Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 2. Het recht van enquête
Artikel 2:352 BW
In deze vorm in werking sinds 1 januari 2013, laatst gewijzigd bij Stb. 2012, 274
Wanneer aan een met het onderzoek belaste persoon wordt geweigerd overeenkomstig het vorige artikel de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers te raadplegen of zich de bezittingen te doen tonen, geeft de de raadsheer-commissaris bedoeld in artikel 350 lid 4 op verzoek van die persoon de bevelen die de omstandigheden nodig maken.
De bevelen kunnen inhouden de opdracht aan de openbare macht om voor zoveel nodig bijstand te verlenen en de last om een woning binnen te treden, wanneer de plaats waar de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de bezittingen zich bevinden, een woning is, of alleen door een woning toegankelijk. De woning wordt niet tegen de wil van de bewoner binnengetreden dan na vertoon van de last van de raadsheer-commissaris.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:352 BW (10)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (3)
Enquête SNS: verschoningsrecht en recht van rechtspersoon om inzage te weigeren
“[…] onder meer het recht tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan zij de kennisneming nodig achten voor een juiste vervulling van hun taak. De rechtspersoon en zijn (voormalige) bestuurders, commissarissen en werknemers zijn verplicht om mee te werken aan het onderzoek. Wanneer een onderzoeker inzage wordt geweigerd, kan de raadsheer-commissaris op grond van art. 2:352 lid 1 BW de bevelen geven die de omstandigheden nodig maken. Verschoningsrecht 3.2.2 Advocaten en notarissen behoren tot de beperkte groep van personen die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht zijn tot geheimhouding van al hetgeen hun in hun hoedanigheid wordt toevertrouwd. In verband daarmee komt hun tevens het recht toe zich te dien aanzien te verschonen van een eventuele verplichting tot het verschaffen van informatie. De grondslag van dit verschoningsrecht is een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij deze vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen is […]”
r.o. 2.2 · lid 1“De raadsheer-commissaris kan op de voet van art. 2:350 lid 4 BW aanwijzingen geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Ten aanzien van de rechtspersoon waarop het onderzoek betrekking heeft, geeft art. 2:351 lid 1 BW de onderzoekers onder meer het recht tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan zij de kennisneming nodig achten voor een juiste vervulling van hun taak. De rechtspersoon en zijn (voormalige) bestuurders, commissarissen en werknemers zijn verplicht om mee te werken aan het onderzoek. Wanneer een onderzoeker inzage wordt geweigerd, kan de raadsheer-commissaris op grond van art. 2:352 lid 1 BW de bevelen geven die de omstandigheden nodig maken. Verschoningsrecht”
r.o. 3.2.1 · lid 1“[…] wegens de vertrouwelijkheid van de daarin vervatte, met de advocaat of notaris uitgewisselde informatie, zonder dat de advocaat of notaris zich ten aanzien van deze informatie op zijn verschoningsrecht heeft beroepen (zie hiervoor in 3.2.4), dient de raadsheer-commissaris, op verzoek of ambtshalve, in het kader van een eventueel te geven aanwijzing (art. 2:350 lid 4 BW) of bevel (art. 2:352 lid 1 BW), te beoordelen of de vertrouwelijkheid van de met de advocaat of notaris uitgewisselde informatie voor de rechtspersoon een voldoende gewichtige reden oplevert om in zoverre niet te voldoen aan de plicht om mee te werken aan het onderzoek. Van een dergelijke gewichtige reden is, in het licht van het hiervoor in 3.3.1 genoemde belang, in beginsel sprake indien het gaat om informatie waarvan de raadpleging of verstrekking niet kan geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat, gelet op de vertrouwenssfeer tussen de rechtspersoon en zijn advocaat of notaris, verborgen dient te blijven.”
