← Alle artikelen

Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 3. Het openbaar bod

Artikel 2:359c BW

In deze vorm in werking sinds 1 september 2017, laatst gewijzigd bij Stb. 2016, 290

1

Hij die een openbaar bod heeft uitgebracht en als aandeelhouder voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van de doelvennootschap verschaft alsmede ten minste 95% van de stemrechten van de doelvennootschap vertegenwoordigt, kan tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders een vordering instellen tot overdracht van hun aandelen aan hem. Hetzelfde geldt, indien twee of meer groepsmaatschappijen dit deel van het geplaatste kapitaal samen verschaffen en dit deel van de stemrechten samen vertegenwoordigen en zij samen de vordering instellen tot overdracht aan degene die het openbaar bod heeft uitgebracht.

2

Zijn er verschillende soorten aandelen dan kan de vordering slechts worden ingesteld ten aanzien van de soort waarvan de eiser of eisers ten minste 95% van het geplaatste kapitaal verschaffen en 95% van de stemrechten vertegenwoordigen.

3

De vordering moet binnen drie maanden na afloop van de termijn voor aanvaarding van het bod worden ingesteld.

4

Over de vordering oordeelt in eerste aanleg de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. Van de uitspraak staat uitsluitend beroep in cassatie open.

5

Indien tegen een of meer verweerders verstek is verleend, moet de rechter ambtshalve onderzoeken of de eiser of eisers de vereisten van lid 1 onderscheidenlijk lid 2 vervult of vervullen.

6

Indien de rechter oordeelt dat de leden 1 en 2 de toewijzing van de vordering niet beletten, stelt hij een billijke prijs vast voor de over te dragen aandelen op een door hem te bepalen dag. Wanneer een openbaar bod als bedoeld in artikel 5:74 van de Wet op het financieel toezicht is uitgebracht, wordt de waarde van de bij het bod geboden tegenprestatie, mits ten minste 90% van de aandelen is verworven waarop het bod betrekking had, geacht een billijke prijs te zijn. Wanneer een openbaar bod als bedoeld in artikel 5:70 van de Wet op het financieel toezicht is uitgebracht, wordt de waarde van de bij het bod geboden tegenprestatie geacht een billijke prijs te zijn. In afwijking van de tweede of derde zin kan de rechter bevelen dat een of drie deskundigen zullen berichten over de waarde van de over te dragen aandelen. De eerste drie zinnen van artikel 350 lid 3 en de artikelen 351 en 352 zijn dan van toepassing. De prijs luidt in geld. Zo lang en voor zover de prijs niet is betaald, wordt hij verhoogd met rente, gelijk aan de wettelijke rente, vanaf de dag die door de rechter is bepaald voor de vaststelling van de prijs tot de overdracht; uitkeringen op de aandelen die in dit tijdvak betaalbaar worden gesteld, strekken op de dag van betaalbaarstelling tot gedeeltelijke betaling van de prijs.

7

De rechter die de vordering toewijst, veroordeelt de overnemer aan degenen aan wie de aandelen toebehoren of zullen toebehoren de vastgestelde prijs met rente te betalen tegen levering van het onbezwaarde recht op de aandelen. De rechter geeft omtrent de kosten van het geding zodanige uitspraak als hij meent dat behoort. Een verweerder die geen verweer heeft gevoerd, wordt niet verwezen in de kosten.

8

Staat het bevel tot overdracht bij gerechtelijk gewijsde vast, dan deelt de overnemer de dag en plaats van betaalbaarstelling en de prijs schriftelijk mee aan de houders van de over te nemen aandelen van wie hij het adres kent. Hij kondigt deze ook aan in een landelijk verspreid dagblad, tenzij hij van allen het adres kent.

9

De overnemer kan zich altijd van zijn verplichtingen ingevolge de leden 7 en 8 bevrijden door de vastgestelde prijs met rente voor alle nog niet overgenomen aandelen te consigneren, onder mededeling van hem bekende rechten van pand en vruchtgebruik en de hem bekende beslagen. Door deze mededeling gaat beslag over van de aandelen op het recht op uitkering. Door het consigneren gaat het recht op de aandelen onbezwaard op hem over en gaan rechten van pand of vruchtgebruik over op het recht op uitkering. Aan aandeel- en dividendbewijzen waarop na de overgang uitkeringen betaalbaar zijn gesteld, kan nadien geen recht jegens de vennootschap meer worden ontleend. De overnemer maakt het consigneren en de prijs per aandeel op dat tijdstip bekend op de wijze van lid 8.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:359c BW (11)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (3)

  • Hoge Raad · 22 december 2023

    Uitkoop na openbaar bod: peildatum is datum betaalbaarstelling, geen strijd met EP

