Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 1. Geschillenregeling
Artikel 2:343 BW
In deze vorm in werking sinds 1 januari 2025, laatst gewijzigd bij Stb. 2024, 174
Op verzoek van de aandeelhouder die door gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, kan de ondernemingskamer die mede-aandeelhouders bevelen de aandelen van deze aandeelhouder overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van artikel 343a over te nemen. Op verzoek van de aandeelhouder kan de ondernemingskamer ook bevelen dat de vennootschap de aandelen van de aandeelhouder overneemt op grond van gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders of van de vennootschap zelf. Het verzoek, bedoeld in de vorige zin kan evenwel niet worden toegewezen, voorzover artikel 98 of 207 aan verkrijging van de aandelen door de vennootschap in de weg staat, met dien verstande evenwel dat geen rekening wordt gehouden met het vereiste van een machtiging als bedoeld in artikel 98 lid 4 of een daarmee vergelijkbaar statutair voorschrift dan wel een na het tijdstip van indienen van het verzoek ten nadele van verzoeker tot stand gebrachte wijziging van de statuten. Bij toewijzing van het verzoek is artikel 207 lid 3 niet van toepassing.
De artikelen 336a leden 3, 4, 6 en 7, 337, 338 leden 1 en 3, 339 en 340, leden 1, 2 en 3 zijn van toepassing of van overeenkomstige toepassing.
Bij het bepalen van de prijs van de aandelen kan de ondernemingskamer desverzocht een billijke verhoging toepassen in verband met gedragingen van de verweerder, of van anderen dan de verweerder, indien aannemelijk is dat die gedragingen hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen en deze vermindering niet, of niet volledig, voor rekening van verzoeker behoort te blijven.
Bij toewijzing van het verzoek tot uittreding bevat de beschikking tevens een veroordeling van de verzoeker tot levering aan verweerders van de hun, zo nodig na toepassing van artikel 343a lid 5, over te dragen aandelen.
De ondernemingskamer kan haar beslissing op het verzoek voor een door haar te bepalen termijn aanhouden, indien ten processe blijkt dat de vennootschap of één of meer mede-aandeelhouders op zich nemen maatregelen te treffen waardoor het nadeel dat de aandeelhouder lijdt zoveel mogelijk wordt ongedaan gemaakt of beperkt.
Voor de toepassing van dit artikel wordt met aandelen en houders van aandelen gelijkgesteld certificaten van aandelen respectievelijk houders van certificaten, met dien verstande dat een aandeelhouder de ondernemingskamer niet kan verzoeken de houders van certificaten van aandelen te bevelen zijn aandelen overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van artikel 343a over te nemen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:343 BW (42)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (5)
Cassatie tegen tussenarrest OK in uittredingsprocedure niet-ontvankelijk; rechtsmiddelenverbod deskundigenbenoeming
“Voor het verloop van de procedure in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.11. Dit procesverloop komt, kort samengevat, op het volgende neer. (i) [verweerder] heeft, voor zover in cassatie van belang, gevorderd: I. JKS en DEM op de voet van art. 2:343 BW te veroordelen tot overname van de aandelen van [verweerder] in DEM, en [verweerder] te veroordelen tot levering van die aandelen aan JKS en DEM, tegen gelijktijdige betaling door JKS en DEM aan [verweerder] van de door de rechtbank vast te stellen prijs; II. benoeming van een of meer deskundigen die schriftelijk bericht zullen uitbrengen over de prijs van de aandelen. (ii) In haar vonnis van 9 juli 2014 heeft de rechtbank overwogen dat het onder I gevorderde zal worden toegewezen en dat zij op de voet van art. 2:343 lid 2 BW in verbinding met art. 2:339 BW een deskundigenbericht zal gelasten, zoals gevorderd onder II (rov. 4.12). De rechtbank heeft de zaak naar de rol verwezen en iedere verdere beslissing aangehouden. (iii) Bij vonnis in incident van 5 november 2014 heeft de rechtbank STAK toegestaan zich in de hoofdzaak aan de zijde van JKS en DEM te voegen. In de […]”
r.o. 3.1 · lid 2“Opmerking verdient dat ingevolge art. 2:339 lid 1, laatste volzin, BW tegen de deskundigenbenoeming op de voet van art. 2:343 lid 2 in verbinding met art. 2:339 lid 1 BW geen hogere voorziening openstaat. De beslissing om een deskundige te benoemen heeft betrekking op de instructie van de zaak (zie hiervoor in 3.4.1) en verzet zich naar haar aard ertegen dat het daarop betrekking hebbende rechtsmiddelenverbod wordt doorbroken met een beroep op een van de doorbrekingsgronden. Het voorgaande staat overigens niet eraan in de weg dat in het hoger beroep van het eindvonnis waarin op de voet van art. 2:340 lid 1 BW de prijs van de aandelen is bepaald, wordt aangevoerd dat het deskundigenbericht, mede gelet op art. 6 EVRM, niet aan de beslissing ten grondslag had mogen worden gelegd, bijvoorbeeld wegens omstandigheden die verband houden met de persoon van de deskundige.”
r.o. 3.6 · lid 2Overname aandelen artikel 2:343 BW: forfaitaire rentevergoeding en geen uitvoerbaarheid bij voorraad
“[Verweerder] heeft bij de rechtbank 's-Hertogenbosch een vordering aanhangig gemaakt als bedoeld in art. 2:343 BW, ertoe strekkende dat [eiser 1] en [eiser 2] worden veroordeeld de door hem gehouden aandelen in het geplaatste kapitaal van [A] en van [B] over te nemen.”
r.o. 3.2.1“De klachten van de onderdelen zijn ongegrond. Art. 2:340 lid 1 strekt ertoe dat de rechter, met inachtneming van het deskundigenbericht, zelfstandig de vergoeding vaststelt die voor de overgenomen aandelen verschuldigd is. Bij een redelijke toepassing van het in art. 2:343 BW kan de rechter bij de vaststelling van hetgeen in een geval als het onderhavige verschuldigd is rekening houden met het nadeel dat de eiser gedurende de periode tussen de overdracht van de aandelen en de definitieve vaststelling van de waarde daarvan lijdt door het gemis van het verschil tussen de vastgestelde waarde en het hem bij wijze van voorschot betaalde bedrag, en een forfaitaire vergoeding voor dat nadeel opnemen ter hoogte van de wettelijke rente. De omstandigheid dat [verweerder] geen wettelijke rente gevorderd heeft, behoefde de ondernemingskamer dus niet te weerhouden van toekenning van die vergoeding. De onderdelen falen.”
r.o. 3.3.2“Onderdeel 1 klaagt dat de ondernemingskamer ten onrechte haar arrest uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Daartoe wordt aangevoerd dat blijkens art. 2:343 lid 3 BW de (oorspronkelijke) gedaagden pas verplicht zijn de vastgestelde prijs ter overname van de aandelen te voldoen binnen twee weken nadat hun een afschrift van het onherroepelijk geworden vonnis als bedoeld in art. 2:340 lid 1 BW is betekend. De prijs van de aandelen is vastgesteld in het bestreden arrest en dat zou pas onherroepelijk zijn geworden na het ongebruikt verstrijken van de cassatietermijn, aldus de klacht.”
r.o. 3.4.1 · lid 3Sluis
Enquête: dividendbeleid, statutenwijziging en vertegenwoordiging van vennootschap bij verweer
“[…] op gedragingen van organen van de vennootschap. Voor zover de bestreden beschikking moet worden verstaan in die zin dat de afwijzing van het verzoek mede berust op de opvatting dat gedragingen als door verzoekers aan de vennootschap verweten, nimmer wanbeleid in de zin van de wet kunnen opleveren, treft het onderdeel evenzeer doel. Daargelaten of zich het geval voordoet bedoeld in artikel 2:343 lid 1 BW, kan van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen - een en ander in de zin van artikel 2:350 lid 1 - onder omstandigheden niet alleen sprake zijn indien de vennootschap gedurende een aantal jaren, zonder dat het belang van de vennootschap zulks rechtvaardigt, geen of een in verhouding tot de winst slechts gering dividend uitkeert, doch tevens indien de vennootschap op grond van een statutaire bepaling gedurende een reeks van jaren de door haar gemaakte winsten niet of slechts in geringe mate bij wege van dividend aan de aandeelhouders uitkeert zonder dat zulks (nog langer) door het vennootschappelijke belang gerechtvaardigd wordt, en zij niet aan wijziging van die statutaire bepaling wenst mede te werken.”
r.o. 3.3 · lid 1“Het middel treft derhalve doel en de beschikking van de Ondernemingskamer kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen opdat de Ondernemingskamer kan beslissen of het door verzoekers gestelde gegronde redenen oplevert om aan een juist beleid van de vennootschap te twijfelen. 4. Beslissing. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 maart 1989; verwijst het geding naar de Ondernemingskamer van dat Hof ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt de vennootschap in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van verzoekers begroot op f 400, -- aan verschotten en f 2.000, -- voor salaris. Deze beschikking is gegeven door de president Royer en de raadsheren Jansen, Baardman, Bellaart en Korthals Altes, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Jeukens op 9 juli 1990, in tegenwoordigheid van de substituut griffier Sillevis Smitt-Mülder.”
r.o. 3.4Joint venture-geschil: cassatie over uittreding en schorsing uitvoerend bestuurder verworpen
Cassatieberoep in een joint venture-geschil waarin de uittreding uit een vennootschap en de schorsing van een uitvoerend bestuurder (toetsing aan redelijkheid en billijkheid) aan de orde waren. De Hoge Raad verwerpt het beroep met toepassing van artikel 81 lid 1 RO, zonder nadere motivering. De inhoudelijke beoordeling van de Boek 2-bepalingen is daardoor niet uit het arrest zelf af te leiden.