r.o. 3.4.1 · lid 1Enquête: geen recht op kopie gespreksopname en aanpassing verslag door gehoorde personen
“[…] onder 2.9 en 2.11. 3.5.1 Bij de beoordeling van de klachten wordt het volgende vooropgesteld. 3.5.2 De door de ondernemingskamer benoemde onderzoeker heeft op de voet van art. 2:345 lid 1 BW tot taak een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. De onderzoeksbevoegdheden van de onderzoeker zijn in de wet summier geregeld (de art. 2:351, 2:352 en 2:352a BW). De onderzoeker is, behoudens eventuele aanwijzingen van de ondernemingskamer – en inmiddels ook: de raadsheer-commissaris (art. 2:351 lid 4 BW) –, in beginsel vrij in de inrichting van het onderzoek en het verslag. Er zijn geen wettelijke voorschriften met betrekking tot de verslaglegging van verklaringen van personen die door de onderzoeker worden gehoord. 3.5.3 De Ondernemingskamer heeft "Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers" opgesteld (www.rechtspraak.nl). Daarin is vermeld dat het gaat om een – niet uitputtend – overzicht van wat de betrokken wettelijke bepalingen, jurisprudentie en overige rechtsregels voor het onderzoek kunnen meebrengen voor de onderzoeker die zijn werkzaamheden verricht naar de maatstaf van hetgeen in de gegeven […]”
r.o. 3.4“De door de ondernemingskamer benoemde onderzoeker heeft op de voet van art. 2:345 lid 1 BW tot taak een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. De onderzoeksbevoegdheden van de onderzoeker zijn in de wet summier geregeld (de art. 2:351, 2:352 en 2:352a BW). De onderzoeker is, behoudens eventuele aanwijzingen van de ondernemingskamer – en inmiddels ook: de raadsheer-commissaris (art. 2:351 lid 4 BW) –, in beginsel vrij in de inrichting van het onderzoek en het verslag. Er zijn geen wettelijke voorschriften met betrekking tot de verslaglegging van verklaringen van personen die door de onderzoeker worden gehoord.”
r.o. 3.5.2Enquête: procedure voor bevel tot onbelemmerde inzage onderzoekers (artikel 2:352 lid 1 BW)
“Volgens het onderdeel heeft de ondernemingskamer hiermee miskend: a. dat op het verzoek de bepalingen van de Derde Titel wel van toepassing zijn, omdat uit de wet of de aard van de procedure niet voortvloeit dat deze titel op het verzoek van de onderzoekers (ex art. 2:352 lid 1 BW) niet van toepassing is; b. dat het verzoek had moeten worden ingediend door een advocaat; c. dat het verzoek had moeten worden beoordeeld na oproeping van de verzoekers en/of belanghebbenden ter terechtzitting, althans nadat belanghebbenden gelegenheid hebben gehad zich daarover uit te laten; d. dat geen sprake is van een verzoek van eigen aard ter verkrijging van een bevel van de voorzitter als door deze omschreven in de beschikking, althans dat ook dan geldt wat in de klachten onder b en c staat.”
r.o. 3.3.2 · lid 1“De hiervoor in 3.3.2 onder a vermelde klacht is gedeeltelijk gegrond. Mede gelet op hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.4 en 3.5 moet worden geoordeeld dat op een verzoek als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW de bepalingen van de verzoekschriftprocedure van toepassing zijn, vanzelfsprekend voorzover uit de wet niet anders voortvloeit (art. 261 Rv.).”
r.o. 3.4 · lid 1“Art. 2:352 lid 1 BW geeft aan de voorzitter van de ondernemingskamer de bevoegdheid desverzocht de daarin bedoelde bevelen te geven die strekken ter handhaving van de in art. 2:351 BW aan de door de ondernemingskamer benoemde personen ter vervulling van hun onderzoekstaak verleende rechten en bevoegdheden. Dit een en ander brengt mee dat deze personen (de onderzoekers) zich op een eenvoudige en snelle wijze tot de voorzitter van de ondernemingskamer moeten kunnen wenden ter verkrijging van een dergelijk bevel. De aard van het verzoek tot deze ordemaatregel noopt in het algemeen niet tot een beslissing over geschilpunten en rechtvaardigt een informele procedure, waarin alleen de noodzaak van het bevel in verband met de omvang van de verplichting tot medewerking aan het verschaffen van gegevens eventueel ter discussie kan staan. Uit de wet vloeit derhalve, anders dan onderdeel 4a betoogt, voort dat de verzoekschriftprocedure in dit geval niet verder van toepassing is dan past bij een verzoek tot het geven van een bevel als hier bedoeld.”
