Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 2. Het recht van enquête
Artikel 2:354 BW
In werking getreden op 26 juli 1976 (Stb. 1976, 395)
De ondernemingskamer kan na kennisneming van het verslag op verzoek van de rechtspersoon beslissen, dat deze de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalen op de verzoekers, indien uit het verslag blijkt dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, dan wel op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon. De laatste zin van het tweede lid van artikel 350 van dit Boek is van toepassing.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:354 BW (29)
Hoge Raad (10)
Leaderland
Enquête: kostenverhaal ex artikel 2:354 BW op feitelijk bestuurder en hoofdelijkheid
“[…] van de kosten van het onderzoek toegewezen voor 75% van die kosten, zijnde € 75.187,50. Zij heeft [eiser] c.s. hoofdelijk veroordeeld dit bedrag aan Leaderland c.s. te voldoen. De ondernemingskamer heeft daartoe als volgt overwogen. “3.10 Leaderland c.s. hebben verzocht [eiser 2] en [eiser 1] hoofdelijk te veroordelen in de onderzoekskosten en in de kosten van de procedure op de voet van art. 2:354 BW. Zoals in de beschikking van 22 april 2016 is overwogen blijkt uit het verslag van wanbeleid en zijn [eiser 2] en [eiser 1] daarvoor (respectievelijk als bestuurder en als feitelijk bestuurder) verantwoordelijk te achten. Dat hun een persoonlijk verwijt valt te maken van het wanbeleid, ligt reeds in de overwegingen ter zake besloten: zij zijn degenen die het ertoe hebben geleid dat de Leaderlandvennootschappen zijn ontmanteld en dat in dat kader (vrijwel) alle activa zonder voldoende en betrouwbare waardering zijn verkocht aan aan [eiser 1] en [belanghebbende 6] gelieerde partijen. De vordering is – zoals toe te lichten: deels – toewijsbaar.”
r.o. 3.1“[…] van de kosten van het onderzoek toegewezen voor 75% van die kosten, zijnde € 75.187,50. Zij heeft [eiser] c.s. hoofdelijk veroordeeld dit bedrag aan Leaderland c.s. te voldoen. De ondernemingskamer heeft daartoe als volgt overwogen. “3.10 Leaderland c.s. hebben verzocht [eiser 2] en [eiser 1] hoofdelijk te veroordelen in de onderzoekskosten en in de kosten van de procedure op de voet van art. 2:354 BW. Zoals in de beschikking van 22 april 2016 is overwogen blijkt uit het verslag van wanbeleid en zijn [eiser 2] en [eiser 1] daarvoor (respectievelijk als bestuurder en als feitelijk bestuurder) verantwoordelijk te achten. Dat hun een persoonlijk verwijt valt te maken van het wanbeleid, ligt reeds in de overwegingen ter zake besloten: zij zijn degenen die het ertoe hebben geleid dat de Leaderlandvennootschappen zijn ontmanteld en dat in dat kader (vrijwel) alle activa zonder voldoende en betrouwbare waardering zijn verkocht aan aan [eiser 1] en [belanghebbende 6] gelieerde partijen. De vordering is – zoals toe te lichten: deels – toewijsbaar.”
r.o. 3.2.2“[…] 1] hoofdelijk zullen worden veroordeeld. De (gevorderde) rente zal worden toegewezen als verzocht.” 3.3.1 Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen rov. 3.10. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat de kosten van het onderzoek niet zonder een uitdrukkelijke wetsbepaling (ook) op een feitelijk bestuurder als [eiser 1] kunnen worden verhaald. Art. 2:354 BW laat slechts kostenverhaal toe op een formeel bestuurder, aldus de klacht. 3.3.2 Ingevolge art. 2:345 lid 1 BW kan de ondernemingskamer een of meer personen benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon. Art. 2:350 lid 3 BW bepaalt dat de rechtspersoon de kosten van dat onderzoek betaalt. Op grond van art. 2:354 BW kan de ondernemingskamer, na kennisneming van het verslag van het onderzoek, op verzoek van de rechtspersoon beslissen dat deze de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalen op (voor zover hier van belang) een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende […]”
r.o. 3.11“Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen rov. 3.10. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat de kosten van het onderzoek niet zonder een uitdrukkelijke wetsbepaling (ook) op een feitelijk bestuurder als [eiser 1] kunnen worden verhaald. Art. 2:354 BW laat slechts kostenverhaal toe op een formeel bestuurder, aldus de klacht.”
