Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 2. Het recht van enquête
Artikel 2:349 BW
In deze vorm in werking sinds 1 januari 2013, laatst gewijzigd bij Stb. 2012, 274
De verzoekers en de advocaat-generaal zijn niet ontvankelijk, indien niet blijkt dat zij schriftelijk tevoren hun bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken hebben kenbaar gemaakt aan het bestuur en de raad van commissarissen en sindsdien een zodanige termijn is verlopen dat de rechtspersoon redelijkerwijze de gelegenheid heeft gehad deze bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen. De vorige zin is niet van toepassing indien het verzoek is gedaan door de rechtspersoon. In dat geval worden de raad van commissarissen onderscheidenlijk het bestuur en de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld van het voornemen om het verzoek in te dienen onderscheidenlijk het indienen van het verzoek. Voor de toepassing van dit lid wordt met een raad van commissarissen gelijkgesteld een toezichthoudend orgaan dat bij of krachtens de statuten van de rechtspersoon is ingesteld.
Een vereniging van werknemers is voorts niet ontvankelijk, indien zij niet tevoren de ondernemingsraad die is verbonden aan een onderneming die de rechtspersoon zelfstandig of als volledig aansprakelijke vennoot in stand houdt, in de gelegenheid heeft gesteld schriftelijk van zijn gevoelen te doen blijken. De advocaat-generaal deelt bij zijn verzoek mede of hij de ondernemingsraad in de gelegenheid heeft gesteld van zijn gevoelen te doen blijken.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:349 BW (31)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (7)
Enquêteverzoek OM bij Sint Maartens havenbedrijf; belangenafweging bij openbaar belang
“[…] aan de rechtspersoon om zelf maatregelen te treffen ter verbetering van het beleid en de gang van zaken. Zo moeten verzoekers, op straffe van niet-ontvankelijkheid, tevoren hun bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken aan het bestuur en de RvC kenbaar maken om de rechtspersoon de gelegenheid te geven de bezwaren te onderzoeken en zo nodig maatregelen te treffen (art. 2:273 BWSM en art. 2:349 lid 1 BW). Ook kan de rechter, nadat een onderzoek is verricht, de beslissing op een verzoek tot het treffen van voorzieningen aanhouden, indien de rechtspersoon op zich neemt bepaalde maatregelen te treffen die een einde maken aan het wanbeleid of die de gevolgen die daaruit zijn voortgevloeid, zoveel mogelijk ongedaan maken of beperken (art. 2:282 lid 5 BWSM en art. 2:355 lid 5 BW). Voorts is bij de invoering van het enquêterecht in Sint Maarten onderkend dat een enquête kan leiden tot een langdurige en kostbare procedure, die de regelmatige voortzetting van de bedrijfsactiviteiten kan belemmeren en dat daarmee meestal het belang van geen enkele partij is gediend. 3.2.6 Het bestreden oordeel van het hof komt erop neer dat weliswaar belang bestaat bij het verkrijgen van openheid […]”
r.o. 3.1 · lid 1“[…] aan de rechtspersoon om zelf maatregelen te treffen ter verbetering van het beleid en de gang van zaken. Zo moeten verzoekers, op straffe van niet-ontvankelijkheid, tevoren hun bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken aan het bestuur en de RvC kenbaar maken om de rechtspersoon de gelegenheid te geven de bezwaren te onderzoeken en zo nodig maatregelen te treffen (art. 2:273 BWSM en art. 2:349 lid 1 BW). Ook kan de rechter, nadat een onderzoek is verricht, de beslissing op een verzoek tot het treffen van voorzieningen aanhouden, indien de rechtspersoon op zich neemt bepaalde maatregelen te treffen die een einde maken aan het wanbeleid of die de gevolgen die daaruit zijn voortgevloeid, zoveel mogelijk ongedaan maken of beperken (art. 2:282 lid 5 BWSM en art. 2:355 lid 5 BW). Voorts is bij de invoering van het enquêterecht in Sint Maarten onderkend dat een enquête kan leiden tot een langdurige en kostbare procedure, die de regelmatige voortzetting van de bedrijfsactiviteiten kan belemmeren en dat daarmee meestal het belang van geen enkele partij is gediend.”
r.o. 3.2.5 · lid 1Enquête Curaçao: reikwijdte onderzoek en overgangsrecht enquêterecht
“[…] uitgelegd als de regeling van het enquêterecht van het BW. 3.4.3 Uit de passages in de wetsgeschiedenis van de regeling van het enquêterecht van het BW, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.9 en 3.11, kan in de eerste plaats worden afgeleid dat slechts bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken van de rechtspersoon die in de fase van het bezwaar (als bedoeld in art. 2:349 lid 1 BW en art. 2:273 BWC) naar voren zijn gebracht, ten grondslag kunnen worden gelegd aan de toewijzing van een verzoek om een enquête te gelasten. In overeenstemming hiermee is in HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574 (Bab), rov. 5.3.2, overwogen dat de fase van het bezwaar ertoe strekt te waarborgen dat de rechtspersoon op de hoogte wordt gesteld van de bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken, zodat zij gelegenheid heeft die bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te treffen; aldus wordt voorkomen dat zij rauwelijks in rechte wordt betrokken. Uit de hiervoor bedoelde passages kan in de tweede plaats worden afgeleid dat indien de ondernemingskamer een enquête gelast, het door haar te bevelen onderzoek in ieder geval dient te zijn gericht op de […]”
r.o. 2.17 · lid 1“Uit de passages in de wetsgeschiedenis van de regeling van het enquêterecht van het BW, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.9 en 3.11, kan in de eerste plaats worden afgeleid dat slechts bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken van de rechtspersoon die in de fase van het bezwaar (als bedoeld in art. 2:349 lid 1 BW en art. 2:273 BWC) naar voren zijn gebracht, ten grondslag kunnen worden gelegd aan de toewijzing van een verzoek om een enquête te gelasten. In overeenstemming hiermee is in HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574 (Bab), rov. 5.3.2, overwogen dat de fase van het bezwaar ertoe strekt te waarborgen dat de rechtspersoon op de hoogte wordt gesteld van de bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken, zodat zij gelegenheid heeft die bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te treffen; aldus wordt voorkomen dat zij rauwelijks in rechte wordt betrokken. Uit de hiervoor bedoelde passages kan in de tweede plaats worden afgeleid dat indien de ondernemingskamer een enquête gelast, het door haar te bevelen onderzoek in ieder geval dient te zijn gericht op de bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken die de […]”
r.o. 3.4.3 · lid 1Enquêteverzoek Curaçao: rechtsverwerking, kapitaalseis, bezwaren vooraf en vervaltermijn vernietiging
“[…] haar bezwaren tegen de voorgenomen aandelenemissie, niet heeft voldaan aan de eis van art. 2:273 BWC dat zij haar bezwaren tevoren schriftelijk kenbaar heeft gemaakt aan het bestuur van de desbetreffende rechtspersoon, bij gebreke waarvan zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar enquêteverzoek. 5.3.2 Art. 2:273 BWC strekt ertoe (evenals in Nederland de vergelijkbare bepaling van art. 2:349 lid 1 BW) te waarborgen dat de rechtspersoon op de hoogte wordt gesteld van de bezwaren tegen het gevoerde beleid, zodat zij gelegenheid heeft die bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen; aldus wordt voorkomen dat zij rauwelijks in rechte wordt betrokken. Het hof heeft het voorgaande evenwel niet miskend, in aanmerking genomen dat de bezwaren van Bab op de aandeelhoudersvergadering zijn geuit en in de notulen daarvan zijn vastgelegd, en gelet op de tijd die sedertdien is verstreken totdat Bab het enquêteverzoek heeft ingediend. De onderdelen falen derhalve. 5.4.1 Volgens onderdeel 4 van Cordial c.s. en onderdeel 1 (onder ii achter b) van [A] heeft het hof miskend dat de bevoegdheid om vernietiging van de emissiebesluiten te vorderen, ingevolge art. […]”
r.o. 5.1 · lid 1“Art. 2:273 BWC strekt ertoe (evenals in Nederland de vergelijkbare bepaling van art. 2:349 lid 1 BW) te waarborgen dat de rechtspersoon op de hoogte wordt gesteld van de bezwaren tegen het gevoerde beleid, zodat zij gelegenheid heeft die bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen; aldus wordt voorkomen dat zij rauwelijks in rechte wordt betrokken. Het hof heeft het voorgaande evenwel niet miskend, in aanmerking genomen dat de bezwaren van Bab op de aandeelhoudersvergadering zijn geuit en in de notulen daarvan zijn vastgelegd, en gelet op de tijd die sedertdien is verstreken totdat Bab het enquêteverzoek heeft ingediend. De onderdelen falen derhalve.”