r.o. 3.5 · lid 1
Conclusies van de A-G (6)
Verschoningsrecht in de enquête: inzage onderzoekers in notulen en adviezen SNS
“[…] op een verzoek om een aanwijzing aan de onderzoekers te geven geen beroep in cassatie open. De aanwijzingsbevoegdheid van de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW is ingevoerd bij de Wet aanpassing enquêterecht. De bij die gelegenheid geïntroduceerde raadsheer-commissaris heeft ook de bestaande bevoegdheden van de voorzitter van de ondernemingskamer op grond van art. 2:352 BW gekregen. De raadsheer-commissaris wordt benoemd uit de raadsheren die in de eerste fase van de enquêteprocedure het onderzoek hebben bevolen. Dat is in de onderhavige zaak gebeurd; in de beschikking van 26 juli 2018 is mr. G.C. Makkink benoemd tot raadsheer-commissaris.In de parlementaire geschiedenis bij de Wet aanpassing enquêterecht is verduidelijkt dat het rechtsmiddelenverbod uitsluitend geldt voor de beslissingen van de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW. De bestreden beschikking betreft niet een aanwijzing van de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW, maar een bevel van de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW. Art. 2:352 BW wortelt in art. 53c K (oud), dat op zijn beurt is ontleend aan 53d K van de regeling van […]”
r.o. 2.2 · lid 1“Vervolgens rijst de vraag of VEB c.s. kunnen worden ontvangen in hun voorwaardelijk incidentele cassatieberoep. VEB c.s. zijn verzoekers in de enquêteprocedure. Uit de tekst van art. 2:352 lid 1 BW volgt dat alleen de onderzoekers kunnen verzoeken om een bevel van de raadsheer-commissaris als bedoeld in die bepaling. VEB c.s. kunnen de raadsheer-commissaris daar niet om verzoeken. De art. 2:352 BW-procedure is een aparte verzoekschriftprocedure, waarop in beginsel de bepalingen van de verzoekschriftprocedure uit Rv van toepassing zijn. In de onderhavige art. 2:352 BW-procedure gelden de onderzoekers als verzoekers. VEB c.s. zijn in cassatie te beschouwen als anderen die in de vorige instantie zijn verschenen (art. 426b lid 1 Rv). Volgens vaste rechtspraak moeten als zodanig worden beschouwd degenen die een verweerschrift hebben ingediend of ter terechtzitting zijn gehoord. VEB c.s. hebben bij brief van hun advocaten van 25 januari 2019 aan de ondernemingskamer gereageerd op het verzoek van de onderzoekers ex. art. 2:352 BW. Bij de openbare terechtzitting van de raadsheer-commissaris van 12 februari 2019 zijn de standpunten van VEB c.s. voorts mondeling door hun advocaten […]”
r.o. 2.3 · lid 1“De onderzoeksbevoegdheden zijn in de wet summier geregeld (art. 2:351, 2:352 en 2:352a BW). Art. 2:351 lid 1 BW geeft de onderzoekers een nagenoeg onbeperkt recht tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vennootschappen die voorwerp van het onderzoek zijn, welk recht door een bevel van de raadsheer-commissaris op de voet van art. 2:352 lid 1 BW, voor zover nodig met oplegging van een dwangsom of met bijstand van de openbare macht op grond van art. 2:352 lid 2 BW kan worden geëffectueerd. Het is de onderzoekers verboden hetgeen hun bij hun onderzoek blijkt verder bekend te maken dan hun opdracht met zich brengt (art. 2:351 lid 3 BW). Schending van deze geheimhoudingsplicht is een misdrijf (art. 272 Sr).”
