de bepaling als volgt toegelicht: “Het onderzoek zou in vele gevallen onmogelijk zijn, of althans niet het gewenschte licht verspreiden, zoo niet aan de in het artikel genoemde personen de aldaar omschreven verplichtingen werden opgelegd.” Deze redenering heeft ruim een eeuw later niet aan geldingskracht ingeboet.”

    r.o. 2.12 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2020:14

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 oktober 2019

    Concernenquête SNS Reaal en SNS Bank: maatstaf bevoegdheidsdoorbraak en reikwijdte onderzoek

    “[…] onderzoekers niet de opdracht kan geven om tevens het beleid en de gang van zaken van andere niet aangewezen groepsverbonden rechtspersonen formeel aan een enquête te onderwerpen. Deze rechtspersonen kunnen bij gebleken wanbeleid van de onderzochte vennootschap dan ook niet worden getroffen door voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a BW en art. 2:356 BW. Iets anders is dat de OK ingevolge art. 2:351 lid 2 BW de onderzoekers op hun verzoek bepaalde onderzoeksbevoegdheden kan verlenen ten aanzien van een rechtspersoon die nauw verbonden is met de rechtspersoon die door de OK is aangewezen als voorwerp van enquête. Die nauw verbonden rechtspersoon wordt dan echter niet zelf voorwerp van de enquête.” In art. 2:345 lid 2, 2:346 en 2:347 BW is geregeld wie bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek. Uit de tekst en strekking van deze bepalingen volgt dat de daarin opgenomen opsomming van enquêtegerechtigden limitatief is. De bevoegdheid tot het indienen van een enquêteverzoek komt slechts toe aan degenen aan wie die bevoegdheid in de wet is toegekend. De wetgever heeft bewust ervoor gekozen de kring van enquêtegerechtigden zo nauwkeurig mogelijk af te bakenen. Het […]”

    r.o. 3.3 · lid 2

    “[…] Het subonderdeel klaagt voorts dat de ondernemingskamer in rov. 3.18 heeft miskend dat in een geval als het onderhavige aan de doeleinden van het enquêterecht - in het bijzonder het verkrijgen van openheid van zaken - voldoende recht kan worden gedaan door het gelasten van een onderzoek naar het beleid van SNS Reaal ten aanzien van SNS Bank en/of door de onderzoekers op de voet van art. 2:351 lid 2 BW te machtigen tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van SNS Bank en/of Property Finance. Dit geldt volgens het subonderdeel temeer indien zoals in het onderhavige geval geen verzoek is gedaan tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen bij SNS Bank en niet te verwachten valt dat in een eventuele tweede fase van de enquêteprocedure een verzoek zal worden gedaan tot het treffen van definitieve voorzieningen.”

    r.o. 3.67 · lid 2

    “[…] ook haar beleid ten aanzien van Property Finance, voorwerp van onderzoek. In rov. 3.122 oordeelt de ondernemingskamer in dit verband dat een “een algemeen maatschappelijk belang bestaat bij het verkrijgen van openheid van zaken over het beleid en de gang van zaken van SNS Reaal c.s. en bij een eventueel oordeel van de rechter daarover” (zie ook onder 3.20 hiervoor). De mogelijkheid van art. 2:351 lid 2 BW is ook iets anders en gaat minder ver dan de concernenquête (zie onder 3.3 hiervoor).”

    r.o. 3.68 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2019:1059

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 april 2014

    Enquête: positie onderzoeker, gespreksverslagen en geluidsopnames van interviews

    “Volgens de memorie van toelichting beslist de raadsheer-commissaris steeds of en aan wie een afschrift van het verzoek wordt verstrekt en over de verdere procedure die leidt tot de beslissing op het verzoek. Hij stelt de onderzoeker in de gelegenheid zijn zienswijze te geven. Voorts dient de raadsheer-commissaris rekening te houden met het bepaalde in artikel 2:351 lid 3 BW en af te wegen of en in hoeverre de betrokkenen in het kader van een behoorlijke procesgang voldoende belang hebben bij informatie over het verzoek. In de slotzin van art. 2:350 lid 4 BW is bepaald dat tegen de beslissingen van de raadsheer-commissaris als bedoeld in dit lid geen beroep in cassatie openstaat.”

    r.o. 2.6 · lid 3

    “De artikelen 2:351, 2:352 en 2:352a BW kennen de onderzoeker een aantal bevoegdheden toe die hem in staat moeten stellen zijn taak naar behoren te vervullen. Zo heeft de onderzoeker op grond van de derde en vierde volzin van art. 2:351 lid 1 BW de bevoegdheid om de (gewezen) bestuurders en commissarissen (als die er zijn) en de (oud)werknemers van de rechtspersoon of de vennootschap te horen. Hij heeft deze bevoegdheid op grond van art. 2:351 lid 2 BW ook ten aanzien van de (gewezen) functionarissen en (oud)werknemers van de nauw verbonden rechtspersoon. Genoemde personen zijn verplicht alle inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek. Deze verplichting om medewerking te verlenen is niet in strijd met art. 6 EVRM aangezien er in de verzoekschriftprocedure op de voet van art. 2:345 BW noch in het onderzoek burgerlijke rechten en verplichtingen worden vastgesteld. Andere personen zijn niet verplicht informatie te verstrekken maar kunnen wel op verzoek van de onderzoeker als getuige door de ondernemingskamer worden gehoord op de voet van art. 2:352a BW. Ook (weigerachtige) bestuurders en commissarissen kunnen als getuige op de voet van art. 2:352a […]”