    “Flora c.s. hebben in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, gevorderd om de gezamenlijke houders van aandelen in het geplaatste kapitaal van NIBC Holding (hierna: de gedaagden) op grond van art. 2:359c BW te veroordelen het onbezwaarde recht op de door hen gehouden (gewone) aandelen in het geplaatste kapitaal van NIBC Holding over te dragen aan Flora Acquisition en de prijs voor de over te dragen (gewone) aandelen in het geplaatste kapitaal van NIBC Holding vast te stellen op € 7,-- per aandeel per 30 december 2020, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf die datum tot aan de datum van overdracht of consignatie.”

    r.o. 2.2

    “De ondernemingskamer heeft de gedaagden, onder wie [eiser], veroordeeld het onbezwaarde recht op de door hen gehouden aandelen in het geplaatste kapitaal van NIBC Holding over te dragen aan Flora Acquisition, de prijs vastgesteld per 30 december 2020, en wel op € 7,-- per aandeel, en bepaald dat die prijs, zolang en voor zover deze niet is betaald, wordt verhoogd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2020 tot de dag van de overdracht of consignatie van de prijs met rente overeenkomstig art. 2:359c BW. De ondernemingskamer heeft in de rov. 3.12-3.25 onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden voor het in art. 2:359c lid 6 BW bedoelde vermoeden dat de waarde van de bij het bod geboden tegenprestatie wordt geacht een billijke prijs te zijn en deze vraag bevestigend beantwoord. In de rov. 3.26-3.28 heeft de ondernemingskamer onderzocht of de daar genoemde, door [eiser] aangevoerde omstandigheden meebrengen dat van dit vermoeden moet worden afgeweken en deze vraag ontkennend beantwoord. Vervolgens heeft de ondernemingskamer over de peildatum het volgende overwogen: “Peildatum”

    r.o. 2.4 · lid 6

    “In onderhavige zaak ziet de Ondernemingskamer in het tijdsverloop sinds de betaalbaarstelling onder het Bod geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt en stelt zij de peildatum op 30 december 2020, de dag van betaalbaarstelling onder het Bod tevens de dag waarop de 95%-drempel van artikel 2:359c lid 1 BW is behaald. Van de onder 3.30 genoemde bijzondere omstandigheden is in dit geval geen sprake. Dat de beursgenoteerde aandelen van andere banken na 30 december 2020 in waarde zijn gestegen en dat [A] met betrekking tot de door hen gehouden aandelen in NIBC Holding niet de gelegenheid hebben om van eventuele vergelijkbare koersstijgingen te profiteren is niet een omstandigheid die een afwijking van het uitgangspunt kan rechtvaardigen.”

    r.o. 3.31 · lid 1

    “Art. 2:359c BW, dat de implementatie vormt van art. 15 Richtlijn 2004/25/EG (hierna: de Overnamerichtlijn), bepaalt in lid 1 dat hij die een openbaar bod heeft uitgebracht en als aandeelhouder voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van de doelvennootschap verschaft alsmede ten minste 95% van de stemrechten van de doelvennootschap vertegenwoordigt, tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders een vordering kan instellen tot overdracht van hun aandelen aan hem. Art. 2:359c lid 6 BW bepaalt dat indien er geen beletselen zijn tegen de toewijzing van de vordering, de rechter een billijke prijs vaststelt voor de over te dragen aandelen op een door hem te bepalen dag. Wanneer een openbaar bod als bedoeld in art. 5:74 Wft is uitgebracht, wordt de waarde van de bij het bod geboden tegenprestatie, mits ten minste 90% van de aandelen is verworven waarop het bod betrekking had, geacht een billijke prijs te zijn. In afwijking van het voorgaande kan de rechter bevelen dat een of drie deskundigen zullen berichten over de waarde van de over te dragen aandelen.”

    r.o. 3.2 · lid 6

    ECLI:NL:HR:2023:1824

  • Hoge Raad · 21 april 2023

    Schadeloosstelling onteigening SNS Reaal; werking 403-verklaring en achterstelling

    “De incidentele beroepen zijn gericht tegen de beslissing van de ondernemingskamer over de door belanghebbenden gemaakte kosten. Zij hebben betrekking op art. 6:11 lid 4 Wft, dat onder meer inhoudt dat de ondernemingskamer omtrent de kosten van het geding zodanige uitspraak geeft als zij meent dat behoort. Blijkens de toelichting is het vierde lid ontleend aan art. 2:92a lid 6 BW en art. 2:359c lid 7 BW. 4.2.1 In zijn uitspraak van 20 maart 2015 heeft de Hoge Raad naar aanleiding van de eerste tussenbeschikking van de ondernemingskamer over de kosten overwogen: “4.40 Kosten van deskundigen als de onderhavige kunnen (…) niet worden aangemerkt als schade in de zin van art. 6:8 Wft. Wel kunnen zij op de voet van art. 6:11 lid 4 Wft voor vergoeding in aanmerking komen als kosten van het geding. Daarbij verdient opmerking dat de ondernemingskamer bij de vaststelling van een proceskostenveroordeling in zaken als de onderhavige een grote mate van vrijheid heeft, zoals ook volgt uit de bewoordingen van art. 6:11 lid 4 Wft. Uit die bewoordingen vloeit ook voort dat zij in belangrijke mate is ontheven van haar motiveringsplicht. Wat betreft de kosten van door partijen ingeschakelde […]”

