Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 1. Geschillenregeling
Artikel 2:336a BW
In deze vorm in werking sinds 1 januari 2025, laatst gewijzigd bij Stb. 2024, 174
Op verzoek van een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen, kan de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam bevelen dat een aandeelhouder zijn aandelen overeenkomstig artikel 341 overdraagt wanneer deze aandeelhouder door zijn gedragingen al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.
Het verzoek kan niet worden ingediend door de vennootschap of een dochtermaatschappij van de vennootschap. De houder van aandelen waarvan de vennootschap of een dochtermaatschappij certificaten houdt, kan het verzoek slechts indienen indien en voor zover certificaten door anderen worden gehouden. Een aandeelhouder ten titel van beheer kan het verzoek slechts voor door hem beheerde aandelen indienen indien de desbetreffende certificaathouders daarmee tevoren hebben ingestemd.
Onverminderd artikel 279 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering beveelt de ondernemingskamer in ieder geval de oproeping van de verweerders. In afwijking van artikel 271 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geschiedt deze oproeping bij exploot.
In afwijking van artikel 282, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere belanghebbende een verweerschrift indienen tot een door de ondernemingskamer bepaald tijdstip voorafgaand aan de aanvang van de mondelinge behandeling.
De ondernemingskamer kan haar beslissing op het verzoek voor een door haar te bepalen termijn aanhouden, indien ten processe blijkt dat de vennootschap of één of meer aandeelhouders op zich nemen maatregelen te treffen waardoor het nadeel dat de vennootschap lijdt zoveel mogelijk wordt ongedaan gemaakt of beperkt.
De ondernemingskamer is eveneens bevoegd kennis te nemen van met de in lid 1 bedoelde gedragingen samenhangende vorderingen tussen dezelfde partijen of tussen een der partijen en de vennootschap. Deze vorderingen kunnen worden ingediend met een verzoekschrift.
De ondernemingskamer kan een zaak splitsen indien het verzoek en de in het verzoekschrift ingediende vorderingen, bedoeld in lid 6, zich naar het oordeel van de ondernemingskamer niet lenen voor gezamenlijke behandeling in één feitelijke instantie. De gesplitste zaken worden voortgezet in de stand waarin zij zich bevinden op het moment van de splitsing. Artikel 71, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:336a BW (11)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Conclusies van de A-G (1)
Uitstoting en uittreding: vennootschapsbelang bij afwikkeling onderneming na vastgelopen 50/50-samenwerking
“De uitstotingsprocedure is, sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen enquêteprocedure (hierna: de Wagevoe), per 1 januari 2025 opgenomen in art. 2:336a e.v. BW. Onder meer is gewijzigd dat de OK exclusief bevoegd is om kennis te nemen van uitstotingsverzoeken, en dat de procedure wordt ingeleid door een verzoekschrift in plaats van een dagvaarding.”
r.o. 3.3“Art. 2:336a lid 1 BW vereist voor toewijzing van een verzoek tot uitstoting van een aandeelhouder onder meer dat de uit te stoten aandeelhouder door zijn gedragingen, al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder van de vennootschap, het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.”
r.o. 3.4 · lid 1“Eerst element (i). Onder art. 2:336 lid 1 (oud) BW vielen alleen gedragingen van de aandeelhouder als zodanig binnen het bereik van de bepaling, niet (ook) diens gedragingen in een andere hoedanigheid. De wetgever achtte dit onwenselijk, zodat onder art. 2:336a lid 1 BW ook gedragingen van een aandeelhouder in een andere hoedanigheid relevant kunnen zijn (“gedragingen al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder”). Als voorbeelden worden genoemd een aandeelhouder die de vennootschap oneerlijke concurrentie aandoet, en een bestuurder die tevens 50%-aandeelhouder is en wangedrag vertoont.”