r.o. 2.7 · leden 1, 2“[…] gewerkt, naar beste weten en kunnen selecterend wat wel en wat niet voor ons onderzoek relevant was. Die selectie is uiteraard medebepalend voor de inhoud van ons verslag geweest. (…) Anathema voor de raadsheer-enquêteur en voor mij als enquêteur-niet-langer-raadsheer een confrontatie met processuele gewetensvragen.” De raadsheer-commissaris van de ondernemingskamer heeft nadien in een art. 2:352 BW-procedure als volgt beslist over weigering om volledige en onvoorwaardelijke inzage te geven in de notulen van het managementteam van Xeikon N.V. op de grond dat het belang van de vennootschap bij het vertrouwelijk blijven van de in de notulen opgenomen concurrentiegevoelige informatie zwaarder zou wegen dan het belang van de onderzoeker bij kennisneming ervan: “(…) Xeikon miskent dat haar belang bij geheimhouding niet afdoet aan haar wettelijke verplichting tot het verschaffen van de hier bedoelde informatie en dat de wetgever heeft voorzien in het belang van geheimhouding van vertrouwelijke gegevens door het bepaalde in artikel 2:351 lid 3 BW; het is de onderzoeker verboden hetgeen hem bij zijn onderzoek blijkt, verder bekend te maken dan zijn opdracht met zich brengt. Xeikon […]”
r.o. 2.10Enquête: positie onderzoeker, gespreksverslagen en geluidsopnames van interviews
“De artikelen 2:351, 2:352 en 2:352a BW kennen de onderzoeker een aantal bevoegdheden toe die hem in staat moeten stellen zijn taak naar behoren te vervullen. Zo heeft de onderzoeker op grond van de derde en vierde volzin van art. 2:351 lid 1 BW de bevoegdheid om de (gewezen) bestuurders en commissarissen (als die er zijn) en de (oud)werknemers van de rechtspersoon of de vennootschap te horen. Hij heeft deze bevoegdheid op grond van art. 2:351 lid 2 BW ook ten aanzien van de (gewezen) functionarissen en (oud)werknemers van de nauw verbonden rechtspersoon. Genoemde personen zijn verplicht alle inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek. Deze verplichting om medewerking te verlenen is niet in strijd met art. 6 EVRM aangezien er in de verzoekschriftprocedure op de voet van art. 2:345 BW noch in het onderzoek burgerlijke rechten en verplichtingen worden vastgesteld. Andere personen zijn niet verplicht informatie te verstrekken maar kunnen wel op verzoek van de onderzoeker als getuige door de ondernemingskamer worden gehoord op de voet van art. 2:352a BW. Ook (weigerachtige) bestuurders en commissarissen kunnen als getuige op de voet van art. 2:352a […]”
r.o. 3.8Enquête KPNQwest: intrekking enquêteverzoek na bevel tot onderzoek, rol curatoren
“[…] bevel (aan onder meer de Curatoren) om mee te werken met het onderzoek, niet verder dan past bij dergelijke communicatie: "3.3.2. Volgens het onderdeel heeft de ondernemingskamer hiermee miskend: a. dat op het verzoek de bepalingen van de Derde Titel wel van toepassing zijn, omdat uit de wet of de aard van de procedure niet voortvloeit dat deze titel op het verzoek van de onderzoekers (ex art. 2:352 lid 1 BW) niet van toepassing is; (...)”