    r.o. 4.1 · lid 7

    ECLI:NL:HR:2023:649

  • Hoge Raad · 6 november 2020

    Sirowa

    Uitkoopprijs artikel 2:201a BW: abstraheren van benadelende handelingen van uitkopende aandeelhouder

    “[…] juridische of feitelijke grondslag. Zij overweegt daartoe als volgt. (rov. 2.15) De ondernemingskamer stelt voorop dat bij de vaststelling van de uitkoopprijs als uitgangspunt geldt dat [verweerder] recht heeft op een reële en redelijke vergoeding voor zijn aandelen, die op grond van art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM ‘reasonably related to its value’ moet zijn, en in de woorden van art. 2:359c BW ‘billijk’, waarmee geen andere maatstaf wordt beoogd dan die van art. 2:201a BW. Deze maatstaf vergt dat wordt voorkomen dat [verweerder] wordt gedwongen zijn aandelen aan [eiser] te leveren tegen een prijs die in overwegende mate bepaald wordt door de benadelende handelingen van [eiser] als bestuurder en meerderheidsaandeelhouder van [A]. [eiser] miskent dat de formulering ‘reasonably related to its value’ daaraan niet in de weg staat en dat die formulering strekt tot bescherming van het eigendomsrecht van de uit te kopen minderheidsaandeelhouder en niet ertoe strekt te voorkomen dat de uitkoper “te veel” zou moeten betalen. (rov. 2.16) In het tussenarrest ligt besloten dat de benadelende handelingen bij de vaststelling van de uitkoopprijs betrokken dienen te worden voor zover […]”

    r.o. 2.3

    ECLI:NL:HR:2020:1745

Conclusies van de A-G (6)

  • Parket bij de Hoge Raad · 7 juli 2023

    Conclusie: uitkoop NIBC-minderheidsaandeelhouders, billijke prijs en peildatum bij openbaar bod

    “[…] [verweerder 3] (met [eiser] hierna: [A]) en de gezamenlijke andere houders van aandelen in het geplaatste kapitaal van NIBC Holding (met [A] hierna: gedaagden) gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de OK van 6 april 2021. Flora c.s. heeft daarbij gevorderd - zakelijk weergegeven - om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: a. gedaagden, primair op grond van art. 2:359c BW en subsidiair op grond van art. 2:92a BW, te veroordelen het onbezwaarde recht op de door hen gehouden (gewone) aandelen in het geplaatste kapitaal van NIBC Holding over te dragen aan Flora Acquisition; b. primair de prijs voor de over te dragen (gewone) aandelen in het geplaatste kapitaal van NIBC Holding vast te stellen op € 7,-- per aandeel per 30 december 2020, dan wel subsidiair een andere door de OK in goede justitie te bepalen prijs per een door de OK te bepalen datum, in alle gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf die datum tot aan de datum van overdacht of consignatie; c. te bepalen dat uitkeringen die in het sub b hiervoor bedoelde tijdvak op de (gewone) aandelen in het geplaatste kapitaal van NIBC Holding betaalbaar worden gesteld, strekken tot […]”

    r.o. 2.1

    “In het dictum van het arrest (rov. 4): - veroordeelt de OK gedaagden het onbezwaarde recht op de door hen gehouden aandelen in het geplaatste kapitaal van NIBC Holding over te dragen aan Flora Acquisition; - stelt de OK de prijs vast per 30 december 2020 en wel op € 7,-- per aandeel; - bepaalt de OK dat die prijs, zolang en voor zover deze niet is betaald, wordt verhoogd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2020 tot de dag van de overdracht of consignatie van de prijs met rente overeenkomstig art. 2:359c BW; - bepaalt de OK dat eventuele uitkeringen die in laatstbedoeld tijdvak op de aandelen betaalbaar worden gesteld in mindering worden gebracht op de prijs op de dag van betaalbaarstelling; - veroordeelt de OK Flora Acquisition de vastgestelde prijs, met rente zoals vermeld, te betalen aan gedaagden of aan degene(n) aan wie de aandelen toebehoren of zullen toebehoren tegen levering van het onbezwaarde recht op die aandelen; - veroordeelt de OK [A] , kort gezegd, in de kosten van het geding; - verklaart de OK het arrest uitvoerbaar bij voorraad; - wijst de OK het meer of anders gevorderde af.”