    r.o. 3.8 · leden 1, 2

    “[…] de omvang en gewenste diepgang van het onderzoek en de (aard en gevoeligheid van) (bepaalde) bevindingen. In de tweede versie van de Aandachtspunten van 2013 is hieraan het volgende toegevoegd: In ieder geval stelt de onderzoeker degenen die in het verslag worden genoemd in de gelegenheid om opmerkingen te maken ten aanzien van wezenlijke bevindingen die op henzelf betrekking hebben (artikel 2:351 lid 4 BW). ” De gespreksverslagen komen vervolgens nog terug in hoofdstuk 4 over het onderzoeksverslag. In de Aandachtspunten uit 2013 wordt in § 4.3 aanbevolen om bij het onderzoeksverslag bijlagen te voegen, zoals gespreksverslagen waaraan wezenlijke bevindingen zijn ontleend. De eerste versie van de Aandachtspunten uit 2011 spreekt uitsluitend over bijlagen die bij het onderzoeksverslag worden gevoegd.”

    r.o. 3.19 · lid 4

    “Het horen op de voet van art. 2:351 lid 1 BW van (gewezen) functionarissen en (oud)werknemers van de vennootschap is niet hetzelfde als het horen van een getuige zoals geregeld in Rv. Anders dan bij een getuigenverhoor waarbij van de getuigenverklaring op de voet van art. 180 Rv. een proces-verbaal wordt opgemaakt, is er dan ook geen op de wet gebaseerde verplichting voor de onderzoeker om van het horen van (gewezen) functionarissen en (oud)werknemers een gespreksverslag op te stellen. De bepaling van art. 180 lid 2 Rv. is dan ook niet op het gespreksverslag van toepassing. Met Hepkema meen ik dat een interviewverslag daarnaast ook een andere functie heeft dan een proces-verbaal van getuigenverhoor, nu het vooral een hulpmiddel is voor de onderzoeker bij het opstellen van het onderzoeksverslag, en bovendien de vertrouwelijkheid van de gesprekken moet worden gewaarborgd .”

    r.o. 3.39 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2014:287

  • Parket bij de Hoge Raad · 25 juni 2010

    Enquête: overdracht aandelen Luxemburgse aandeelhouder ten titel van beheer, bevoegdheid OK

    “Het vorenstaande neemt niet weg dat een Nederlandse enquête grensoverschrijdende gevolgen kan hebben, dat wil zeggen gevolgen voor (rechts)personen in het buitenland die nauw verbonden zijn met de Nederlandse vennootschap die het voorwerp van de enquête is (bijv. een moeder- of dochtervennootschap dan wel een aandeelhouder). Zo kunnen de op grond van art. 2:351 BW benoemde onderzoekers gegevens verzamelen omtrent het beleid van in het buitenland gevestigde rechtspersonen die betrekkingen hebben onderhouden met de Nederlandse rechtspersoon die het voorwerp van de enquête is, indien de onderzoekers dat voor het doel van de enquête nuttig achten.(14) Verder kunnen de door de Ondernemingskamer ingevolge art. 2:355 jo 356 BW bij gebleken wanbeleid te treffen voorzieningen extraterritoriale effecten hebben, bijvoorbeeld wanneer de voorziening van tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer gevolgen heeft voor een of meer aandeelhouders in het buitenland.”

    r.o. 3.15

    ECLI:NL:PHR:2010:BM0710

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 november 2009

    Enquête: procedure voor bevel tot onbelemmerde inzage door onderzoekers (artikel 2:352 BW)

    “Ik merk nog het volgende op. Bij de beoordeling van een verzoek als bedoeld in art. 2:352 BW geldt als uitgangspunt dat het aan de onderzoekers is overgelaten te bepalen welke informatie zij dienstig achten ten behoeve van hun onderzoek (vgl. art. 2:351 BW) en dat degenen die bij de vennootschap zijn betrokken gehouden zijn hieraan medewerking te verlenen. In geval van faillissement betekent dit n.m.m. dat de medewerking door de curatoren moet worden verleend, zoals de Voorzitter van de Ondernemingskamer in rov. 2.4 (in cassatie terecht niet bestreden) overweegt. De enige in rechte te honoreren grond om geen toegang te verlenen tot informatie die zich bij de vennootschap bevindt, is m.i. dat de onderzoekers zich daarmee buiten de grenzen van het gelaste onderzoek begeven. Gegeven de vrijheid die aan de onderzoekers wordt overgelaten en het feit dat het onderzoek in beginsel slechts naar behoren kan worden verricht indien onderzoekers ook informatie tot zich kunnen nemen die niet rechtstreeks betrekking heeft op de onderzoeksopdracht, zal het verzoek tot verkrijging van informatie die zich bij de vennootschap bevindt n.m.m. slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen worden […]”

    r.o. 3.11

    ECLI:NL:PHR:2009:BJ7322

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 maart 2007

    Enquête: beroep op artikel 2:349 lid 1 BW en tegenverzoek over onderzoeksperiode

    “Jan Rebel heeft bij op 24 juni 2005 ter griffie van de Ondernemingkamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van de ATR-vennootschappen gedurende de periode van 20 december 2002 tot en met 2 februari 2005 alsmede de onderzoeker(s) op de voet van art. 2:351 lid 2 BW te machtigen om alle boeken en bescheiden in te zien van LBF en IMCA en alle direct en indirect met deze vennootschappen verbonden (rechts)personen, althans onderzoeker(s) te instrueren die vennootschappen in het onderzoek te betrekken en daartoe desverzocht machtiging op de voet van art. 2:351 lid 2 BW te verlenen.”