r.o. 5.3.2 · lid 1ASMI
Enquête ASMI: strategie, taak RvC, informatierecht aandeelhouders en beschermingsstichting
“Een enquêteverzoek kan, mede gelet op het bepaalde in art. 2:349 lid 1 BW, alleen betrekking hebben op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan tot aan de datum van indiening van het verzoek, doch niet uitgesloten is dat van deze regel wordt afgeweken als daartoe in de procedure voldoende grond bestaat. Hier doet zich de bijzondere omstandigheid voor dat Hermes en Fursa op 21 april 2009 een aanvulling van het verzoek tot enquête en een voorwaardelijk verzoekschrift tot enquête hebben ingediend. Deze verzoekschriften hebben betrekking op feiten en omstandigheden die zich na de indiening van het op 19 mei 2008 ingediende verzoekschrift hebben voorgedaan. De Stichting Continuïteit heeft de nadere verzoekschriften op 28 april 2009 in een nader verweerschrift inhoudelijk bestreden. [A] deed dat bij verweerschrift van dezelfde datum. De hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden zijn, zoals de ondernemingskamer - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld, alle opgetreden in de periode dat het debat omtrent de in beider visies relevante aspecten van het beleid en de gang van zaken van ASMI met wederzijds goedvinden door partijen werd voortgezet. Dit in aanmerking genomen […]”
r.o. 4.3 · lid 1Enquête: reikwijdte artikel 2:349 lid 1 BW en vrijheid OK bij omvang onderzoek
“De Stichting heeft zich tot de ondernemingskamer gewend met het verzoek een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van een aantal vennootschappen, die tezamen worden aangeduid als de ATR-vennootschappen, gedurende de periode van 30 december 2002 tot en met 2 februari 2005, met nevenverzoeken, een en ander zoals hiervoor in 1 is vermeld. Aan de ATR-vennootschappen is op 3 februari 2005 voorlopige surseance van betaling verleend; een van deze vennootschappen is op 29 april 2005 in staat van faillissement verklaard; de overige op 4 mei 2005. LBF en [verzoeker 2] hebben als belanghebbenden verweer gevoerd, waarbij zij onder meer zich erop hebben beroepen dat de Stichting op grond van het bepaalde in art. 2:349 lid 1 BW niet-ontvankelijk is in haar verzoek, nu zij niet tevoren schriftelijke bezwaren heeft kenbaar gemaakt zoals in deze bepaling is voorgeschreven.”
r.o. 3.1 · lid 1“Onderdeel 2.1 - onderdeel 1 bevat slechts een inleiding - betoogt dat het oordeel van de ondernemingskamer dat het in art. 2:349 lid 1 BW bedoelde verweer alleen aan (het bestuur van) de vennootschappen toekomt, getuigt van een te beperkte opvatting omtrent de reikwijdte van deze bepaling. Volgens het onderdeel kan het verweer onder bepaalde omstandigheden ook toekomen aan (andere) belanghebbenden. Het onderdeel faalt, omdat het oordeel van de ondernemingskamer juist is. Een verzoek als bedoeld in art. 2:345 BW kan pas aan de orde komen als degenen die een onderzoek verlangen, eerst schriftelijk bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken aan de rechtspersoon kenbaar hebben gemaakt. De tekst en de strekking van art. 2:349 lid 1 brengen mee dat (het bestuur van) de betrokken rechtspersoon niet onverhoeds met een dergelijk verzoek mag worden geconfronteerd en voldoende gelegenheid moet hebben gekregen de bezwaren te onderzoeken en, zo mogelijk, maatregelen te nemen om daaraan tegemoet te komen. Deze bepaling strekt ertoe de belangen van de rechtspersoon te beschermen. Een daarop gebaseerd verweer kan daarom slechts gevoerd worden door, en komt dus alleen toe aan, de betrokken […]”
r.o. 3.3 · lid 1Curator van failliete moeder bevoegd enquête te verzoeken bij failliete dochters
“[…] verzoek, nu deze niet tevoren zijn bezwaren schriftelijk kenbaar had gemaakt aan het bestuur en de raad van commissarissen van elk der betrokken Nederlandse dochters. Het neemt aldus stelling tegen het in rechtsoverweging 3.8 van de bestreden beschikking besloten liggende oordeel dat in een geval waarin het verzoek om een enquête zich richt tegen een failliete vennootschap, aan de in artikel 2:349 lid 1 BW gestelde eis van voorafgaande schriftelijke kennisgeving kan worden voldaan door de bezwaren in plaats van aan het bestuur en de raad van commissarissen, kenbaar te maken aan de curator van die failliete vennootschap. Dat oordeel wordt tevergeefs bestreden. Aangezien een effectieve benutting van de gelegenheid tot het onderzoeken van bezwaren en het naar aanleiding daarvan nemen van maatregelen grotendeels afhangt van het voorhanden zijn van middelen en bevoegdheden waarover na de faillietverklaring van de betrokken vennootschap slechts de curator van die vennootschap kan beschikken, is het met doel en strekking van artikel 2:349 BW verenigbaar te achten dat na intreding van faillissement de kennisgeving wordt gedaan aan de curator. De klacht die zich richt tegen de […]”
r.o. 4.2.2 · lid 1Enquêteverzoek: rechtspersoon zelf niet bevoegd tot verzoek onderzoek naar eigen beleid
Een vennootschap verzocht de OK een enquête te bevelen naar haar eigen beleid. De Hoge Raad oordeelt dat de opsomming van verzoekers in artikel 2:346 BW limitatief is en dat de rechtspersoon zelf niet bevoegd is een onderzoek naar haarzelf te verzoeken. De beschikkingen van de OK worden vernietigd en de vennootschap wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusies van de A-G (19)
Enquête: ontvankelijkheid vennootschap en onmiddellijke voorzieningen bij verstoorde joint venture
“Onderdeel 3 start met een aanloop (in nr. 3 van het cassatieverzoekschrift), waaruit blijkt dat het is gericht tegen de verwerping door de OK in rov. 3.6 van de beschikking van het verweer van Exem inhoudende dat Esperaza niet kan worden ontvangen in het enquêteverzoek nu zij bij de indiening van het verzoekschrift niet rechtsgeldig is vertegenwoordigd. Uit het vervolg blijkt dat het onderdeel ook rov. 3.7 van de beschikking bestrijdt, waarin de OK verwerpt het verweer van Exem dat Sonangol in strijd met art. 2:349 lid 1 BW haar bezwaren niet tevoren kenbaar heeft gemaakt en om die reden niet-ontvankelijk is in het enquêteverzoek, alsmede voortbouwende klachten bevat gericht tegen rov. 3.10 van de beschikking en rov. 2-3 van de beschikking van 22 september 2020. Het onderdeel valt uiteen in vier subonderdelen, die alle falen.”