r.o. 3.3.1Meavita
Enquête Meavita: kostenverhaal op bestuurders, nietigheid beschikking OK wegens gedefungeerde rechter
“[…] aan wie het kostenverhaal toekomt heeft de ondernemingskamer in rov. 15.4 als volgt overwogen: ″Zoals AAF in haar verzoekschrift (…) en curatoren in hun nadere schriftelijke toelichting (…) hebben uiteengezet, heeft AAF een bedrag van € 50.000 en heeft de curator van Meavita Nederland een bedrag van € 950.000 van de onderzoekskosten voldaan. Curatoren kunnen het verzoek op de voet van artikel 2:354 BW ten behoeve van de boedel doen. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer brengt verder een redelijke wetstoepassing mee, dat AAF, die belang had bij het voldoen van een deel van de onderzoekskosten, het door haar betaalde op de voet van artikel 2:354 BW kan verhalen.″ 3.2.5 Aan de voet van de beschikking van de ondernemingskamer is vermeld: ″Deze beschikking is op 6 juni 2014 gegeven door mr. P. Ingelse, voorzitter, mr. A.C. Faber en mr. G.C. Makkink, raadsheren, en drs. P.G. Boumeester en prof. drs. E. Eeftink RA, raden (…), en in het openbaar uitgesproken door mr. Faber op 2 november 2015.″ 3.3.1 Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat de beschikking niet is gegeven op de datum waarop die volgens de beschikking zou zijn gegeven, en evenmin is gegeven door het […]”
r.o. 3.1“Ten aanzien van de vraag aan wie het kostenverhaal toekomt heeft de ondernemingskamer in rov. 15.4 als volgt overwogen: ″Zoals AAF in haar verzoekschrift (…) en curatoren in hun nadere schriftelijke toelichting (…) hebben uiteengezet, heeft AAF een bedrag van € 50.000 en heeft de curator van Meavita Nederland een bedrag van € 950.000 van de onderzoekskosten voldaan. Curatoren kunnen het verzoek op de voet van artikel 2:354 BW ten behoeve van de boedel doen. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer brengt verder een redelijke wetstoepassing mee, dat AAF, die belang had bij het voldoen van een deel van de onderzoekskosten, het door haar betaalde op de voet van artikel 2:354 BW kan verhalen.″”
r.o. 3.2.4“[…] Hoge Raad aanleiding ten overvloede nog het volgende te overwegen ten aanzien van een aantal andere onderdelen van het middel. 3.5.1 Onderdeel 2 klaagt dat het hof [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ten onrechte heeft veroordeeld in (een aandeel in) de onderzoekskosten die AAF op grond van een afspraak met de curatoren voor haar rekening heeft genomen. Voor een dergelijk verhaal op de voet van art. 2:354 BW is volgens het onderdeel slechts ruimte als die onderzoekskosten overeenkomstig art. 2:350 lid 3 BW door de (boedel van de) rechtspersonen zijn betaald. 3.5.2 De wet gaat ervan uit dat de kosten van een enquête steeds door de rechtspersoon worden betaald (art. 2:350 lid 3 BW). Hiervan uitgaande, ligt het voor de hand dat art. 2:354 BW alleen de rechtspersoon aanwijst als degene die een verzoek tot verhaal van deze kosten kan doen. Daarbij is echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de rechtspersoon niet zelf de (volledige) kosten van het onderzoek kan opbrengen, en degenen die de enquête hebben verzocht (een deel van) die kosten voor hun rekening nemen, bijvoorbeeld omdat zij een eigen belang hebben bij de enquête. Een zodanig geval kan zich voordoen bij […]”
r.o. 3.4“Onderdeel 2 klaagt dat het hof [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ten onrechte heeft veroordeeld in (een aandeel in) de onderzoekskosten die AAF op grond van een afspraak met de curatoren voor haar rekening heeft genomen. Voor een dergelijk verhaal op de voet van art. 2:354 BW is volgens het onderdeel slechts ruimte als die onderzoekskosten overeenkomstig art. 2:350 lid 3 BW door de (boedel van de) rechtspersonen zijn betaald.”