r.o. 3.6 · lid 1“[…] terecht opent de OK de beoordeling van het uitstotingsverzoek in rov. 3.4 van de beschikking met de overweging dat toewijzing ervan vergt dat [verweerster] BV ( [betrokkene 2] ) door haar (zijn) gedragingen het belang van [A] zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren het aandeelhouderschap van [verweerster] BV in redelijkheid niet kan worden geduld. De maatstaf van art. 2:336a lid 1 BW rept immers van “het belang van de vennootschap”, en dat is hier het belang van [A] . Het draait daarbij dus niet om de positie van 2000 HH als 50%-aandeelhouder van [A] . Dit is uiteraard ook relevant voor rov. 3.5-3.6, onderdeel van die beoordeling van het uitstotingsverzoek. Zie ook onder 3.7 hiervoor. 4.21.3 Bovendien kan uit rov. 3.5-3.6 worden opgemaakt dat waar volgens de OK in de gegeven omstandigheden goed te billijken valt dat [betrokkene 2] , als overgebleven bestuurder van [A] , zijn bestuurswerkzaamheden is gaan richten op een afwikkeling van [A] , dit insluit dat hij daarbij de belangen van 2000 HH als 50%-aandeelhouder van [A] niet onnodig of onevenredig heeft geschaad. Daarop wijst bijvoorbeeld de vervolgoverweging dat vanaf het vertrek van [betrokkene 1] […]”
r.o. 4.21 · lid 1
Hoven en Ondernemingskamer (10)
OK wijst uittreding toe, wijst enquête en uitstoting af bij 50/50-aandeelhouders
“Aan een beoordeling van het door BEH ingestelde verzoek tot uitstoting van [A] komt de Ondernemingskamer bij deze stand van zaken niet meer toe. Met de toewijzing van het verzoek tot uittreding is de door BEH nagestreefde beëindiging van het aandeelhouderschap van [A] immers een feit, zodat BEH geen zelfstandig belang meer heeft bij een afzonderlijke beoordeling van de vraag of ook aan de maatstaf van artikel 2:336a lid 1 BW is voldaan. Het verzoek van BEH zal worden afgewezen.”
r.o. 4.7 · lid 1Toewijzing uitstoting minderheidsaandeelhouder wegens blokkeren investering en besluitvorming
“Voor toewijzing van het uitstotingsverzoek is vereist dat [Aandeelhouder 3] door haar gedragingen, al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder, het belang van de vennootschap en haar onderneming zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (art. 2:336a BW). In deze norm liggen een gedragscriterium, een schadecriterium en een redelijkheidscriterium besloten, die in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd. Niet alleen gedragingen ten aanzien waarvan de betrokken aandeelhouder een verwijt treft zijn bij de toepassing van deze norm relevant, maar ook gedragingen die zich bevinden in zijn risicosfeer kunnen leiden tot of bijdragen aan toewijzing van het verzoek (vlg. ECLI:NL:GHAMS:2026:268, Brightstone). Het redelijkheidscriterium vergt dat de Ondernemingskamer een belangenafweging maakt tussen enerzijds het belang van de vennootschap bij het eindigen van het aandeelhouderschap van [Aandeelhouder 3] en anderzijds het belang van [Aandeelhouder 3] om aandeelhouder te blijven (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2025:2275, Autodemontagebedrijf).”
r.o. 4.8OK wijst uitstoting toe van 50%-aandeelhouder na onttrekkingen en detentie van bestuurder
“Voor toewijzing van het uitstotingsverzoek is vereist dat [Holding Broer 2] door haar gedragingen, al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder, het belang van de vennootschap en haar onderneming zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (art. 2:336a BW). In deze norm liggen een gedragscriterium, een schadecriterium en een redelijkheidscriterium besloten, die in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd. Niet alleen gedragingen ten aanzien waarvan de betrokken aandeelhouder een verwijt treft zijn bij de toepassing van deze norm relevant, maar ook gedragingen die zich in zijn risicosfeer bevinden kunnen leiden tot of bijdragen aan toewijzing van het verzoek (vlg. ECLI:NL:GHAMS:2026:268, Brightstone). Het redelijkheidscriterium vergt dat de Ondernemingskamer een belangenafweging maakt tussen enerzijds het belang van de vennootschap bij het eindigen van het aandeelhouderschap van [Holding Broer 2] en anderzijds het belang van [Holding Broer 2] om aandeelhouder te blijven (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2025:2275, Autodemontagebedrijf).”