    r.o. 2.12

    “[…] die bepaling de toewijzing van de vordering niet beletten en waarin een deskundigenbericht wordt gelast. Tot genoemde omstandigheden “kan” behoren een aanzienlijk tijdsverloop tussen de betaalbaarstelling onder het bod (of het overschrijden van de 95%-grens) en de dag van de inleidende dagvaarding.Dit nieuwe uitgangspunt is door haar eveneens gehanteerd bij uitkoopprocedures op basis van art. 2:359c BW, in welke lijn ook het bestreden arrest past: in rov. 3.29-3.30 daarvan brengt de OK haar Unit4-arrest in herinnering.”

    r.o. 3.5.2

    “[…] faalt.” En in het kader van art. 2:92a/201a BW in 2007 het volgende: “De regeling van art. 2:92a en 2:201a BW, die voorziet in een eenvoudige procedure om minderheidsaandeelhouders uit te kopen is, naar ook in het middel wordt erkend, niet in strijd met het bepaalde in art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en in art. 14 EVRM.” Dit een en ander laat zich doortrekken naar het kader van art. 2:359c BW, waarin wordt gesproken van een “billijke” prijs (lid 6).”

    r.o. 3.5.3

    ECLI:NL:PHR:2023:667

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 februari 2021

    Uitkoop artikel 2:92a BW: consignatie, verzettermijn en processueel ondeelbare rechtsverhouding

    “[…] minderheidsaandeelhouders (Omni c.s.) de OK om aan de veroordeling tot overdracht de voorwaarde te verbinden dat de overnemer (Staples) hen in de gelegenheid zou stellen de veroordeling tot overdracht vrijwillig na te komen alvorens tot consignatie over te gaan. De OK overwoog ten aanzien van het met art. 2:92a lid 8 overeenstemmende art. 2;359c lid 9 BW: “3.22 (…) De in lid 9 van artikel 2:359c BW bedoelde consignatie moet worden aangemerkt als tenuitvoerlegging van de veroordeling tot overdracht van de aandelen. Op een dergelijke tenuitvoerlegging is artikel 430 lid 3 Rv van toepassing, zodat consignatie met het beoogde rechtsgevolg niet kan plaatsvinden dan na voorafgaande betekening als in deze bepaling bedoeld. Tevens zal de overnemer aan de betrokken aandeelhouder in de regel een redelijke termijn dienen te gunnen om vrijwillig aan de veroordeling te voldoen. Elke veroordeling tot overdracht krachtens artikel 2:359c BW moet aldus worden verstaan. Van een uitzondering op voormelde regel is in deze zaak niet gebleken. (..) Naar de Ondernemingskamer aanneemt, is met dit oordeel aan het verzoek van Omni c.s. tegemoetgekomen. Voor het geval Omni c.s. niettemin op dit punt […]”

    r.o. 4.14 · lid 9

    “[…] minderheidsaandeelhouders (Omni c.s.) de OK om aan de veroordeling tot overdracht de voorwaarde te verbinden dat de overnemer (Staples) hen in de gelegenheid zou stellen de veroordeling tot overdracht vrijwillig na te komen alvorens tot consignatie over te gaan. De OK overwoog ten aanzien van het met art. 2:92a lid 8 overeenstemmende art. 2;359c lid 9 BW: “3.22 (…) De in lid 9 van artikel 2:359c BW bedoelde consignatie moet worden aangemerkt als tenuitvoerlegging van de veroordeling tot overdracht van de aandelen. Op een dergelijke tenuitvoerlegging is artikel 430 lid 3 Rv van toepassing, zodat consignatie met het beoogde rechtsgevolg niet kan plaatsvinden dan na voorafgaande betekening als in deze bepaling bedoeld. Tevens zal de overnemer aan de betrokken aandeelhouder in de regel een redelijke termijn dienen te gunnen om vrijwillig aan de veroordeling te voldoen. Elke veroordeling tot overdracht krachtens artikel 2:359c BW moet aldus worden verstaan. Van een uitzondering op voormelde regel is in deze zaak niet gebleken. (..) Naar de Ondernemingskamer aanneemt, is met dit oordeel aan het verzoek van Omni c.s. tegemoetgekomen. Voor het geval Omni c.s. niettemin op dit punt […]”

    r.o. 4.15.2 · lid 9

    “Volgens Bruining schiet de minderheidsaandeelhouder echter niet veel mee op met de regel dat de overnemer hem een redelijke termijn moet gunnen alvorens tot consignatie over te gaan: “Dat lijkt aardig voor de minderheidsaandeelhouder, maar erg veel schiet hij daar niet mee op lijkt mij. Om het onbezwaarde recht op de aandelen over te kunnen dragen, zal hij zich deze aandelen eerst moeten laten uitleveren uit het Euroclear systeem, waar notariële akte(n) aan te pas moeten komen, op kosten van de minderheidsaandeelhouder. De kans is vrij groot dat de minderheidsaandeelhouders zich die gelegenheid laten passeren en nog een aantal dagen rente extra krijgen, immers ingevolge artikel 2:359c lid 6 BW wordt de prijs verhoogd met de wettelijke rente tot aan het moment van consignatie.””