r.o. 3.3 · lid 1“Subonderdeel 3.3 klaagt dat “[i]n het verlengde van het betoogde in onderdelen 3.1 en 3.2” ook rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is de beslissing van de OK in rov. 3.7 van de beschikking dat een beroep op het bepaalde in art. 2:349 lid 1 BW uitsluitend toekomt aan de vennootschap zelf. In dit geval, waarin [betrokkene 1] en [betrokkene 2] namens Esperaza en namens Sonangol een enquêteverzoek hebben ingediend, wordt de ratio van art. 2:349 lid 1 BW omzeild door [verzoeker 2] niet te kennen in het enquêteverzoek en vervolgens te betogen dat alleen de vennootschap een beroep kan doen op art. 2:349 lid 1 BW. Volgens het subonderdeel dienden, naar in subonderdeel 3.2 is uiteengezet, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , behoudens bijzondere omstandigheden die de OK niet heeft vastgesteld, [verzoeker 2] in hun voornemen te kennen en kan dat statutaire en contractuele vereiste niet worden omzeild door het verzoek ook namens Sonangol in te dienen en vervolgens te betogen dat art. 2:349 lid 1 BW alleen door de vennootschap kan worden ingeroepen. In beginsel doet dat beroep op onaanvaardbare wijze afbreuk aan de ratio van art. 2:349 lid 1 BW. In ieder geval heeft de OK, mede in het licht […]”
r.o. 3.8 · lid 1“Het subonderdeel faalt, in het voetspoor van subonderdelen 3.1 en 3.2 en gelet op het volgende.Ik start met het citeren van rov. 3.7 van de beschikking: “3.7 Voorts heeft Exem aangevoerd dat Sonangol in strijd met het bepaalde in artikel 2:349 lid 1 BW haar bezwaren niet van tevoren kenbaar heeft gemaakt, en om die reden ook niet-ontvankelijk is in het verzoek. Ook dit verweer wordt verworpen, reeds omdat dat verweer uitsluitend toekomt aan de vennootschap zelf.” Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de tegen rov. 3.6 gerichte subonderdelen 3.1 en/of 3.2, die falen (zie onder 3.3-3.7 hiervoor), deelt het subonderdeel in het lot daarvan. Voor zover het subonderdeel een betoog uit subonderdelen 3.1 en/of 3.2 herhaalt, maar dan eigenstandig gericht tegen alleen rov. 3.7, loopt het subonderdeel erop vast: - dat rov. 3.5 en 3.6 dus niet of zonder succes zijn bestreden met subonderdelen 3.1 en 3.2, - dat uit de behandeling van die subonderdelen (en in lijn met rov. 3.5-3.6) volgt dat de OK, ook in rov. 3.7, niet had uit te gaan van enige ‘omzeiling’ door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van de ratio van art. 2:349 lid 1, eerste zin BW noch van (enige ‘omzeiling’ door [betrokkene […]”
r.o. 3.9 · lid 1Concernenquête SNS Reaal en SNS Bank; obligatiehouders als belanghebbenden
“[…] enquête nog enorm kunnen uitbreiden, de oorspronkelijke verzoeker dat in zijn verzoekschrift ook zou mogen doen. Wanneer de Ondernemingskamer vervolgens geen strak onderscheid hanteert tussen de gronden die aan haar beslissing een enquête te gelasten ten grondslag liggen en haar overwegingen ten aanzien van de reikwijdte van het te gelasten onderzoek, dan wordt de betekenis van art. 2:349 lid 1 BW en de Claybo-beschikking aanzienlijk beperkt.””
r.o. 3.21 · lid 1“Mijns inziens wordt dit oordeel van de ondernemingskamer hier ten onrechte in de sleutel geplaatst van art. 2:349 lid 1 BW. Art. 2:349 lid 1 BW strekt ertoe te waarborgen dat de rechtspersoon op de hoogte wordt gesteld van de bezwaren tegen het gevoerde beleid, zodat zij gelegenheid heeft die bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen. Aldus wordt voorkomen dat zij rauwelijks in rechte wordt betrokken. Een belanghebbende die niet enquêtebevoegd is, kan ex art. 282 Rv een tegenverzoek doen, nadat een enquêteverzoek is ingediend door een partij die daartoe ex art. 2:345-2:347 BW wel bevoegd is. De situatie die art. 2:349 lid 1 BW beoogt te voorkomen, dat de rechtspersoon rauwelijks in rechte wordt betrokken, is dus bij een tegenverzoek van een belanghebbende die zelf niet enquêtebevoegd is, niet meer aan de orde. De rechtspersoon kan dan bedacht zijn op een tegenverzoek ex art. 282 lid 4 Rv. SNS Reaal c.s. zijn bij aanvullend verweerschrift van 24 mei 2017 ook in de gelegenheid gesteld te reageren op het tegenverzoek van ROOS c.s. In dat aanvullende verweerschrift van 37 pagina’s heeft SNS Reaal c.s. betoogd dat ROOS c.s. niet als belanghebbenden kunnen […]”
r.o. 3.22 · lid 1Concernenquête SNS Reaal en SNS Bank: maatstaf bevoegdheidsdoorbraak en reikwijdte onderzoek
“[…] zijn MHS/Cordial c.s.-beschikking het volgende overwogen: “3.4.3 Uit de passages in de wetsgeschiedenis van de regeling van het enquêterecht van het BW, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.9 en 3.11, kan in de eerste plaats worden afgeleid dat slechts bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken van de rechtspersoon die in de fase van het bezwaar (als bedoeld in art. 2:349 lid 1 BW en art. 2:273 BWC) naar voren zijn gebracht, ten grondslag kunnen worden gelegd aan de toewijzing van een verzoek om een enquête te gelasten. In overeenstemming hiermee is in HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574 (Bab), rov. 5.3.2, overwogen dat de fase van het bezwaar ertoe strekt te waarborgen dat de rechtspersoon op de hoogte wordt gesteld van de bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken, zodat zij gelegenheid heeft die bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te treffen; aldus wordt voorkomen dat zij rauwelijks in rechte wordt betrokken. Uit de hiervoor bedoelde passages kan in de tweede plaats worden afgeleid dat indien de ondernemingskamer een enquête gelast, het door haar te bevelen onderzoek in ieder geval dient te zijn gericht op de […]”
r.o. 3.43 · lid 1“[…] heeft bij het vormgeven van de onderzoeksopdracht. De ondernemingskamer kan ex art. 2:350 lid 1 BW slechts een enquêteverzoek toewijzen, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Het oordeel dat sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken dient te stoelen op bezwaren die de verzoeker ex art. 2:349 lid 1 BW bij de rechtspersoon naar voren heeft gebracht en aan zijn enquêteverzoek ten grondslag heeft gelegd. Het onderzoek dient in ieder geval gericht te zijn op de bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken die de ondernemingskamer tot het oordeel hebben gebracht dat gebleken is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid. Dit zijn de bezwaren die zelfstandig voorwerp van onderzoek zijn. Het staat de ondernemingskamer echter vrij de onderzoeker op te dragen of toe te staan ook andere bezwaren in zijn onderzoek te betrekken. Andere bezwaren zijn bezwaren waarvan de ondernemingskamer over de gegrondheid in de beschikking niets heeft opgenomen, waarvan de ondernemingskamer de gegrondheid in de beschikking in het midden heeft gelaten dan wel die de ondernemingskamer […]”
r.o. 3.45 · lid 1Curaçaose enquête: anterieure feiten en reikwijdte van het bevolen onderzoek
“De Curaçaose wettelijke regeling van enquêterecht (art. 2:270-286 BWC) is gebaseerd op de Nederlandse regeling van 1971 (art. 2:344-2:359 BW). Art. 2:271 BWC is de Curaçaose pendant van art. 2:345 BW. Art. 2:273 BWC is ontleend aan art. 2:349 lid 1 BW. Art. 2:274 BWC volgt globaal de regeling van art. 2:349a lid 1, eerste zin, BW en art. 2:350 BW. Wel is er een aantal verschillen ten opzichte van de Nederlandse regeling. Voor de onderhavige zaak zijn die verschillen niet relevant. Dat betekent dat, mede gelet op het concordantiebeginsel, de invulling die aan de hand van met name de wetgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur wordt gegeven aan het Nederlandse enquêterecht van belang kan zijn voor de uitleg van het Curaçaose enquêterecht.”