r.o. 3.5.1Meavita
Enquête Meavita: kostenverhaal op commissarissen en nietigheid beschikking OK
“[…] aan wie het kostenverhaal toekomt heeft de ondernemingskamer in rov. 15.4 als volgt overwogen: “Zoals AAF in haar verzoekschrift (…) en curatoren in hun nadere schriftelijke toelichting (…) hebben uiteengezet, heeft AAF een bedrag van € 50.000 en heeft de curator van Meavita Nederland een bedrag van € 950.000 van de onderzoekskosten voldaan. Curatoren kunnen het verzoek op de voet van artikel 2:354 BW ten behoeve van de boedel doen. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer brengt verder een redelijke wetstoepassing mee, dat AAF, die belang had bij het voldoen van een deel van de onderzoekskosten, het door haar betaalde op de voet van artikel 2:354 BW kan verhalen.” 3.2.5 Aan de voet van de beschikking van de ondernemingskamer is vermeld: “Deze beschikking is op 6 juni 2014 gegeven door mr. P. Ingelse, voorzitter, mr. A.C. Faber en mr. G.C. Makkink, raadsheren, en drs. P.G. Boumeester en prof. drs. E. Eeftink RA, raden (…), en in het openbaar uitgesproken door mr. Faber op 2 november 2015.” 3.3.1 Onderdeel 1 van het middel klaagt dat de beschikking niet kan zijn vastgesteld op 6 juni 2014 en dat de beschikking niet is gegeven door het wettelijk vereiste aantal rechters. Het […]”
r.o. 3.1“Ten aanzien van de vraag aan wie het kostenverhaal toekomt heeft de ondernemingskamer in rov. 15.4 als volgt overwogen: “Zoals AAF in haar verzoekschrift (…) en curatoren in hun nadere schriftelijke toelichting (…) hebben uiteengezet, heeft AAF een bedrag van € 50.000 en heeft de curator van Meavita Nederland een bedrag van € 950.000 van de onderzoekskosten voldaan. Curatoren kunnen het verzoek op de voet van artikel 2:354 BW ten behoeve van de boedel doen. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer brengt verder een redelijke wetstoepassing mee, dat AAF, die belang had bij het voldoen van een deel van de onderzoekskosten, het door haar betaalde op de voet van artikel 2:354 BW kan verhalen.””
r.o. 3.2.4“[…] volledig opnieuw moet worden beoordeeld. Niettemin ziet de Hoge Raad aanleiding ten overvloede nog het volgende te overwegen ten aanzien van de andere onderdelen van het middel. 3.5.1 Onderdeel 2.1 klaagt dat het hof de Commissarissen ten onrechte heeft veroordeeld in (een aandeel in) de onderzoekskosten die AAF voor haar rekening heeft genomen. Voor een dergelijk verhaal op de voet van art. 2:354 BW is volgens het onderdeel slechts ruimte als die onderzoekskosten overeenkomstig art. 2:350 lid 3 BW door de (boedel van de) rechtspersonen zijn betaald. 3.5.2 De wet gaat ervan uit dat de kosten van een enquête steeds door de rechtspersoon worden betaald (art. 2:350 lid 3 BW). Hiervan uitgaande, ligt het voor de hand dat art. 2:354 BW alleen de rechtspersoon aanwijst als degene die een verzoek tot verhaal van deze kosten kan doen. Daarbij is echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de rechtspersoon niet zelf de (volledige) kosten van het onderzoek kan opbrengen, en degenen die de enquête hebben verzocht (een deel van) die kosten voor hun rekening nemen, bijvoorbeeld omdat zij een eigen belang hebben bij de enquête. Een zodanig geval kan zich voordoen bij […]”
r.o. 3.4“Onderdeel 2.1 klaagt dat het hof de Commissarissen ten onrechte heeft veroordeeld in (een aandeel in) de onderzoekskosten die AAF voor haar rekening heeft genomen. Voor een dergelijk verhaal op de voet van art. 2:354 BW is volgens het onderdeel slechts ruimte als die onderzoekskosten overeenkomstig art. 2:350 lid 3 BW door de (boedel van de) rechtspersonen zijn betaald.”
r.o. 3.5.1Cancun
Enquête: vennootschapsbelang en zorgplicht bestuurders in joint venture; wanbeleid bevestigd
“[…] dat in een BAVA van de Vennootschap zonder instemming van de aandeelhouders C kan worden besloten tot een statutenwijziging op grond waarvan bijzondere zeggenschapsrechten aan de aandelen C worden ontnomen. De ondernemingskamer heeft het verzoek van de Vennootschap tot kostenverhaal ten aanzien van Invernostra, Inversiones en [B] afgewezen op de grond dat zij geen bestuurder in de zin van art. 2:354 BW waren (rov. 3.62 en 3.66), en dat verzoek ten aanzien van de bestuurders [C], Equity Trust en [A] toegewezen nu ieder van hen een ernstig verwijt valt te maken (rov. 3.63-3.65).”