Cassatie verworpen; waardering aandelen bij uittreding en benoeming deskundige
De Hoge Raad verwerpt met een verkorte motivering (artikel 81 RO) het cassatieberoep tegen twee arresten van het hof Amsterdam (OK) over de waardering van aandelen bij een vordering tot uittreding op grond van artikel 2:343 BW. Ook de benoeming van een deskundige en de doorbreking van het rechtsmiddelenverbod spelen volgens de inhoudsindicatie een rol. De klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Conclusies van de A-G (15)
Uitstoting en uittreding: vennootschapsbelang bij afwikkeling onderneming na vastgelopen 50/50-samenwerking
“[…] aldus bepalen van het vennootschapsbelang ook heeft voldaan aan de onder 4.21.1 hiervoor bedoelde zorgvuldigheidsverplichting jegens 2000 HH als 50%-aandeelhouder van [A] . Dit belang en deze verplichting staan immers niet los van elkaar, maar in verbinding met elkaar. 4.21.4 Het voorgaande vindt bevestiging in rov. 3.11, waar het gaat over het uittredingsverzoek. Daarvoor geldt blijkens art. 2:343 lid 1 BW als maatstaf dat de verzoeker die wil uittreden, hier dus 2000 HH als 50%-aandeelhouder van [A] , door gedragingen van een of meer mede-aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Daartoe wijs ik op het volgende. In rov. 3.11 opent de OK met de overweging dat “[g]elet op hetgeen hierboven is overwogen over de gedragingen die door 2000 HH aan haar verzoek tot uitstoting ten grondslag zijn gelegd, evenmin [kan] worden geoordeeld dat 2000 HH door gedragingen van [verweerster] c.s. zodanig in haar rechten en belangen is geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden gevergd”. Dan vervolgt de OK in rov. 3.11 aldus, […]”
r.o. 4.21 · lid 1“Het subonderdeel doelt op de volgende overweging van de Hoge Raad, die direct aansluit op diens onder 4.11.1 hiervoor geciteerde overweging: “Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (…). Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. (…).””
r.o. 4.21.1“Het voorgaande vindt bevestiging in rov. 3.11, waar het gaat over het uittredingsverzoek. Daarvoor geldt blijkens art. 2:343 lid 1 BW als maatstaf dat de verzoeker die wil uittreden, hier dus 2000 HH als 50%-aandeelhouder van [A] , door gedragingen van een of meer mede-aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Daartoe wijs ik op het volgende. In rov. 3.11 opent de OK met de overweging dat “[g]elet op hetgeen hierboven is overwogen over de gedragingen die door 2000 HH aan haar verzoek tot uitstoting ten grondslag zijn gelegd, evenmin [kan] worden geoordeeld dat 2000 HH door gedragingen van [verweerster] c.s. zodanig in haar rechten en belangen is geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden gevergd”. Dan vervolgt de OK in rov. 3.11 aldus, daarbij teruggrijpend op rov. 3.5-3.6: “Dat [betrokkene 2] de bedrijfsvoering heeft verwaarloosd is niet gebleken. Eerder moet worden geoordeeld dat [betrokkene 2] een logische conclusie heeft getrokken. Het vertrek van [betrokkene 1] als bestuurder, het daarop gevolgde vertrek van […]”
r.o. 4.21.4 · lid 1Joint venture: schorsing uitvoerend bestuurder, kapitaalstortingsbesluiten en uittreding; verwerping cassatie
“Subonderdeel 6.1 draagt het opschrift “Duurzame ontwrichting”. Het bestaat uit nrs. 6.1.1-6.1.6. Nrs. 6.1.1-6.1.5 zijn van inleidende aard. Nr. 6.1.6 bevat de klacht dat de OK de in nr. 6.1.5 genoemde “stellingen” heeft genegeerd in rov. 3.31-3.37 van het arrest. Aldus geldt dat de OK ofwel is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 2:343 BW ofwel heeft verzuimd essentiële stellingen van Windward te betrekken, dan wel de gedingstukken op onbegrijpelijke wijze heeft uitgelegd. Die “stellingen” komen neer op wat in nrs. 6.1.1-6.1.4 wordt uiteengezet over de voorwaarden voor toewijzing van een uittreedvordering uit hoofde van art. 2:343 BW (zoals dat luidde vóór 1 januari 2025) en het standpunt dat daaraan is voldaan. Voorts is in nr. 6.1.5 aan te treffen dat zonder toewijzing van de uittreedvordering volstrekt onrealistisch is dat uitzicht bestaat op een redelijke oplossing en dat de toestand in NST onhoudbaar is, aangezien van een goede samenwerking in het vennootschapsverband allang geen sprake meer is en de kans op verbetering van de relatie nihil is. Daarbij wordt verwezen naar nr. 150 van de memorie van grieven en nr. 29 van de memorie van antwoord in […]”
r.o. 3.85“[…] c.s.) essentiële stellingen bedoeld in nrs. 6.2.1-6.2.3 niet noemt in rov. 3.31 van het arrest en daarop ook niet ingaat in rov. 3.33-3.36. In nrs. 6.2.1-6.2.3 wordt uiteengezet wat Windward heeft aangevoerd in nrs. 75-89 van de dagvaarding in eerste aanleg en in nrs. 6-45, 147 van de memorie van grieven. Aldus geldt ofwel dat rov. 3.31-3.37 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting over art. 2:343 BW (pre-2025) ofwel dat de OK de hiervoor genoemde essentiële stellingen onbesproken heeft gelaten, dan wel een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de stellingen van Windward. Uit de stellingen van Windward blijkt namelijk dat sprake is van schending van joint venture-verplichtingen door Junzheng c.s. Dat is (dus) een gedraging aan de zijde van Junzheng c.s., die voor toewijzing van een uittreedvordering voldoende kan zijn, waarbij het subonderdeel terugverwijst naar nrs. 6.1.1-6.1.5 en naar de memorie van grieven, nrs. 4, 145. In nr. 6.2.5 wordt daaraan toegevoegd dat Junzheng c.s. in reactie op deze stellingen alleen heeft aangevoerd dat ze te vaag zijn en dat het feitencomplex waarnaar Windward verwijst niet alleen ziet op Junzheng, maar op alle geïntimeerden. Deze algemene […]”
r.o. 3.86“De subonderdelen falen, gelet op het volgende. 3.87.1 Subonderdeel 6.1 strandt voor zover zij behelst dat de OK moest ingaan op wat Windward c.s. heeft uiteengezet over de voorwaarden voor toewijzing van een uittreedvordering uit hoofde van art. 2:343 lid 1 BW (pre-2025). De OK moest die bepaling juist toepassen. De OK heeft in rov. 3.32 van het arrest uiteengezet hoe zij die bepaling begrijpt en toepast: voor toewijzing van de uittredingsvordering van Windward is vereist en voldoende dat zij als aandeelhouder door gedragingen van een of meer medeaandeelhouders zodanig in haar rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd, waarbij de OK overweegt dat Windward terecht aanvoert dat bijkomende zwaarwegende omstandigheden niet zijn vereist. In de klacht wordt niet concreet uiteengezet wat daar mis mee is, behoudens (in nr. 6.1.1) dat de OK een rechtsoverweging van de Hoge Raad niet uitvoerig genoeg weergeeft. Maar uit dat laatste volgt nog niet dat en waarom de OK het recht onjuist toepast. Ook overigens wordt in nrs. 6.1.1-6.1.4 van de procesinleiding niet concreet gemaakt dat en waarom de OK het […]”
r.o. 3.87 · lid 1“Subonderdeel 6.1 strandt voor zover zij behelst dat de OK moest ingaan op wat Windward c.s. heeft uiteengezet over de voorwaarden voor toewijzing van een uittreedvordering uit hoofde van art. 2:343 lid 1 BW (pre-2025). De OK moest die bepaling juist toepassen. De OK heeft in rov. 3.32 van het arrest uiteengezet hoe zij die bepaling begrijpt en toepast: voor toewijzing van de uittredingsvordering van Windward is vereist en voldoende dat zij als aandeelhouder door gedragingen van een of meer medeaandeelhouders zodanig in haar rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd, waarbij de OK overweegt dat Windward terecht aanvoert dat bijkomende zwaarwegende omstandigheden niet zijn vereist. In de klacht wordt niet concreet uiteengezet wat daar mis mee is, behoudens (in nr. 6.1.1) dat de OK een rechtsoverweging van de Hoge Raad niet uitvoerig genoeg weergeeft. Maar uit dat laatste volgt nog niet dat en waarom de OK het recht onjuist toepast. Ook overigens wordt in nrs. 6.1.1-6.1.4 van de procesinleiding niet concreet gemaakt dat en waarom de OK het recht schendt. De klacht voldoet in zoverre dus niet […]”
r.o. 3.87.1 · lid 1Uitkoop: prijsvaststelling en correctie voor 'tunneltjes graven' door uitkopende meerderheidsaandeelhouder
“In het tussenarrest ligt besloten dat de benadelende handelingen bij de vaststelling van de uitkoopprijs betrokken dienen te worden voor zover dat verenigbaar is met de aard en strekking van de uitkoopprocedure. Mede gelet op het feit dat [A] thans slechts twee aandeelhouders heeft en ten tijde van de benadelende handelingen een beperkte kring van aandeelhouders, terwijl [eiser] steeds meerderheidsaandeelhouder en bestuurder was, ligt het voor de hand een parallel te trekken met de ratio van de billijke verhoging als bedoeld in artikel 2:343 lid 4 BW. In geval van een vordering tot uittreding in het kader van de geschillenregelingsprocedure kan een billijke verhoging worden toegekend in verband met gedragingen van de andere aandeelhouders of van anderen indien aannemelijk is dat die gedragingen hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen en deze vermindering niet, of niet volledig voor rekening van de uittredende aandeelhouder behoort te blijven.”