    r.o. 4.16.8 · lid 6

    “Volgens de rechtspraak van de OK moet elke veroordeling tot overdracht krachtens art. 2:359c BW − en naar mag worden aangenomen dus ook krachtens art. 2:92a BW − aldus worden verstaan, kort gezegd, dat daarin de bedoelde redelijke termijn is verdisconteerd. Toepassing van deze regel, die naar haar aard onbepaald is, kan in de praktijk tot uitvoeringsvragen aanleiding geven. In voorkomend geval zal dan (niet de OK, maar) de executierechter moeten beoordelen of de overnemer de minderheidsaandeelhouder inderdaad voldoende tijd heeft geboden om de aandelen vrijwillig aan te bieden. (iv) Onzekerheid na consignatie i.v.m. de mogelijkheid van verzet 4.19.1 Indien (zoals in dit geval) de overnemer overgaat tot consignatie op de voet van art. 2:92a lid 8 BW ter uitvoering van een arrest dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, dan doet de overnemer dit op eigen risico zolang het uitkooparrest nog geen kracht van gewijsde heeft gekregen. Indien (zoals in dit geval) het uitkooparrest niet op tegenspraak is gewezen, dan staat daartegen de mogelijkheid van verzet open en verkrijgt het arrest eerst kracht van gewijsde indien daartegen geen verzet meer openstaat. 4.19.2 Hoewel uit de […]”

    r.o. 4.18

    ECLI:NL:PHR:2021:149

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 mei 2020

    Uitkoop: prijsvaststelling en correctie voor 'tunneltjes graven' door uitkopende meerderheidsaandeelhouder

    “De Ondernemingskamer stelt voorop dat, toegesneden op het onderhavige geval, bij de vaststelling van de uitkoopprijs als uitgangspunt geldt dat [verweerder] recht heeft op een reële en redelijke vergoeding voor zijn aandelen, die op grond van artikel 1 Eerste Protocol EVRM 'reasonably related to its value’ moet zijn en in de woorden van artikel 2:359c BW ‘billijk’, waarmee geen andere maatstaf wordt beoogd dan die van artikel 2:201a BW. Deze maatstaf vergt in het onderhavige geval, zoals in het tussenarrest is geoordeeld, dat wordt voorkomen dat [verweerder] wordt gedwongen zijn aandelen aan [eiser] te leveren tegen een prijs die in overwegende mate bepaald wordt door de benadelende handelingen van [eiser] als bestuurder en meerderheidsaandeelhouder van [A] . [eiser] miskent dat de formulering ‘reasonably related to its value’ daaraan niet (…) in de weg staat en dat die formulering strekt tot bescherming van het eigendomsrecht van de uit te kopen minderheidsaandeelhouder en er niet toe strekt te voorkomen dat de uitkoper “te veel” zou moeten betalen.”

    r.o. 2.16

    “[…] BW en art. 2:201a BW bestaan kleine verschillen. Zo geldt op grond van art. 2:92a BW niet het vereiste dat ook ten minste 95% van de stemrechten in de algemene vergadering kan worden uitgeoefend, omdat het N.V.-recht, anders dan het B.V.-recht, geen stemrechtloze aandelen kent. Art. 2:92a BW laat ik verder rusten, omdat het onderhavige geval over een B.V. gaat. Daarnaast kent de wet in art. 2:359c BW een specifieke uitkoopfaciliteit voor hij die een openbaar bod heeft uitgebracht. Deze bepaling is ingevoerd ter implementatie van Richtlijn 2004/25/EG betreffende het openbaar overnamebod. Deze bepaling laat ik hier verder eveneens buiten beschouwing, omdat deze specifieke uitkoopfaciliteit na een openbaar bod niet aan de orde is in de onderhavige zaak (vgl. over art. 2:359c BW wel rov. 2.16 eindarrest). Rechtspraak over uitkoopprocedures op de voet van art. 2:92a BW of art. 2:359c BW komt in het vervolg wel aan de orde. Ik kom hierna meer in detail terug op de uitkoopregeling van art. 2:201a BW (zie onder 3.18-3.26), gecontrasteerd ook met de geschillenregeling (zie onder 3.27-3.35). Eerst bezie ik andere rechtspraak van de OK waarmee de onderhavige zaak wel in verband is […]”

