Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 2. Het recht van enquête
Artikel 2:348 BW
In deze vorm in werking sinds 12 juni 2015, laatst gewijzigd bij Stb. 2015, 184
Indien de rechtspersoon wegens het bedrijf dat hij uitoefent, is onderworpen aan het toezicht van De Nederlandsche Bank N.V., de Stichting Autoriteit Financiële Markten of de Europese Centrale Bank, doet de griffier een afschrift van het verzoekschrift ook aan de toezichthoudende instelling toekomen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:348 BW (5)
Conclusies van de A-G (5)
Enquête ASMI: strategie, corporate governance en gegronde redenen voor twijfel aan juist beleid
“[…] Leasing waarin hij overweegt dat de enquêteprocedure is gericht op een spoedige beslissing.(14) De verplichting om het enquêteverzoek met de meeste spoed te behandelen is in het enquêterecht van 1928 te vinden.(15) Ter gelegenheid van de herziening van het enquêterecht in 1970 is het voorschrift in art. 53 WvK gehandhaafd in het vierde lid. Bij de invoering van Boek 2 BW is het opgenomen in art. 2:348 lid 2 BW.(16) Ook vóórdat de mogelijkheid tot het treffen van voorlopige voorzieningen werd geïntroduceerd bepaalde de wet dat de meeste spoed geboden was bij de behandeling van het enquêteverzoek. In 1994 is de bepaling verplaatst naar art. 2:349a lid 1 BW. De reikwijdte van het voorschrift is vergroot, doordat het mede van toepassing werd op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (art. 2:349a lid 2).”
r.o. 3.2.5Enquête: voorlopige voorziening tegen ontslag bestuurders en enquêtebevoegdheid personeelsvertegenwoordiging
“[…] bepaald tijdvak. 9 HR 13 mei 2005, LJN AT2829; JOR 2005, 147 m.nt. Josephus Jitta (Zeelandia). 10 Dit blijkt o.a. uit het feit dat het voorschrift deel uitmaakt van het enquêterecht sinds de invoering in 1928 (art. 50, lid 4, eerste zin WvK). Bij de herziening van het enquêterecht in 1970 is het voorschrift gehandhaafd in art. 53 lid 4 WvK. Bij de invoering van Boek 2 BW is het opgenomen in art. 2:348 lid 2 BW (PG Boek 2 (inv), p. 1478). Ook vóórdat de mogelijkheid tot het treffen van voorlopige voorzieningen bestond bepaalde de wet dat de meeste spoed geboden was bij de behandeling van het enquêteverzoek. In 1994 is het voorschrift verplaatst naar art. 2:349a lid 1. De reikwijdte ervan is vergroot, doordat het mede van toepassing werd op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (art. 2:349a lid 2).”
r.o. 3.26Enquête Nexperia: ex parte onmiddellijke voorzieningen en hoor en wederhoor (artikel 2:349a BW)
“[…] algemeen belang in het rechtspersonenrecht, hier specifiek het enquêterecht. De taak en bevoegdheid om het algemeen belang in enquêteprocedures te vertegenwoordigen, berusten op grond van art. 2:345 lid 2, 2:349a en 2:355 lid 1 BW bij de advocaat-generaal bij het ressortsparket. De klacht wijst er verder op dat de wetgever de toezichthouders DNB, AFM en ECB bijzondere taken en bevoegdheden (art. 2:348 en 2:355 lid 4 BW) heeft gegeven om het algemeen belang specifiek gericht op het financiële toezichtrecht te dienen. De portee van deze klacht is dat de wetgever de bescherming van het algemeen belang binnen het enquêterecht bewust heeft toebedeeld aan een beperkt aantal publiekrechtelijke rechtspersonen, en dat andere(n) dan die rechtspersonen slechts de mogelijkheid hebben om in een enquêteprocedure als belanghebbende in de zin van art. 282 Rv op te komen. Dit is volgens de klacht consistent met de OK-beschikking van 25 augustus 2013 inzake Fortis, “waarin een algemeen belang werd afgewezen als een voldoende eigen belang van de Staat”. Behandeling”
r.o. 4.65“Het was in deze zaak dus, evenals in de onderhavige zaak, niet direct nodig dat de A-G bij het ressortsparket een enquêteverzoek indiende. Dit voorbeeld uit de OK-rechtspraak toont verder dat bij niet-financiële instellingen (zoals de desbetreffende stichting, maar ook Nexperia), waarvoor de wettelijke regeling van het enquêterecht geen specifieke bepalingen bevat zoals art. 2:348 BW (afschrift van het verzoekschrift tot het instellen van een onderzoek voor de toezichthouder) en art. 2:355 lid 4 BW (hoorrecht voor de toezichthouder in de tweede fase van de enquêteprocedure), niet specifiek in deze wettelijke bepalingen genoemde onderdelen van de overheid eveneens als belanghebbende kunnen worden aangemerkt als de desbetreffende overheidsinstantie voldoet aan de Scheipar-maatstaf, zoals in dit voorbeeld het geval was bij de toenmalige Inspectie voor de Gezondheidszorg en in de onderhavige zaak het geval is bij EZ. Het behoeft geen betoog dat een dergelijke overheidsinstantie in beginsel - dus ook als belanghebbende in het enquêterecht - handelt ter uitvoering van haar publieke taak, in de terminologie van art. 2:345 lid 2 BW: “om redenen van openbaar belang”. Dát is echter niet het […]”
r.o. 4.71Ex parte onmiddellijke voorzieningen in enquête (Nexperia): eerlijk proces, artikel 2:349a BW
“Het was in deze zaak dus, evenals in de onderhavige zaak, niet direct nodig dat de A-G bij het ressortsparket een enquêteverzoek indiende. Dit voorbeeld uit de OK-rechtspraak toont verder dat bij niet-financiële instellingen (zoals de desbetreffende stichting, maar ook Nexperia), waarvoor de wettelijke regeling van het enquêterecht geen specifieke bepalingen bevat zoals art. 2:348 BW (afschrift van het verzoekschrift tot het instellen van een onderzoek voor de toezichthouder) en art. 2:355 lid 4 BW (hoorrecht voor de toezichthouder in de tweede fase van de enquêteprocedure), niet specifiek in deze wettelijke bepalingen genoemde onderdelen van de overheid eveneens als belanghebbende kunnen worden aangemerkt als de desbetreffende overheidsinstantie voldoet aan de Scheipar-maatstaf, zoals in dit voorbeeld het geval was bij de toenmalige Inspectie voor de Gezondheidszorg en in de onderhavige zaak het geval is bij EZ. Het behoeft geen betoog dat een dergelijke overheidsinstantie in beginsel - dus ook als belanghebbende in het enquêterecht - handelt ter uitvoering van haar publieke taak, in de terminologie van art. 2:345 lid 2 BW: “om redenen van openbaar belang”. Dát is echter niet het […]”
r.o. 4.69ABN AMRO/LaSalle: goedkeuringsrecht aandeelhoudersvergadering bij verkoop dochter, artikel 2:107a en 2:8 BW
“Onderdeel 9 (par. 11 van het cassatieverzoek) voert aan dat de Ondernemingskamer heeft verzuimd een afschrift van het verzoekschrift aan de toezichthoudende instelling als bedoeld in art. 2:348 BW, in dit geval De Nederlandsche Bank N.V., te zenden.”
r.o. 4.40“Het onderdeel faalt bij gebrek aan belang, omdat, voor zover in het onderhavige geval sprake is geweest van een verzuim, zulks niet tot vernietiging van de bestreden beschikking kan leiden. 5. Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel”
r.o. 4.41