r.o. 3.3“De ondernemingskamer heeft het handelen en nalaten van de Vennootschap met betrekking tot deze vier onderwerpen, zowel elk voor zich als in samenhang bezien, aangemerkt als wanbeleid (rov. 3.53.1). Bij wijze van voorziening heeft de ondernemingskamer de besluiten van het bestuur tot medewerking aan de eerste verwatering en tot medewerking aan het ontslag van het bestuur van Vesta vernietigd op de gronden vermeld in rov. 3.54. De ondernemingskamer heeft in rov. 3.56 uiteengezet waarom tevens een voorziening gepast is, inhoudende dat in een BAVA van de Vennootschap zonder instemming van de aandeelhouders C kan worden besloten tot een statutenwijziging op grond waarvan bijzondere zeggenschapsrechten aan de aandelen C worden ontnomen. De ondernemingskamer heeft het verzoek van de Vennootschap tot kostenverhaal ten aanzien van Invernostra, Inversiones en [B] afgewezen op de grond dat zij geen bestuurder in de zin van art. 2:354 BW waren (rov. 3.62 en 3.66), en dat verzoek ten aanzien van de bestuurders [C], Equity Trust en [A] toegewezen nu ieder van hen een ernstig verwijt valt te maken (rov. 3.63-3.65).”
r.o. 3.4.6Cancun
Enquête joint venture: vennootschapsbelang, zorgplicht bestuur en artikel 2:8 BW aandeelhouders
“[…] dat in een BAVA van de Vennootschap zonder instemming van de aandeelhouders C kan worden besloten tot een statutenwijziging op grond waarvan bijzondere zeggenschapsrechten aan de aandelen C worden ontnomen. De ondernemingskamer heeft het verzoek van de Vennootschap tot kostenverhaal ten aanzien van Invernostra, Inversiones en [B] afgewezen op de grond dat zij geen bestuurder in de zin van art. 2:354 BW waren (rov. 3.62 en 3.66), en dat verzoek ten aanzien van de bestuurders [C], Equity Trust en [A] toegewezen nu ieder van hen een ernstig verwijt valt te maken (rov. 3.63-3.65).”
r.o. 3.3“De ondernemingskamer heeft het handelen en nalaten van de Vennootschap met betrekking tot deze vier onderwerpen, zowel elk voor zich als in samenhang bezien, aangemerkt als wanbeleid (rov. 3.53.1). Bij wijze van voorziening heeft de ondernemingskamer de besluiten van het bestuur tot medewerking aan de eerste verwatering en tot medewerking aan het ontslag van het bestuur van Vesta vernietigd op de gronden vermeld in rov. 3.54. De ondernemingskamer heeft in rov. 3.56 uiteengezet waarom tevens een voorziening gepast is, inhoudende dat in een BAVA van de Vennootschap zonder instemming van de aandeelhouders C kan worden besloten tot een statutenwijziging op grond waarvan bijzondere zeggenschapsrechten aan de aandelen C worden ontnomen. De ondernemingskamer heeft het verzoek van de Vennootschap tot kostenverhaal ten aanzien van Invernostra, Inversiones en [B] afgewezen op de grond dat zij geen bestuurder in de zin van art. 2:354 BW waren (rov. 3.62 en 3.66), en dat verzoek ten aanzien van de bestuurders [C], Equity Trust en [A] toegewezen nu ieder van hen een ernstig verwijt valt te maken (rov. 3.63-3.65).”
r.o. 3.4.6Cancun
Enquête: vennootschapsbelang en zorgplicht bestuur bij joint venture-vennootschap en verwatering
“[…] dat in een BAVA van de Vennootschap zonder instemming van de aandeelhouders C kan worden besloten tot een statutenwijziging op grond waarvan bijzondere zeggenschapsrechten aan de aandelen C worden ontnomen. De ondernemingskamer heeft het verzoek van de Vennootschap tot kostenverhaal ten aanzien van Invernostra, Inversiones en [B] afgewezen op de grond dat zij geen bestuurder in de zin van art. 2:354 BW waren (rov. 3.62 en 3.66), en dat verzoek ten aanzien van de bestuurders [C], Equity Trust en [A] toegewezen nu ieder van hen een ernstig verwijt valt te maken (rov. 3.63-3.65).”
r.o. 3.3“De ondernemingskamer heeft het handelen en nalaten van de Vennootschap met betrekking tot deze vier onderwerpen, zowel elk voor zich als in samenhang bezien, aangemerkt als wanbeleid (rov. 3.53.1). Bij wijze van voorziening heeft de ondernemingskamer de besluiten van het bestuur tot medewerking aan de eerste verwatering en tot medewerking aan het ontslag van het bestuur van Vesta vernietigd op de gronden vermeld in rov. 3.54. De ondernemingskamer heeft in rov. 3.56 uiteengezet waarom tevens een voorziening gepast is, inhoudende dat in een BAVA van de Vennootschap zonder instemming van de aandeelhouders C kan worden besloten tot een statutenwijziging op grond waarvan bijzondere zeggenschapsrechten aan de aandelen C worden ontnomen. De ondernemingskamer heeft het verzoek van de Vennootschap tot kostenverhaal ten aanzien van Invernostra, Inversiones en [B] afgewezen op de grond dat zij geen bestuurder in de zin van art. 2:354 BW waren (rov. 3.62 en 3.66), en dat verzoek ten aanzien van de bestuurders [C], Equity Trust en [A] toegewezen nu ieder van hen een ernstig verwijt valt te maken (rov. 3.63-3.65).”