    r.o. 2.1 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2007:AZ8210

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 mei 2005

    Enquête: wanbeleid, territorialiteitsbeginsel en ontbinding door de OK als afwijkende voorziening

    “[…] dient te worden dat het niet mogelijk is dat een niet naar Nederlands recht opgerichte rechtspersoon zelfstandig onderwerp wordt van een enquête. Art. 2:344 BW beperkt het enquêterecht tot de aldaar genoemde naar Nederlands recht opgerichte rechtspersonen. Er zijn niettemin mogelijkheden dat een onderzoeker ook het beleid van buitenlandse rechtspersonen in zijn onderzoek betrekt. Met name art 2:351 lid 2 BW(8) biedt hiertoe een ingang. Aangenomen wordt dat de daar geregelde machtiging tot het verkrijgen van inlichtingen over nauw verbonden rechtspersonen zich ook tot buitenlandse rechtspersonen kan uitstrekken.(9) Maeijer merkt ter relativering hiervan in dit verband op: "In het laatste geval (dat van een machtiging die zich tot een buitenlandse rechtspersoon uitstrekt, LT) zullen de onderzoekers de soevereiniteit van de buitenlandse rechtsorde hebben te respecteren; met vrijwillige medewerking van bij voorbeeld de buitenlandse rechtspersoon is echter veel te bereiken"(10). Met de gedachte van vrijwillige medewerking geeft Maeijer naar mijn inzicht aan dat buitenlandse rechtspersonen niet onder de rechtsmacht van de Nederlandse Ondernemingskamer vallen(11). Het geven van een […]”

    r.o. 3.29 · lid 2

    “[…] gesteld dat [C] en [B] dienen te worden beschouwd als "het eigen geld" van respectievelijk [aandeelhouder] (c.s.) en [verweerder] (c.s.) Wat hier verder van moge zijn, het Nederlandse recht kent de figuur van "incorporatie van eigen geld" naar mijn weten niet. Noch in de wet, noch in de literatuur is deze figuur terug te vinden. 7 Zie pagina 12 van de beschikking van de Ondernemingskamer. 8 Art. 2:351 lid 2 BW voorziet in de mogelijkheid dat de Ondernemingskamer de door haar benoemde perso(o)n(en) - na verzoek daartoe - machtigt tot "het raadplegen van de boeken en bescheiden en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van een rechtspersoon die nauw verbonden is met de rechtspersoon ten aanzien waarvan het onderzoek plaatsvindt". Door het afgeven van een dergelijke machtiging wordt de nauw verbonden rechtspersoon niet zelf ook onderwerp van enquête. Alleen komt de verplichting tot het verschaffen van inlichtingen ook te rusten op de bestuurders, commissarissen en werknemers van die nauw verbonden rechtspersoon. 9 Art. 995 Rv. verklaart de rechter van de woonplaats van de rechtspersoon bevoegd in een procedure die bij verzoekschrift dient te worden […]”

    r.o. 3.48 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2005:AT2829

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 februari 2005

    Concernenquête: enquêteverzoek van aandeelhouders van moeder tegen dochtervennootschappen

    “In zijn recente dissertatie stelt Geerts voorop dat art. 2:345 lid 1 BW niet uitdrukkelijk toestaat dat de rapporteur tevens het beleid van een andere (concern)vennootschap aan een onderzoek onderwerpt en een dergelijke uitbreiding ook niet via art. 2:351 lid 2 BW kan worden bewerkstelligd; het beleid van de nauw verbonden rechtspersoon wordt met het uitbreiden van de bevoegdheden van de onderzoeker niet zelf mede voorwerp van de enquête. Vervolgens zet hij uiteen dat bij de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête en het daaraan voorafgaande SER-advies (89/21) is gesproken over de werking van het enquêterecht in concernverhoudingen.(9)”

    r.o. 2.12 · lid 2

    “[…] de Staatssecretaris. Volgens Van den Ingh is vereenzelviging alleen toegelaten, indien daartoe een noodzaak bestaat, dat wil zeggen dat het gewenste resultaat niet op een andere manier kan worden bereikt. Aan die eis is volgens hem niet voldaan omdat zowel uit een oogpunt van onderzoek als van (onmiddelijke) voorzieningen andere wegen openstaan; hij wijst voor wat betreft het onderzoek op art. 2:351 lid 2 BW dat bevoegdheden van rapporteurs ten aanzien van nauw verbonden rechtspersonen regelt.(20) Hij concludeert - kort gezegd - dat de Ondernemingskamer zich zou moeten beperken tot het gelasten van een onderzoek bij de moedervennootschap en daaraan zou dienen toe te voegen dat het onderzoek zich mede zal uitstrekken tot het ten aanzien van haar dochters gevoerde beleid. Mijns inziens blijkt uit de hierboven geciteerde wetsgeschiedenis dat de wetgever niet heeft willen uitsluiten dat in de rechtspraak verder wordt gegaan dan Van der Ingh aangeeft. Overigens valt op dat geen van de geciteerde auteurs principieel tegen een concerngenootenquete gekant is. Het verschil van inzicht schuilt mijns inziens erin dat de betrokken auteurs van mening zijn dat voor de concernenquete een […]”

    r.o. 2.16 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2005:AR8899

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 maart 2003

    Enquête: voormalig bestuurder belanghebbende, certificaathouder, onmiddellijke voorziening en machtiging onderzoeker