r.o. 3.34 · lid 1Enquête: procedure voor bevel tot onbelemmerde inzage door onderzoekers (artikel 2:352 BW)
“Volgens onderdeel 4 is de aangehaalde overweging onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd. De Ondernemingskamer zou hebben miskend a. dat op het verzoek ex art. 2:352 lid 1 BW de verzoekschriftprocedure in beginsel wel van toepassing is, omdat uit de wet of de aard van de procedure niet voortvloeit dat deze niet van toepassing is; b. dat het verzoek moet worden ingediend door een advocaat; c. dat het verzoek ter terechtzitting moet worden behandeld na oproeping van de verzoeker(s) en/of belanghebbenden, althans nadat belanghebbenden, alsmede de verzoekers de gelegenheid hebben gehad zich uit te laten over het verzoek van de onderzoekers; en/of d. dat geen sprake is van een verzoek van eigen aard als vermeld in de bestreden overweging, althans dat als van een dergelijk verzoek sprake zou zijn, die eigen aard er niet aan in de weg staat dat de verzoekschriftprocedure in beginsel van toepassing is, dat dit moet worden ingediend door een advocaat en/of dat dit ter terechtzitting moet worden behandeld en/of dat verzoekers en belanghebbenden de gelegenheid hebben zich hierover uit te laten.”
r.o. 3.2 · lid 1“Behoudens enkele kleine wijzigingen is het huidige art. 2:352 BW gelijk aan art. 53c K (oud).”
r.o. 3.6“Uit het bovenstaande blijkt dat er in de wetsgeschiedenis en literatuur goede aanknopingspunten zijn te vinden voor het standpunt dat op een verzoek dat zijn grond heeft in art. 2:352 BW Titel 3 van Boek 1 van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is. Zoals gezegd, sluit ik mij bij dit standpunt aan. Dat betekent niet dat die toepassing zonder problemen is. Toepassing van Titel 3 kan leiden tot een enigszins formalistische gang van zaken, zoals de inschakeling van een advocaat die het verzoekschrift moet indienen. Dat komt zwaar over, nu onderzoeker partij noch belanghebbende in de enquêteprocedure is. Hij handelt qualitate qua op grond van zijn bijzondere deskundigheid zonder dat daarbij een specifiek (deel)belang in het bijzonder wordt behartigd. In het verkeer tussen de onderzoekers en de Voorzitter van de Ondernemingskamer is behoefte aan korte lijnen. Tussenkomst van een advocaat is een onnodige complicatie. De hiermee gemoeide kosten komen ten laste van het onderzoeksbudget. Ik heb ook twijfels over de vraag of onderzoekers verplicht dienen te zijn zich tijdens het geding te laten bijstaan door een advocaat. Dit lijkt ook nogal zwaar. Men kan ten slotte nog betogen dat […]”
r.o. 3.9“Een en ander afwegend opteer ik ervoor dat het in art. 2:352 BW bedoelde verzoek op informele, onderhandse wijze d.w.z. zonder formeel verzoekschrift aanhangig gemaakt kan worden en zonder terechtzitting door de Voorzitter van de Ondernemingskamer afgehandeld kan worden. Wel dient de Voorzitter van de Ondernemingskamer m.i. in ieder geval degenen die informatie aan de onderzoekers dienen te verstrekken in de gelegenheid te stellen om hun standpunt hierover kenbaar te maken. Titel 3 van Boek 1 van Burgerlijke Rechtsvordering biedt voor zo'n minder geformaliseerde aanpak een grondslag. Art. 261 Rv bepaalt dat Titel 3 van Boek 1 op zaken die bij verzoekschrift worden ingediend van toepassing is voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. Dit voorschrift biedt ruimte voor een informele variant van toepassing van de regels die normaal gesproken in een verzoekschriftprocedure gelden. Er komen inderdaad ook andere gevallen voor waarin iets vergelijkbaars wordt aangenomen. Zo bepaalt art. 337 lid 2 Rv dat van tussenvonnissen in beginsel slechts hoger beroep kan worden ingesteld tegelijk met dat van het eindvonnis, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Partijen kunnen de rechter […]”
r.o. 3.10Enquête Nexperia: ex parte onmiddellijke voorzieningen en hoor en wederhoor (artikel 2:349a BW)