r.o. 2.17 · lid 4“[…] in deze zaak aldus dient te worden opgelost dat vorderingen van Xeikon op derden tot vergoeding van de door deze derden toegebrachte schade bij de vaststelling van de uitkoopprijs betrokken dienen te worden voor zover dat verenigbaar is met de aard en strekking van de uitkoopprocedure. De Ondernemingskamer trekt daarbij een parallel met de ratio van de billijke verhoging als bedoeld in artikel 2:343 lid 4 BW. In geval van een vordering tot uittreding in het kader van de geschillenregelingsprocedure kan een billijke verhoging worden toegekend in verband met gedragingen van de andere aandeelhouders of van anderen indien aannemelijk is dat die gedragingen hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen en deze vermindering niet, of niet volledig voor rekening van de uittredende aandeelhouder behoort te blijven. Voor zover de billijke verhoging berust op gedragingen van anderen dan de (overblijvende) aandeelhouders acht de wetgever toekenning van een verhoging billijk omdat de overblijvende aandeelhouders de mogelijkheid behouden om de vennootschap te bewegen ter zake van die gedragingen te trachten vergoeding te verkrijgen van degene wiens […]”
r.o. 2.22 · lid 4“[…] onder omstandigheden rekening te houden met afgeleide schade, pragmatisch en uit proceseconomisch oogpunt verdedigbaar [is]”. Josephus Jitta is eveneens de mening toegedaan dat de benadering van de OK “praktisch [is] en getuigt van moed.” Schreurs schrijft over het tussenarrest in de onderhavige zaak: “Een uittreedvordering met toewijzing van een connexe vordering [hij doelt op art. 2:343 lid 4 BW, A-G] zou zuiverder geweest zijn, maar ik juich de welwillendheid van de Ondernemingskamer toe.” Ook Storm kan zich in de benadering van de OK vinden: “Mijn mening is dat het hier gaat om een vrij uitzonderlijke situatie waarop ons recht voorshands geen ander antwoord heeft dan toepassing van art. 8(2). Om aan deze situatie recht te doen moest de OK haar uitspraak inzake [A] wel in harde termen formuleren. Ik zou ook niet weten wat de uitkoper, gegeven de door de verweerder gestelde feiten en de naar het oordeel van de OK (en voor de buitenstaander bij lezing van het arrest) onvoldoende gemotiveerde betwisting, daarop nog kan afdingen. (…) De kwalificatie “onrechtmatig” komt mij in de context van deze twee uitkoopzaken ook niet misplaatst voor. Zo te zien droop de […]”
r.o. 3.5 · lid 4“[…] beperkt partijdebat zonder een mondelinge behandeling.” Ik wijs ook op Josephus Jitta: “Toch vraag ik mij af of de Ondernemingskamer zich niet te zeer door haar gebruikelijke habitus – de wens om met gebruik van open normen praktische oplossingen te bieden en andere procedures wanneer mogelijk te vermijden – heeft laten leiden. Ik zie een aantal hobbels: (i) de billijke verhoging van artikel 2:343 lid 4 BW is een bijzondere regel die niet onomstreden is, (ii) die verhoging behoeft niet de gehele door de betrokken aandeelhouder geleden schade te dekken, (iii) de betrokken aandeelhouder behoudt het recht om voor zover zijn schade hoger is dan de billijke vergoeding, vergoeding van die schade te vorderen (in welk geval verdere procedures niet worden voorkomen) en (iv) ook anderen die aandeelhouder waren kunnen als gevolg van dezelfde feiten schade hebben geleden terwijl zij op deze wijze geen vergoeding ontvangen. Daarbij is artikel 2:343 lid 4 BW veel later tot stand gekomen dan de verschillende vormen van de uitkoopprocedure en brengt het feit dat de correctie van artikel 2:343 lid 4 BW in het kader van de geschillenregeling mogelijk is gemaakt, niet mee dat die daarom ook bij […]”
r.o. 3.6 · lid 4Enquête: motivering en proportionaliteit onmiddellijke voorziening, benoeming bestuurder (art. 2:349a BW)
“Bij dagvaarding van 2 augustus 2013 heeft [verweerder] een vordering ex artikel 2:343 BW aanhangig gemaakt tegen DEM en JKS.”
r.o. 1.28“In de procedure op de voet van artikel 2:343 BW heeft de rechtbank Noord-Holland bij tussenvonnis van 9 juli 2014 overwogen dat als gevolg van gedragingen van [betrokkene 1] , toe te rekenen aan DEM en JKS, [verweerder] zodanig in zijn rechten en belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. De rechtbank achtte de vordering van [verweerder] om JKS en DEM te veroordelen tot overname van de aandelen van [verweerder] toewijsbaar en overwoog dat een deskundigenbericht zal worden gelast om de waarde van de aandelen te bepalen. Ook de gevorderde billijke verhoging achtte de rechtbank toewijsbaar en zij overwoog dat deze verhoging in de waardebepaling van de aandelen zal worden verwerkt door als peildatum te kiezen de dag voorafgaand aan het besluit van 16 januari 2012 tot uitgifte van aandelen. De rechtbank verwees de zaak vervolgens naar de rol om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de te benoemen deskundige(n), de voor te leggen vragen, de te hanteren waarderingsmaatstaf en de peildatum.”
r.o. 1.31“Bij brief van 6 oktober 2014 hebben DEM, STAK en JKS [verweerder] aansprakelijk gesteld voor schade als hij niet binnen 14 dagen de procedure op grond van artikel 2:343 BW zou doorhalen. Zij stelden dat de overnameverplichting een directe bedreiging voor de continuïteit van DEM vormt. Volgens hen zou een regeling tussen DEM en KPN, op grond waarvan DEM in plaats van een continue zekerheid van € 6 miljoen te stellen kon volstaan met het afgeven van een verklaring van haar accountant, door KPN herzien kunnen worden indien sprake is van materiele wijziging in de eigendomsverhoudingen van DEM.”
r.o. 1.32“Bij tussenvonnis van 25 maart 2015 in de procedure op de voet van artikel 2:343 BW heeft de rechtbank een deskundige benoemd. STAK had zich in deze procedure inmiddels gevoegd aan de zijde van DEM en JKS. Op 30 juni 2015 heeft [verweerder] conservatoir verhaalsbeslag doen leggen onder JKS en DEM tot zekerheid voor de betaling van de koopprijs voor de aandelen.”
r.o. 1.34Enquête: onmiddellijke voorzieningen, schorsing bestuurder en beheer van aandelen
“Onderdeel I.A.3 van het middel betoogt dat het onder I.A.1 en 1.A.2 gestelde temeer klemt als die geschillenregelingprocedure zoals in dit geval, een uittredingsprocedure (ex art. 2:343 e.v. BW) betreft en dat de verzoeker aldus juist de vennootschap zo spoedig mogelijk wenst te verlaten.”
r.o. 2.10“Deze klacht, die voortbouwt op de onderdelen I.A.1 en I.A.2, kan vanwege hetgeen ik bij die onderdelen heb aangegeven niet tot cassatie leiden. Daarbij merk ik op dat het aanhangig zijn van een uittredingsprocedure niet wegneemt dat de gang van zaken in een vennootschap zelf ordelijk dient te zijn. Hierop zijn de opgelegde nadere onmiddellijke voorzieningen gericht.”
r.o. 2.11Geschillenregeling: appelverbod deskundigenbenoeming niet te doorbreken; geen tussentijds cassatieberoep
“Zoals vermeld is de inzet van het geding tussen partijen de vordering tot overdracht van de aandelen van de minderheidsaandeelhouder [verweerder] aan de meerderheidsaandeelhouder JKS tegen gelijktijdige betaling door JKS Holding en D.E.M. aan [verweerder] van de door de rechtbank vast te stellen prijs (art. 2:343 lid 1 BW). Dit voorschrift is onderdeel van de geschillenregeling van afdeling 1 van titel 8 van boek 2 BW. Het tweede lid van art. 2:343 BW verklaart art. 2:339 BW van (overeenkomstige) toepassing. Het eerste lid van art. 2:339 BW luidt als volgt: “1. Indien de vordering wordt toegewezen benoemt de rechter een of meer deskundigen die over de prijs schriftelijk bericht moeten uitbrengen. De artikelen 194 tot en met 199 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn voor het overige van toepassing. De artikelen 351 en 352 zijn van overeenkomstige toepassing. Van het vonnis waarbij de vordering wordt toegewezen kan hoger beroep slechts worden ingesteld tegelijk met dat van het vonnis, bedoeld in artikel 340 lid 1, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Tegen de deskundigenbenoeming staat geen hogere voorziening open.””
r.o. 2.4 · leden 1, 2Uittreding artikel 2:343 BW: peildatum aandelenwaardering en benoeming deskundige in hoger beroep
“Klacht 2(g) betoogt dat een redelijke toepassing van art. 2:343 BW meebrengt dat er in het onderhavige geval ook rekening moet worden gehouden met omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de peildatum van 31 december 2008. Het zou niet redelijk zijn om zonder meer vast te houden aan de peildatum van 31 december 2008. Volgens de klacht is ‘die’ stellingname “niet, althans ondeugdelijk beoordeeld.””
r.o. 2.9Vernietiging reserveringsbesluit prioriteitsaandeelhouder; zorgvuldigheidsplicht jegens minderheidsaandeelhouders (KLM)
“[…] viel. De Hoge Raad casseerde en overwoog daartoe: "Voor zover de bestreden beschikking moet worden verstaan in die zin dat de afwijzing van het verzoek mede berust op de opvatting dat gedragingen als door verzoekers aan de vennootschap verweten, nimmer wanbeleid in de zin van de wet kunnen opleveren, treft het onderdeel evenzeer doel. Daargelaten of zich het geval voordoet bedoeld in art. 2:343 lid 1 BW, kan van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen (...) onder omstandigheden niet alleen sprake zijn indien de vennootschap gedurende een aantal jaren, zonder dat het belang van de vennootschap zulks rechtvaardigt, geen of een in verhouding tot de winst slechts gering dividend uitkeert, doch tevens indien de vennootschap op grond van een statutaire bepaling gedurende een reeks van jaren de door haar gemaakte winsten niet of slechts in geringe mate bij wege van dividend aan de aandeelhouders uitkeert zonder dat zulks (nog langer) door het vennootschappelijke belang gerechtvaardigd wordt, en zij niet aan wijziging van die statutaire bepaling wenst mede te werken."”