r.o. 4.3Afwijzing uitstotingsverzoek minderheidsaandeelhouder op grond van artikel 2:336a BW
“Voor toewijzing van het uitstotingsverzoek is vereist dat Improve door haar gedragingen, al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder, het belang van de vennootschap en haar onderneming zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (art. 2:336a BW). In de uitstotingsnorm liggen drie criteria besloten: het gedragscriterium. Daarbij kan het gaan om gedragingen ten aanzien waarvan de betrokken aandeelhouder een verwijt treft, maar vereist is dat niet. Ook gedragingen van een aandeelhouder die zich bevinden in zijn risicosfeer kunnen leiden tot of bijdragen aan toewijzing van het verzoek (vlg. ECLI:NL:GHAMS:2026:268, Brightstone). het schadecriterium dat meebrengt dat de vennootschap schade heeft geleden als gevolg van de betrokken gedragingen. het redelijkheidscriterium. Dit criterium vergt dat de Ondernemingskamer een belangenafweging maakt tussen enerzijds het belang van de vennootschap bij het eindigen van het aandeelhouderschap van Improve en anderzijds het belang van Improve om aandeelhouder te blijven (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2025:2275, Autodemontagebedrijf).”
r.o. 3.3“De omstandigheid dat Improve zich kritisch uitlaat over het door FTB als bestuurder gevoerde beleid en - recentelijk nog over het aangepaste bedrijfsplan 2026-2027 - en in de algemene vergadering tegen voorstellen stemt of zich van stemming onthoudt, is op zichzelf niet een gedraging die het belang van FLQ schaadt in de zin van artikel 2:336a BW. Dat geldt ook voor de weigering van Improve om decharge te verlenen en haar opstelling ten aanzien van de accountantscontrole. Daarbij is van belang dat Improve besluitvorming in de algemene vergadering niet belemmert. FTB houdt sinds mei 2023 80% van de aandelen in FLQ en is haar enige bestuurder. Improve beschikt niet over bijzondere zeggenschapsrechten en kan besluitvorming binnen de algemene vergadering dus niet blokkeren. Het is onwenselijk dat de aandeelhoudersvergaderingen in gespannen sfeer verlopen en steeds in aanwezigheid van advocaten moeten worden gehouden, maar dat maakt niet dat het voortduren van het aandeelhouderschap van Improve in redelijkheid niet kan worden geduld.”
r.o. 3.5“Dat Improve een enquêteverzoek heeft ingediend dat uiteindelijk is afgewezen, rechtvaardigt evenmin het oordeel dat zij het belang van FLQ zodanig heeft geschaad dat haar aandeelhouderschap niet langer kan worden geduld. De beschikking van de Ondernemingskamer van 28 augustus 2025 houdt niet in dat Improve haar verzoek op oneigenlijke gronden heeft ingediend of misbruik van haar enquêterecht heeft gemaakt. Het gebruik maken van een wettelijke rechtsingang kan alleen onder bijzondere omstandigheden als een schadelijke gedraging in de zin van artikel 2:336a BW worden aangemerkt. Dergelijke omstandigheden zijn niet gebleken.”
r.o. 3.6OK wijst uittredings- en enquêteverzoek af; maatstaf voorzieningen en afsplitsing samenhangende vorderingen
“[verzoekster] , In Domo en Russell Square hebben ieder afzonderlijk samenhangende vorderingen ingesteld. Ingevolge art. 2:343 lid 2 BW in verbinding met art. 2:336a lid 6 BW is de Ondernemingskamer bevoegd van deze samenhangende vorderingen kennis te nemen. Indien nodig kan de Ondernemingskamer vervolgens een zaak splitsen als bepaalde (samenhangende) vorderingen zich niet lenen voor gezamenlijke behandeling in één feitelijke instantie (zie art. 2:343 lid 2 in verbinding met art. 2:336a lid 7 BW).”
r.o. 4.20 · leden 6, 7“In dit geval wordt het uittredingsverzoek afgewezen, evenals overigens het enquêteverzoek. Bij die stand van zaken is er geen belang meer bij een gezamenlijke beoordeling van de samenhangende vorderingen om tot een efficiënte en doelmatige oplossing van het gehele vennootschapsrechtelijke geschil te kunnen komen en komt extra gewicht toe aan een nadeel dat is verbonden aan de beoordeling van samenhangende vorderingen door de Ondernemingskamer, namelijk de afwezigheid van de mogelijkheid van hoger beroep. De Ondernemingskamer zal de samenhangende vorderingen daarom afsplitsen en op de voet van artikel 2:343 lid 2 BW, in samenhang met artikel 2:336a lid 7 BW artikel 71 lid 4 en 94 lid 2 Rv ter verdere behandeling verwijzen naar de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam. De Ondernemingskamer zal bepalen dat de samenhangende vorderingen als dagvaardingsprocedure zullen worden ingeschreven op de rol en dat partijen in persoon of bij gemachtigde dienen te verschijnen.”
