Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 2. Het recht van enquête
Artikel 2:353 BW
In deze vorm in werking sinds 12 juni 2015, laatst gewijzigd bij Stb. 2015, 184
Het verslag van de uitkomst van het onderzoek wordt ter griffie van het gerechtshof Amsterdam nedergelegd. Uit het verslag moet blijken of aan het bepaalde in artikel 351 lid 4, tweede volzin is voldaan.
De advocaat-generaal bij het ressortsparket, de rechtspersoon, alsmede de verzoekers en hun advocaten, ontvangen een exemplaar van het verslag. In het geval, bedoeld in artikel 348, ontvangt ook de in dat artikel genoemde, op de rechtspersoon toezichthoudende instelling een exemplaar van het verslag. De ondernemingskamer kan bepalen dat het verslag voorts geheel of gedeeltelijk ter inzage ligt voor de door haar aan te wijzen andere personen of voor een ieder.
Het is aan anderen dan de rechtspersoon verboden mededelingen aan derden te doen uit het verslag, voor zover dat niet voor een ieder ter inzage ligt, tenzij zij daartoe op hun verzoek door de voorzitter van de ondernemingskamer zijn gemachtigd. Een vereniging van werknemers is echter zonder een zodanige machtiging bevoegd tot het verstrekken van mededelingen uit het verslag aan de ondernemingsraad, die aan een door de rechtspersoon gedreven onderneming is verbonden.
Ten spoedigste na de nederlegging geeft de griffier daarvan kennis aan de verzoeker of verzoekers en aan de rechtspersoon; indien de ondernemingskamer dit beveelt, draagt hij voorts zorg voor de bekendmaking van de nederlegging en van de in het tweede lid bedoelde beschikking in de Staatscourant.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:353 BW (27)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (4)
Enquête: afschrift van openbaar onderzoeksverslag aan derde (artikel 2:353 lid 2 BW)
“[…] 1] was medebestuurder van MEI. (iii) In die enquêteprocedure heeft de ondernemingskamer bij beschikking van 10 februari 2011 (onder meer) een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschappen. De door de ondernemingskamer benoemde onderzoeker heeft op 3 oktober 2011 verslag uitgebracht. Bij beschikking van 10 oktober 2011 heeft de ondernemingskamer op de voet van art. 2:353 lid 2 BW beslist dat het “Verslag” met twaalf bijlagen ter griffie voor een ieder ter inzage ligt, en dat de “Aanvulling op het verslag” met drie bijlagen ter inzage ligt voor belanghebbenden. (iv) Bij brief van 25 maart 2014 heeft de ondernemingskamer aan een advocaat in een andere zaak op haar schriftelijk verzoek een kopie verstrekt van de delen van het onderzoeksverslag die voor een ieder ter inzage waren gelegd. Deze kopie is vervolgens als productie ingebracht in een procedure waarbij RCM betrokken is. 3.2.1 [eisers] vorderen in het onderhavige kort geding, samengevat, een verbod aan de Staat om kopieën of afschriften van het onderzoeksverslag aan derden ter beschikking te stellen en een gebod aan de Staat om een ieder die het onderzoeksverslag reeds in kopie heeft ontvangen, […]”
r.o. 3.1 · lid 2“Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Het heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Wanneer de ondernemingskamer op de voet van art. 2:353 lid 2 BW heeft bepaald dat een onderzoeksverslag voor een ieder ter inzage ligt, is dat verslag (daarmee) openbaar en kan een ieder ook daadwerkelijk ervan kennisnemen. (rov. 7) Het feit dat het verslag voor een ieder ter griffie ter inzage ligt, brengt niet mee dat dat verslag dan niet in afschrift aan een belangstellende kan worden verzonden. Noch de tekst van art. 2:353 lid 2 BW noch de wetsgeschiedenis biedt steun aan een dergelijke uitleg. (rov. 8) Dat in art. 843a Rv een onderscheid wordt gemaakt tussen inzage in en afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden, brengt niet mee dat de terminologie in art. 2:353 lid 2 BW, dat immers op een andere situatie van toepassing is, een beperkte strekking heeft. Datzelfde geldt voor het bepaalde in art. 838 Rv en art. 28 Rv. (rov. 9) Er is ook geen goede reden om een beperkende betekenis toe te kennen aan de terminologie van art. 2:353 lid 2 BW. (rov. 10)”
r.o. 3.2.2 · lid 2“Het middel klaagt in de kern dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de ondernemingskamer, wanneer zij op de voet van art. 2:353 lid 2 BW heeft bepaald dat het onderzoeksverslag voor een ieder ter inzage ligt, (tevens) een afschrift van dat verslag aan een derde mag verstrekken. Volgens het middel moet “ter inzage liggen” in die bepaling beperkt worden uitgelegd in die zin dat een belangstellende een bezoek moet brengen aan de griffie om het onderzoeksverslag aldaar in te zien.”
r.o. 3.3.1 · lid 2“Art. 2:353 lid 2 BW houdt in, voor zover thans van belang, dat in ieder geval de advocaat-generaal bij het ressortsparket, de rechtspersoon, alsmede de verzoekers en hun advocaten een exemplaar van het onderzoeksverslag ontvangen. Daarnaast kan de ondernemingskamer ingevolge art. 2:353 lid 2 BW onder meer bepalen dat het verslag voor een ieder ter inzage ligt. Art. 2:353 lid 3 BW bepaalt, kort gezegd, dat het aan anderen dan de rechtspersoon verboden is om mededelingen aan derden te doen uit het verslag voor zover dat niet voor een ieder ter inzage ligt. Dit laatste brengt mee dat een voor een ieder ter inzage gelegd onderzoeksverslag in feite openbaar is en dat het een ieder is toegestaan om aan derden mededelingen uit het verslag te doen.”