“[…] 4.18.2 hiervoor. 4.19.5 Het beroep in PI 50-52 op de Hoge Raad-uitspraken inzake KPNQwest en ATR Leasing treft evenmin doel. Ik licht toe. 4.19.6 In KPNQwest heeft de Hoge Raad overwogen: “De voorzitter van de ondernemingskamer [thans de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW, A-G] heeft voorts de vrijheid op de voet van art. 279 lid 1 Rv. het verzoek [als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW, dat wil zeggen een verzoek van de onderzoeker(s) tot het geven van bevelen ter handhaving van de in art. 2:351 BW aan de onderzoeker(s) ter vervulling van diens/hun onderzoekstaak verleende rechten en bevoegdheden, A-G] onmiddellijk toe te wijzen als hij van oordeel is dat het verzochte bevel op de wet is gegrond en aanstonds kan worden verleend en hij zal alleen het oproepen van belanghebbenden moeten bevelen als de mogelijkheid bestaat dat het bevel niet of niet geheel dan wel niet op de gevraagde wijze toewijsbaar is in verband met de rechten of belangen van anderen. Daarbij zal, gelet op de aard van het bevel, meestal uitsluitend aan de orde zijn of de rechtspersoon grond kan hebben de door de onderzoeker(s) verlangde medewerking te weigeren. Het bevel is immers in de […]”
r.o. 4.19 · lid 1“In KPNQwest heeft de Hoge Raad overwogen: “De voorzitter van de ondernemingskamer [thans de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW, A-G] heeft voorts de vrijheid op de voet van art. 279 lid 1 Rv. het verzoek [als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW, dat wil zeggen een verzoek van de onderzoeker(s) tot het geven van bevelen ter handhaving van de in art. 2:351 BW aan de onderzoeker(s) ter vervulling van diens/hun onderzoekstaak verleende rechten en bevoegdheden, A-G] onmiddellijk toe te wijzen als hij van oordeel is dat het verzochte bevel op de wet is gegrond en aanstonds kan worden verleend en hij zal alleen het oproepen van belanghebbenden moeten bevelen als de mogelijkheid bestaat dat het bevel niet of niet geheel dan wel niet op de gevraagde wijze toewijsbaar is in verband met de rechten of belangen van anderen. Daarbij zal, gelet op de aard van het bevel, meestal uitsluitend aan de orde zijn of de rechtspersoon grond kan hebben de door de onderzoeker(s) verlangde medewerking te weigeren. Het bevel is immers in de eerste plaats gericht tot de te onderzoeken rechtspersoon, die de wettelijke verplichting heeft aan het onderzoek medewerking te verlenen. Het beginsel […]”
r.o. 4.19.6 · lid 1Ex parte onmiddellijke voorzieningen in enquête (Nexperia): eerlijk proces, artikel 2:349a BW
“[…] en 20 april 2007. 4.19.6 Het beroep in PI 12-13 op de Hoge Raad-uitspraken inzake KPNQwest en ATR Leasing treft evenmin doel. Ik licht toe. 4.19.7 In KPNQwest heeft de Hoge Raad overwogen: “De voorzitter van de ondernemingskamer [thans de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW, A-G] heeft voorts de vrijheid op de voet van art. 279 lid 1 Rv. het verzoek [als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW, dat wil zeggen een verzoek van de onderzoeker(s) tot het geven van bevelen ter handhaving van de in art. 2:351 BW aan de onderzoeker(s) ter vervulling van diens/hun onderzoekstaak verleende rechten en bevoegdheden, A-G] onmiddellijk toe te wijzen als hij van oordeel is dat het verzochte bevel op de wet is gegrond en aanstonds kan worden verleend en hij zal alleen het oproepen van belanghebbenden moeten bevelen als de mogelijkheid bestaat dat het bevel niet of niet geheel dan wel niet op de gevraagde wijze toewijsbaar is in verband met de rechten of belangen van anderen. Daarbij zal, gelet op de aard van het bevel, meestal uitsluitend aan de orde zijn of de rechtspersoon grond kan hebben de door de onderzoeker(s) verlangde medewerking te weigeren. Het bevel is immers in de […]”
r.o. 4.19 · lid 1“Het betoog in PI 6 dat de uitdrukkelijke wettelijke grondslag niet kan worden gevonden in art. 279 Rv kan [bestuurder/CEO] niet baten, nu, voor zover nodig, in dit geval art. 2:349a BW een toereikende wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv biedt, zoals overigens uitdrukkelijk door de OK is overwogen in de ex parte-beschikking, rov. 2.3 (“ex parte op de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen”). De ex parte-beschikking biedt geen enkel aanknopingspunt voor de lezing dat de OK haar bevoegdheid ex parte onmiddellijke voorzieningen te treffen mede zou hebben ontleend aan art. 279 Rv.”