r.o. 4.21 · lid 7Afwijzing uitstotings- en uittredingsverzoek na eerder vastgesteld wanbeleid in enquêteprocedure
“Voor toewijzing van het uitstotingsverzoek is vereist dat BBB door haar gedragingen, al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder, het belang van DIG en haar onderneming zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (art. 2:336a BW). In de uitstotingsnorm liggen drie criteria besloten: i) gedragscriterium; ii) schadecriterium; en iii) redelijkheidscriterium.”
r.o. 4.5OK wijst uittreding toe tegen prijs nihil en verwijst samenhangende vorderingen naar rechtbank
“[…] als gevolg van dit onrechtmatig handelen; 4. Adinox, [aandeelhouder A] en [A] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het onder 2 genoemde bedrag; en 5. [aandeelhouder A] , [A] en Adinox hoofdelijk te veroordelen in de door YK gemaakte beslagkosten, te vermeerderen met de kosten van dit geding, de kosten van deskundige(n) en de nakosten daaronder begrepen; 6. de procedure op grond van artikel 2:336a lid 7 BW te splitsen, YK toe te staan op grond van artikel 74 lid 1 Rv te betekenen aan het kantoor van de voormalig advocaat van [A] c.s. waar zij laatstelijk woonplaats hebben gekozen en daarbij een nieuwe roldatum te bepalen met inachtneming van de gebruikelijke dagvaardingstermijn van één week.”
r.o. 2.4 · lid 7“Naar het oordeel van de Ondernemingskamer zijn de overige vorderingen, als vermeld onder 2.1 onder 7 tot en met 10, evenals de gewijzigde variant daarvan als vermeld onder 2.4 onder 2 tot en met 5, samenhangende vorderingen als bedoeld in artikel 2:336a lid 6 juncto artikel 2:343 lid 2 BW. Deze samenhangende vorderingen lenen zich naar het oordeel van de Ondernemingskamer echter niet voor gezamenlijke behandeling met het uittredingsverzoek in één feitelijke instantie. De vordering tot uittreding is aanstonds toewijsbaar, zoals hiervoor bleek. De samenhangende vorderingen zijn omvangrijk en mogelijk gecompliceerd en lenen zich beter voor behandeling door een rechter in eerste aanleg met de mogelijkheid van hoger beroep. De Ondernemingskamer zal de zaak daarom splitsen als bedoeld in artikel 2:336a lid 7 BW in die zin dat de zaak voor de verdere behandeling van de samenhangende vorderingen, in de stand waarin deze zich bevindt, wordt verwezen naar de rechtbank Rotterdam. De rechtbank Rotterdam is bevoegd omdat Adinox in Rotterdam is gevestigd en [aandeelhouder A] in Schiedam. De zaak zal aldaar worden voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure.”
r.o. 3.7 · leden 6, 7OK gelast enquête en schorst COO; uitstotingsverzoek aangehouden
“Het verzoek tot uitstoting van [aandeelhouder III Holding] als aandeelhouder van MedEnvoy baseren [aandeelhouder I c.s.] op artikel 2:336a BW. Zij voeren daartoe het volgende aan. [B-aandeelhouder III] heeft zich gedurende meerdere jaren in zijn rol van COO schuldig gemaakt aan ernstig (seksueel) grensoverschrijdend gedrag richting personeel, een angstcultuur gecreëerd en daarbij misbruik gemaakt van zijn machtspositie. Het wangedrag past in een breder patroon van handelen waarmee [B-aandeelhouder III] stelselmatig het welzijn van de werknemers en het belang en functioneren van de vennootschap heeft veronachtzaamd. Zijn wangedrag heeft ook tot een diepgaande verstoring van de verhoudingen tussen de aandeelhouders geleid. Concreet baseren [aandeelhouder I c.s.] zich hierbij op de volgende gedragingen van [B-aandeelhouder III] : het tegenhouden van het validatieproces van GloRIAS, wat heeft geleid tot vertraging in dit belangrijke project, kostenverhoging en onnodige bedrijfsrisico’s; het afschermen van werknemers uit zijn eigen team van de rest van de organisatie, terwijl hij zich tegelijkertijd de zeggenschap over leden van de teams van [B-aandeelhouder II] en [aandeelhouder I […]”
r.o. 4.1“Naar analogie van HvJ EU 7 maart 2018, ECLI:EU:C:2018:167 (E.On Czech Holding/Dĕdouch) en OK 17 september 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3663 (Gemalto) valt de vordering tot uitstoting als bedoeld in artikel 2:336a BW naar het oordeel van de Ondernemingskamer onder de exclusieve bevoegdheidsregel van artikel 24 sub 2 van Verordening (EU) 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals laatstelijk gewijzigd op 26 november 2014 (Brussel I-bis). Omdat MedEnvoy haar statutaire zetel in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter exclusief bevoegd tot kennisneming van een vordering tot overdracht van de aandelen in MedEnvoy op de voet van artikel 2:336a BW.”