    r.o. 3.2

    “[…] is van een ‘open’ of ‘besloten’ karakter. Een procedureel verschil is dat een uitstotings- of uittredingsvordering op basis van de geschillenregeling normaaltypisch een procedure kent met twee feitelijke instanties (art. 2:336 lid 3 jo. 2:343 lid 2 BW), met de mogelijkheid van cassatieberoep, terwijl de uitkoopregeling van art. 2:201a BW (idem die van art. 2:92a BW en trouwens ook die van art. 2:359c BW) slechts één feitelijke instantie kent, eveneens met de mogelijkheid van cassatieberoep. De geschillenregeling biedt overigens wel de mogelijkheid (art. 2:337 lid 2 BW voor de uitstotingsvordering en art. 2:343 lid 2 jo. 2:337 lid 2 BW voor de uittredingsvordering) om in een overeenkomst of de statuten de OK als enige feitelijke instantie aan te wijzen. In de geschillenregeling bestaat ook de mogelijkheid dat de rechter (in eerste aanleg de rechtbank en in hoger beroep de OK), in het kader van een uitstotings- of uittredingsvordering, kennisneemt van samenhangende vorderingen (art. 2:336 lid 5 jo. 2:343 lid 2 BW). De wetgever acht de OK dus op zichzelf in staat om, kort gezegd, schadevergoedingsvorderingen te beoordelen, maar dan in beginsel als appelrechter in het kader van de […]”

    r.o. 3.28

    “[…] dat de OK blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat zij voor haar beoordeling en beslissing op grond van de uitkoopregeling van art. 2:201a BW verkeerde maatstaven heeft aangelegd door in rov. 3.8 e.v. tussenarrest en rov. 2.1-2.2 eindarrest ervan uit te gaan dat in het onderhavige geval bij de vaststelling van de uitkoopprijs geen andere maatstaf is beoogd dan die van art. 2:359c BW, welke maatstaf hier vergt “dat voorkomen wordt dat [verweerder] wordt gedwongen zijn aandelen aan [eiser] te leveren tegen een prijs die in overwegende mate bepaald wordt door de benadelende handelingen van [eiser] als bestuurder en meerderheidsaandeelhouder van [A] die hemzelf hebben bevoordeeld en [verweerder] als minderheidsaandeelhouder hebben benadeeld” (rov. 2.16 en 2.19 eindarrest), reden waarom voor de hand ligt een parallel te trekken met de ratio van de billijke verhoging als bedoeld in art. 2:343 lid 4 BW van de geschillenregeling (rov. 2.17 eindarrest, rov. 3.3. tussenarrest) en “de benadelende handelingen bij de vaststelling van de koopprijs betrokken dienen te worden voor zover dat verenigbaar is met de aard en strekking van de uitkoopprocedure” zodanig dat de […]”

    r.o. 3.37

    ECLI:NL:PHR:2020:450

  • Parket bij de Hoge Raad · 24 juni 2016

    Enquêtebevoegdheid van onteigende SNS-aandeelhouders ondanks niet meer voldoen aan kapitaalseis

    “Zowel door de Staat c.s. als door SNS Reaal c.s. in de parallelzaak zijn voorbeelden genoemd. Zoals: hoe lang mag de periode tussen het verlies van het aandeelhouderschap en het indienen van het enquêteverzoek duren? Kan de benadering van de ondernemingskamer ook toepassing vinden in een situatie waarin de voormalig aandeel- of certificaathouder op grond van een rechterlijk oordeel (bijvoorbeeld op grond van art. 2:92a/201a BW, art. 2:359c BW of art. 2:336 BW) zijn belang heeft moeten overdragen? Denk verder aan het geval dat een aandeelhouder op zijn aandelen in de vennootschap een pandrecht heeft gevestigd ten gunste van de bank, tot zekerheid voor een lening die de bank aan de vennootschap verstrekt. Als gevolg van wanbeleid komt de vennootschap in financiële problemen. De bank gaat tot uitwinning van het pandrecht over, zodat de aandeelhouder zijn aandeelhouderschap verliest. Is de voormalige aandeelhouder nog enquêtebevoegd? Of denk aan het geval dat een aandeelhouder, in reactie op in zijn ogen misleidende mededelingen van de vennootschap, zijn aandelen heeft verkocht.”

    r.o. 4.33

    ECLI:NL:PHR:2016:536

  • Parket bij de Hoge Raad · 24 juni 2016

    Enquêtebevoegdheid van onteigende SNS-aandeelhouders na Interventiewet; conclusie strekt tot verwerping