r.o. 3.8 · lid 1“De enquêteprocedure bestaat dus uit een soort drietrapsraket. In de voorfase van art. 2:349 lid 1 BW/2:273 BWC dienen de bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken van de vennootschap schriftelijk kenbaar te worden gemaakt. In de eerste fase draait het bij de toewijzing van het enquêteverzoek ex art. 2:350 lid 1 BW/2:274 lid 1 BW om de vaststelling van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid. In de tweede fase, kan na deponering van het onderzoeksverslag, worden verzocht om vaststelling van wanbeleid ex art. 2:355 BW/2:282 BWC. Uit de hiervoor weergegeven passage in de MvT kan worden afgeleid dat in dit “voortschrijdend proces” aan steeds strengere normen wordt getoetst: van bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken in de voorfase, naar gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen in de eerste fase tot wanbeleid in de tweede fase.”
r.o. 3.12 · lid 1“Het voldoende nauwe verband tussen de bezwaren en de gegronde redenen is de eerste connexiteitseis. Deze connexiteitseis houdt verband met de waarschuwingsfunctie van art. 2:349 lid 1 BW/2:273 BWC: bezwaren die in de voorfase niet kenbaar zijn gemaakt aan de vennootschap blijven in de eerste fase bij de beoordeling van de vraag of sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid buiten beschouwing omdat de vennootschap daarover door de verzoeker niet is gewaarschuwd. Deze functie van art. 2:273 BWC kwam ook aan de orde in de onderhavige zaak in de beschikking van HR 11 november 2016:”
r.o. 3.14 · lid 1Belanghebbende bij ontslag stichtingsbestuur en ontbinding stichting; tweekringenleer
“[…] onvoldoende aanleiding om nauwe betrokkenheid van [verzoeker] bij het bestedingsbeleid van de Stichting aan te nemen, in die zin dat hij als belanghebbende om het ontslag van de stichtingsbestuurders kan verzoeken. Deze omstandigheid kan mijns inziens ook in de sleutel geplaatst worden van de bescherming van de rechtspersoon (nr. 3.9). Ik zie een parallel met het voorschrift van art. 2:349 lid 1 BW uit het enquêterecht. Op grond van die bepaling is een verzoeker niet-ontvankelijk in zijn enquêteverzoek indien niet blijkt dat hij schriftelijk zijn bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken kenbaar heeft gemaakt aan het bestuur en de raad van commissarissen en sindsdien een zodanige termijn is verstreken dat de rechtspersoon redelijkerwijze de gelegenheid heeft gehad de bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen. De ratio van die bepaling is de rechtspersoon te beschermen tegen onverhoeds of onnodig ingediende enquêteverzoeken. Aldus begrepen is het eerst intern uiten van kritiek een factor die kan meewegen bij de ontvankelijkheidsvraag voor het indienen van een verzoek tot extern toezicht door de rechtbank.”
r.o. 3.19 · lid 1“Subonderdeel 3.5 treft ook doel. Ter toelichting verwijs ik naar nr. 3.19. Daar plaatste ik de omstandigheid dat [verzoeker] eerst intern kritiek heeft geuit en is blijven uiten in de sleutel van bescherming van de stichting. Ik trok een parallel met (de strekking van) het voorschrift van art. 2:349 lid 1 BW uit het enquêterecht. Aldus begrepen is het eerst intern uiten van kritiek juist een omstandigheid die te meer meebrengt dat een belang bestaat dat [verzoeker] het bestedingsbeleid van de Stichting extern, in een procedure bij de rechter op de voet van art. 2:298 BW en/of art. 2:21 BW, aan de orde kan stellen.”
r.o. 3.47 · lid 1Curaçaos enquêterecht: rechtsverwerking, kapitaalseis, bezwaren en vervaltermijn vernietiging
“Art. 2:273 BWC, dat vergelijkbaar is met art. 2:349 lid 1 BW, bepaalt: ”
r.o. 4.13 · lid 1“[…] in notulen van een aandeelhoudersvergadering zijn vastgelegd. Volgens Cordial c.s. verdient deze informele aanpak geen navolging. Ik acht de door Cordial c.s. voorgestane visie ook voor het Curaçaose enquêterecht onwenselijk. Uit de wetsgeschiedenis van art. 2:273 BWC blijkt dat de Curaçaose wetgever, zonder daar verder veel woorden aan te wijden, eenvoudigweg heeft willen aansluiten bij art. 2:349 lid 1 BW. M.i. moet ervan worden uitgegaan dat daarmee de wens heeft bestaan om dit artikel voor Curaçao te laten gelden, zoals de vergelijkbare bepaling uit het BW in Nederland wordt toegepast, dat wil zeggen naar de ‘soepele’ wijze waarop de Ondernemingskamer daarmee al jaren omgaat, en die voor de (Nederlandse) ondernemingsrechtelijke rechtspraktijk dus ook al jaren de norm is. Overigens: ook in zijn algemeenheid meen ik dat een weinig formalistische toepassing niet bezwaarlijk is, zolang de strekking van de bepaling wordt gewaarborgd, te weten dat de rechtspersoon weet heeft gekregen van de bezwaren tegen het gevoerde beleid, zodat zij daar iets aan kan doen alvorens rauwelijks in rechte te worden betrokken. Het hof heeft het vorenstaande niet miskend, zodat de eerste klacht van […]”
r.o. 4.14 · lid 1“Het vorenstaande brengt mee dat ook onderdeel 2 van [A] faalt. Dat faalt bovendien wegens een gemis aan belang, omdat een art. 2:273 BWC verweer alleen ten dienste van de betreffende rechtspersoon staat. Dat heeft Uw Raad althans voor wat betreft art. 2:349 lid 1 BW beslist, en dat geldt voor wat betreft de Curaçaose pendant van dit artikel niet anders. Vermogensrechtelijk geschil (onderdeel 3 Cordial c.s.)”
r.o. 4.16 · lid 1Enquête: motiveringsklachten tegen vastgesteld wanbeleid en onderzoekskosten; conclusie tot verwerping
“[…] een aantal omstandigheden niet, althans onvoldoende meegewogen, zoals het feit dat het beleid van Schidorf een dynamisch karakter heeft, dat [verzoekster 1] wel heeft geprobeerd in een dialoog met [verweersters] te treden over het te voeren beleid en over de afhandeling na de beëindiging van de samenwerking door [verweersters] (ond. 3.5.6); - De Ondernemingskamer heeft, in het licht van art. 2:349 lid 1 BW, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door (in rov. 4.11 als vervolg op 4.9 en 4.10) feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de datum van indiening van het verzoek mee te wegen (en daar vergaande consequenties aan te verbinden). De Ondernemingskamer heeft niet gemotiveerd waarom een uitzondering op de regel hier gerechtvaardigd zou zijn (ond. 3.5.7).”
r.o. 4.19 · lid 1“[…] 10 Zie productie XX bij het verweerschrift van [verzoekers] 11 Onderzoeksverslag, par. II.13.1 12 Ik lees in middelonderdeel 3.5.4 geen klacht. Bovendien voldoet het onderdeel niet aan de daaraan te stellen eisen, omdat het verwijst naar 'de vastgestelde feiten', zonder te specificeren waarop wordt gedoeld. 13 Dit uitgangspunt is overigens niet gebaseerd op het door [verzoekers] aangehaalde art. 2:349 lid 1 BW. Dat artikel bepaalt dat indieners van een verzoek niet-ontvankelijk zijn als zij niet eerst hun bezwaren kenbaar hebben gemaakt aan het bestuur of de raad van commissarissen en waarbij de rechtspersoon redelijkerwijze de gelegenheid heeft gehad om n.a.v. de bezwaren onderzoek te doen en zo nodig maatregelen te nemen. De regel houdt verband met art. 2:3345 BW.”