r.o. 3.3.2 · leden 2, 3KPNQwest
Beëindiging van bevolen enquête na schikking tussen verzoekers en belanghebbenden
“[…] een enquête ingetrokken. Verzoekers hebben op grond van deze intrekking gesteld dat de onderhavige enquêteprocedure is geëindigd en zij hebben (subsidiair) de ondernemingskamer verzocht de enquêteprocedure te beëindigen dan wel te verstaan dat deze geëindigd is en de onderzoekers te bevelen hun onderzoek te staken zonder dat een (voorlopig) onderzoeksverslag wordt gedeponeerd als bedoeld in art. 2:353 BW. Verzoekers hebben in het verlengde hiervan bezwaar gemaakt tegen het door de onderzoekers aan de ondernemingskamer gedane verzoek het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten te verhogen met € 250.000,-- en nader vast te stellen op € 750.000,--. De curatoren hebben de ondernemingskamer verzocht het verzoek van Verzoekers tot het beëindigen van het onderzoek af te wijzen en te beslissen dat het onderzoek dient te worden afgerond. Daartoe hebben zij onder meer gewezen op de verschillende bij het onderzoek betrokken belangen, waaronder, naast de belangen van KPNQwest en de gezamenlijke schuldeisers (bij het vaststellen van aansprakelijkheid van derden voor schade van KPNQwest), de belangen van het beleggend publiek en het algemeen belang, en voorts op het stadium waarin het […]”
r.o. 3.2“Het onderdeel faalt, omdat het oordeel van de ondernemingskamer juist is. Een verzoek als bedoeld in de eerste volzin van art. 2:345 lid 1 BW strekt ertoe dat de ondernemingskamer een of meer personen benoemt tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. Door het bevel tot het instellen van een onderzoek en de benoeming van de (nader aan te wijzen) onderzoeker(s) heeft de ondernemingskamer met een uitdrukkelijk dictum op het verzoek beslist. Hoewel met deze beslissing nog geen einde wordt gemaakt aan de door het verzoek ingeleide procedure - dat gebeurt immers pas met de nederlegging van het verslag als bedoeld in art. 2:353 BW - is de beslissing op het verzoek wel een eindbeschikking, die alleen nog door een rechtsmiddel kan worden aangetast. De oorspronkelijke verzoekers kunnen hun verzoek derhalve in dit stadium van het geding niet meer op de voet van art. 283 Rv. intrekken.”
r.o. 4.1.2Enquête: wanbeleid en verhaal onderzoekskosten op bestuurder; cassatie verworpen
Na een enquête bij een gefailleerde B.V. stelde de OK wanbeleid vast en veroordeelde zij een van de bestuurders tot betaling van de kosten van twee onderzoeken aan de curator. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van die bestuurder met toepassing van artikel 81 RO, omdat de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Gucci
Enquêterecht: OK mag zonder onderzoek geen wanbeleid vaststellen en voorzieningen treffen
In een enquêtezaak had de OK, zonder een onderzoek te gelasten, wanbeleid vastgesteld en voorzieningen getroffen. De Hoge Raad oordeelt dat het enquêterecht twee afzonderlijke procedures kent. Voorzieningen kunnen pas worden getroffen als uit het onderzoeksverslag wanbeleid is gebleken. De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de OK.
Conclusies van de A-G (15)
Enquête Nexperia: ex parte onmiddellijke voorzieningen en hoor en wederhoor (artikel 2:349a BW)
“Doorgaans wordt in enquêteprocedures onderscheid gemaakt tussen twee fasen. De eerste fase begint met het indienen van het enquêteverzoek als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW en eindigt in geval van toewijzing in beginsel met de deponering van het onderzoekverslag ter griffie van de OK (art. 2:353 lid 1 BW). In onze zaak is de eerste fase dus gestart op 1 oktober 2025 (zie onder 3.1 hiervoor) en loopt die fase, gelet op het in de eerstefasebeschikking bevolen onderzoek gevolgd door de aanwijzing van twee onderzoekers, in beginsel nog door tot de deponering van het onderzoekverslag ter griffie van de OK. Indien het tot een tweede fase komt, neemt die eerst een aanvang met het indienen van een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid als bedoeld in art. 2:355 lid 1 BW. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de beide fasen als twee afzonderlijke procedures worden beschouwd. De eerstefasebeschikking is met andere woorden een eindbeschikking waarvan cassatieberoep openstaat. Zowel in de eerste fase als in de tweede fase kan de OK onmiddellijke voorzieningen treffen als bedoeld in art. 2:349a BW (voor de tweede fase in verbinding met art. 2:355 lid 3 BW). Onmiddellijke […]”