r.o. 3.4.6Cancun
Wanbeleid bij joint venture-vennootschap: vennootschapsbelang, zorgplicht bestuurders en artikel 2:8 BW
“[…] dat in een BAVA van de Vennootschap zonder instemming van de aandeelhouders C kan worden besloten tot een statutenwijziging op grond waarvan bijzondere zeggenschapsrechten aan de aandelen C worden ontnomen. De ondernemingskamer heeft het verzoek van de Vennootschap tot kostenverhaal ten aanzien van Invernostra, Inversiones en [B] afgewezen op de grond dat zij geen bestuurder in de zin van art. 2:354 BW waren (rov. 3.62 en 3.66), en dat verzoek ten aanzien van de bestuurders [C], Equity Trust en [A] toegewezen nu ieder van hen een ernstig verwijt valt te maken (rov. 3.63-3.65).”
r.o. 3.3“De ondernemingskamer heeft het handelen en nalaten van de Vennootschap met betrekking tot deze vier onderwerpen, zowel elk voor zich als in samenhang bezien, aangemerkt als wanbeleid (rov. 3.53.1). Bij wijze van voorziening heeft de ondernemingskamer de besluiten van het bestuur tot medewerking aan de eerste verwatering en tot medewerking aan het ontslag van het bestuur van Vesta vernietigd op de gronden vermeld in rov. 3.54. De ondernemingskamer heeft in rov. 3.56 uiteengezet waarom tevens een voorziening gepast is, inhoudende dat in een BAVA van de Vennootschap zonder instemming van de aandeelhouders C kan worden besloten tot een statutenwijziging op grond waarvan bijzondere zeggenschapsrechten aan de aandelen C worden ontnomen. De ondernemingskamer heeft het verzoek van de Vennootschap tot kostenverhaal ten aanzien van Invernostra, Inversiones en [B] afgewezen op de grond dat zij geen bestuurder in de zin van art. 2:354 BW waren (rov. 3.62 en 3.66), en dat verzoek ten aanzien van de bestuurders [C], Equity Trust en [A] toegewezen nu ieder van hen een ernstig verwijt valt te maken (rov. 3.63-3.65).”
r.o. 3.4.6Enquête: wanbeleid, vernietiging décharge en kostenverhaal op commissaris
“Onderdeel 4 keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.20 waarin de Ondernemingskamer heeft overwogen dat zij naar aanleiding van het verzoek van de vennootschap de kosten van het onderzoek te mogen verhalen op [verzoeker] c.s. dient "te onderzoeken of uit het verslag blijkt dat deze personen voor het onjuiste beleid dan wel de onbevredigende gang van zaken verantwoordelijk zijn". Volgens het onderdeel heeft de Ondernemingskamer aldus miskend dat zij zelf dient vast te stellen of sprake is geweest van verantwoordelijkheid voor onjuist beleid als bedoeld in art. 2:354 BW en dat zij niet gebonden is aan het oordeel van de onderzoeker dienaangaande. Het onderdeel kan echter bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. De desbetreffende overweging kan immers niet anders worden begrepen dan als een verwijzing naar de in art. 2:354 BW neergelegde maatstaf aan de hand waarvan de Ondernemingskamer zich vervolgens een eigen oordeel heeft gevormd.”
r.o. 3.5Enquête: wanbeleid en verhaal onderzoekskosten op bestuurder; cassatie verworpen
Na een enquête bij een gefailleerde B.V. stelde de OK wanbeleid vast en veroordeelde zij een van de bestuurders tot betaling van de kosten van twee onderzoeken aan de curator. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van die bestuurder met toepassing van artikel 81 RO, omdat de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Verhaal enquêtekosten door curator op individuele commissaris: artikel 2:354 BW
Een curator wil de kosten van een enquête op grond van artikel 2:354 BW verhalen op voormalige bestuurders en commissarissen van de failliete vennootschap. De OK wijst dit toe op basis van een algemeen vermoeden van verantwoordelijkheid. De Hoge Raad oordeelt dat uit het onderzoeksverslag individueel en concreet moet blijken dat de commissaris verantwoordelijk is voor onjuist beleid. Hij vernietigt de beschikking voor zover het de commissaris betreft en verwijst voor nader feitelijk onderzoek.