r.o. 4.26 · lid 1Enquête ASMI: strategie, corporate governance en gegronde redenen voor twijfel aan juist beleid
“[…] gegaan over voortzetting van het beleid en niet over nieuw of ander beleid. ASMI is volgens de Ondernemingskamer daarom niet overvallen en heeft zich voldoende kunnen uitlaten en verweren. Klacht II richt zich ertegen dat de Ondernemingskamer feiten aan haar beschikking ten grondslag heeft gelegd die zijn voorgevallen ná het initiële enquêteverzoek. Voorts wordt geklaagd over schending van art. 2:349 BW (dat o.a. voorschrijft dat verzoekers schriftelijk tevoren hun bezwaren tegen het beleid moeten kenbaar maken) en 2:349a BW waarin wordt bepaald dat het verzoek met de meeste spoed wordt behandeld. Alvorens op de verschillende onderdelen in te gaan maak ik enkele algemene opmerkingen, in het bijzonder over art. 2:349a BW.”
r.o. 3.2.1“[…] het verleden en dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een onderneming gedurende langere tijd ná het verzoek te laten 'bungelen.' Volgens onderdeel 3.3 is het argument dat partijen zich met het voorgestelde traject konden verenigen van slechts zeer betrekkelijke waarde, omdat een partij in deze positie slechts beperkte mogelijkheden heeft om haar instemming te weigeren. Art. 2:349a BW bepaalt bovendien dat de Ondernemingskamer een enquêteverzoek met de meeste spoed behandelt (onderdeel 3.5). Art. 2:349a voorziet niet in de hier gevolgde gang van zaken, waarbij -hangende een serie van tussenbeschikkingen en nieuwe behandelingen- wordt bezien of wellicht alsnog (meerdere) gegronde redenen zijn opgekomen om aan een juist beleid te twijfelen. Dat betekent dat de Ondernemingskamer omstandigheden die ná indiening van het verzoek zijn opgekomen buiten beschouwing had moeten laten. Onderdeel 3.3 klaagt voorts over de onbegrijpelijkheid van de overweging dat het hier niet gaat om nieuw en ander beleid en dat slechts sprake zou zijn van hetzelfde voortgezette beleid. Het onderdeel wijst daartoe op het feit dat de onderhandelingen ná indiening van het inleidende verzoek […]”
r.o. 3.2.9“De onderdelen 3.2 en 3.5 falen. Een enquêteverzoek kan inderdaad alleen betrekking op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan tot aan de datum van indiening van het verzoek. Hier doet zich een bijzondere omstandigheid voor: Hermes en Fursa hebben op 21 april 2009 een aanvulling van het verzoek tot enquête en een voorwaardelijk verzoekschrift tot enquête ingediend. Deze verzoekschriften hebben betrekking op feiten en omstandigheden die zich na indiening van het eerste verzoekschrift van 17 mei 2008 hebben voorgedaan. De Stichting heeft de nadere verzoekschriften op 28 april 2009 in een nader verweerschrift inhoudelijk bestreden. [A] deed dat bij verweerschrift van dezelfde datum. In het licht van deze gang van zaken heeft de Ondernemingskamer in rov. 3.3 geen beslissing heeft gegeven waarop de betrokken partijen, gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, niet bedacht behoefden te zijn en over de consequenties waarvan zij zich niet hebben kunnen uitlaten.(19) Hierop loopt ook onderdeel 3.4 stuk. Ook klacht 3.3 faalt. Anders dan de klacht betoogt heeft ieder van partijen die zich tijdens dit enquêtegeding professioneel hebben doen bijstaan de […]”
r.o. 3.2.10Enquête: beroep op artikel 2:349 lid 1 BW en tegenverzoek over onderzoeksperiode
“Het principale cassatiemiddel stelt met name aan de orde de vraag of ook een belanghebbende een beroep kan doen op het bepaalde in art. 2:349 lid 1 BW, indien de vennootschap zelf niet verschijnt. Artikel 2:349 lid 1 BW bepaalt als volgt: "De verzoekers en de advocaat-generaal zijn niet ontvankelijk, indien niet blijkt dat zij schriftelijk tevoren hun bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken hebben kenbaar gemaakt aan het bestuur en de raad van commissarissen en sindsdien een zodanige termijn is verlopen dat de rechtspersoon redelijkerwijze de gelegenheid heeft gehad deze bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen."”
r.o. 3.1 · lid 1“In zijn conclusie vóór HR 6 oktober 1993, NJ 1994, 300 m.nt. Ma (Bobel) heeft A-G Verburg de wetsgeschiedenis, het doel en de strekking(6) en de jurisprudentie van de Ondernemingskamer besproken. Ik verwijs in de eerste plaats naar zijn conclusie. In de Bobel-beschikking overwoog Uw Raad dat art. 2:349 lid 1 BW: "ertoe strekt de (leiding van) de vennootschap de gelegenheid te geven de aangevoerde bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen voordat zij ter zake van deze bezwaren in rechte kan worden betrokken"(7)”
r.o. 3.4 · lid 1“In HR 9 mei 1990, NJ 1990, 829 (Cebo)(8) heeft Uw Raad overwogen dat het enkele feit dat verzoeker tot enquête geen heil verwacht van een kennisgeving als bedoeld in art. 2:349 lid 1 BW onvoldoende reden is om dit voorschrift niet te hoeven na te leven.”
r.o. 3.5 · lid 1“De Ondernemingskamer ziet in art. 2:349 lid 1 BW met name een waarborg die er toe strekt te voorkomen dat een vennootschap kan worden overvallen met een verzoek tot enquête. Dit is vaste jurisprudentie van de Ondernemingskamer sinds haar beschikking van 22 december 1983, NJ 1985, 383 m.nt. Ma (Ogem).(9)”
r.o. 3.6 · lid 1Enquêtekosten bij faillissement: boedelschuld of niet-verifieerbare schuld (artikel 2:350 lid 3 BW)
“[…] beschikking van Hoge Raad van 19 mei 1999 (De Haan), NJ 1999, 670 een aanwijzing gevonden kan worden over de opvatting van de Hoge Raad over het karakter van de verplichting tot betaling van onderzoekskosten. De discussie spitst zich toe op de overweging van de Hoge Raad waarin wordt ingegaan op de vraag op welke wijze verzoekers na faillissement van de rechtspersoon aan hun verplichting ex art. 2:349 lid 1 BW kunnen voldoen. Dit artikel bepaalt dat verzoekers schriftelijk tevoren hun bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken aan het bestuur en de commissarissen kenbaar dienen te maken, willen zij ontvankelijk zijn in hun verzoek. In de De Haan-beschikking overwoog de Hoge Raad dat het met het doel en de strekking van art. 2:349 BW verenigbaar is te achten dat na intreding van faillissement de kennisgeving wordt gedaan aan de curator: "(a)angezien een effectieve benutting van de gelegenheid tot het onderzoeken van bezwaren en het naar aanleiding daarvan nemen van maatregelen grotendeels afhangt van het voorhanden zijn van middelen en bevoegdheden waarover na de faillietverklaring van de betrokken vennootschap slechts de curator van die vennootschap kan beschikken" […]”
r.o. 2.16 · lid 1“Naar aanleiding van de hierboven geciteerde beschikking uit 1999 maak ik nog wel een andere opmerking: de kennisgeving ex art. 2:349 BW dient, zo blijkt uit de beschikking, aan de curator te worden gericht, het verzoek tot een enquête ex art. 2:345 BW dient daarentegen te worden gericht aan de gefailleerde zelf en niet tegen de curator. Dit omdat een verzoek tot enquête niet geacht wordt betrekking te hebben op tot de boedel behorende rechten en verplichtingen.(27) Het betreft geen rechtsvordering die ex art. 25 Fw tegen de curator dient te worden ingesteld.(28) Volgens Polak-Wessels is dit in overeenstemming met het uitgangspunt onder de faillissementswet dat procedures met een niet-monetair belang op gewone wijze kunnen worden voortgezet dan wel, ingeval zij nog niet aanhangig zijn, worden ingesteld tegen de gefailleerde.(29) Ik meen in de beslissing van de Hoge Raad dat een verzoek tot enquête niet onder art. 25 Fw valt en niet tegen de curator dient te worden ingesteld, een aanwijzing te mogen zien dat verplichting tot de betaling van de kosten van het onderzoek, die de toewijzing van het verzoek zal doen ontstaan, niet zijn aan te merken als boedelkosten. Zou dit anders zijn […]”
r.o. 2.17Wanbeleid door beschermingsconstructie tegen grootaandeelhouder bij beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal
“In het Nederlandse vennootschapsrecht is het plegen van voorafgaand overleg in verschillende regelingen, ook in overnamesituaties, voorgeschreven ter bevordering van een deugdelijke afweging van betrokken belangen(87) en voorts ter voorkoming van het rauwelijks instellen van gerechtelijke procedures. Deze laatste gedachte ligt bijvoorbeeld ten grondslag aan het voorschrift van artikel 2:349 lid 1 BW dat de verzoekers van een enquête-onderzoek niet ontvankelijk zijn "indien niet blijkt dat zij schriftelijk tevoren hun bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken hebben kenbaar gemaakt aan het bestuur en de raad van commissarissen en sindsdien een zodanige termijn is verlopen dat de rechtspersoon redelijker-wijze de gelegenheid heeft gehad deze bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen."”