r.o. 4.3 · lid 1“[…] inzake Fortis. In deze enquêteprocedure is een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Fortis N.V. De Staat is in deze zaak juist toegelaten als belanghebbende in de eerste fase van de enquêteprocedure. In de beschikking waaruit de klacht citeert, gaat het echter om een ander - beperkter - belanghebbendebegrip, namelijk of de Staat als belanghebbende in de zin van art. 2:353 lid 2 BW de bijlagen bij het onderzoekverslag, waarvoor de OK bij beschikking van 10 juni 2010 had bepaald dat die niet voor een ieder ter inzage liggen maar slechts voor ‘belanghebbenden’, mag inzien. In de beschikking van 25 augustus 2010 oordeelde de OK dat de Staat (die aan de hand van de Scheipar-maatstaf was toegelaten als belanghebbende als bedoeld in art. 279 lid 1 en 282 lid 1 Rv) niet als belanghebbende in deze engere zin kan worden aangemerkt. De klacht beroept zich specifiek op de volgende overweging uit de beschikking van 25 augustus 2010: “Ook indien, zoals de Staat stelt, hij zich “vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het algemeen belang en het Nederlandse financiële systeem als geheel” geroepen voelde tot deze verwerving, is de Staat daarmee nog geen belanghebbende […]”
r.o. 4.72 · lid 2Ex parte onmiddellijke voorzieningen in enquête (Nexperia): eerlijk proces, artikel 2:349a BW
“Doorgaans wordt in enquêteprocedures onderscheid gemaakt tussen twee fasen. De eerste fase begint met het indienen van het enquêteverzoek als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW en eindigt in geval van toewijzing in beginsel met de deponering van het onderzoekverslag ter griffie van de OK (art. 2:353 lid 1 BW). In onze zaak is de eerste fase dus gestart op 1 oktober 2025 (zie onder 3.1 hiervoor) en loopt die fase, gelet op het in de eerstefasebeschikking bevolen onderzoek gevolgd door de aanwijzing van twee onderzoekers, in beginsel nog door tot de deponering van het onderzoekverslag ter griffie van de OK. Indien het tot een tweede fase komt, neemt die eerst een aanvang met het indienen van een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid als bedoeld in art. 2:355 lid 1 BW. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de beide fasen als twee afzonderlijke procedures worden beschouwd. De eerstefasebeschikking is met andere woorden een eindbeschikking waarvan cassatieberoep openstaat. Zowel in de eerste fase als in de tweede fase kan de OK onmiddellijke voorzieningen treffen als bedoeld in art. 2:349a BW (voor de tweede fase in verbinding met art. 2:355 lid 3 BW). Onmiddellijke […]”
r.o. 4.3 · lid 1“[…] inzake Fortis. In deze enquêteprocedure is een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Fortis N.V. De Staat is in deze zaak juist toegelaten als belanghebbende in de eerste fase van de enquêteprocedure. In de beschikking waaruit de klacht citeert, gaat het echter om een ander - beperkter - belanghebbendebegrip, namelijk of de Staat als belanghebbende in de zin van art. 2:353 lid 2 BW de bijlagen bij het onderzoekverslag, waarvoor de OK bij beschikking van 10 juni 2010 had bepaald dat die niet voor een ieder ter inzage liggen maar slechts voor ‘belanghebbenden’, mag inzien. In de beschikking van 25 augustus 2010 oordeelde de OK dat de Staat (die aan de hand van de Scheipar-maatstaf was toegelaten als belanghebbende als bedoeld in art. 279 lid 1 en 282 lid 1 Rv) niet als belanghebbende in deze engere zin kan worden aangemerkt. De klacht beroept zich specifiek op de volgende overweging uit de beschikking van 25 augustus 2010: “Ook indien, zoals de Staat stelt, hij zich “vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het algemeen belang en het Nederlandse financiële systeem als geheel” geroepen voelde tot deze verwerving, is de Staat daarmee nog geen belanghebbende […]”
r.o. 4.70 · lid 2Enquête: hoor en wederhoor door onderzoeker en bruikbaarheid onderzoeksverslag
“Bij beschikking van 28 november 2023 heeft de OK onder meer: - op de voet van art. 2:353 lid 2 BW bepaald dat het onderzoeksverslag met bijlagen ter inzage ligt voor belanghebbenden bij de griffie van de OK; - partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vergoeding van de onderzoeker.”
r.o. 2.16 · lid 2“De wijze waarop het onderzoek moet worden verricht, is niet als zodanig in de wet geregeld. De onderzoeker is - behoudens eventuele aanwijzingen van de OK of de in art. 2:350 lid 4 BW bedoelde raadsheer-commissaris (hierna: de r-c) - in beginsel vrij in de inrichting van het onderzoek en het verslag daarvan, en in de beoordeling wie hij daarbij wanneer wenst te horen en welke gegevens hij daarbij meent nodig te hebben. Wel zijn in de rechtspraak enige (richt)lijnen ontwikkeld wat betreft de taak en werkwijze van de onderzoeker. Los daarvan kent de wet de onderzoeker, kort gezegd, de volgende verplichtingen toe: het betrachten van geheimhouding (art. 2:351 lid 3 BW); het opstellen van een verslag van het onderzoek (art. 2:351 lid 4, eerste zin BW); en het voorleggen van een concept van het verslag aan daarin genoemde personen in het kader van hoor/wederhoor, voor zover sprake is van wezenlijke bevindingen daarin die op henzelf betrekking hebben (art. 2:351 lid 4, tweede zin BW). Bij dit laatste geldt dat uit het verslag moet blijken dat is voldaan aan dat voorschrift (art. 2:353 lid 1, tweede zin BW).”