    “Bij inleidend verzoekschrift dat op 3 mei 2002 ter griffie van de ondernemingskamer is ingekomen, heeft [verweerder in cassatie] de ondernemingskamer verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [naam 1] vanaf 22 april 1993 en bij wijze van onmiddellijke voorziening (a) te bepalen dat MeesPierson Trust als bestuur van [naam 1] voor de duur van het onderzoek wordt ontslagen althans geschorst met benoeming tot bestuurder van een door de ondernemingskamer te bepalen persoon, (b) te bepalen dat de aandelen in [naam 1] ten titel van beheer worden overgedragen aan een door de ondernemingskamer te benoemen persoon en (c) zodanige voorzieningen te treffen als de ondernemingskamer overigens geraden acht. Voorts heeft [verweerder in cassatie] de ondernemingskamer verzocht op voorhand machtiging te geven aan de onderzoeker als bedoeld in art. 2:351 lid 2 BW om zich van alle relevante informatie en documentatie te laten voorzien betreffende en afkomstig van SNF S.A.”

    r.o. 1.11 · lid 2

    “[…] van aandeelhouders - en het zich doen tonen van de bezittingen van die vennootschap voor zover zulks nodig is voor het verrichten van het onderzoek naar het beleid zoals hiervoor vermeld. De Ondernemingskamer overweegt in dit verband nog dat de machtiging voor SNF S.A. niet bezwarend kan zijn, zowel gezien de hiervoor weergegeven beperkte omvang van de machtiging als gezien het in artikel 2:351 lid 3 BW bepaalde dat hetgeen de onderzoeker aantreft niet verder bekend zal worden dan de opdracht aan hem meebrengt."”

    r.o. 2.53 · lid 3

    “Het onderdeel klaagt dat de ondernemingskamer ten onrechte de benoemde onderzoeker heeft gemachtigd tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevendragers en het zich doen tonen van de bezittingen van de vennootschap naar Frans recht SNF. De ondernemingskamer heeft volgens [verzoeker tot cassatie] miskend dat krachtens de duidelijk bewoordingen van art. 2:351 lid 2 BW de machtiging alleen kan worden verleend op verzoek van de onderzoeker en niet door de ondernemingskamer op voorhand. Bovendien heeft de ondernemingskamer miskend dat deze machtiging niet kan worden verleend zonder dat de vennootschap waarop de machtiging betrekking heeft, in casu SNF, is opgeroepen om op het verzoek te worden gehoord, hetgeen - aldus nog steeds het onderdeel - te meer geldt nu SNF een Franse vennootschap is, zodat oproeping van de vennootschap een voorwaarde is voor erkenning van de beschikking van de ondernemingskamer in Frankrijk (art. 34 lid 2 EEX-Vo). Ten slotte heeft de ondernemingskamer miskend dat haar rechtsmacht beperkt is tot Nederland en dat zij niet de bevoegdheid heeft een buiten Nederland gevestigde en kantoorhoudende rechtspersoon te verplichten boeken, bescheiden en […]”

    r.o. 2.54 · lid 2

    “Art. 2:351 lid 2 BW bepaalt dat de ondernemingskamer de door haar benoemde personen op hun verzoek kan machtigen tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van een rechtspersoon die nauw verbonden is met de rechtspersoon ten aanzien waarvan het onderzoek plaatsvindt. De wettekst is duidelijk: de machtiging vindt plaats op verzoek van de onderzoeker. Hij bepaalt of hij behoefte heeft aan een dergelijke machtiging. In aansluiting op Mok meen ik dat het ambtshalve verlenen van de machtiging in strijd is met de wet en - zoals Van den Ingh terecht opmerkt - niet berust op een ruime uitleg van enquêtebepalingen(41). Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen dat de onderzoeker in beginsel vrij is in de wijze waarop hij het hem opgedragen onderzoek wil instellen en in de beoordeling wie hij wenst te horen en welke gegevens hij meent nodig te hebben(42). Door de ongevraagde ambtshalve machtiging zal de onderzoeker zich niet lichtvaardig kunnen onttrekken aan het onderzoek bij de nauw verbonden rechtspersoon, terwijl hij dat onderzoek wellicht niet nodig acht(43). Wanneer de onderzoeker zich - kort gezegd - van […]”

    r.o. 2.55 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2003:AF9440

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 mei 1999

    Enquêteverzoek door curator van failliete moeder bij failliete dochtervennootschappen