r.o. 3.7 · lid 1“[…] gedeeltelijk) aan de reserves toe te voegen.(35) Herhaald handelen op gespannen voet met deze gedragsnorm kan onder omstandigheden leiden tot vernietiging. Daar komt bij dat de mate waarin KLM c.s. de belangen van de minderheidsaandeelhouders bij een redelijk dividend in het dividendbeleid betrekt tevens kan meespelen bij de vraag of de minderheidsaandeelhouders met succes een vordering ex art. 2:343 BW kunnen instellen. De onderdelen falen kortom, nu zij berusten op een onjuiste rechtsopvatting. Althans voor het onderhavige besluit was het hof niet gehouden de door de onderdelen verdedigde toetsingsnorm te hanteren”
r.o. 4.15Uittreding: vergoeding ter hoogte van wettelijke rente en uitvoerbaarheid bij voorraad (artikel 2:343 BW)
“[Verweerder] heeft bij exploit van 8 november 1993 bij rechtbank Den Bosch een vordering aanhangig gemaakt als bedoeld in artikel 2:343 BW, ertoe strekkende dat [eiser 1] en [eiser 2] worden veroordeeld de door hem gehouden aandelen in het geplaatste kapitaal van [A] en van [B] over te nemen, alsmede dat [eiser 1] en [eiser 2] worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden door de onrechtmatige gedragingen van [eiser 1] en [eiser 2].”
r.o. 3.1“Afdeling 1 van titel 8 van boek 2 BW (art. 2:335 - 2:343 BW) bevat de geschillenregeling, die bedoeld is om geschillen tussen aandeelhouders op te lossen. De regeling is van toepassing op besloten vennootschappen en 'besloten' naamloze vennootschappen, die aan de vereisten van lid 2 van art. 2:335 BW voldoen. De regeling kent procedures tot uitstoting (2:336 lid 1 BW), uittreding (2:343 lid 1 BW) en gedwongen overgang van stemrecht van stemgerechtigde pandhouders of vruchtgebruikers (2:342 lid 1 BW).”
r.o. 4.2 · lid 1“Uit voornoemd citaat van art. 2:343 lid 3 BW volgt dat de levering en de betaling opeisbaar zijn vanaf het tijdstip waarop de uitspraak waarbij de prijs is vastgesteld onherroepelijk is geworden. Uw Raad heeft dat verduidelijkt in het Zondag Beheer-arrest(11), waarin op een aantal belangrijke punten over de geschillenregeling meer duidelijkheid is verschaft. Voor zover hier van belang is in het arrest bepaald dat: (a) een redelijke toepassing van art. 2:343 BW zich er niet tegen verzet dat de rechter bij de vaststelling van de waarde van de aandelen rekening houdt met omstandigheden die van invloed zijn op die waarde, maar zich hebben voorgedaan tussen het door de deskundige gehanteerde peildatum en het tijdstip waarop die overdracht waarschijnlijk zal plaatsvinden (rov. 3.3); (b) de koopsom voor de aandelen opeisbaar is als de uitspraak waarbij die prijs is vastgesteld, onherroepelijk is geworden (rov. 3.4); (c) de wettelijke rente ingevolge art. 6:81 jo. 6:119 BW pas verschuldigd is na de hiervoor onder (b) genoemde datum (rov. 3.4).”
r.o. 4.8 · lid 3“Ik kan mij niet vinden in de argumentatie van [eiser 1] en [eiser 2] dat de verplichting tot betaling van de hoofdsom al sinds de overdracht van de aandelen op 24 december 1999 opeisbaar was op grond van art. 6:38 BW en art. 7:26 lid 2 jo. 7:47 BW. De Ondernemingskamer heeft beslist conform art. 2:343 lid 1 BW, inclusief een (in feite pro forma) veroordeling tot overdracht van de aandelen en de eerdere betalingen als voorschot aangemerkt.(13) Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor. Daarmee is de gedachte dat de overeenkomst van 24 december 1999 een zelfstandige koopovereenkomst was m.b.t. de aandelen, waarvan de betaling van de hoofdsom terstond opeisbaar was, niet verenigbaar.”
r.o. 5.6 · lid 1Geschillenregeling: stelplicht bij schade door waardedaling aandelen door handelen medeaandeelhouders
“Bij vonnis van 3 mei 2006 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat van ISA en [eiseres 1] door toedoen van Global Power c.s. in redelijkheid niet meer kan worden gevergd hun aandeelhouderschap in Stroomwerk en SSB te doen voortduren en dat Global Power c.s. door hun gedragingen c.q. nalaten schade hebben toegebracht aan [eiser] c.s. Daarnaast heeft de rechtbank een deskundigenbericht bevolen om te bepalen, met inachtneming van art. 2:343 BW en de in de statuten van Stroomwerk en SSB opgenomen blokkeringsregeling, wat de waarde van de aandelen van deze vennootschappen is.”
r.o. 2.3Uitstoting minderheid via driehoeksfusie en uitkoop; artikel 1 Eerste Protocol
“[…] Koninkrijk-uitspraak(23) ruim is uitgelegd door het EHRM. Zoals ook de wetgever aangeeft, biedt daarbij de geschillenregeling de minderheidsaandeelhouder nog een zekere bescherming. Indien de minderheidsaandeelhouder kan aantonen dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, kan hij vorderen dat zijn aandelen worden overgenomen (art. 2:343 lid 1 BW). Houwen(24) en Westbroek(25) hebben gepleit voor invoering van een recht op uitkoop voor minderheidsaandeelhouders zonder overigens de stelling te betrekken dat de huidige regeling de toets van art. 1 Eerste Protocol niet zou kunnen doorstaan. Ik acht het vooral van belang dat de uitkoopregeling waarborgen biedt teneinde een adequate prijsbepaling van de aandelen te verzekeren. Ook uit Bramelid en Malmström t. Zweden valt af te leiden dat de commissie hieraan veel belang heeft gehecht: "Lastly, with regard to the circumstances of the present case, the Commission cannot overlook the fact that the price of the applicants' shares was established by qualified arbitrators, in a carefully reasoned decision and by reference to criteria which, notwithstanding the applicants' […]”
r.o. 3.20 · lid 1“Het middel keert zich tegen de rechtsoverwegingen 3.16, 3.17, 3.20, 3.21 en 3.24 van de beschikking van de Ondernemingskamer. Deze overwegingen getuigen van een schending van het recht en/of verzuim van vormen, in het bijzonder van de artt. 2:8, 2:92, 2:92a, 2:201 en 2:201a BW, alsmede art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM en art. 14 EVRM, aldus het middel.”
r.o. 4.1Artikel 2:342 BW: terugovergang stemrecht van stemgerechtigde pandhouder op aandeelhouder
Een aandeelhouder vorderde op grond van artikel 2:342 BW dat het stemrecht op verpande aandelen van de stemgerechtigde pandhouder terugkeert naar de aandeelhouders. De A-G beschrijft het kader van deze geschillenregeling: alleen eigen gedragingen van de pandhouder binnen de vennootschap tellen, er moet schade zijn aan het vennootschappelijk belang en de drempel is hoog. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep tegen de afwijzing door de OK.
Einde enquêteprocedure en niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen onmiddellijke voorzieningen (e-Traction)
“[…] van DEM en/of [verweerder 4] is door de Ondernemingskamer een beschikking gegeven waarmee het beheer van de [verweerder 4] Aandelen, zoals dat laatstelijk is bevolen bij beschikking van 23 januari 2018, wordt opgeheven met als doel [verweerder 4] in staat te stellen de [verweerder 4] Aandelen te verkopen en te leveren aan DEM zoals voorzien in deze [VSO]; (iii) vanwege het bepaalde in artikel 2:343 lid 2 BW juncto 2:338 lid 1 BW, doch uitsluitend voorzover de Notaris van oordeel is dat dit nodig is: (a) is de Uittredingsprocedure (inclusief in de verhouding tot JKS) beëindigd of (b) heeft JKS toestemming verleend voor de overdracht door [verweerder 4] van de [verweerder 4] Aandelen aan DEM of (c) heeft de Ondernemingskamer op basis van een daartoe door [verweerder 4] in te stellen incidentele vordering in de Uittredingsprocedure een uitspraak gedaan waarmee zij hetzij toestemming verleent voor de overdracht door [verweerder 4] van de [verweerder 4] Aandelen aan DEM hetzij bevestigt dat een dergelijke toestemming voor deze overdracht niet is vereist; (iv) nadat DEM aan JKS, STAK en [betrokkene 3] een kopie van de [VSO] en het finale rapport van [ [A] ] als bedoeld in artikel 1 […]”
r.o. 3.1 · lid 2“Bij arrest van 11 juni 2019 heeft de ondernemingskamer in de uittredingsprocedure die door [verweerder 4] aanhangig was gemaakt (artikel 2:343 BW) de vonnissen van de rechtbank Noord-Holland, waaronder het tussenvonnis van 9 juli 2014 en het eindvonnis van 24 mei 2017 vernietigd en de vorderingen van [verweerder 4] alsnog afgewezen op de grond dat er voor toewijzing van de vorderingen geen grondslag bestaat.”