r.o. 3.14 · lid 1Afschrift openbaar enquêteverslag aan derde: uitleg 'ter inzage leggen' artikel 2:353 BW
“[…] beslist: “(…) 2.De gronden van de beslissing De Ondernemingskamer heeft kennis genomen van het onderzoeksverslag. Het onderzoeksverslag bestaat uit twee delen, te weten het “Verslag” met 12 bijlagen, en de “Aanvulling op Verslag” met drie bijlagen. Lettend op de inhoud daarvan en op de overigens in deze zaak betrokken belangen, acht de Ondernemingskamer termen aanwezig om op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW te bepalen dat het “Verslag” met de 12 bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor een ieder, en dat de “Aanvulling op Verslag” met de drie bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden. 3.De beslissing De Ondernemingskamer: bepaalt dat het “Verslag” met de 12 bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor een ieder; bepaalt dat de “Aanvulling op Verslag” met de drie bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. (...)””
r.o. 1.3 · lid 2“In een e-mailbericht van 4 oktober 2012 is door mr. R. Verheggen, secretaris van de Ondernemingskamer (hierna: Verheggen), aan [eiseres 2] bericht, voor zover thans relevant: “(...) Van het gesprek dat een van onze administratieve medewerksters gisterochtend (3 oktober jl.) heeft gevoerd met een persoon (naam is mij onbekend) m.b.t. het onderzoeksverslag, hoorde ik pas vanochtend. Ik vernam van haar dat zij tijdens dat gesprek heeft meegedeeld dat de terinzagelegging van het onderzoeksverslag voor een periode van 2 maanden gold en dat die termijn inmiddels verstreken is. (...) Het goede antwoord had moeten zijn dat een ieder die meent recht op inzage in het onderzoeksverslag te hebben zich schriftelijk kan wenden tot de OK met een daartoe strekkend verzoek. De OK zal vervolgens een beslissing geven op dat verzoek. Zij bepaalt immers voor wie het onderzoeksverslag ter inzage ligt (zie artikel 2:353 BW); ik verwijs naar de beschikking van 10 oktober 2011 in bovenvermelde zaak. Wat die beslissing op een concreet verzoek zal zijn kan ik u niet zeggen. Dat beslissen (de leden van) de OK in elk voorkomend geval. (...) ””
r.o. 1.5“[…] bij arrest van 24 februari 2015, voor zover thans van belang, het volgende overwogen: “6. Het gaat in deze procedure om de vraag of verstrekking van het onderzoeksrapport van Van Hassel door de Staat aan derden onrechtmatig is jegens [eisers] baseren hun standpunt dat dit zo is enerzijds op informatie die zij van de Ondernemingskamer zouden hebben ontvangen en anderzijds op de tekst van artikel 2:353 BW en de beschikking van de Ondernemingskamer van 10 oktober 2011. 7. Artikel 2:353, tweede lid, BW houdt in dat de Ondernemingskamer kan bepalen dat een onderzoeksverslag geheel of gedeeltelijk ter inzage ligt voor de door haar aan te wijzen (andere dan de in lid 2, eerste en tweede zin van dit artikel bedoelde) personen of voor een ieder. Wanneer een onderzoeksverslag voor een ieder ter inzage ligt, is het (daarmee) openbaar en kan een ieder er ook daadwerkelijk kennis van nemen. Wanneer de Ondernemingskamer van haar bevoegdheid geen gebruik maakt, is het onderzoeksverslag geen openbaar stuk. 8. In de beschikking van 10 oktober 2011 heeft de Ondernemingskamer op basis van het bepaalde in artikel 2:353 lid 2 BW overwogen dat het onderzoeksverslag met de 12 bijlagen ter griffie […]”
r.o. 2.3 · lid 2“In het cassatiemiddel wordt betoogd dat het een rechterlijke instantie als de Ondernemingskamer niet vrij staat om een kopie van het onderzoeksrapport aan een derde toe te sturen, omdat in artikel 2:353 BW is bepaald dat het verslag ‘ter griffie ter inzage is nedergelegd’. Dit impliceert volgens het middel dat hiervan geen afschrift mag worden verstrekt.”
r.o. 3.1Enquête KPNQwest: intrekking enquêteverzoek na bevel tot onderzoek, rol curatoren
“Daarnaast is de vraag hoe die algemene uitleg moet worden toegepast op het verloop van de enquêteprocedure, omdat die enigszins afwijkt van het normale verloop van een verzoekschriftprocedure. Het bevel van de Ondernemingskamer dat een onderzoek moet plaatsvinden, is niet het einde van de procedure en bovendien eindigt de procedure niet met een beschikking van de Ondernemingskamer, maar met de neerlegging van het onderzoeksverslag bij de griffie van het gerechtshof Amsterdam conform artikel 2:353 BW.”