    “Het eerste onderdeel is gericht tegen ro. 3.4. van de bestreden beschikking. Aldaar heeft de ondernemingskamer overwogen: “ [A] is enig aandeelhouder van de Nederlandse dochters. Mr Hamm voldoet derhalve in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] aan de in artikel 2:346 onder a BW vermelde eis dat hij tenminste een tiende deel van het geplaatste kapitaal in verweersters 2 tot en met 7 vertegenwoordigt. In voormelde hoedanigheid is hij derhalve bevoegd het verzoek in te dienen. De omstandigheid dat de curator een onderzoek naar het concernbeleid beoogt noch de omstandigheid dat de curator als zodanig is benoemd in àlle Nederlandse vennootschappen kan aan het voorgaande afdoen. De onderscheiden vennootschappen zijn afzonderlijke rechtspersonen met elk een zelfstandige verantwoordelijkheid, ook al is de verwevenheid - onder meer door de personele unie van bestuursfuncties – groot. Ook de omstandigheid dat de curator – op de voet van artikel 2:351 lid 2 BW – mede onderzoek bij [A] beoogt, kan aan het voorgaande niet afdoen.””

    r.o. 4.1.1 · lid 2

    “Het onderdeel bestrijdt deze zienswijze. Het wijst erop dat de wetgever de bevoegdheid ingevolge art. 2:345 BW een verzoekschrift tot het houden van een enquête in te dienen slechts heeft toegekend aan de in de beide volgende artikelen genoemde personen. Daartoe behoren (art. 2:346, aanhef en onder b) als het een besloten vennootschap betreft de houders van (tenminste een tiende gedeelte van) de aandelen.”

    r.o. 4.1.2

    ECLI:NL:PHR:1999:AD3052

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 december 2010

    Enquête KPNQwest: intrekking enquêteverzoek na bevel tot onderzoek, rol curatoren

    Na een bevolen enquête bij een failliete beursvennootschap trekken de verzoekers hun verzoek in en vragen zij beëindiging van het onderzoek, omdat zij met de belanghebbenden hebben geschikt. De OK wijst dit af op grond van een belangenafweging, waarbij ook het belang van de curatoren en het maatschappelijk belang meewegen. De A-G concludeert dat artikel 283 Rv ook hier geldt en dat intrekking in beginsel tot beëindiging leidt, zodat de OK te veel discretionaire ruimte heeft genomen. Hij beoordeelt de curatoren wel als belanghebbenden.

    ECLI:NL:PHR:2010:BO3356

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 juni 2026

    Enquête Nexperia: ex parte onmiddellijke voorzieningen en hoor en wederhoor (artikel 2:349a BW)

    “[…] doel. Ik licht toe. 4.19.6 In KPNQwest heeft de Hoge Raad overwogen: “De voorzitter van de ondernemingskamer [thans de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW, A-G] heeft voorts de vrijheid op de voet van art. 279 lid 1 Rv. het verzoek [als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW, dat wil zeggen een verzoek van de onderzoeker(s) tot het geven van bevelen ter handhaving van de in art. 2:351 BW aan de onderzoeker(s) ter vervulling van diens/hun onderzoekstaak verleende rechten en bevoegdheden, A-G] onmiddellijk toe te wijzen als hij van oordeel is dat het verzochte bevel op de wet is gegrond en aanstonds kan worden verleend en hij zal alleen het oproepen van belanghebbenden moeten bevelen als de mogelijkheid bestaat dat het bevel niet of niet geheel dan wel niet op de gevraagde wijze toewijsbaar is in verband met de rechten of belangen van anderen. Daarbij zal, gelet op de aard van het bevel, meestal uitsluitend aan de orde zijn of de rechtspersoon grond kan hebben de door de onderzoeker(s) verlangde medewerking te weigeren. Het bevel is immers in de eerste plaats gericht tot de te onderzoeken rechtspersoon, die de wettelijke verplichting heeft aan het onderzoek […]”

    r.o. 4.19

    “In KPNQwest heeft de Hoge Raad overwogen: “De voorzitter van de ondernemingskamer [thans de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW, A-G] heeft voorts de vrijheid op de voet van art. 279 lid 1 Rv. het verzoek [als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW, dat wil zeggen een verzoek van de onderzoeker(s) tot het geven van bevelen ter handhaving van de in art. 2:351 BW aan de onderzoeker(s) ter vervulling van diens/hun onderzoekstaak verleende rechten en bevoegdheden, A-G] onmiddellijk toe te wijzen als hij van oordeel is dat het verzochte bevel op de wet is gegrond en aanstonds kan worden verleend en hij zal alleen het oproepen van belanghebbenden moeten bevelen als de mogelijkheid bestaat dat het bevel niet of niet geheel dan wel niet op de gevraagde wijze toewijsbaar is in verband met de rechten of belangen van anderen. Daarbij zal, gelet op de aard van het bevel, meestal uitsluitend aan de orde zijn of de rechtspersoon grond kan hebben de door de onderzoeker(s) verlangde medewerking te weigeren. Het bevel is immers in de eerste plaats gericht tot de te onderzoeken rechtspersoon, die de wettelijke verplichting heeft aan het onderzoek medewerking te verlenen. Het beginsel […]”

    r.o. 4.19.6

    ECLI:NL:PHR:2026:584

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 juni 2026

    Ex parte onmiddellijke voorzieningen in enquête (Nexperia): eerlijk proces, artikel 2:349a BW