r.o. 1.6“[…] en in de Indicatieve Waardering omdat daarin staat dat onderbouwde en consistente informatie over de DEM-groep ontbreekt en dat dit een betrouwbare inschatting van toekomstige kasstromen onmogelijk maakt; (vi) met het aangaan van de VSO de waarborgen uit de uittredingsprocedure zijn omzeild; (vii) voor levering van de aandelen toestemming van de ondernemingskamer is vereist op grond van artikel 2:343 lid 2 juncto artikel 2:338 lid 1 BW; (viii) betaling van de vastgestelde koopprijs van € 4.093.000 - zo verstaat de ondernemingskamer de stelling - onverantwoord is, in strijd komt met de wettelijke voorgeschreven uitkeringstoets van artikel 2:207 BW en de continuïteit van de onderneming van DEM op het spel zet. De uitvoering van de VSO leidt ertoe dat de DEM-groep haar activiteiten moet beëindigen omdat er gelden vrij gemaakt moeten worden om [verweerder 4] uit te kopen. [verweerder 2] is inmiddels bezig met een uitfasering van de activiteiten en koerst aan op liquidatie. Een waardering van Duff & Phelps Valuation and Corporate Finance Advisors (hierna: Duff & Phelps) van 27 mei 2019 van de waarde van de aandelen die [verweerder 4] houdt per 31 maart 2019, komt uit op een bedrag […]”
r.o. 2.8 · lid 2Bezoldiging bestuurder: Imeko-regel en afzonderlijke functie als vestigingsmanager
“[…] (hierna: [A]) op 26 november 2014 een procedure aanhangig gemaakt tegen Orthocenter. [verweerder] is enig aandeelhouder en bestuurder van [A] . [A] hield 17,2% van de aandelen in Orthocenter, welk belang als gevolg van een aandelenemissie in 2013 was verwaterd tot ongeveer 3%. [A] heeft bij de rechtbank primair veroordeling gevorderd van Orthocenter om de aandelen van [A] op de voet van art. 2:343 BW - de vordering tot uittreding in de geschillenregeling - over te nemen. Subsidiair heeft [A] een verklaring voor recht gevorderd dat de aandelenemissie jegens haar onrechtmatig is en dat Orthocenter jegens haar op de voet van art. 6:162 BW aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat. De rechtbank heeft beide vorderingen bij vonnis van 2 september 2015 afgewezen. De ondernemingskamer van het hof (hierna: de OK) heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van de uittreedvordering. Voor het overige heeft de OK zich onbevoegd verklaard van het hoger beroep kennis te nemen en de zaak verwezen naar de meervoudige burgerlijke kamer van het hof. De meervoudige burgerlijke kamer […]”
r.o. 3.3Geschillenregeling: deskundigenbenoeming bij prijsvaststelling aandelen A mag achterwege blijven
“De geschillenregeling is tezamen met het enquêterecht geregeld in titel 8 van Boek 2 BW. In de eerste afdeling (artikel 2:335 tot en met artikel 2:343 BW) is de geschillenregeling, in werking getreden op 1 januari 1989, opgenomen; het gaat er in deze regeling om dat aandeelhouders die een onoplosbaar geschil hebben uit elkaar kunnen. Dit kan door een gedwongen overdracht (artikel 2:336 e.v. BW) of een gedwongen overname (artikel 2:343 e.v. BW). In de onderhavige zaak gaat het om een gedwongen overdracht: junior dwingt senior zijn aandelen over te dragen.”
r.o. 2.3“[…] te executeren is wanneer de prijs van de aandelen niet door de rechter is vastgesteld. Nadere bezinning op dit stelsel heeft tot de conclusie geleid - zie punt 3 onder d) van de algemene toelichting hiervoor - dat de rechter, en niet de deskundigen, de prijs van de aandelen moet vaststellen, overeenkomstig het gemene recht dat is neergelegd in de artikelen 222 e.v. Rechtsvordering. In artikel 2:343 lid 1 BW over de gedwongen overname is artikel 2:339 lid 1 BW van overeenkomstige toepassing verklaard; ook bij de uittreding schrijft de wet de benoeming van deskundigen voor.”
r.o. 2.5 · lid 1
Hoven en Ondernemingskamer (21)
OK benoemt deskundige bij gezamenlijk verzoek prijsvaststelling aandelen artikel 2:343c BW
“De Ondernemingskamer zal hierna op grond van artikel 2:343c lid 3 BW in samenhang met artikel 2:343 lid 2 BW en artikel 2:339 lid 1 BW, één deskundige benoemen en deze vragen een onderzoek te verrichten naar de waarde van de aandelen en daarover schriftelijk te berichten. De Ondernemingskamer wijst in dat kader op de door de haar gepubliceerde Leidraad voor de deskundigen in de geschillenregeling (hierna: de Leidraad) die van toepassing zal zijn en waarop de deskundige acht dient te slaan.”
r.o. 3.4 · lid 2“Ingevolge artikel 2:343c lid 3 in samenhang met artikel 2:343 lid 2 BW en artikel 2:340 lid 1 BW zal de Ondernemingskamer in de beschikking waarin zij de prijs van de aandelen vaststelt, conform de afspraak tussen [Aandeelhouder 1] en [Aandeelhouder 2], bepalen dat [Aandeelhouder 1] en [Aandeelhouder 2] de kosten van het deskundigenonderzoek en -bericht moeten dragen, ieder voor de helft. Vooruitlopend daarop zal de Ondernemingskamer bepalen dat het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste komt van [Aandeelhouder 1] en [Aandeelhouder 2], ieder voor de helft.”
r.o. 3.9 · lid 2OK wijst uittreding toe, wijst enquête en uitstoting af bij 50/50-aandeelhouders
“Ten aanzien van het uittredingsverzoek overweegt de Ondernemingskamer als volgt. Voor toewijzing van het uittredingsverzoek is vereist dat [A] door gedragingen van BEH zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd (art. 2:343 lid 1 BW). In deze norm liggen een gedragscriterium, een schadecriterium en een redelijkheidscriterium besloten, die in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd. Bij de toepassing van deze norm zijn niet alleen relevant gedragingen ten aanzien waarvan de verwerende aandeelhouder een verwijt treft; ook gedragingen die zich bevinden in zijn risicosfeer kunnen leiden tot of bijdragen aan toewijzing van het verzoek (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2019:3222, Gebroeders Maassen). Het redelijkheidscriterium vergt dat de Ondernemingskamer een belangenafweging maakt tussen enerzijds het belang van de verzoekende aandeelhouder bij het eindigen van haar aandeelhouderschap en anderzijds het belang van BEH (en subsidiair BOI) om niet gedwongen te worden tot overname. In die belangenafweging wordt ook het belang van de vennootschap meegewogen.”
r.o. 4.5 · lid 1“De Ondernemingskamer zal hierna op grond van artikel 2:343 lid 2 jo. 2:339 lid 1 BW, één deskundige benoemen en deze vragen een onderzoek te verrichten naar de waarde van de aandelen en daarover schriftelijk te berichten. De Ondernemingskamer wijst in dat kader op de door de haar gepubliceerde Leidraad voor de deskundigen in de geschillenregeling (hierna: de Leidraad) die van toepassing zal zijn en waarop de deskundige acht dient te slaan.”
r.o. 4.11 · lid 2OK wijst verzoek om terug te komen van bindende eindbeslissingen in uittredingsgeschil af
“Hestia heeft bij akte verzoek heroverweging bindende eindbeslissing, tevens akte overlegging producties, van 10 augustus 2026 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat, terug te komen van de in r.o. 4.13 en 4.18 van de beschikking van 16 juli 2026 gegeven bindende eindbeslissingen en alsnog – samengevat- : 1. primair de samenhangende vordering van Hestia met betrekking tot de ontwikkelingsopdrachten toe te wijzen en Buurtwonen c.s. dan wel Buurtzorg te veroordelen tot betaling aan Hestia van een bedrag van € 1.017.793,23, althans een in goede justitie te betalen bedrag, vermeerderd met rente en kosten en subsidiair Hestia alsnog in de gelegenheid te stellen haar stellingen met betrekking tot de ontwikkelingsopdrachten te bewijzen; 2. te bepalen dat de deskundige die over de prijs van de door Hestia gehouden aandelen in Buurtwonen bericht zal uitbrengen bij de waardering een billijke verhoging in de zin van art. 2:343 lid 3 BW in aanmerking zal nemen.”
r.o. 2.1 · lid 3OK wijst verzoek voorlopig getuigenverhoor af ter voorbereiding van uittreding en enquête
“Corvallis (althans haar rechtsvoorganger) heeft in 2022 van TTB 25% van de aandelen in de Vennootschap verworven voor een bedrag van € 63 miljoen. TTB houdt nog altijd 55% van de aandelen in de Vennootschap. Nadat in 2023 een persoonlijk conflict tussen de UBO’s van Corvallis en TTB was ontstaan en de resultaten van de Vennootschap (ver) waren achtergebleven bij de prognoses, heeft Corvallis in 2024 te kennen gegeven haar belang in de Vennootschap te willen verkopen. Zij meent dat de Vennootschap het verkoopproces traineert en bemoeilijkt en dat de governance van de Vennootschap niet goed functioneert. Zij verzoekt de Ondernemingskamer een voorlopig getuigenverhoor te bevelen om te onderzoeken of zij met succes een uittredingsprocedure in de zin van art. 2:343 BW en/of een enquêteprocedure in de zin van art. 2:344 BW kan instellen tegen de Vennootschap en/of TTB.”