r.o. 3.14“Men zou zich nog kunnen afvragen of de wetgever door de formulering "eindbeschikking" heeft bedoeld dat art. 283 Rv alleen van toepassing is op procedures die een einde nemen met een beschikking. Als dat zo zou zijn, dan is het artikel niet goed toe te passen op de enquêteprocedure, aangezien die procedure eindigt met de neerlegging van het onderzoeksverslag bij de griffie van het gerechtshof Amsterdam conform art. 2:353 BW. In de wetsgeschiedenis wordt, zoals hiervoor al vermeld, niet ingegaan op de woordkeuze 'zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gewezen'. Ik vind het aannemelijk dat de wetgever hier geen oog heeft gehad voor de mogelijkheid dat niet in alle verzoekschriftprocedures de laatste stap een beschikking is. Nergens blijkt in ieder geval dat de wetgever heeft bedoeld die categorie door de woordkeuze in artikel 283 Rv uit te sluiten. Dit leidt mijns inziens tot de conclusie dat artikel 283 Rv ook bij procedures waarbij de laatste stap niet (zonder meer) een beschikking is van toepassing is tot het einde van de procedure.”
r.o. 3.26“Hierbij is mijns inziens het onderscheid tussen de verzoekschriftprocedure als geheel en afzonderlijke individuele verzoeken van belang. Bij de bespreking van middelonderdeel 1 is vermeld dat bij procedures waarin een enquête-onderzoek wordt gelast, sprake is van één procedure tot het moment dat het onderzoeksrapport ter griffie van het gerechtshof Amsterdam wordt neergelegd conform artikel 2:353 BW. Dat neemt niet weg dat aanvullende verzoeken binnen de procedure (bijvoorbeeld verzoeken om voorlopige voorzieningen en veranderings- of vermeerderingsverzoeken) gelden als afzonderlijke verzoeken. Artikel 282 lid 1 Rv ziet mijns inziens op behandeling van een verzoek en niet van de verzoekschriftprocedure. Dat is taalkundig logischer en doet ook recht aan het feit dat nieuwe verzoeken invloed kunnen hebben op de positie - en daarmee de processtrategie - van belanghebbenden. In gelijke zin heeft de Ondernemingskamer geoordeeld in de Deminor/Laurus-beschikking(47). Die beschikking betrof onder meer de vraag of Deminor - die tot op dat moment zich nog niet in de procedure had gemengd - nog als belanghebbende een verweerschrift kon indienen op het moment dat twee van de al betrokken […]”
r.o. 3.46Enquête: zorgplicht jegens minderheidsaandeelhouder en wanbeleid bij dividendbeleid
“Nadat de onderzoeker het verslag van zijn onderzoek aan de ondernemingskamer had doen toekomen, heeft de ondernemingskamer bij haar beschikking van 10 augustus 2004 op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW bepaald dat het verslag met de bijlagen ter griffie van de ondernemingskamer voor belanghebbenden ter inzage ligt.”
r.o. 1.10 · lid 2Enquête Laurus: ontvankelijkheid wanbeleidverzoek, toezicht commissarissen en nader onderzoek
“Het onderdeel klaagt dat de Ondernemingskamer hiermee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel betoogt - kort samengevat - dat de eerste procedure rechtens en feitelijk op 20 december 2002 is afgesloten doordat de onderzoekers het verslag op de voet van art. 2:353 lid 1 BW ter griffie van de Ondernemingskamer hebben neergelegd, althans door de beslissing van de Ondernemingskamer waarbij is bepaald dat het verslag ter griffie ter inzage ligt voor een ieder. De beslissing van de Ondernemingskamer tot het bevelen van een nader onderzoek is gegeven in het kader van de tweede procedure van het enquêterecht. Deze procedure strekt er echter niet toe de vraag te beantwoorden of behoefte bestaat aan een nader onderzoek. De Ondernemingskamer heeft de bevoegdheid tot het instellen van een nader onderzoek blijkens rechtsoverweging 3.13 (onder meer) willen ontlenen aan artikel 2:345 lid 1 BW, maar zij heeft daarbij miskend dat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op de eerste - inmiddels afgesloten - procedure. Het systeem van het enquêterecht en de rechtszekerheid verzetten zich ertegen dat partijen als gevolg van een beslissing van de Ondernemingskamer worden […]”
r.o. 3.65 · lid 1Conclusie A-G: wanbeleid HBG, consultatieplicht algemene vergadering van aandeelhouders bij afwijzing bod
“Indien vervolgens uit het verslag van de rapporteurs - dat wordt gedeponeerd bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam (art. 2:353 BW) - blijkt van wanbeleid, kan de ondernemingskamer voorziening treffen (art. 2:355 lid 1 BW)(9). Zij kan ook volstaan met de uitspraak dat van wanbeleid is gebleken(10). De ondernemingskamer is niet gebonden aan het oordeel omtrent wanbeleid van de onderzoekers(11) en toetst marginaal of sprake is van wanbeleid(12). Het onderzoek vormt de basis van het in de wet neergelegde stelsel van het enquêterecht(13).”
r.o. 2.3Enquête: wanbeleid en kostenverhaal op bestuurder bij failliete projectvennootschap
“[…] voor een ieder ter inzage heeft gelegen. In haar beschikking van 11 september 2000 (87/98 OK) heeft de Ondernemingskamer het volgende overwogen: "De Ondernemingskamer heeft kennis genomen van het verslag van het onderzoek en de daarbij behorende bijlagen. Gelet op de inhoud daarvan en op de overigens in deze zaak betrokken belangen acht de Ondernemingskamer termen aanwezig op de voet van art. 2:353 lid 2 BW het verslag met bijlagen (...) ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage te leggen voor belanghebbenden(15)." Het verzoek van de curator om de verslagen van het onderzoek voor een ieder ter inzage te leggen, is uitdrukkelijk afgewezen. In haar beschikking van 31 juli 2001 heeft de Ondernemingskamer in rov. 3.15 overwogen: "Ten aanzien van het verzoek van de curator om de verslagen van het onderzoek ter inzage van een ieder te leggen overweegt de Ondernemingskamer dat, voor zover dit verzoek nog ontvankelijk is na de eerdere beschikkingen van de Ondernemingskamer van 18 december 1997 en 11 september 2000, de curator zijn belang bij het verzoek onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het verzoek zal daarom worden afgewezen."”