Conclusies van de A-G (18)
Conclusie A-G: wanbeleid bij LBO en fusie kinderopvangbedrijf, publiek belang en tegenstrijdig belang
“[…] Zie onder 3.68-3.71.2 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting. 3.92.2 Het subonderdeel strandt ook voor het overige. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, beantwoordt de OK in rov. 3.30 in verbinding met rov. 3.28-3.29 van de tweedefasebeschikking voor ieder van de Providence Commissarissen en [verzoeker] de vraag of deze persoon als commissaris van Catalpa het in het kader van art. 2:354 BW vereiste persoonlijke verwijt te maken valt. Een geïndividualiseerde benadering derhalve, zoals nog wordt onderstreept door het (afwijkende) oordeel van de OK in rov. 3.29 ten aanzien van [verweerster 3] en [verweerster 2] en in rov. 3.30 ten aanzien van [verweerder 4] . Daarbij bouwt de OK als gezegd - zie onder 3.90.1 hiervoor - mede voort op rov. 3.18-3.22. Zij komt aldus voor ieder van de Providence Commissarissen en [verzoeker] kenbaar en goed navolgbaar tot bevestigende beantwoording van die vraag, omdat gezien ook het onderzoeksverslag voor ieder van hen onverkort geldt dat in het kader van de fusie (specifiek: Adviesaanvraag II en het fusietraject) in het geheel geen betekenisvolle invulling is gegeven aan de verantwoordelijkheid als commissaris van Catalpa. Daarbij neemt […]”
r.o. 3.92“Het subonderdeel strandt ook voor het overige. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, beantwoordt de OK in rov. 3.30 in verbinding met rov. 3.28-3.29 van de tweedefasebeschikking voor ieder van de Providence Commissarissen en [verzoeker] de vraag of deze persoon als commissaris van Catalpa het in het kader van art. 2:354 BW vereiste persoonlijke verwijt te maken valt. Een geïndividualiseerde benadering derhalve, zoals nog wordt onderstreept door het (afwijkende) oordeel van de OK in rov. 3.29 ten aanzien van [verweerster 3] en [verweerster 2] en in rov. 3.30 ten aanzien van [verweerder 4] . Daarbij bouwt de OK als gezegd - zie onder 3.90.1 hiervoor - mede voort op rov. 3.18-3.22. Zij komt aldus voor ieder van de Providence Commissarissen en [verzoeker] kenbaar en goed navolgbaar tot bevestigende beantwoording van die vraag, omdat gezien ook het onderzoeksverslag voor ieder van hen onverkort geldt dat in het kader van de fusie (specifiek: Adviesaanvraag II en het fusietraject) in het geheel geen betekenisvolle invulling is gegeven aan de verantwoordelijkheid als commissaris van Catalpa. Daarbij neemt de OK ook in aanmerking hun eerdere betrokkenheid bij de transactie en de […]”
r.o. 3.92.2“[…] (en 3.68-3.71.2) hiervoor. 3.96.2 Overigens acht ik deze door de OK gemaakte afweging, mede gelet op het soortelijk gewicht - of zo men wil: de ernst - van het persoonlijke verwijt dat volgens haar ieder van de Providence Commissarissen en [verzoeker] treft, onjuist noch onbegrijpelijk of anderszins ontoereikend gemotiveerd. Daarbij betrek ik de parlementaire geschiedenis van thans art. 2:354 BW, in het bijzonder: “Is het verslag over het onderzoek uitgebracht, dan kan een gefundeerd oordeel worden gevormd over het gevoerd beleid en de gang van zaken, en kan de verantwoordelijkheid daarvoor, indien nodig, worden vastgesteld; in dit verband zij verwezen naar het opnieuw geformuleerde artikel 53e betreffende het kostenverhaal [thans art. 2:354 BW].(…)Artikel 53e. Deze bepaling is ontleend aan het tegenwoordige artikel 54b. Echter zijn de criteria aangegeven voor de gevallen waarin de vennootschap de kosten van het onderzoek zal kunnen verhalen. Ten aanzien van het verhaal op de verzoekers is daarbij aangesloten bij artikel 53a, lid 3, en ten aanzien van het verhaal op de bestuurders, de commissarissen en het personeel van de vennootschap bij artikel 53 lid 1. (…).” En: […]”
r.o. 3.96“Overigens acht ik deze door de OK gemaakte afweging, mede gelet op het soortelijk gewicht - of zo men wil: de ernst - van het persoonlijke verwijt dat volgens haar ieder van de Providence Commissarissen en [verzoeker] treft, onjuist noch onbegrijpelijk of anderszins ontoereikend gemotiveerd. Daarbij betrek ik de parlementaire geschiedenis van thans art. 2:354 BW, in het bijzonder: “Is het verslag over het onderzoek uitgebracht, dan kan een gefundeerd oordeel worden gevormd over het gevoerd beleid en de gang van zaken, en kan de verantwoordelijkheid daarvoor, indien nodig, worden vastgesteld; in dit verband zij verwezen naar het opnieuw geformuleerde artikel 53e betreffende het kostenverhaal [thans art. 2:354 BW].(…)Artikel 53e. Deze bepaling is ontleend aan het tegenwoordige artikel 54b. Echter zijn de criteria aangegeven voor de gevallen waarin de vennootschap de kosten van het onderzoek zal kunnen verhalen. Ten aanzien van het verhaal op de verzoekers is daarbij aangesloten bij artikel 53a, lid 3, en ten aanzien van het verhaal op de bestuurders, de commissarissen en het personeel van de vennootschap bij artikel 53 lid 1. (…).” En: “Het kostenverhaal op grond van artikel 53a […]”