r.o. 1.1“[…] in haar belangen heeft/hebben geschaad en (b) of er omstandigheden zijn die gegronde redenen opleveren om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken binnen de Vennootschap. Corvallis beoogt aldus haar rechtspositie ten opzichte van de Vennootschap, TTB en [C] beter te kunnen bepalen en bewijs te kunnen verzamelen voor een mogelijk uittredingsverzoek op grond van art. 2:343 BW en/of een mogelijk enquêteverzoek op grond van art. 2:344 e.v. BW. Als toelichting heeft Corvallis – samengevat – gesteld dat de te horen getuigen zich kunnen uitlaten over drie bewijsthema’s: (i) de vraag of de Vennootschap het beoogde exitproces van Corvallis heeft vertraagd, gecontroleerd of bemoeilijkt, (ii) de wijze waarop de Vennootschap is omgegaan met de rechten en belangen van minderheidsaandeelhouders, waaronder Corvallis, bij besluitvorming over de zogenoemde Team Sales, de consultancy-overeenkomst en andere transacties met [C] en aan [C] gelieerde rechtspersonen, (iii) de vraag of [C] en/of TTB feitelijk richting gaven/gaf aan het beleid van de Vennootschap, met name ten aanzien van de onder (i) en (ii) genoemde onderwerpen.”
r.o. 4.1“[…] een voorlopige bewijsverrichting (zoals een voorlopig getuigenverhoor) worden gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen als deze aanhangig wordt gemaakt. Het verzoek dient ertoe Corvallis in staat te stellen de kans van slagen te beoordelen van een door haar mogelijk tegen de Vennootschap en/of TTB in te stellen verzoek tot uittreding op grond van art. 2:343 BW en/of een enquêteverzoek op grond van art. 2:344 BW. De Ondernemingskamer is de exclusief bevoegde instantie voor een dergelijk uittredingsverzoek en enquêteverzoek. Dat maakt haar ook bevoegd om van een voorlopige bewijsverrichting ter voorbereiding van die verzoeken kennis te nemen op grond van de hoofdregel van art. 197 Rv. Dat art. 66 RO de voorlopige bewijsverrichting niet met zoveel woorden noemt, leidt niet tot een ander oordeel (vgl. HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2904, rov. 3.5.2, waar is aangenomen dat de Ondernemingskamer bevoegd is tot kennisneming van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor dat vooruitloopt op een procedure als bedoeld in art. 2:6 e.v. Wft).”
r.o. 4.3OK wijst uittredingsverzoek toe; prijsbepalingsregeling aandeelhoudersovereenkomst kennelijk onredelijk
“Voor toewijzing van het uittredingsverzoek is vereist dat [aandeelhouder 1] door gedragingen van X-Center en de Overige Aandeelhouders zodanig in haar rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd (art. 2:343 lid 1 BW).”
r.o. 4.3 · lid 1“Verder geldt dat, indien het verzoek om uittreding wordt toegewezen, de Ondernemingskamer in beginsel op grond van artikel 2:343 lid 2 BW, in samenhang met artikel 2:339 lid 1 BW een of meer deskundigen benoemt die over de waarde van de aandelen schriftelijk bericht moeten uitbrengen. De Ondernemingskamer kan de benoeming van deskundigen evenwel achterwege laten, indien de statuten of een overeenkomst in de zin van artikel 2:337 lid 1 BW een duidelijke maatstaf voor de bepaling van de waarde van de aandelen bevat en de Ondernemingskamer aan de hand daarvan de prijs zonder meer kan vaststellen (artikel 2:339 lid 3 BW). Met bepalingen in een overeenkomst omtrent de vaststelling van de waarde van de aandelen houdt de Ondernemingskamer evenwel geen rekening voorzover dat tot een kennelijk onredelijke prijs zou leiden (artikel 2:340 lid 3 BW). Een kennelijk onredelijke prijs kan eveneens in de weg staan aan toepassing van een eigen regeling als bedoeld in artikel 2:337 lid 1 BW, omdat dit de overdracht van aandelen uiterst bezwaarlijk zou maken (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31058, 3, p. 100).”
r.o. 4.14 · lid 2Afwijzing uittredingsverzoek grootaandeelhouder houdstervennootschap; gedrags- en schadecriterium artikel 2:343 BW
“De Ondernemingskamer overweegt als volgt. Voor toewijzing van het uittredingsverzoek is vereist dat [persoonlijke vennootschap van medeoprichter 1 + grootaandeelhouder] door gedragingen van Mama Giraffe en/of de Aandeelhouders zodanig in haar rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd (art. 2:343 lid 1 BW). In de uittredingsnorm liggen drie criteria besloten: a. het gedragscriterium. Daarbij kan het gaan om gedragingen ten aanzien waarvan de betrokken aandeelhouder een verwijt treft, maar vereist is dat niet. Ook gedragingen van een aandeelhouder die zich bevinden in zijn risicosfeer kunnen leiden tot of bijdragen aan toewijzing van het verzoek (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2019:3222, Gebroeders Maassen); b. het schadecriterium, dat meebrengt dat de verzoekende aandeelhouder in zijn rechten of belangen is geschaad als gevolg van de betrokken gedragingen; c. het redelijkheidscriterium. Dit criterium vergt dat de Ondernemingskamer een belangenafweging maakt tussen enerzijds het belang van de verzoekende aandeelhouder bij het eindigen van haar aandeelhouderschap en anderzijds het belang van, in dit geval, […]”
r.o. 4.4 · lid 1“De Ondernemingskamer is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van gedragingen van Mama Giraffe en/of de Aandeelhouders in de zin van art. 2:343 BW waardoor het uittredingsverzoek moet worden afgewezen.”
r.o. 4.5“[persoonlijke vennootschap van medeoprichter 1 + grootaandeelhouder] klaagt erover dat met één of meer andere aandeelhouders wel overeenstemming is bereikt over afwijkende voorwaarden voor hun uittreding, maar daarin valt nog geen gedraging van de Aandeelhouders als bedoeld in artikel 2:343 lid 1 BW te lezen. Zij klaagt tevens erover dat het ontslag van een andere aandeelhouder in tegenstelling tot het ontslag van [persoonlijke vennootschap van medeoprichter 1 + grootaandeelhouder] als bestuurder wel kwalificeert als Compulsory Offer Event, hetgeen tot ongelijke behandeling tussen aandeelhouders leidt. Dit verschil in behandeling vloeit echter voort uit de eerder beschreven werking van de SHA, zodat ook dat niet als gedraging als bedoeld in artikel 2:343 lid 1 BW kan gelden. [persoonlijke vennootschap van medeoprichter 1 + grootaandeelhouder] klaagt er tenslotte over dat de Aandeelhouders haar hebben gevraagd eraan mee te werken om haar aandelen te converteren, maar ook dat verzoek vindt uiteindelijk zijn rechtstreekse grondslag in de door [persoonlijke vennootschap van medeoprichter 1 + grootaandeelhouder] als aandeelhoudster aanvaarde SHA. De Aandeelhouders hebben de conversie […]”
r.o. 4.13 · lid 1OK wijst enquêteverzoek af en wijst uitstoting 50%-aandeelhouder toe
“Bij vonnis van 25 juni 2025 heeft de rechtbank Den Haag onder meer de door Sonneland jegens HTP en Songrow Holding ingestelde vordering tot uittreding (art. 2:343 (oud) BW) afgewezen. Sonneland heeft hoger beroep tegen dit vonnis van de rechtbank Den Haag ingesteld. In deze procedure bij de rechtbank zijn partijen met betrekking tot een door Sonneland ingestelde incidentele vordering tot een regeling gekomen inhoudende dat HTP Sonneland na afloop van ieder kwartaal zal voorzien van de cijfers van Songrow c.s. vergezeld van een schriftelijke toelichting, in ieder geval met betrekking tot omzet, resultaten, marges en gedane uitgaven.”
r.o. 2.19Geschillenregeling: gezamenlijk prijsbepalingsverzoek en deskundigenbenoeming door OK
“De Ondernemingskamer zal hierna op grond van artikel 2:343c lid 3 BW in samenhang met artikel 2:343 lid 2 BW en artikel 2:339 lid 1 BW, één deskundige benoemen en deze vragen een deskundigenonderzoek te verrichten en daarover schriftelijk te berichten. De deskundige zal acht moeten slaan op de afspraken die partijen hebben gemaakt en die zijn vastgelegd in het proces-verbaal, waaronder in ieder geval begrepen de toepasselijkheid van de Leidraad op het waarderingsproces.”
r.o. 3.4 · lid 2OK wijst uittredings- en enquêteverzoek af; maatstaf voorzieningen en afsplitsing samenhangende vorderingen
“[verzoekster] , In Domo en Russell Square hebben ieder afzonderlijk samenhangende vorderingen ingesteld. Ingevolge art. 2:343 lid 2 BW in verbinding met art. 2:336a lid 6 BW is de Ondernemingskamer bevoegd van deze samenhangende vorderingen kennis te nemen. Indien nodig kan de Ondernemingskamer vervolgens een zaak splitsen als bepaalde (samenhangende) vorderingen zich niet lenen voor gezamenlijke behandeling in één feitelijke instantie (zie art. 2:343 lid 2 in verbinding met art. 2:336a lid 7 BW).”
r.o. 4.20 · lid 2“In dit geval wordt het uittredingsverzoek afgewezen, evenals overigens het enquêteverzoek. Bij die stand van zaken is er geen belang meer bij een gezamenlijke beoordeling van de samenhangende vorderingen om tot een efficiënte en doelmatige oplossing van het gehele vennootschapsrechtelijke geschil te kunnen komen en komt extra gewicht toe aan een nadeel dat is verbonden aan de beoordeling van samenhangende vorderingen door de Ondernemingskamer, namelijk de afwezigheid van de mogelijkheid van hoger beroep. De Ondernemingskamer zal de samenhangende vorderingen daarom afsplitsen en op de voet van artikel 2:343 lid 2 BW, in samenhang met artikel 2:336a lid 7 BW artikel 71 lid 4 en 94 lid 2 Rv ter verdere behandeling verwijzen naar de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam. De Ondernemingskamer zal bepalen dat de samenhangende vorderingen als dagvaardingsprocedure zullen worden ingeschreven op de rol en dat partijen in persoon of bij gemachtigde dienen te verschijnen.”
