Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 2. Het recht van enquête
Artikel 2:352a BW
In werking getreden op 1 januari 1994 (Stb. 1993, 597)
De met het onderzoek belaste personen kunnen de ondernemingskamer verzoeken een of meer personen als getuigen te horen. In het verzoek worden de namen en adressen van de te horen personen alsmede de feiten en omstandigheden waarover deze moeten worden gehoord vermeld. De onderzoekers zijn bevoegd bij het verhoor aanwezig te zijn en aan de getuigen vragen te stellen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:352a BW (7)
Hoge Raad (1)
Enquête: geen recht op kopie gespreksopname en aanpassing verslag door gehoorde personen
“[…] onder 2.9 en 2.11. 3.5.1 Bij de beoordeling van de klachten wordt het volgende vooropgesteld. 3.5.2 De door de ondernemingskamer benoemde onderzoeker heeft op de voet van art. 2:345 lid 1 BW tot taak een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. De onderzoeksbevoegdheden van de onderzoeker zijn in de wet summier geregeld (de art. 2:351, 2:352 en 2:352a BW). De onderzoeker is, behoudens eventuele aanwijzingen van de ondernemingskamer – en inmiddels ook: de raadsheer-commissaris (art. 2:351 lid 4 BW) –, in beginsel vrij in de inrichting van het onderzoek en het verslag. Er zijn geen wettelijke voorschriften met betrekking tot de verslaglegging van verklaringen van personen die door de onderzoeker worden gehoord. 3.5.3 De Ondernemingskamer heeft "Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers" opgesteld (www.rechtspraak.nl). Daarin is vermeld dat het gaat om een – niet uitputtend – overzicht van wat de betrokken wettelijke bepalingen, jurisprudentie en overige rechtsregels voor het onderzoek kunnen meebrengen voor de onderzoeker die zijn werkzaamheden verricht naar de maatstaf van hetgeen in de gegeven […]”
r.o. 3.4“De door de ondernemingskamer benoemde onderzoeker heeft op de voet van art. 2:345 lid 1 BW tot taak een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. De onderzoeksbevoegdheden van de onderzoeker zijn in de wet summier geregeld (de art. 2:351, 2:352 en 2:352a BW). De onderzoeker is, behoudens eventuele aanwijzingen van de ondernemingskamer – en inmiddels ook: de raadsheer-commissaris (art. 2:351 lid 4 BW) –, in beginsel vrij in de inrichting van het onderzoek en het verslag. Er zijn geen wettelijke voorschriften met betrekking tot de verslaglegging van verklaringen van personen die door de onderzoeker worden gehoord.”
r.o. 3.5.2
Conclusies van de A-G (6)
Enquête: bevel tot afgifte witness statement door bestuurder als onmiddellijke voorziening
“Bij verzoekschrift van 21 juni 2017 heeft de onderzoeker de Ondernemingskamer verzocht om op de voet van art. 2:352a BW vier getuigen te horen, onder wie [verweerder 2]. Deze is op 27 september 2017 ten overstaan van raadsheer-commissaris mr. M.M.M. Tillema als getuige gehoord.”
r.o. 1.11Verschoningsrecht in de enquête: inzage onderzoekers in notulen en adviezen SNS
“De onderzoeksbevoegdheden zijn in de wet summier geregeld (art. 2:351, 2:352 en 2:352a BW). Art. 2:351 lid 1 BW geeft de onderzoekers een nagenoeg onbeperkt recht tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vennootschappen die voorwerp van het onderzoek zijn, welk recht door een bevel van de raadsheer-commissaris op de voet van art. 2:352 lid 1 BW, voor zover nodig met oplegging van een dwangsom of met bijstand van de openbare macht op grond van art. 2:352 lid 2 BW kan worden geëffectueerd. Het is de onderzoekers verboden hetgeen hun bij hun onderzoek blijkt verder bekend te maken dan hun opdracht met zich brengt (art. 2:351 lid 3 BW). Schending van deze geheimhoudingsplicht is een misdrijf (art. 272 Sr).”