r.o. 3.96.2Enquête Funda: handelen van middellijk meerderheidsaandeelhouder en artikel 2:8 BW
“[…] die tendens blijkt. a. Het is aanvaard dat, niettegenstaande de bewoordingen van art. 2:346 lid 1, aanhef en sub b-c BW, op basis daarvan onder omstandigheden aan een (rechts)persoon (ook) enquêtebevoegdheid kan toekomen ten aanzien van een vennootschap waarin hij geen onmiddellijk aandeelhouder (of certificaathouder) is. b. Het is tevens aanvaard dat, niettegenstaande de bewoordingen van art. 2:354 BW, deze regeling inzake kostenverhaal van toepassing is op alle personen die in de sfeer van de rechtspersoon zijn opgetreden en verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor diens slechte functioneren, ook zonder dat zij een formele verantwoordelijkheid droegen. c. Daarbij verdient nog opmerking dat die bewoordingen van art. 2:354 BW, specifiek de verwijzing daarin naar “een ander [dan een bestuurder of een commissaris, A-G] die in dienst van de rechtspersoon is”, zelf al wijzen op een kring van personen die ruimer is dan enkel leden van organen van de rechtspersoon. In het verlengde daarvan valt ook te wijzen op hetgeen ik opmerk mede onder 3.12.1-3.12.5 hierna over art. 2:8 BW, wat raakt aan het nog weer bredere stelsel van Boek 2 BW. Dit is een centrale bepaling in het […]”
r.o. 3.5“[…] die tendens blijkt. a. Het is aanvaard dat, niettegenstaande de bewoordingen van art. 2:346 lid 1, aanhef en sub b-c BW, op basis daarvan onder omstandigheden aan een (rechts)persoon (ook) enquêtebevoegdheid kan toekomen ten aanzien van een vennootschap waarin hij geen onmiddellijk aandeelhouder (of certificaathouder) is. b. Het is tevens aanvaard dat, niettegenstaande de bewoordingen van art. 2:354 BW, deze regeling inzake kostenverhaal van toepassing is op alle personen die in de sfeer van de rechtspersoon zijn opgetreden en verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor diens slechte functioneren, ook zonder dat zij een formele verantwoordelijkheid droegen. c. Daarbij verdient nog opmerking dat die bewoordingen van art. 2:354 BW, specifiek de verwijzing daarin naar “een ander [dan een bestuurder of een commissaris, A-G] die in dienst van de rechtspersoon is”, zelf al wijzen op een kring van personen die ruimer is dan enkel leden van organen van de rechtspersoon. In het verlengde daarvan valt ook te wijzen op hetgeen ik opmerk mede onder 3.12.1-3.12.5 hierna over art. 2:8 BW, wat raakt aan het nog weer bredere stelsel van Boek 2 BW. Dit is een centrale bepaling in het […]”
r.o. 3.5.6Enquête: reikwijdte wanbeleidsoordeel in tweede fase na beperkte onderzoeksopdracht en kostenverhaal
“[…] dat alle verzoeken zullen worden afgewezen. De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding een kostenveroordeling uit te spreken, met uitzondering van een kostenveroordeling ten gunste van Intertrust in de zaak die betrekking heeft op Gravier. Gravier zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van Intertrust.” 3.25.2 Het onderdeel doet daarbij dus een beroep op art. 2:354 BW. Dat luidt, voor zover relevant (als tot uitdrukking gebracht via toegevoegde onderstreping): “De ondernemingskamer kan na kennisneming van het verslag op verzoek van de rechtspersoon beslissen, dat deze de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalen op de verzoekers, indien uit het verslag blijkt dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, dan wel op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon. De laatste zin van het tweede lid van artikel 350 van dit Boek is van toepassing.” 3.25.3 Het onderdeel strandt, ook als wordt geabstraheerd van (i) en (ii) hierna. - Ad (i) ziet op de […]”
r.o. 3.25“Het onderdeel bestrijdt dus een oordeel van de OK in rov. 5.17 van de beschikking. Die luidt: “Slotsom en proceskosten5.17 Uit het vorenstaande volgt dat alle verzoeken zullen worden afgewezen. De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding een kostenveroordeling uit te spreken, met uitzondering van een kostenveroordeling ten gunste van Intertrust in de zaak die betrekking heeft op Gravier. Gravier zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van Intertrust.””