r.o. 4.19.1“In KPNQwest heeft de Hoge Raad overwogen: “De voorzitter van de ondernemingskamer [thans de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW, A-G] heeft voorts de vrijheid op de voet van art. 279 lid 1 Rv. het verzoek [als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW, dat wil zeggen een verzoek van de onderzoeker(s) tot het geven van bevelen ter handhaving van de in art. 2:351 BW aan de onderzoeker(s) ter vervulling van diens/hun onderzoekstaak verleende rechten en bevoegdheden, A-G] onmiddellijk toe te wijzen als hij van oordeel is dat het verzochte bevel op de wet is gegrond en aanstonds kan worden verleend en hij zal alleen het oproepen van belanghebbenden moeten bevelen als de mogelijkheid bestaat dat het bevel niet of niet geheel dan wel niet op de gevraagde wijze toewijsbaar is in verband met de rechten of belangen van anderen. Daarbij zal, gelet op de aard van het bevel, meestal uitsluitend aan de orde zijn of de rechtspersoon grond kan hebben de door de onderzoeker(s) verlangde medewerking te weigeren. Het bevel is immers in de eerste plaats gericht tot de te onderzoeken rechtspersoon, die de wettelijke verplichting heeft aan het onderzoek medewerking te verlenen. Het beginsel […]”
r.o. 4.19.7 · lid 1
Hoven en Ondernemingskamer (1)
Geschillenregeling: deskundige verzoekt toegang administratie voor mede-aandeelhouder; verzoek afgewezen
“Bij e-mail van 18 september 2026 heeft de deskundige de raadsheer-commissaris op de voet van art. 2:339 lid 1 in verbinding met art. 2:352 lid 1 BW verzocht om Laseth te bevelen aan Kloekenland volledige toegang te verlenen tot de administratie, de financiële systemen en de betaalrekeningen van de vennootschappen, zodat zij volledig kennis kan nemen van de financiële zaken van de vennootschappen.”
r.o. 1.3 · lid 1“De deskundige is gerechtigd tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon (art. 2:339 lid 1 BW in verbinding met art. 2:351 lid 1 BW). Wordt hem dat geweigerd, dan kan de raadsheer-commissaris op zijn verzoek de bevelen geven die de omstandigheden nodig maken (art. 2:339 lid 1 BW in verbinding met art. 2:352 lid 1 BW en art. 5.9 van de Leidraad voor deskundigen in de geschillenregeling, laatstelijk gewijzigd op 21 juli 2026; hierna: de Leidraad). Gesteld noch gebleken is dat hem die toegang is geweigerd, terwijl Laseth heeft verklaard alle informatie te zullen verstrekken die de deskundige nodig acht. Het verzoek van de deskundige strekt er evenwel niet toe dat hij zelf toegang krijgt tot de administratie. Hij vraagt een bevel aan Laseth om Kloekenland toegang tot de administratie te verlenen.”
r.o. 2.4 · lid 1