r.o. 3.12 · lid 1Enquêteverzoek door curator van failliete moeder bij failliete dochtervennootschappen
“De verweerders betoogden, voor zover van belang, dat de curator niet-ontvankelijk was in zijn verzoek omdat zowel uit de Faillissementswet als uit de bepalingen van het BW met betrekking tot het enquêterecht volgde dat hem niet de bevoegdheid tot het instellen van een enquête toekwam . Voorts betoogden zij dat de curator niet had voldaan aan het vereiste van art. 2:349 lid 1 BW (schriftelijk kenbaar maken van bezwaren aan het bestuur) . Zij verzochten de inhoudelijke behandeling van de door de curator aan zijn verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden aan te houden, zodat zij zich daarop nog (nader) konden voorbereiden .”
r.o. 3.4 · lid 1“De Ondernemingskamer heeft het beroep op art. 2:349, lid 1, BW verworpen (ro. 3.8). Hetzelfde deed zij met het verzoek van de vennootschappen om de zaak aan te houden teneinde hun de gelegenheid te geven zich nader voor te bereiden op hun inhoudelijke verweer tegen het verzoek (ro. 3.9). Volgens de ondernemingskamer hadden de vennootschappen hun inhoudelijke verweer, voor zover mogelijk, reeds opgedragen ter zitting van 9 oktober 1997 .”
r.o. 3.7 · lid 1“Het tweede onderdeel heeft betrekking op de regel van art. 2:349 BW. Die regel houdt in dat verzoekers van een enquête niet ontvankelijk zijn, indien zij niet tevoren schriftelijk hun bezwaren kenbaar hebben gemaakt aan het bestuur en de commissarissen van de vennootschap op welke de enquête moet hebben. Dit is hier niet geschied.”
r.o. 4.2.1“Voor de ondernemingskamer hebben de dochters een overeenkomstig verweer gevoerd. De ondernemingskamer heeft dit (ro. 3.8.) verworpen “reeds omdat de curator op dit punt de vennootschappen vertegenwoordigt en zichzelf niet omtrent de bezwaren behoefde te informeren. Afzonderlijke voorafgaande kennisgeving van de bezwaren aan andere belanghebbenden – daaronder begrepen bestuurders die de vennootschap zoals hier kunnen vertegenwoordigen – wordt door artikel 2:349 BW noch door enige andere rechtsregel vereist.””
r.o. 4.2.2Enquêterecht bij vermogensrechtelijk geschil over conversie van preferente aandelen Unilever
In deze conclusie bespreekt de A-G de reikwijdte van het enquêterecht in een zaak waarin preferente aandeelhouders van een beursgenoteerde vennootschap een enquête verzochten naar aanleiding van een voorgenomen conversie van hun aandelen. De A-G meent dat een vermogensrechtelijk geschil een enquête niet uitsluit, mits het verzoek kan bijdragen aan de redelijkheid en billijkheid binnen de rechtspersoon (artikel 2:8 BW). Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Enquête Nexperia: ex parte onmiddellijke voorzieningen en hoor en wederhoor (artikel 2:349a BW)
“[…] (PI 90) voorbereidingstijd mist echter feitelijke grondslag. De relevantie van de stelling dat EZ door voorafgaande kennisneming daarvan niet is overvallen door het verzoekschrift van Nexperia zie ik ook niet. Daaruit kan in ieder geval niet a contrario worden afgeleid dat Yuching (en [bestuurder/CEO] ) wél zouden zijn overvallen door het verzoekschrift. Ik wijs daartoe op het vereiste van art. 2:349 lid 1 BW. 4.48.2 Niet valt uit te sluiten dat Nexperia (en wellicht EZ) zich langer heeft (hebben) kunnen voorbereiden op de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 dan Yuching (en [bestuurder/CEO] ). Als dat al zo zou zijn, levert dat op zichzelf nog geen schending op van het beginsel van equality of arms. Het is immers vaste EHRM-rechtspraak dat equality of arms in dit verband inhoudt dat “each party must be afforded a reasonable opportunity to present his case - including his evidence - under conditions that do not place him at a substantial disadvantage vis-à-vis his opponent.”, Dit gaat dus niet zo ver dat een exact evenwicht in voorbereidingstijd tussen verschillende partijen en belanghebbenden moet worden bereikt. 4.48.3 Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt […]”
r.o. 4.48 · lid 1“Het lijkt mij een gegeven dat het voorbereiden van een enquêteverzoek ex art. 2:345 lid 1 BW van ruim 80 pagina’s met 64 producties enige voorbereidingstijd aan de zijde van Nexperia heeft gekost. Dat sprake is geweest van een “substantiële” (PI 89) dan wel “geruime” (PI 90) voorbereidingstijd mist echter feitelijke grondslag. De relevantie van de stelling dat EZ door voorafgaande kennisneming daarvan niet is overvallen door het verzoekschrift van Nexperia zie ik ook niet. Daaruit kan in ieder geval niet a contrario worden afgeleid dat Yuching (en [bestuurder/CEO] ) wél zouden zijn overvallen door het verzoekschrift. Ik wijs daartoe op het vereiste van art. 2:349 lid 1 BW.”