r.o. 4.21 · lid 2Afwijzing uitstotings- en uittredingsverzoek na eerder vastgesteld wanbeleid in enquêteprocedure
“BBB voert verweer en stelt dat er geen sprake meer is van enig – laat staan structureel – nadeel dat DIG lijdt als gevolg van het voorduren van het aandeelhouderschap van BBB. Daartoe voert zij samengevat het volgende aan. a. de mate waarin BBB verantwoordelijk is gehouden voor het wanbeleid van DIG valt in het niet bij de mate waarin SP en JWTM daarvoor verantwoordelijk zijn; b. voor zover al sprake was van een onwerkbare situatie waardoor DIG werd gehinderd, is dit weggenomen door de voorzieningen van de Ondernemingskamer (ontslag van SP en JWTM en de benoeming van een OK bestuurder en OK beheerder); c. van BBB kan niet worden verwacht dat zij zonder meer akkoord gaat met de, voor haar nadelige, voorstellen die vanuit SP en JWTM worden gedaan om tot een definitieve oplossing te komen. Wat betreft het subsidiaire verzoek tot uittreding geldt dat evenmin sprake is van gedragingen in de zin van artikel 2:343 lid 1 BW van BBB waardoor SP en JWTM zodanig in hun rechten of belangen zijn geschaad dat het voortduren van hun aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hen kan worden gevergd.”
r.o. 4.3 · lid 1“Voor de toewijsbaarheid van het subsidiaire verzoek tot uittreding geldt dat SP en JWTM door gedragingen van BBB zodanig in hun rechten of belangen moeten zijn geschaad dat het voortduren van hun aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hen kan worden gevergd (art. 2:343 BW). In de uittredingsnorm liggen derhalve dezelfde drie criteria besloten als bij een uitstotingsverzoek: i) gedragscriterium; ii) schadecriterium; en iii) redelijkheidscriterium. Het belangrijkste verschil met het uitstotingsverzoek is dat uitstoting primair tot doel heeft de belangen van de vennootschap te waarborgen, terwijl het bij de uittreding eerder gaat om de schending van eigen rechten en belangen van de verzoekende aandeelhouder(s). SP en JWTM stellen dat dit laatste het geval is vanwege de duurzaam verstoorde verhoudingen met BBB.”
r.o. 4.7Uittreding minderheidsaandeelhouder toegewezen met billijke verhoging; enquêteverzoek afgewezen
“Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 27 november 2025. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen. Partijen hebben van tevoren nadere producties toegestuurd en in het geding gebracht. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. [minderheidsaandeelhouder] heeft haar verzoek in zoverre aangepast, dat als artikel 2:343 lid 1 BW onvoldoende grondslag vormt voor hoofdelijke veroordeling van CCC, zij subsidiair verzoekt haar verzoek jegens CCC als samenhangende vordering aan te merken omdat CCC als materieel dezelfde partij moet worden beschouwd.”
r.o. 1.3 · lid 1“De Ondernemingskamer stelt voorop dat gedragingen van CCC in de beoordeling van dit uittredingsverzoek kunnen worden betrokken. CCC is weliswaar niet rechtstreeks aandeelhouder van Tubes, maar houdt haar belang in Tubes via het door haar gecontroleerde CBC, die slechts de functie van tussenholding heeft, en bepaalde het beleid van CBC. [bestuurder A] en [bestuurder B] waren (mede-) bestuurder van CCC, CBC, TBC en Tubes in de periode waar het hier om gaat. Daarom kunnen de gedragingen van (persoonlijke vennootschappen van) [bestuurder A] en [bestuurder B] , ook in hoedanigheid van bestuurders van CCC (en, voor zover relevant, TPC) in zoverre aan CBC worden toegerekend, dat deze voor de beoordeling van dit uittredingsverzoek worden beschouwd als de gedragingen van de medeaandeelhouder als bedoeld in artikel 2:343 lid 1 BW.”
r.o. 3.4 · lid 1“De Ondernemingskamer zal het verzoek van [minderheidsaandeelhouder] om toepassing van een billijke verhoging (artikel 2:343 lid 3 BW) toewijzen, omdat aannemelijk is dat gedragingen van CCC hebben geleid tot een waardevermindering die niet (volledig) voor rekening van [minderheidsaandeelhouder] behoort te blijven. De gedragingen die de Ondernemingskamer daarbij in ogenschouw neemt, zijn de onder 3.10 en 3.11 beschreven gedragingen van CCC, te weten het introduceren van de nieuwe structuur die tot gevolg had dat alle activiteiten van Tubes (in het bijzonder het bedienen van een drietal klanten) werden overgenomen door TPC. [minderheidsaandeelhouder] is daarmee slechts akkoord gegaan onder de voorwaarde dat zij zou worden gecompenseerd. Daarover hebben weliswaar op initiatief van CCC onderhandelingen plaatsgevonden, maar die hebben niet tot resultaat geleid. Er heeft dus geen compensatie voor waardevermindering plaatsgevonden.”
r.o. 3.14 · lid 3OK wijst uittreding toe tegen prijs nihil en verwijst samenhangende vorderingen naar rechtbank
“Naar het oordeel van de Ondernemingskamer zijn de overige vorderingen, als vermeld onder 2.1 onder 7 tot en met 10, evenals de gewijzigde variant daarvan als vermeld onder 2.4 onder 2 tot en met 5, samenhangende vorderingen als bedoeld in artikel 2:336a lid 6 juncto artikel 2:343 lid 2 BW. Deze samenhangende vorderingen lenen zich naar het oordeel van de Ondernemingskamer echter niet voor gezamenlijke behandeling met het uittredingsverzoek in één feitelijke instantie. De vordering tot uittreding is aanstonds toewijsbaar, zoals hiervoor bleek. De samenhangende vorderingen zijn omvangrijk en mogelijk gecompliceerd en lenen zich beter voor behandeling door een rechter in eerste aanleg met de mogelijkheid van hoger beroep. De Ondernemingskamer zal de zaak daarom splitsen als bedoeld in artikel 2:336a lid 7 BW in die zin dat de zaak voor de verdere behandeling van de samenhangende vorderingen, in de stand waarin deze zich bevindt, wordt verwezen naar de rechtbank Rotterdam. De rechtbank Rotterdam is bevoegd omdat Adinox in Rotterdam is gevestigd en [aandeelhouder A] in Schiedam. De zaak zal aldaar worden voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure.”
r.o. 3.7 · lid 2Uittreding certificaathouders uit houdster: OK bevoegd, uittreding toegewezen, deskundige benoemd
“Enora c.s. heeft bij verweerschrift van 13 november 2025 de Ondernemingskamer verzocht a. zich onbevoegd te verklaren; althans b. het verzoek af te wijzen; althans c. het uittredingsverzoek op de voet van art. 2:343 lid 5 BW aan te houden; althans d. de subsidiaire vordering inzake de inkoopplicht af te splitsen; e. de certificaathouders te veroordelen in de kosten van de procedure.”
r.o. 2.2 · lid 5“Enora c.s. betoogt dat de Ondernemingskamer onbevoegd is nu de administratievoorwaarden volgens de certificaathouders reeds een inkoopplicht bevatten. Als die stelling juist is (wat Enora c.s. betwist), dan volgt uit de eigen stelling van de certificaathouders dat de Ondernemingskamer ingevolge art. 2:343 lid 2 BW, in verbinding met artikel 2:337 lid 1 BW onbevoegd is om kennis te nemen van het uittredingsverzoek en daarmee van de subsidiaire samenhangende vordering.”
r.o. 4.1 · lid 2“De certificaathouders hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat zij door gedragingen van PDM en Enora zodanig in hun rechten of belangen zijn geschaad dat het voortduren van hun certificaathouderschap in redelijkheid niet meer van hen kan worden gevergd (artikel 2:343 lid 1 en lid 6 BW). Het verzoek is op de voet van artikel 2:343 lid 1, tweede volzin, BW gericht tegen Enora. Als toelichting op het verzoek hebben de certificaathouders – samengevat – het volgende naar voren gebracht. a. zij zijn door de onberekenbare, intimiderende en onzinnige bemoeienis van [de uiteindelijke aandeelhouder] met hun bestuur gedwongen ontslag te nemen als CEO en CFO bij een goedlopende onderneming; b. [de uiteindelijke aandeelhouder] heeft de certificaathouders onder dreiging van persoonlijke aansprakelijkheid onder druk gezet om voor € 0,01 per persoon hun certificaten aan [de uiteindelijke aandeelhouder] over te dragen. Daarbij maakte [de uiteindelijke aandeelhouder] gebruik van een heimelijke geluidsopname van een gesprek tussen [certificaathouder A] en zijn persoonlijke advocaat; c. De certificaathouders zijn in privé aansprakelijk gesteld voor een uit de lucht gegrepen vordering uit […]”
r.o. 4.5 · lid 1“De Ondernemingskamer dient als eerste te beoordelen in hoeverre gedragingen van [de uiteindelijke aandeelhouder] (in de periode waarin hij nog geen bestuurder van Enora was) kunnen worden betrokken in de beoordeling van dit uittredingsverzoek; [de uiteindelijke aandeelhouder] is immers niet rechtstreeks aandeelhouder in Enora maar houdt zijn belang via de door hem gecontroleerde commanditaire vennootschap PDM. De Ondernemingskamer beantwoordt deze vraag bevestigend in het licht van de strekking van artikel 2:343 lid 1 (en lid 6) BW. Daarbij moet worden bedacht dat Enora en [de uiteindelijke aandeelhouder] organisatorisch zijn verbonden: [de uiteindelijke aandeelhouder] was immers tot oktober 2025 de bestuurder van de twee stichtingen die optreden als beherend, respectievelijk commanditaire vennoot van PDM. Daarmee is hij gebonden aan de eisen van redelijkheid en billijkheid die de bij Enora betrokkenen in acht moeten nemen; zijn gedragingen kunnen daarom ten grondslag worden gelegd aan toewijzing van het uittredingsverzoek.”