    “[…] doel. Ik licht toe. 4.19.7 In KPNQwest heeft de Hoge Raad overwogen: “De voorzitter van de ondernemingskamer [thans de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW, A-G] heeft voorts de vrijheid op de voet van art. 279 lid 1 Rv. het verzoek [als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW, dat wil zeggen een verzoek van de onderzoeker(s) tot het geven van bevelen ter handhaving van de in art. 2:351 BW aan de onderzoeker(s) ter vervulling van diens/hun onderzoekstaak verleende rechten en bevoegdheden, A-G] onmiddellijk toe te wijzen als hij van oordeel is dat het verzochte bevel op de wet is gegrond en aanstonds kan worden verleend en hij zal alleen het oproepen van belanghebbenden moeten bevelen als de mogelijkheid bestaat dat het bevel niet of niet geheel dan wel niet op de gevraagde wijze toewijsbaar is in verband met de rechten of belangen van anderen. Daarbij zal, gelet op de aard van het bevel, meestal uitsluitend aan de orde zijn of de rechtspersoon grond kan hebben de door de onderzoeker(s) verlangde medewerking te weigeren. Het bevel is immers in de eerste plaats gericht tot de te onderzoeken rechtspersoon, die de wettelijke verplichting heeft aan het onderzoek […]”

    r.o. 4.19

    “Het betoog in PI 6 dat de uitdrukkelijke wettelijke grondslag niet kan worden gevonden in art. 279 Rv kan [bestuurder/CEO] niet baten, nu, voor zover nodig, in dit geval art. 2:349a BW een toereikende wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv biedt, zoals overigens uitdrukkelijk door de OK is overwogen in de ex parte-beschikking, rov. 2.3 (“ex parte op de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen”). De ex parte-beschikking biedt geen enkel aanknopingspunt voor de lezing dat de OK haar bevoegdheid ex parte onmiddellijke voorzieningen te treffen mede zou hebben ontleend aan art. 279 Rv.”

    r.o. 4.19.1

    “In KPNQwest heeft de Hoge Raad overwogen: “De voorzitter van de ondernemingskamer [thans de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW, A-G] heeft voorts de vrijheid op de voet van art. 279 lid 1 Rv. het verzoek [als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW, dat wil zeggen een verzoek van de onderzoeker(s) tot het geven van bevelen ter handhaving van de in art. 2:351 BW aan de onderzoeker(s) ter vervulling van diens/hun onderzoekstaak verleende rechten en bevoegdheden, A-G] onmiddellijk toe te wijzen als hij van oordeel is dat het verzochte bevel op de wet is gegrond en aanstonds kan worden verleend en hij zal alleen het oproepen van belanghebbenden moeten bevelen als de mogelijkheid bestaat dat het bevel niet of niet geheel dan wel niet op de gevraagde wijze toewijsbaar is in verband met de rechten of belangen van anderen. Daarbij zal, gelet op de aard van het bevel, meestal uitsluitend aan de orde zijn of de rechtspersoon grond kan hebben de door de onderzoeker(s) verlangde medewerking te weigeren. Het bevel is immers in de eerste plaats gericht tot de te onderzoeken rechtspersoon, die de wettelijke verplichting heeft aan het onderzoek medewerking te verlenen. Het beginsel […]”

    r.o. 4.19.7

    ECLI:NL:PHR:2026:585

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 april 2024

    Conclusie A-G: wanbeleid bij LBO en fusie kinderopvangbedrijf, publiek belang en tegenstrijdig belang

    “[…] voor de gewone verzoekschriftprocedure zoveel mogelijk van toepassing zijn, wat meebrengt dat die functionaris in die tweede fase - op deugdelijke wijze - betrokken moeten worden. Dat op de voet van art. 2:350 lid 4 BW de OK (tegelijk met de met het onderzoek belaste persoon of personen) een raadsheer-commissaris benoemt, met de in deze bepaling nader geduide bevoegdheden. En dat blijkens art. 2:351 lid 4 BW degenen die in het onderzoeksverslag worden genoemd, door de onderzoeker(s) in de gelegenheid worden gesteld om opmerkingen te maken ten aanzien van wezenlijke bevindingen die op henzelf betrekking hebben. 3.109.5 Zo-even wees ik al op art. 2:9 BW. Voor interne bestuurdersaansprakelijkheid wegens onbehoorlijk bestuur op de voet van deze bepaling - dus jegens die bestuurde rechtspersoon - is, zoals bekend, vereist dat aan de (gewezen) bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of dit laatste het geval is, hangt steeds af van de omstandigheden van het geval. Deze hoge drempel/verzwaarde maatstaf biedt naar de aard een zekere bescherming aan bestuurders tegen persoonlijke aansprakelijkheid vanwege de uitoefening van bestuurstaken. En is mede ingegeven door het belang […]”

    r.o. 3.99 · lid 4

    ECLI:NL:PHR:2024:385

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 december 2022

    Enquête: reikwijdte wanbeleidsoordeel in tweede fase na beperkte onderzoeksopdracht en kostenverhaal