r.o. 2.7“[…] voor een beroep op het verschoningsrecht dat verband houdt met het beroepsgeheim van bijvoorbeeld advocaten en notarissen ben ik in deze oudere parlementaire geschiedenis van het enquêterecht niet tegengekomen. Dat verandert bij de invoering van de bepaling over het horen van personen als getuigen door de ondernemingskamer, die bij de herziening van het enquêterecht in 1994 is opgenomen in art. 2:352a BW. Deze bepaling is ingevoerd naar aanleiding van het Aanvullend advies wijziging enquêterecht van de Sociaal-Economische Raad (hierna: SER) uit 1989. In dat SER-advies wordt onder meer opgemerkt: “Ook in het enquêterecht moet gelden de regel van artikel 191 Rv dat een ieder getuige moet kunnen zijn en tot het afleggen van getuigenis moet kunnen worden verplicht, behoudens uiteraard de mogelijkheid van verschoning. Zo kan het noodzakelijk zijn voormalige bestuurders, commissarissen of werknemers, of buitenstaanders die tot de rechtspersoon in enigerlei (zakelijke) relatie staan of stonden (accountants, adviseurs e.d.) als getuigen te horen. De mogelijkheid tot het als getuige onder ede horen van personen in de loop van een enquêteprocedure zal naar de mening van de raad de […]”
r.o. 2.14“[…] weg dat betekenis kan toekomen aan het verschoningsrecht in het enquêterecht. Er zijn ook andere aanwijzingen die erop duiden dat aan het verschoningsrecht werking toekomt in de onderzoeksfase van de enquêteprocedure. Het mijns inziens belangrijkste argument daarvoor ligt besloten in het stelsel van de onderzoeksbevoegdheden van art. 2:351-352a BW. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2:352a BW en uit de literatuur, met name naar aanleiding van de Polisol-zaak, blijkt dat de getuige die op de voet van art. 2:352a BW wordt gehoord onder omstandigheden een beroep op het verschoningsrecht kan doen (zie onder 2.14 hiervoor). Art. 2:352 BW en art. 2:352a BW kunnen worden beschouwd als dwangmiddelen, die de onderzoekers ter beschikking staan als stok achter de deur wanneer hun wordt geweigerd overeenkomstig art. 2:351 BW de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers te raadplegen of zich de bezittingen te doen tonen of aan hen inlichtingen te verschaffen. Art. 2:352 BW en art. 2:352a BW vullen elkaar aan. Art. 2:352 BW vormt de stok achter de deur in geval van weigering inzage te verstrekken in boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en art. 2:352a BW vervult die […]”
r.o. 2.19Enquête: positie onderzoeker, gespreksverslagen en geluidsopnames van interviews
“De artikelen 2:351, 2:352 en 2:352a BW kennen de onderzoeker een aantal bevoegdheden toe die hem in staat moeten stellen zijn taak naar behoren te vervullen. Zo heeft de onderzoeker op grond van de derde en vierde volzin van art. 2:351 lid 1 BW de bevoegdheid om de (gewezen) bestuurders en commissarissen (als die er zijn) en de (oud)werknemers van de rechtspersoon of de vennootschap te horen. Hij heeft deze bevoegdheid op grond van art. 2:351 lid 2 BW ook ten aanzien van de (gewezen) functionarissen en (oud)werknemers van de nauw verbonden rechtspersoon. Genoemde personen zijn verplicht alle inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek. Deze verplichting om medewerking te verlenen is niet in strijd met art. 6 EVRM aangezien er in de verzoekschriftprocedure op de voet van art. 2:345 BW noch in het onderzoek burgerlijke rechten en verplichtingen worden vastgesteld. Andere personen zijn niet verplicht informatie te verstrekken maar kunnen wel op verzoek van de onderzoeker als getuige door de ondernemingskamer worden gehoord op de voet van art. 2:352a BW. Ook (weigerachtige) bestuurders en commissarissen kunnen als getuige op de voet van art. 2:352a […]”
r.o. 3.8Enquête: wanbeleid bij inbrengtransactie, kostenverhaal op commissaris, cassatieberoepen te verwerpen
“Onderdeel 10d onder c veronderstelt dat de OK gemeend zou hebben dat het verslag onvolledig mocht zijn, omdat enkele personen hun medewerking aan het onderzoek hebben geweigerd(28). Een dergelijke opvatting is in de bestreden beschikking niet te lezen, zodat de klacht feitelijke grondslag ontbeert. Afgezien hiervan zou de klacht toch niet kunnen slagen, omdat uit de tekst van art. 2:352a BW volgt dat het hier om een discretionaire bevoegdheid gaat(29).”
r.o. 5.3.5Enquête: hoor en wederhoor door onderzoeker en bruikbaarheid onderzoeksverslag
“Bij beschikking van 24 oktober 2022 heeft de OK onder meer: - desverzocht door de onderzoeker, op de voet van art. 2:352a BW een getuigenverhoor gelast van [betrokkene 1] , met bepaling dat dit getuigenverhoor achter gesloten deuren zal plaatsvinden, buiten aanwezigheid van partijen, belanghebbenden en hun advocaten; - de raadsheer-commissaris benoemd ten overstaan van wie het getuigenverhoor zal plaatsvinden.”
r.o. 2.13Wanbeleid door beschermingsconstructie tegen grootaandeelhouder bij beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal
“[…] beschikking (punt 19-29). Zie ook A-G Ten Kate in zijn conclusie (punt 6-7) vóór HR 15 februari 1991, NJ 1991, 341. 149 Zie bijv. HR 11 januari 1991, NJ 1991, 595 m.nt. JBMV. Zie ook Burgerlijke Rechtsvordering, G.R. Rutgers, art. 181, aant. 2, blz. 2-6; Van Mierlo, 2002 (T&C Rv.), art. 279, aant. 7 (onder f): "dan levert dat schending van het recht op". 150 Bijv. ingevolge art. 2:349a lid 1 of 2:352a BW. Zie over het onderscheid tussen de onderzoekers in de zin van art. 2:345 lid 1 BW en deskundigen in de zin van art. 194 e.v. Rv. recent D.M. Thierry, Ondernemingsrecht 2002, blz. 429-432. 151 Ter adstructie van het belang bij een deugdelijke weergave in een p.-v. wordt verwezen naar HR 18 mei 1984, NJ 1984, 514 en de conclusie van A-G Ten Kate vóór dit arrest (onder 24); HR 11 januari 1991, NJ 1991, 595 en HR 7 juni 2002, RvdW 2002, 98 waarin werd beslist dat een kantonrechter als getuige kan worden gehoord omtrent het door partijen ter comparitie besprokene wanneer daarvan geen p.-v. is opgemaakt. 152 In middelonderdeel 7 werd betoogd dat het p.-v. daarom niet "de zakelijke inhoud der afgelegde verklaringen" (art. 429g lid 3 Rv. oud) bevatte: als uit het p.-v. zou hebben […]”
r.o. 4.11