r.o. 2.6 · lid 2Enquête: wanbeleid bij inbrengtransactie, kostenverhaal op commissaris, cassatieberoepen te verwerpen
“Nadat de onderzoeker het verslag van zijn onderzoek aan de OK had doen toekomen, heeft de OK bij beschikking van 12 februari 2001 bepaald dat het verslag, overeenkomstig art. 2:353, lid 2, BW ter griffie ter inzage zou worden gelegd. Bij beschikking van eveneens 12 februari 2001 heeft de OK het aan de onderzoeker voor zijn werkzaamheden toekomende bedrag vastgesteld op ƒ 47.419,20, te vermeerderen met omzetbelasting.”
r.o. 3.3 · lid 2Enquête: positie onderzoeker, gespreksverslagen en geluidsopnames van interviews
In een enquêteprocedure vroeg de bestuurder van de onderzochte vennootschap om kopieën van geluidsopnames van interviews en om aanpassing van de interviewverslagen aan alle opmerkingen van de geïnterviewden. De A-G concludeert dat de onderzoeker in beginsel vrij is in de inrichting van het onderzoek en dat de wet geen verplichting kent om opnames te verstrekken of alle opmerkingen over te nemen. Voorleggen van conceptverslagen en zichtbaar maken van wijzigingen voldoet aan hoor en wederhoor. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Gezag van gewijsde van onmiddellijke voorziening OK (dwangsommen) in executiegeschil
“Dit artikel is onderdeel van titel 8.2 Boek 2 BW, oftewel de wettelijke regeling van het enquêterecht. Deze regeling bevat twee afzonderlijk procedures: de eerste procedure van de enquête voorziet in de mogelijkheid van een verzoek aan de OK tot het instellen van een onderzoek als nader in art. 2:345 BW is omschreven; de tweede procedure van de enquête, bedoeld in art. 2:355 BW, komt pas aan de orde indien het in art. 2:345 BW bedoelde verzoek is toegewezen en nadat het verslag van de uitkomst van het onderzoek op de voet van art. 2:353 BW ter griffie is neergelegd. Art. 2:349a lid 1 BW schrijft voor dat de OK het verzoek met de meeste spoed behandelt. In de huidige opzet van deze regeling vormt zo’n onderzoek (de ‘enquête’) de kern ervan. Tegen beschikkingen van de OK uit hoofde van deze regeling staat cassatieberoep open, waarover nader in art. 2:359 lid 1 BW.”
r.o. 3.15Verschoningsrecht in de enquête: inzage onderzoekers in notulen en adviezen SNS
“[…] 2:351 lid 3 BW; het is de onderzoeker verboden hetgeen hem bij zijn onderzoek blijkt, verder bekend te maken dan zijn opdracht met zich brengt. Xeikon heeft erop gewezen dat die geheimhoudingverplichting de onderzoeker niet belet gevoelige gegevens in het verslag op te nemen. Dit is op zichzelf juist, maar geen grond voor weigering om de desbetreffende gegevens te verschaffen. Uit artikel 2:353 lid 3 BW volgt dat het aan anderen dan Xeikon is verboden mededelingen uit het verslag te doen, voor zover dat niet voor een ieder ter inzage ligt.” Een rechtspersoon die voorwerp is van onderzoek kan zich dus jegens de onderzoekers niet verschonen van het geven van inzage in stukken in de zin van art. 2:351 BW met een beroep op het concurrentiegevoelige karakter van (een deel van) de desbetreffende stukken. Uit dit voorbeeld blijkt verder dat beantwoording van vragen over de reikwijdte van het inzagerecht van onderzoekers met de intrede van de raadsheer-commissaris in de enquêteprocedure uit de beslotenheid van het onderzoek kan worden gehaald. Dat blijkt ook uit de onderhavige zaak over het verschoningsrecht.”