    “[…] een vordering op [verweerder 4] en een door Prien Holding aan Belview verstrekte lening - en de wijze waarop [verweerder 5] als (indirect) bestuurder van Prien Holding daarmee is omgesprongen, maar overwoog dat de te benoemen onderzoeker het beleid van Prien Holding met betrekking tot haar vorderingen op gelieerde (rechts)personen bij zijn onderzoek kon betrekken en zo nodig op de voet van art. 2:351 lid 2 BW de OK kon verzoeken hem te machtigen tot het raadplegen van de boeken en andere gegevensdragers van nauw verbonden rechtspersonen, zoals Belview. De OK heeft vervolgens bij wijze van onmiddellijke voorziening [verweerster 6] geschorst als bestuurder van Prien Holding, een derde tot tijdelijk bestuurder van Prien Holding benoemd en de aandelen in Prien Holding, minus een aandeel van elk van de aandeelhouders, ten titel van beheer overgedragen aan een beheerder. De aanwijzing van een onderzoeker is op verzoek van partijen vooralsnog aangehouden. Op 15 februari 2016 zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) aangewezen als respectievelijk bestuurder van Prien Holding en beheerder van aandelen.”

    r.o. 1.14 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2022:1240

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 maart 2012

    Einde tweede fase enquête en certificering van aandelen door tijdelijk beheerder

    “[…] 12 OK 25 juni 2002, LJN AG8132, ONDR 2002/52, JOR 2002/126, ARO 2002/97 (AND) 13 OK 8 augustus 2006, LJN AZ1977, JOR 2006/264, ARO 2006/151 (Bonne Route), met name rov. 3.3. 14 HR 30 maart 2007, LJN AZ8210, NJ 2007/293, ARO 2007/68, JOR 2007/138, ONDR, 2007/111 (ATR) 15 Zie P.G.F.A. Geerts, in: Groene Serie Privaatrecht - Rechtspersonen, Kluwer, art. 2:349a, aant. 3.4.1.1 en aant. 5 bij art. 2:351 BW 16 OK 24 november 2008, LJN BG5150, JOR 2009/9, ARO 2008/188 (Fortis). 17 In dezelfde zin: J.W.H. van Wijk, 'Kroniek enquêterecht 2008', in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten en D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2008-2009, Kluwer: Deventer, 2009, p. 39-40. 18 OK 24 november 2008, LJN BG5150, JOR 2009/9, ARO 2008/188 (Fortis), rov. 3.32. 19 Zie onder meer M.W. Josephus Jitta in: J.H. Nieuwenhuis, C.J.J.M. Stolker en W.L. Valk (red.), Tekst & Commentaar - Burgerlijk Wetboek (1-5), Kluwer: Deventer 2011, art. 356 BW, aant. 1. 20 TK 1984-1985, 18 905, nr. 3, p. 8. 21 TK 1984-1985, 18 905, nr. 3, p. 28. 22 Voor een uitgebreid overzicht daarover verwijs ik naar P.G.F.A. Geerts, in: Groene Serie Privaatrecht - Rechtspersonen, Kluwer, (aant. bij) art. […]”

    r.o. 3.49

    ECLI:NL:PHR:2012:BV1056

Hoven en Ondernemingskamer (6)

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 8 oktober 2026

    Geschillenregeling: deskundige verzoekt toegang administratie voor mede-aandeelhouder; verzoek afgewezen

    “De deskundige is gerechtigd tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon (art. 2:339 lid 1 BW in verbinding met art. 2:351 lid 1 BW). Wordt hem dat geweigerd, dan kan de raadsheer-commissaris op zijn verzoek de bevelen geven die de omstandigheden nodig maken (art. 2:339 lid 1 BW in verbinding met art. 2:352 lid 1 BW en art. 5.9 van de Leidraad voor deskundigen in de geschillenregeling, laatstelijk gewijzigd op 21 juli 2026; hierna: de Leidraad). Gesteld noch gebleken is dat hem die toegang is geweigerd, terwijl Laseth heeft verklaard alle informatie te zullen verstrekken die de deskundige nodig acht. Het verzoek van de deskundige strekt er evenwel niet toe dat hij zelf toegang krijgt tot de administratie. Hij vraagt een bevel aan Laseth om Kloekenland toegang tot de administratie te verlenen.”

    r.o. 2.4 · lid 1

    “De raadsheer-commissaris memoreert dat de deskundige de regie over het waarderingsproces voert (zie ook de beschikking van 23 maart 2026, rov. 2.2-2.4). Hij verricht zijn werkzaamheden zelfstandig en met voortvarendheid en waakt voor onnodige vertraging (art. 3.6 van de Leidraad). Het is verder aan de deskundige om te bepalen welke informatie voor het deskundigenonderzoek nodig is. Daartoe kan hij de bronnen raadplegen die hij nodig en nuttig acht, waaronder de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon (art. 5.5 van de Leidraad). Partijen zijn verplicht daaraan mee te werken (art. 5.6 van de Leidraad; art. 190 lid 3 Rv). Voor het raadplegen van de gegevens van nauw verbonden rechtspersonen kan de deskundige de Ondernemingskamer om een machtiging verzoeken (art. 5.7 van de Leidraad; art. 2:351 lid 2 BW), en bij weigering van inzage kan hij de raadsheer-commissaris om een bevel verzoeken (art. 5.9 van de Leidraad).”