r.o. 4.48.1 · lid 1“Ik begin met enkele inleidende opmerkingen. Onder 4.89 hierna keer ik terug naar de klachten, te beginnen met PI 119. 4.88.1 Op grond van art. 2:349a lid 3, eerste zin BW wordt, in geval nog geen onderzoek is gelast, een onmiddellijke voorziening slechts getroffen indien er naar het voorlopig oordeel van de OK gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Het laatste gedeelte van dit vereiste, gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, is ontleend aan het wettelijke criterium voor toewijzing van het enquêteverzoek (art. 2:350 lid 1 BW). Het oordeel in de zin van art. 2:350 lid 1 BW dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, is een voorlopig oordeel. In art. 2:349a lid 3, eerste zin BW is dus sprake van een voorlopig oordeel over een voorlopig oordeel. De ratio hiervan is dat bij de beslissing over het treffen van onmiddellijke voorzieningen in geval nog geen onderzoek is gelast de toets van art. 2:350 lid 1 BW niet geheel wordt losgelaten. Een voorlopig oordeel over het criterium van art. 2:350 lid 1 BW (dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen […]”
r.o. 4.88“Het voorlopige oordeel als bedoeld in art. 2:349a lid 3, eerste zin BW is tegen deze achtergrond, en ook gelet op de plaats van deze bepaling in de wet, te beschouwen als een tussenstap in de eerste fase van de enquêteprocedure tussen de (subjectieve) bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken als bedoeld in art. 2:349 lid 1 BW en de (objectieve) blijk van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken als bedoeld in art. 2:350 lid 1 BW. Het voorlopige oordeel van art. 2:349a lid 3, eerste zin BW moet worden afgeleid uit de op dat moment beschikbare gegevens. Dat zijn ten tijde van de uitgewerkte beschikking met name het verzoekschrift van Nexperia (met producties), de verweerschriften van belanghebbenden onder wie Yuching (met producties) en de spreekaantekeningen en uitingen van de rechtspersoon en belanghebbenden op de mondelinge behandeling. Dit roept vervolgens de vraag op hoe de OK de voor dat voorlopige oordeel relevante feiten en omstandigheden uit die beschikbare gegevens moet afleiden, of specifieker: in hoeverre de OK daarbij gebonden is aan de wettelijke bewijsregels van art. 149 e.v. Rv (afdeling 9 Titel 2 Rv). In de literatuur […]”
r.o. 4.88.3 · lid 1Ex parte onmiddellijke voorzieningen in enquête (Nexperia): eerlijk proces, artikel 2:349a BW
“[…] voorbereidingstijd” (PI 45) mist echter feitelijke grondslag. De relevantie van de stelling dat EZ door voorafgaande kennisneming daarvan niet is overvallen door het verzoekschrift van Nexperia zie ik ook niet. Daaruit kan in ieder geval niet a contrario worden afgeleid dat [bestuurder/CEO] (en Yuching) wél zouden zijn overvallen door het verzoekschrift. Ik wijs daartoe op het vereiste van art. 2:349 lid 1 BW. 4.47.2 Niet valt uit te sluiten dat Nexperia (en wellicht EZ) zich langer heeft (hebben) kunnen voorbereiden op de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 dan [bestuurder/CEO] (en Yuching). Als dat al zo zou zijn, levert dat op zichzelf nog geen schending op van het beginsel van equality of arms. Het is immers vaste EHRM-rechtspraak dat equality of arms in dit verband inhoudt dat “each party must be afforded a reasonable opportunity to present his case - including his evidence - under conditions that do not place him at a substantial disadvantage vis-à-vis his opponent.”, Dit gaat dus niet zo ver dat een exact evenwicht in voorbereidingstijd tussen verschillende partijen en belanghebbenden moet worden bereikt. 4.47.3 Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt dat […]”
r.o. 4.47 · lid 1“Het lijkt mij een gegeven dat het voorbereiden van een enquêteverzoek ex art. 2:345 lid 1 BW van ruim 80 pagina’s met 64 producties enige voorbereidingstijd aan de zijde van Nexperia heeft gekost. Dat sprake is geweest van een “substantiële voorbereidingstijd” (PI 45) mist echter feitelijke grondslag. De relevantie van de stelling dat EZ door voorafgaande kennisneming daarvan niet is overvallen door het verzoekschrift van Nexperia zie ik ook niet. Daaruit kan in ieder geval niet a contrario worden afgeleid dat [bestuurder/CEO] (en Yuching) wél zouden zijn overvallen door het verzoekschrift. Ik wijs daartoe op het vereiste van art. 2:349 lid 1 BW.”
r.o. 4.47.1 · lid 1“Ik begin met enkele inleidende opmerkingen. Onder 4.87 hierna keer ik terug naar de klachten, te beginnen met subonderdeel 3.1. 4.86.1 Op grond van art. 2:349a lid 3, eerste zin BW wordt, in geval nog geen onderzoek is gelast, een onmiddellijke voorziening slechts getroffen indien er naar het voorlopig oordeel van de OK gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Het laatste gedeelte van dit vereiste, gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, is ontleend aan het wettelijke criterium voor toewijzing van het enquêteverzoek (art. 2:350 lid 1 BW). Het oordeel in de zin van art. 2:350 lid 1 BW dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, is een voorlopig oordeel. In art. 2:349a lid 3, eerste zin BW is dus sprake van een voorlopig oordeel over een voorlopig oordeel. De ratio hiervan is dat bij de beslissing over het treffen van onmiddellijke voorzieningen in geval nog geen onderzoek is gelast de toets van art. 2:350 lid 1 BW niet geheel wordt losgelaten. Een voorlopig oordeel over het criterium van art. 2:350 lid 1 BW (dat sprake is van gegronde redenen om te […]”
r.o. 4.86“Het voorlopige oordeel als bedoeld in art. 2:349a lid 3, eerste zin BW is tegen deze achtergrond, en ook gelet op de plaats van deze bepaling in de wet, te beschouwen als een tussenstap in de eerste fase van de enquêteprocedure tussen de (subjectieve) bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken als bedoeld in art. 2:349 lid 1 BW en de (objectieve) blijk van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken als bedoeld in art. 2:350 lid 1 BW. Het voorlopige oordeel van art. 2:349a lid 3, eerste zin BW moet worden afgeleid uit de op dat moment beschikbare gegevens. Dat zijn ten tijde van de uitgewerkte beschikking met name het verzoekschrift van Nexperia (met producties), de verweerschriften van belanghebbenden onder wie Yuching (met producties) en de spreekaantekeningen en uitingen van de rechtspersoon en belanghebbenden op de mondelinge behandeling, onder wie ook [bestuurder/CEO] . Dit roept vervolgens de vraag op hoe de OK de voor dat voorlopige oordeel relevante feiten en omstandigheden uit die beschikbare gegevens moet afleiden, of specifieker: in hoeverre de OK daarbij gebonden is aan de wettelijke bewijsregels van art. 149 e.v. Rv (afdeling […]”
r.o. 4.86.3 · lid 1Enquête: reikwijdte wanbeleidsoordeel in tweede fase na beperkte onderzoeksopdracht en kostenverhaal
“[…] benadering. 3.6.3 Het voorgaande strookt ook met rechtspraak van de Hoge Raad. Illustratief is zijn Cordial-beschikking uit 2019, waarin de Hoge Raad ook put uit de parlementaire geschiedenis van genoemde wettelijke regeling en eerdere beschikkingen. Daaruit blijkt het volgende. - Slechts bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken van de rechtspersoon die in de fase van het bezwaar (art. 2:349 lid 1 BW) naar voren zijn gebracht, kunnen ten grondslag worden gelegd aan de toewijzing van een verzoek om een enquête te gelasten. Indien de OK een enquête gelast, dient het door haar te bevelen onderzoek in ieder geval te zijn gericht op de bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken die de OK blijkens haar uitspraak tot het oordeel hebben gebracht dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen (art. 2:350 lid 1 BW). Het verslag van het onderzoek naar de feiten en omstandigheden waarop die bezwaren rusten, vormt immers weer de grondslag voor de rechterlijke oordeelsvorming over de vraag of daadwerkelijk sprake is van wanbeleid (art. 2:355 lid 1 BW). - Dit betekent echter niet dat het door de OK te bevelen onderzoek beperkt dient […]”
r.o. 3.6 · lid 1“Het voorgaande strookt ook met rechtspraak van de Hoge Raad. Illustratief is zijn Cordial-beschikking uit 2019, waarin de Hoge Raad ook put uit de parlementaire geschiedenis van genoemde wettelijke regeling en eerdere beschikkingen. Daaruit blijkt het volgende. - Slechts bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken van de rechtspersoon die in de fase van het bezwaar (art. 2:349 lid 1 BW) naar voren zijn gebracht, kunnen ten grondslag worden gelegd aan de toewijzing van een verzoek om een enquête te gelasten. Indien de OK een enquête gelast, dient het door haar te bevelen onderzoek in ieder geval te zijn gericht op de bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken die de OK blijkens haar uitspraak tot het oordeel hebben gebracht dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen (art. 2:350 lid 1 BW). Het verslag van het onderzoek naar de feiten en omstandigheden waarop die bezwaren rusten, vormt immers weer de grondslag voor de rechterlijke oordeelsvorming over de vraag of daadwerkelijk sprake is van wanbeleid (art. 2:355 lid 1 BW). - Dit betekent echter niet dat het door de OK te bevelen onderzoek beperkt dient te blijven tot de […]”
r.o. 3.6.3 · lid 1Onmiddellijke voorzieningen in enquête bij coöperatie met drie leden en patstelling
“Mutsaers en De Wijnberg hebben op 11 juli 2019 een bezwarenbrief ex art. 2:349 lid 1 BW gezonden aan de Coöperatie.”