    “Zowel door SNS Reaal c.s. als door de Staat c.s. in de parallelzaak zijn voorbeelden genoemd. Zoals: hoe lang mag de periode tussen het verlies van het aandeelhouderschap en het indienen van het enquêteverzoek duren? Kan de benadering van de ondernemingskamer ook toepassing vinden in een situatie waarin de voormalig aandeel- of certificaathouder op grond van een rechterlijk oordeel (bijvoorbeeld op grond van art. 2:92a/201a BW, art. 2:359c BW of art. 2:336 BW) zijn belang heeft moeten overdragen? Denk verder aan het geval dat een aandeelhouder op zijn aandelen in de vennootschap een pandrecht heeft gevestigd ten gunste van de bank, tot zekerheid voor een lening die de bank aan de vennootschap verstrekt. Als gevolg van wanbeleid komt de vennootschap in financiële problemen. De bank gaat tot uitwinning van het pandrecht over, zodat de aandeelhouder zijn aandeelhouderschap verliest. Is de voormalige aandeelhouder nog enquêtebevoegd? Of denk aan het geval dat een aandeelhouder, in reactie op in zijn ogen misleidende mededelingen van de vennootschap, zijn aandelen heeft verkocht.”

    r.o. 4.30

    ECLI:NL:PHR:2016:537

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 april 2013

    Vernietiging reserveringsbesluit prioriteitsaandeelhouder; zorgvuldigheidsplicht jegens minderheidsaandeelhouders (KLM)

    “[…] zie s.t. namens KLM c.s., noot 25 en onderdeel 4.1. 4 HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. Ma, JOR 2007, 178 m.nt. Nieuwe Weme (ABN AMRO), rov. 4.5 en 4.6. 5 Hierover P.J. van der Korst, Minderheidsaandeelhouders na een geslaagd bod, in: M.P. Nieuwe Weme e.a. (red.), Handboek Openbaar Bod (2008), p. 853 e.v. 6 HR 14 september 2007, LJN BA4117, NJ 2007, 610 (Versatel). 7 Art. 2:92a, 2:336 en 2:359c BW zijn geschreven voor de bieder/grootaandeelhouder. In dit verband is art. 5:79 Wft nog van belang op grond waarvan de bieder een jaar na het biedingsbericht geen effecten mag verwerven tegen voor de rechthebbende van die effecten gunstiger voorwaarden dan volgens het openbaar bod. Op grond van art. 56b Vrijstellingsregeling Wft worden vrijgesteld van art. 5:79 Wft bieders voor zover zij hun effecten verwerven volgens 2:92a of 2:336 BW; kennelijk is over het hoofd gezien art. 2:359c en 2:359d BW onder de vrijstelling te brengen. 8 Vgl. het biedingsbericht dat vermeldt: "The absence of an active trading market could reduce the liquidity and market value of your KLM common shares." 9 B. Bier, Uitkeringen aan aandeelhouders, 2003, p. 68. 10 HR 1 maart 2002, LJN AD9857, NJ 2002, 296 […]”

    r.o. 4.20

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ9145

Hoven en Ondernemingskamer (2)

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 29 september 2026

    Uitkoop na openbaar bod: 2:359c BW afgewezen, 2:201a BW toegewezen

    “[…] waartegen is opgeroepen heeft gewijzigd in 9 juni 2026, en voor het overige de dagvaarding in stand latend – zakelijk weergegeven – heeft gevorderd om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: gedaagden te veroordelen om het onbezwaarde recht op de aandelen in het geplaatst kapitaal van [bedrijf] waarvan zij houder zijn aan Kodiak over te dragen op grond van primair artikel 2:359c BW, dan wel subsidiair artikel 2:201a BW; de prijs van de over te dragen aandelen in het kapitaal van [bedrijf] vast te stellen op € 31,85 per aandeel, althans de prijs van de over te dragen aandelen vast te stellen in euro op een door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen bedrag per een door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen datum, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de peildatum tot aan de datum van onbezwaarde overdracht dan wel overgang van die aandelen; Kodiak te veroordelen de prijs per aandeel vermeerderd met de rente als voormeld, te betalen aan degenen aan wie de aandelen toebehoren of zullen toebehoren op de dag waarop het te wijzen arrest ten uitvoer zal worden gelegd, tegen levering door laatstbedoelde van het onbezwaarde recht op de […]”

    r.o. 1.1

    “Kodiak heeft haar vordering primair gegrond op artikel 2:359c BW en subsidiair op artikel 2:201a BW. [bedrijf] was ten tijde van het uitbrengen van het Bod een vennootschap waarvan de aandelen waren toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt zoals bedoeld in artikel 5:74 lid 1 Wft, zodat de vordering in beginsel op artikel 2:359c BW kan worden gebaseerd.”