r.o. 2.10 · lid 3Wanbeleid door beschermingsconstructie tegen grootaandeelhouder bij beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal
“[…] 3.8 van de beschikking van 16 oktober 2001. 15 JOR 2001, 251 m.nt. J.M. Blanco Fernández. 16 Zie de pleitnotities van mr. J.D. Kleyn van 7 november 2001 onder 18-19. 17 JOR 2001, 252 m.nt. prof. mr. F.J.P. van den Ingh. 18 Bij beschikking van 13 februari 2002 heeft de ondernemingskamer - lettend op de inhoud van het verslag en op de overigens in deze zaak betrokken belangen - op de voet van art. 2:353 lid 2 BW bepaald dat het verslag c.a. ter inzage lag "voor een ieder". 19 Zie voor een volledige weergave van de samengevatte bevindingen en conclusies uit het verslag (blz. 60-65) rov. 2.2 van de beschikking van 22 februari 2002. 20 Lees: Freeland Corporate Advisors N.V. gevestigd te Rotterdam (verzoekster in cassatie onder 6). 21 Ter openbare terechtzitting van 22 februari 2002 hebben de advocaten van VEB c.s. hun verzoek onder III a geconcretiseerd op de wijze zoals weergegeven in rov. 1.7 van de beschikking van 22 februari 2002. 22 JOR 2002, 63. 23 m.nt. prof. mr. F.J.P. van den Ingh; Ondernemingsrecht 2002, 25 m.nt. G.N.H. Kemperink. Deze beschikking is ook besproken door P.G. Vestering, V&O 2002, blz. 70-74; G.N.H. Kemperink, Ondernemingsrecht 2002, blz. 236-243 en, recent, […]”
r.o. 4.11 · lid 2Enquête: voormalig bestuurder belanghebbende, certificaathouder, onmiddellijke voorziening en machtiging onderzoeker
“Indien vervolgens uit het verslag van de rapporteurs - dat wordt gedeponeerd bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam (art. 2:353 BW) - blijkt van wanbeleid, kan de ondernemingskamer voorziening treffen (art. 2:355 lid 1 BW)(16). Zij kan ook volstaan met de uitspraak dat van wanbeleid is gebleken. Het onderzoek vormt, als gezegd, de basis van het in de wet neergelegde stelsel van het enquêterecht(17).”
r.o. 2.13
Hoven en Ondernemingskamer (7)
OK: machtiging mededelingen uit enquêteverslag in civiele procedures toegewezen
“Uitgangspunt is dat het onderzoeksverslag vertrouwelijk is en dat het aan anderen dan de vennootschap in beginsel verboden is daaruit mededelingen aan derden te doen (artikel 2:353 lid 3 BW). De voorzitter van de Ondernemingskamer kan evenwel op verzoek een machtiging verlenen om jegens derden mededelingen uit het verslag en/of de daarbij behorende bijlagen te doen. Daarbij dient een afweging te worden gemaakt tussen de belangen van de verzoeker om mededelingen uit het verslag te mogen doen en het belang van de vennootschap bij vertrouwelijkheid.”
r.o. 3.4 · lid 3“Bij de beoordeling van de gevraagde machtigingen staan het belang van openheid en het belang van vertrouwelijkheid tegenover elkaar. Enerzijds behoort tot de doeleinden van het enquêterecht het verkrijgen van openheid van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid. Anderzijds geldt het in artikel 2:353 lid 3 BW neergelegde (en strafrechtelijk beschermde) uitgangspunt dat het rapport voor zover het niet voor een ieder ter inzage ligt, vertrouwelijk is. Deze vertrouwelijkheid dient de belangen van de rechtspersoon, die zelf dan ook niet aan die vertrouwelijkheid is gebonden.”
r.o. 3.5 · lid 3“Overeenkomstig de met voormelde doeleinden nagestreefde openheid verkrijgt onder meer de verzoeker van de enquête op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW een exemplaar van het onderzoeksverslag, zij het onder de verplichting de bedoelde vertrouwelijkheid te respecteren (artikel 2:353 lid 3 BW). In verreweg de meeste gevallen bepaalt de Ondernemingskamer bij de deponering dat het verslag slechts ter inzage ligt voor belanghebbenden. Dit samenstel brengt mee dat de verzoeker enerzijds door middel van de enquête toegang krijgt tot – ook – vertrouwelijke informatie, die hij zonder de enquêteprocedure in het algemeen niet zou hebben gehad, maar anderzijds dat de aldus verkregen openheid – in de meeste gevallen – beperkt is.”
r.o. 3.6 · leden 2, 3“Het oogmerk om het onderzoeksverslag in een dergelijke procedure in te brengen vormt dan ook in het algemeen – en zonder dat daarvoor een nadere specificatie of toelichting vereist is – een voldoende zwaarwegend belang om degene op wiens verzoek de openheid is verkregen op de voet van artikel 2:353 lid 3 BW te machtigen om in die procedure mededeling te doen uit het verslag, ook voor zover dat niet voor een ieder ter inzage ligt. Om geen verdere inbreuk op de vertrouwelijkheid te maken dan met het oog op de verwezenlijking van voormelde doeleinden noodzakelijk is, dient de te verlenen machtiging wel te worden beperkt tot gebruik in de desbetreffende procedure voor zover de verzoeker dat gebruik ter toelichting en/of (ondersteuning van) bewijs van zijn stellingen nodig heeft (ECLI:NL:GHAMS:2013:4745, Fortis).”
r.o. 3.8 · lid 3OK-voorzitter wijst verzoek om mededelingen uit enquêteverslag af (artikel 2:353 lid 3 BW)
“Op 10 april 2026 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het verslag van de onderzoeker op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW met bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage is neergelegd voor belanghebbenden. Bij beschikking van 23 april 2026 heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer [Broer A] c.s. en [Broer B] c.s. gemachtigd om in het kader van een waarderingstraject aan bepaalde derden mededelingen te doen uit het onderzoeksverslag.”
r.o. 1.3 · lid 2“Bij e-mail van 9 juli 2026 heeft [Broer A] verzocht mededelingen te mogen doen uit het onderzoeksverslag ter onderbouwing van in te dienen klacht met betrekking tot door Ebben Partners in opdracht van de voormalige advocaat van [Broer B] c.s. verricht forensisch onderzoek en het daarvan opgestelde rapport. Zij hebben de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht hen daartoe op de voet van artikel 2:353 lid 3 BW te machtigen. Partijen zijn door de secretaris van de Ondernemingskamer in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren.”