    r.o. 2.5 · lid 2

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2960

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 6 oktober 2026

    OK wijst uittreding toe, wijst enquête en uitstoting af bij 50/50-aandeelhouders

    “De Ondernemingskamer wijst erop dat het aan de deskundige is om te bepalen welke informatie nodig is voor het deskundigenonderzoek. Daarbij kan de deskundige de bronnen – waaronder de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon – raadplegen die hij nodig en nuttig acht. De bezittingen van de rechtspersoon moeten de deskundige desverlangd worden getoond (art. 2:339 lid 1 BW in verbinding met art. 2:351 lid 1 BW). Partijen zijn verplicht mee te werken aan het deskundigenonderzoek en de informatie waar de deskundige om verzoekt met voortvarendheid te verstrekken. Indien daaraan niet wordt voldaan, kan de Ondernemingskamer daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht (art. 190 lid 3 Rv).”

    r.o. 4.15 · lid 1

    “De Ondernemingskamer wijst er verder op dat de deskundige de Ondernemingskamer zo nodig kan verzoeken hem te machtigen tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van nauw verbonden rechtspersonen (art. 2:339 lid 1 BW in verbinding met art. 2:351 lid 4 BW), zoals hier Geels en aan BEH of aan [B] gelieerde vennootschappen.”

    r.o. 4.16 · lid 4

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2965

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 18 juli 2026

    OK wijst uittredingsverzoek toe wegens verstoorde verhoudingen en geweigerde informatieverstrekking

    “De Ondernemingskamer wijst erop dat het aan de deskundige is om te bepalen welke informatie nodig is voor het deskundigenonderzoek. Daarbij kan de deskundige de bronnen – waaronder de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon – raadplegen die hij nodig en nuttig acht. De bezittingen van de rechtspersoon moeten de deskundige desverlangd worden getoond (art. 2:339 lid 1 BW in verbinding met art. 2:351 lid 1 BW). Partijen zijn verplicht mee te werken aan het deskundigenonderzoek en de informatie waar de deskundige om verzoekt met voortvarendheid te verstrekken. Indien daaraan niet wordt voldaan, kan de Ondernemingskamer daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht (art. 190 lid 3 Rv).”

    r.o. 4.14 · lid 1

    “De Ondernemingskamer wijst er verder op dat de deskundige de Ondernemingskamer zo nodig kan verzoeken hem te machtigen tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van nauw verbonden rechtspersonen (art. 2:339 lid 1 BW in verbinding met art. 2:351 lid 4 BW), zoals hier Lift2Work.”

    r.o. 4.15 · lid 4

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1752

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 14 juli 2026

    Enquête: derde verhoging onderzoeksbudget wegens wederhoor en gespannen verhoudingen

    “Wat betreft de werkzaamheden die de onderzoeker nog moet verrichten stelt de Ondernemingskamer vast dat deze werkzaamheden hoofdzakelijk zien op de verwerking van de wederhoorreacties van de partijen/betrokkenen. De onderzoeker heeft op grond van artikel 2:351 lid 4 BW de plicht om aan degenen ten aanzien van wie het verslag wezenlijke bevindingen bevat, gelegenheid te geven opmerkingen te maken over de bevindingen. Op grond van de Leidraad is de onderzoeker vervolgens verplicht inzicht te geven in ‘de wijze waarop toepassing is gegeven aan hoor en wederhoor’. De Ondernemingskamer acht het daarom van groot belang dat de onderzoeker ook dit laatste onderdeel van haar werkzaamheden zorgvuldig uit kan oefenen en kan zich, mede gelet op de omvang van het onderzoek en van de eerdere reacties van [aandeelhouder B] , alsmede diens houding ten aanzien van het concept onderzoeksrapport voorstellen dat hiermee nog enige tijd en kosten gemoeid zijn.”

    r.o. 2.8 · lid 4

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2170

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 9 maart 2026

    Enquête: aanwijzingen raadsheer-commissaris over reikwijdte onderzoek en verwerking van informatie

    “Ook op dit verzoek kan de raadsheer-commissaris slechts in algemene zin antwoorden. De onderzoeker dient te blijven binnen de grenzen van het onderzoek (zie 2.2-2.7). Daarbij is zij gerechtigd tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon (art. 2:351 lid 1 BW). Deze gegevensdragers omvatten alle documenten waarover de rechtspersoon beschikt (vgl. art. 5.4 Leidraad). Ook overigens moeten gegevensdragers van de rechtspersoon ruim worden begrepen. Op voorhand kan niet worden geoordeeld dat een privételefoon of op een privé e-mailadres niet valt onder gegevensdragers waarover de rechtspersoon beschikt. Het antwoord op de vraag of privé-apparaten moeten worden gerekend tot gegevensdragers van de rechtspersoon hangt af van de wijze waarop informatie binnen de rechtspersoon werd uitgewisseld.”

    r.o. 2.14 · lid 1

    ECLI:NL:GHAMS:2026:634

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 15 januari 2026

    Enquête tweede fase: wanbeleid joint venture, ontnomen corporate opportunity, ontslag bestuurder en kostenverhaal

    “Bij beschikking van 9 juni 2023 heeft de Ondernemingskamer op verzoek van de onderzoeker Envig aangemerkt als met En-VFA nauw verbonden rechtspersoon in de zin van artikel 2:351 lid 2 BW en de onderzoeker gemachtigd tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van Envig, het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 24.750 exclusief btw, en bepaald dat Clean Air ook deze kosten zal dienen voor te schieten.”

    r.o. 2.4 · lid 2

    ECLI:NL:GHAMS:2026:289