r.o. 1.38 · lid 1Enquêtekosten bij failliete rechtspersoon: geen boedelschuld, OK onbevoegd inzake zekerheidstelling
“Verweerder in cassatie heeft aangevoerd dat de Ondernemingskamer voor onderhavig verzoek wel bevoegd geacht kan worden nu blijkens vaste rechtspraak(4) als maatstaf heeft te gelden de grondslag van het verzoek zoals dat blijkens het verzoekschrift is gedaan.(5) Aangevoerd wordt dat hetgeen wordt verzocht zijn grondslag heeft in art. 2:350 lid 3 BW en art. 2:349 a BW. Aldus heeft hetgeen gesteld is door verzoekers in het (aanvullende) verzoekschrift betrekking op een zaak als bedoeld in Boek 2 BW, aldus het verweer.”
r.o. 2.7Enquête: voormalig bestuurder belanghebbende, certificaathouder, onmiddellijke voorziening en machtiging onderzoeker
“Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat MeesPierson Trust als een voormalig bestuurder van [naam 1] B.V. reeds in de eerste procedure (art. 2:345 BW) belanghebbende is in de zin van art. 282 Rv. Zij heeft een concreet belang bij de uitkomst van die procedure, gezien de eventuele verstrekkende gevolgen ervan zoals bijvoorbeeld kostenverhaal en aansprakelijkheid. Art. 2:349 BW dat onder meer bepaalt dat de ondernemingskamer het verzoek met de meeste spoed behandeld, staat aan een en ander niet in de weg. Deze bepaling behelst slechts een aansporing gericht tot de rechter(24) en lijkt ook overigens niet geschreven om belanghebbenden van de rechter af te houden.”
r.o. 2.18
Hoven en Ondernemingskamer (3)
Enquête gelast bij BV wegens tegenstrijdig belang en niet vastgestelde jaarrekeningen
“N&D heeft vanaf september 2022 meermaals kenbaar gemaakt dat zij beter wil worden geïnformeerd om “een stuk beter (te) snappen welke zaken invloed hebben op het uiteindelijke resultaat” (zie 3.10). In de brief van 3 juni 2025 heeft de broer van [A] aan [B] geschreven over diverse klachten over het beleid van Issue en de aan N&D verstrekte informatie. De bezwaren van N&D tegen het beleid en de gang van zaken van Issue zijn door N&D voldoende (tijdig) aan Issue kenbaar gemaakt in de zin van art. 2:349 lid 1 BW. N&D is ontvankelijk in haar verzoek. Jaarrekeningen”
r.o. 4.5 · lid 1OK wijst enquêteverzoek af: geen gegronde redenen bij converteerbare lening in liquiditeitsnood
“[…] verzoeker. De Ondernemingskamer zal daarom verzoekers 6, 11, 14 en 21-24 niet-ontvankelijk verklaren. [investeerder 7] Holding c.s. en verzoekers sub 3-5, 7-10, 12, 13 en 15-20 tezamen zijn ontvankelijk (hierna gezamenlijk nog steeds: Verzoekers). Dat niet alle Verzoekers de bezwarenbrief hebben ondertekend maakt dit, anders dan PAIX en Holdco stellen, niet anders. Gelet op de strekking van art. 2:349 lid 1 BW is aan het voorschrift voldaan indien op grond van de inhoud van de schriftelijke bezwaren, alsmede de omstandigheden waaronder en de wijze waarop zij naar voren zijn gebracht voor de vennootschap duidelijk moest zijn dat deze bezwaren de grondslag zouden kunnen vormen voor een door een voldoende aantal aandeelhouders ondersteund verzoek tot het instellen van een enquête. De bezwaren zijn voldoende kenbaar gemaakt via de door de andere verzoekers, die samen voldoen aan het kapitaalsvereiste, gestuurde bezwarenbrief. Dat enkele van de verzoekers hebben ingeschreven op de CLA, doet aan hun ontvankelijkheid evenmin af, omdat het een (niet willen verwateren) naast het ander (bezwaren hebben tegen de gang van zaken van de CLA) kan bestaan. Gegronde redenen”
r.o. 3.4 · lid 1OK gelast enquête Nexperia; tegenstrijdig belang CEO en strategiewijziging
Twee vennootschappen in de halfgeleiderindustrie verzoeken een enquête, onder meer wegens tegenstrijdig belang-transacties met een leverancier van de controlerend aandeelhouder en het terugkomen op toezeggingen aan het ministerie. De OK oordeelt dat gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken, mede omdat de verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang (artikel 2:239 lid 6 BW) niet is gebleken. Zij beveelt een onderzoek en handhaaft de onmiddellijke voorzieningen, waaronder de schorsing van de CEO en het beheer van de aandelen.
Rechtbanken (2)
Ontslag en schorsing stichtingsbestuurder STAK wegens taakverwaarlozing ex artikel 2:298 BW
“De rechtbank merkt in dit kader nog op dat Eukairos voorafgaand aan deze procedure niet haar beklag heeft gedaan en tot actie heeft gemaand bij (het bestuur van) de STAK. Een bezwarenbrief zoals vereist in de enquêteprocedure (artikel 2:349 lid 1 BW) is niet een vereiste dat geldt voor de (ontvankelijkheid in de) ontslagprocedure op de voet van artikel 2:298 BW. Bovendien heeft Eukairos gesteld uitvoerige pogingen te hebben gedaan om in contact te komen met [naam 1] , maar dat die pogingen niet succesvol zijn gebleken. Ter zitting is toegelicht dat vertegenwoordigers van Eukairos zelfs zijn afgereisd naar het Duitse postadres van de STAK. Het beoordelingskader voor het ontslag van een bestuurder van een stichting”
r.o. 4.11 · lid 1Bestuurdersaansprakelijkheid jegens minderheidsaandeelhouder na wanbeleid; verrekeningen en tegenstrijdig belang; bewijsopdracht
“Bij brief van 17 november 2020 heeft [eiseres] [A] geïnformeerd dat zij kennis heeft genomen van zeer ernstig wanbeleid van de vennootschap. Daarbij wees zij onder meer op gesjoemel met managementovereenkomsten, omzetbonussen en dividend en op betrokkenheid bij zware milieudelicten. [A] moest de brief zien als kennisgeving bedoeld in artikel 2:349 BW. [A] heeft de door [eiseres] gemaakte verwijten in een brief van 3 december 2020 weersproken. Daarna heeft [B] in een e-mail van 4 december 2020 haar verwijten nader uiteengezet en aangevuld.”
r.o. 3.19