r.o. 4.7 · lid 1Geschillenregeling: voorwaardelijk uitstotingsverzoek na intrekking uittredingsverzoek niet onvoorwaardelijk te maken
“[aandeelhouder I c.s.] hebben bij verzoekschrift van 23 juli 2025 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat, [vennootschap c.s.] op grond van artikel 2:343 BW te veroordelen tot overname van de door [aandeelhouder I c.s.] gehouden aandelen in [vennootschap] tegen betaling van een bepaalde prijs conform een door hen toegelichte waarderingsmethodiek, althans een deskundige te benoemen om onderzoek te doen naar de waarde van de aandelen, met veroordeling van [vennootschap c.s.] in de kosten van de procedure (inclusief het eventuele deskundigenonderzoek).”
r.o. 1.1Geschillenregeling: gezamenlijk verzoek artikel 2:343c BW, deskundige en tijdelijk bestuurder benoemd
“De Ondernemingskamer zal hierna op grond van artikel 2:343c lid 3 BW in samenhang met artikel 2:343 lid 2 BW en artikel 2:339 lid 1 BW, één deskundige benoemen en deze vragen een deskundigenonderzoek te verrichten en daarover schriftelijk te berichten. De deskundige zal acht moeten slaan op de afspraken die partijen hebben gemaakt en die zijn vastgelegd in de VSO, evenals op de toepasselijkheid van de Leidraad voor deskundigen in de geschillenregeling op het waarderingsproces.”
r.o. 3.3 · lid 2Conservatoire beslagen bij uittredingsvordering; artikel 2:207 lid 2 BW pas na prijsbepaling te toetsen
“Bij dit hof is een zaak tussen [geïntimeerde 1] en [appellant] aanhangig over de uittredingsvordering van [geïntimeerde 1] op [appellant] . In die zaak (met nummer 200.317.966/01), waarin het hof eveneens vandaag uitspraak doet, heeft het hof – samengevat – het volgende geoordeeld. De vordering van [geïntimeerde 1] voldoet aan de vereisten van artikel 2:343 BW. [geïntimeerde 1] is door de gedragingen van [appellant] , [bedrijf 2] en [bedrijf 1] zodanig in haar rechten en belangen geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Het hof zal daarom de prijs van de aandelen gaan bepalen waartegen [appellant] de aandelen van [geïntimeerde 1] moet overnemen. Partijen mogen zich bij akte uitlaten over de wijze waarop het hof volgens hen moet doen. De beoordeling of artikel 2:207 lid 2 BW in de weg staat aan toewijzing van de vordering van [geïntimeerde 1] kan pas worden gemaakt als het hof de prijs van de aandelen heeft bepaald. Pas dan kan worden beoordeeld of het eigen vermogen van [appellant] niet toelaat dat zij de aandelen van [geïntimeerde 1] overneemt en of een dergelijke verkrijging tot gevolg heeft dat opeisbare […]”
r.o. 5.4Uittreding aandeelhouder: toets artikel 2:207 lid 2 BW pas na prijsbepaling
“Artikel 2:343 BW bepaalt – kort gezegd – dat de aandeelhouder die door gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders of de vennootschap zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, een vordering tot uittreding kan instellen tegen (onder andere) de vennootschap. De rechter bepaalt de prijs die de vennootschap voor de aandelen moet betalen. Een vordering tegen de vennootschap kan evenwel niet worden toegewezen, voor zover artikel 2:207 BW aan verkrijging van de aandelen door de vennootschap in de weg staat. Dat artikel bepaalt in lid 1 dat verkrijging door de vennootschap van niet volgestorte aandelen nietig is. Artikel 2:207 lid 2 BW bepaalt vervolgens dat de vennootschap, behalve om niet, geen volgestorte eigen aandelen mag verkrijgen als het eigen vermogen, verminderd met de verkrijgingsprijs, kleiner is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden of als het bestuur weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de verkrijging niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. - Het hof is […]”
r.o. 5.8“In beginsel is de OK bij uitsluiting bevoegd in hoger beroep kennis te nemen van een vordering tot uittreding (artikel 2:343 lid 2 jo. 2:336 BW), tenzij partijen bij overeenkomst een andere rechter als bevoegd hebben aangewezen (artikel 2:343 lid 2 jo. 2:337 lid 2 BW). Doordat beide partijen de behandeling van deze vordering door de onderhavige kamer van dit hof klaarblijkelijk hebben aanvaard, worden zij geacht te zijn overeengekomen de onderhavige kamer van het hof daarvoor aan te wijzen. Het hof (te weten de onderhavige kamer) kan dus kennisnemen van de vordering van [appellant] . - De aandelen van [appellant] zijn volgestort”
r.o. 5.9 · lid 2“Het hof zal hierna beoordelen of de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] tot overname van de aandelen van [appellant] op grond van artikel 2:343 BW (alsnog) kan worden toegewezen. - Toets van artikel 2:207 lid 2 BW: op het moment van overdracht van de aandelen”
r.o. 5.11“Het voorgaande brengt mee dat op dit moment niet kan worden gezegd dat [appellant] geen belang heeft bij haar vordering omdat de nog lopende procedure in eerste aanleg ertoe zal leiden dat de aandelen van [appellant] al worden overgenomen door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , zoals [geïntimeerde] in hoger beroep heeft betoogd. Niet valt in te zien waarom [appellant] er geen belang bij zou hebben dat ook [geïntimeerde] wordt veroordeeld de aandelen van [appellant] over te nemen. - Voldaan aan de vereisten van artikel 2:343 BW”
r.o. 5.14Toewijzing uittreding joint venture-aandeelhouder; waardering aandelen en billijke verhoging afgewezen
Een aandeelhouder in een joint venture verzoekt de OK de medeaandeelhouder te bevelen haar aandelen over te nemen op grond van de geschillenregeling. Omdat de medeaandeelhouder daartoe bereid is, wijst de OK de uittreding toe en benoemt zij een deskundige voor de waardering. Bij de waardering geldt de sociaal-maatschappelijke doelstelling van de vennootschap als uitgangspunt en een billijke verhoging wordt afgewezen. De overige vorderingen worden deels afgewezen en deels toegewezen, en de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
OK wijst enquête- en uittredingsverzoek af na herstelmaatregelen bij related party transacties
Een aandeelhouder van een holding met kluisverhuuractiviteiten verzoekt een enquête en uittreding, omdat de twee andere aandeelhouders in het buitenland soortgelijke activiteiten ontplooien en er related party transacties zijn zonder deugdelijke vastlegging. De OK wijst beide verzoeken af. De expansie was gedoogd en de gebreken in de governance worden onder toezicht van een onafhankelijke interim-commissaris hersteld. Van buitensluiting is niet gebleken.
OK wijst enquête af en stoot aandeelhouder uit; prijs op bad leaver-basis
“IP-Beheer heeft aangevoerd dat Opos c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek tot uitstoting van IP-Beheer omdat tussen partijen een contractuele geschillenregeling geldt en de wettelijke geschillenregeling tussen partijen dus niet van toepassing is. Volgens IP-Beheer is voor een met artikel 2:336a BW vergelijkbare contractuele regeling in dit geval geen contractuele afnameverplichting vereist, omdat het bij uitstoting gaat om een verplichting tot overdracht van aandelen door de uit te stoten aandeelhouder en niet om een gedwongen afname zoals bij de uittredingsregeling van artikel 2:343 BW. Volgens IP-Beheer is voldoende dat de aandeelhoudersovereenkomst voorziet in een afdwingbare aanbiedingsplicht en in een verplichting van aandeelhouders om medewerking te verlenen aan overdracht van aandelen.”
r.o. 4.17Vernietiging inkoopbesluit door OK-bestuurder; uitkeringstest geen besluit; verhaal verweerkosten
“Begin 2012 heeft [geïntimeerde 1] besloten tot aandelenuitgifte. Als gevolg daarvan verwaterde het gewone aandelenbelang van [naam 1] tot 4,58%. Dat leidde tot een conflict tussen [naam 1] en [appellant 3] / [appellant 1] waarna [naam 1] in 2013 bij de rechtbank Noord-Holland een uittredingsprocedure ex artikel 2:343 lid 1 BW is gestart. Daarin heeft [naam 1] veroordeling gevorderd van [appellant 1] en [geïntimeerde 1] tot overname van zijn aandelen in [geïntimeerde 1] (hierna: de [naam 1] aandelen) tegen gelijktijdige betaling door [appellant 1] en [geïntimeerde 1] aan [naam 1] van een door de rechtbank vast te stellen koopprijs (hierna: de uittredingsprocedure).”
r.o. 3.5 · lid 1
Rechtbanken (1)
Material breach aandeelhoudersovereenkomst: aandelen over tegen nominale waarde, geen overname ex artikel 2:343 BW
“De rechtbank is van oordeel dat het deskundigenbericht zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de conclusies helder en afdoende zijn onderbouwd. De rechtbank neemt de bevindingen van de deskundige grotendeels over en oordeelt dat sprake is van een material breach als bedoeld in de aandeelhoudersovereenkomst. Dit betekent voor partijen dat de vordering in conventie van [eiseres] die nog voor ligt, inhoudende dat [gedaagden] ingevolge artikel 2:343 BW haar aandelen in [bedrijf] van haar moeten overnemen tegen een door de rechter vast te stellen prijs, zal worden afgewezen en dat de vordering in reconventie van [gedaagden] die nog voorligt, inhoudende dat [eiseres] haar aandelen in [bedrijf] voor de nominale waarde aan [gedaagde 1] aanbiedt en overdraagt, zal worden toegewezen. De rechtbank licht dit hieronder nader toe. De managementsfees”
r.o. 2.8