r.o. 1.4 · lid 3“Op grond van artikel 2:353 lid 3 BW is het aan anderen dan de rechtspersoon verboden mededelingen aan derden te doen uit het onderzoeksverslag, voor zover dat niet voor iedereen ter inzage ligt, tenzij zij daartoe door de voorzitter van de Ondernemingskamer zijn gemachtigd. In deze zaak heeft de Ondernemingskamer op 10 april 2026 bepaald dat het onderzoeksverslag met bijlagen ter inzage ligt voor belanghebbenden. Op dat moment waren dat [Broer A] c.s. en [Broer B] c.s. Het in artikel 2:353 lid 3 BW opgenomen verbod dient de belangen van de Vennootschap c.s., die zelf dan ook niet aan dat verbod zijn gebonden.”
r.o. 2.1 · lid 3“De voorzitter van de Ondernemingskamer is van oordeel dat bij die stand van zaken het belang van [Broer A] om, ter ondersteuning van een door hem tegen Ebben Partners in te dienen klacht, mededelingen te mogen doen uit het onderzoeksverslag onvoldoende zwaarwegend is om een uitzondering te aanvaarden op het in het belang van de Vennootschap c.s. in artikel 2:353 lid 3 BW opgenomen verbod. Het verzoek van [Broer A] zal daarom worden afgewezen.”
r.o. 2.3 · lid 3Enquête: verslag ter inzage voor belanghebbenden na deponering onderzoeksverslag
“De Ondernemingskamer heeft kennisgenomen van het verslag met bijlagen van het onderzoek. Gelet op de inhoud daarvan en de overige in deze zaak betrokken belangen, acht de Ondernemingskamer termen aanwezig om op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW te bepalen dat het verslag met bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.”
r.o. 2.1 · lid 2Enquête: onderzoeksverslag ter inzage gelegd voor belanghebbenden op grond van artikel 2:353 lid 2 BW
“De Ondernemingskamer heeft kennisgenomen van het verslag met bijlagen van het onderzoek. Gelet op de inhoud daarvan en de overige in deze zaak betrokken belangen, acht de Ondernemingskamer termen aanwezig om op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW te bepalen dat het verslag met bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.”
r.o. 2.1 · lid 2Enquête: verslag onderzoeker ter inzage voor belanghebbenden gelegd (artikel 2:353 BW)
“De Ondernemingskamer heeft kennisgenomen van het verslag met bijlagen van het onderzoek. Gelet op de inhoud daarvan en de overige in deze zaak betrokken belangen, acht de Ondernemingskamer termen aanwezig om op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW te bepalen dat het verslag met bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.”
r.o. 2.1 · lid 2Enquête: verzoek tot inzage enquêteverslag voor een ieder afgewezen
“[…] enquêteverzoek zal het voor hen lastig zijn te beoordelen welke betekenis moet worden toegekend aan het verslag en de daarin door de onderzoeker getrokken conclusies. Tegen deze achtergrond ziet de Ondernemingskamer, gelet op de inhoud van het verslag en de overigens in deze zaak betrokken belangen, geen aanleiding om af te wijken van het geldende uitgangspunt en op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW te bepalen dat het verslag met bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor een ieder.”
r.o. 2.3 · lid 2OK; enquête; neerlegging onderzoeksverslag en inzage voor belanghebbenden
In een lopende enquêteprocedure heeft de onderzoeker zijn verslag over het beleid en de gang van zaken van twee besloten vennootschappen aan de OK gestuurd. De OK bepaalt op grond van artikel 2:353 lid 2 BW dat het verslag met bijlagen ter griffie ter inzage ligt voor belanghebbenden. Zij baseert dit op de inhoud van het verslag en de overige betrokken belangen.
Rechtbanken (1)
Voorlopig getuigenverhoor naast lopend OK-enquêteonderzoek: uitstel tot depot verslag
“Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat het voorlopig getuigenverhoor pas zal aanvangen nadat het verslag van de uitkomst van het OK-onderzoek op de voet van artikel 2:353 lid 1 BW ter griffie van het gerechtshof Amsterdam is nedergelegd.”
r.o. 5.44 · lid 1“De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat Yuching (althans haar advocaten), gelet op het door haar gedane tegenverzoek in de enquêteprocedure, op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW een exemplaar zal ontvangen van het verslag, dan wel dat de OK op de voet van die bepaling zal bepalen dat het verslag (ook) voor Yuching ter inzage ligt, en dat indien dit niet het geval zou zijn Nexperia Yuching onverwijld van het deponeren van het verslag op de hoogte zal brengen, zodra zij daarvan zelf bericht ontvangt. Wat het voorgaande betekent voor de onderwerpen waarop het verhoor mag zien”
r.o. 5.45 · lid 2“bepaalt dat het voorlopig getuigenverhoor zal aanvangen op een nader te bepalen datum nadat Yuching de rechter-commissaris bij brief heeft medegedeeld dat het verslag van de uitkomst van het door de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam bij beschikking van 11 februari 2026 in de zaak met rekestnummer 200.359.769/01 OK bevolen onderzoek op de voet van artikel 2:353 BW ter griffie van het gerechtshof is nedergelegd,”
r.o. 6.4