r.o. 4.6Uitstoting 50%-aandeelhouder bij duurzaam verstoorde verhoudingen zonder overwegende verwijtbaarheid
“Bij de beoordeling van het verzoek tot uitstoting stelt de Ondernemingskamer voorop dat voor toewijzing van het verzoek vereist is dat Kloekenland door haar gedragingen, al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder, het belang van de vennootschappen en hun ondernemingen zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (art. 2:336a BW). Daarbij kan het gaan om gedragingen ten aanzien waarvan de betrokken aandeelhouder een verwijt treft, maar vereist is dat niet. De maatstaf van art. 2:336a BW houdt niet in dat het verzoek slechts kan worden toegewezen in geval van “bijkomende zwaarwegende omstandigheden”, “zwaarwegende gronden” of “verwijtbaarheid” van de aandeelhouder tegen wie het verzoek is gericht (vgl. OK 3 september 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3222, Gebroeders Maassen, waarin hetzelfde werd geoordeeld in uittredingsprocedure). Ook gedragingen van een aandeelhouder die zich bevinden in zijn risicosfeer kunnen leiden tot of bijdragen aan toewijzing van het verzoek. Verder stelt de Ondernemingskamer voorop dat het redelijkheidscriterium vergt dat zij een belangenafweging maakt tussen enerzijds het belang van […]”
r.o. 4.3“De Ondernemingskamer verwerpt het ontvankelijkheidsverweer van Laseth. Het tegenverzoek is gedaan bij verweerschrift. Voor zover het gaat om de samenhangende vorderingen van Kloekenland moet het verweerschrift worden aangemerkt als verzoekschrift in de zin van art. 2:336a lid 6 BW. Anders dan Laseth betoogt, vertonen de vorderingen van Kloekenland voldoende samenhang met het uitstotingsverzoek. Of vorderingen voldoende samenhangen met de in artikel 2:336a lid 1 BW bedoelde gedragingen is steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De samenhangende vorderingen betreffen nakomingsvorderingen uit hoofde van twee managementovereenkomsten. Zij vinden hun directe aanleiding in de omstandigheid dat de betaling van managementvergoedingen is stopgezet. De stopzetting van die betalingen houdt weliswaar ermee verband dat Kloekenland als gevolg van het uitvallen van [DGA 1] haar managementtaken niet heeft kunnen vervullen, maar kan ook niet worden los gezien van het conflict tussen [DGA 2] en [DGA 1] . De samenhang blijkt ook uit de kortgedingprocedure. Het uitstotingsverzoek en de samenhangende vorderingen vloeien voort uit hetzelfde conflict tussen partijen, terwijl dit conflict […]”
r.o. 5.3 · leden 1, 6OK wijst enquête af en stoot aandeelhouder uit; prijs op bad leaver-basis
“IP-Beheer heeft aangevoerd dat Opos c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek tot uitstoting van IP-Beheer omdat tussen partijen een contractuele geschillenregeling geldt en de wettelijke geschillenregeling tussen partijen dus niet van toepassing is. Volgens IP-Beheer is voor een met artikel 2:336a BW vergelijkbare contractuele regeling in dit geval geen contractuele afnameverplichting vereist, omdat het bij uitstoting gaat om een verplichting tot overdracht van aandelen door de uit te stoten aandeelhouder en niet om een gedwongen afname zoals bij de uittredingsregeling van artikel 2:343 BW. Volgens IP-Beheer is voldoende dat de aandeelhoudersovereenkomst voorziet in een afdwingbare aanbiedingsplicht en in een verplichting van aandeelhouders om medewerking te verlenen aan overdracht van aandelen.”
r.o. 4.17