    r.o. 3.1

    “Nu tegen de gedaagden sub 2 verstek is verleend, dient de Ondernemingskamer op grond van artikel 2:359c lid 5 BW ambtshalve te onderzoeken of (i) Kodiak een openbaar bod heeft uitgebracht, (ii) Kodiak op de dag van dagvaarding (1 mei 2026) als aandeelhouder voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van [bedrijf] verschaft en ten minste 95% van de stemrechten van [bedrijf] vertegenwoordigt en (iii) of de vordering is ingesteld tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders. In deze toets ligt tevens een ambtshalve onderzoek besloten naar de vraag of sprake is van verschillende soorten aandelen en, zo ja, of Kodiak als eiser haar vordering instelt ten aanzien van de soort aandelen waarvan zij als aandeelhouder ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van [bedrijf] verschaft en ten minste 95% van de stemrechten vertegenwoordigt, zoals bedoeld in artikel 2:359c lid 2 BW.”

    r.o. 3.2 · leden 2, 5

    “Zijn er verschillende soorten aandelen dan kan de vordering ingevolge het bepaalde in artikel 2:359c lid 2 BW slechts worden ingesteld ten aanzien van de soort waarvan de eiseres ten minste 95% van het geplaatste kapitaal verschaft en 95% van de stemrechten vertegenwoordigt. Kodiak vordert overdracht van de gewone Aandelen, maar Kodiak houdt sinds 30 april 2026 uitsluitend nog Aandelen B. Kodiak stelt zich op het standpunt dat de Aandelen B geen aandelen van een andere soort zijn dan de gewone Aandelen in de zin van artikel 2:359c lid 2 BW, en voert in dat verband aan dat de aandelen zijn ontstaan vanwege de omzetting, er geen uitgifte van nieuwe Aandelen heeft plaatsgevonden en dat de Aandelen B in alle materiële opzichten gelijk zijn aan de gewone Aandelen.”

    r.o. 3.4 · lid 2

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2761

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 30 juni 2026

    Uitkoop na openbaar bod; ADSs en CDIs als certificaten; prijsvermoeden en peildatum

    “[…] om te verschijnen ter terechtzitting van de Ondernemingskamer van 27 januari 2026 en gevorderd – zakelijk weergegeven – om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair gedaagden sub 1 tot en met 3 en sub 5 te veroordelen om het onbezwaarde recht op de aandelen in het geplaatst kapitaal van JET waarvan zij houder zijn aan MIHB over te dragen op grond van primair artikel 2:359c BW dan wel subsidiair artikel 2:201a BW; gedaagde sub 4 te veroordelen de overdracht door gedaagde sub 3 als gevorderd onder a. te gehengen en te gedogen; subsidiair gedaagden sub 1, 2, 4 en 5 te veroordelen om het onbezwaarde recht op de aandelen in het geplaatst kapitaal van JET waarvan zij houder zijn aan MIHB over te dragen op grond van primair artikel 2:359c BW dan wel subsidiair artikel 2:201a BW; gedaagde sub 3 te veroordelen de overdracht door gedaagde sub 4 als gevorderd onder c. te gehengen en te gedogen; in beide gevallen: de prijs van de over te dragen aandelen in het kapitaal van JET vast te stellen op € 20,30 per aandeel, althans de prijs van de over te dragen aandelen vast te stellen in euro op een door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen bedrag per […]”

    r.o. 1.1

    “MIHB heeft haar vordering primair gegrond op artikel 2:359c BW en subsidiair op artikel 2:201a BW. JET was ten tijde van het uitbrengen van het Bod een vennootschap waarvan de aandelen waren toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt zoals bedoeld in artikel 5:74 lid 1 Wft, zodat de vordering in beginsel op artikel 2:359c BW kan worden gebaseerd.”

    r.o. 3.1

    “Nu tegen de gedaagden verstek is verleend, dient de Ondernemingskamer op grond van artikel 2:359c lid 5 BW ambtshalve te onderzoeken of (i) MIHB een openbaar bod heeft uitgebracht, (ii) MIHB als aandeelhouder voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van JET verschaft en ten minste 95% van de stemrechten van JET vertegenwoordigt en (iii) of de vordering is ingesteld tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders. Openbaar bod”

    r.o. 3.2 · lid 5

    “Bij de toets of MIHB voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal in JET verschaft, tellen de Aandelen die JET in haar eigen kapitaal houdt ingevolge het bepaalde in artikel 2:359c BW juncto artikel 2:24d BW, niet mee. Ten tijde van het uitbrengen van het Bod hield JET 8.288.240 Aandelen in haar eigen kapitaal (zie 2.9). Vervolgens heeft JET op 25 september 2025 1.342.500 Aandelen overgedragen aan STAK (zie 2.10). Van de resterende Aandelen die JET in haar eigen kapitaal hield kwamen 409.123 Aandelen toe aan (voormalig) bestuursleden van JET en deze zijn op 9 oktober 2025 aangemeld onder het Bod en op 21 oktober 2025 overgedragen aan MIHB (zie 2.10 en 2.13). Aldus hield JET op de datum van de dagvaarding nog 6.536.617 Aandelen in haar eigen kapitaal.”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1742