r.o. 3.25.1“Het onderdeel doet daarbij dus een beroep op art. 2:354 BW. Dat luidt, voor zover relevant (als tot uitdrukking gebracht via toegevoegde onderstreping): “De ondernemingskamer kan na kennisneming van het verslag op verzoek van de rechtspersoon beslissen, dat deze de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalen op de verzoekers, indien uit het verslag blijkt dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, dan wel op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon. De laatste zin van het tweede lid van artikel 350 van dit Boek is van toepassing.””
r.o. 3.25.2“[…] - [veroordeelt] in de kosten van het geding aan de zijde van Intertrust Management B.V., tot op heden begroot op € 2.057.” De laatste twee zinnen van rov. 5.17 zien dus op de proceskosten, niet op het door de curator (en Gravier) gedane verzoek - weergegeven door de OK in rov. 1.13 sub b - de kosten van het onderzoek ten laste van [verweerder 4] en [verweerder 3] te brengen op de voet van art. 2:354 BW. Dit laatste verzoek dekt de OK af met de eerste zin van rov. 5.17, waar zij overweegt dat uit het vorenstaande volgt dat alle verzoeken zullen worden afgewezen (wat in het dictum terugkomt, zowel in de zaak Prien Holding als in de zaak Gravier, met de overweging “wijst de verzoeken af;”). Het onderdeel doet een beroep op art. 2:354 BW en genoemd verzoek van de curator (en Gravier), maar lijkt de eerste zin van rov. 5.17 niet te bestrijden.”
r.o. 3.25.3Enquête: kostenverhaal ex artikel 2:354 BW op feitelijk bestuurder, hoofdelijk
“Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.10, waarin de ondernemingskamer als volgt heeft geoordeeld: “Leaderland c.s. hebben verzocht [eiser 2] en [eiser 1] hoofdelijk te veroordelen in de onderzoekskosten en in de kosten van de procedure op de voet van art. 2:354 BW. Zoals in de beschikking van 22 april 2016 is overwogen blijkt uit het verslag van wanbeleid en zijn [eiser 2] en [eiser 1] daarvoor (respectievelijk als bestuurder en als feitelijk bestuurder) verantwoordelijk te achten. Dat hun een persoonlijk verwijt valt te maken van het wanbeleid, ligt reeds in de overwegingen ter zake besloten: zij zijn degenen die het ertoe hebben geleid dat de Leaderlandvennootschappen zijn ontmanteld en dat in dat kader (vrijwel) alle activa zonder voldoende en betrouwbare waardering zijn verkocht aan [eiser 1] en [belanghebbende 6] gelieerde partijen. De vordering is – zoals toe te lichten: deels – toewijsbaar.””
r.o. 2.1“Het onderdeel klaagt dat de ondernemingskamer met dit oordeel blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat zonder een uitdrukkelijke wetsbepaling niet kan worden aanvaard dat de kosten van het onderzoek (ook) kunnen worden verhaald op een feitelijk bestuurder als [eiser 1] en art. 2:354 BW alleen kostenverhaal toelaat op – voor zover hier relevant – een formele bestuurder. Indien de ondernemingskamer dit niet heeft miskend, is haar oordeel, aldus het onderdeel, niet begrijpelijk gemotiveerd.”
r.o. 2.2“Art. 2:350 lid 3 BW bepaalt dat, bij toewijzing van een enquêteverzoek, de kosten van het onderzoek door de rechtspersoon worden betaald. De rechtspersoon is dan ook direct aansprakelijk voor die kosten jegens de onderzoeker(s). Art. 2:354 BW biedt de rechtspersoon vervolgens de mogelijkheid om de ondernemingskamer te verzoeken deze kosten te verhalen op – voor zover hier van belang – een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst is van de rechtspersoon indien uit het verslag van de onderzoeker(s) blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken bij de rechtspersoon. De ondernemingskamer heeft een discretionaire bevoegdheid om daarover naar billijkheid te beslissen.”
r.o. 2.3“Volgens de Hoge Raad heeft het bepaalde in art. 2:354 BW het oog op de individuele draagplicht van een (rechts)persoon die in de sfeer van de rechtspersoon is opgetreden en die voor het slecht functioneren van de rechtspersoon verantwoordelijk wordt gehouden. Geerts verwoordt het aldus dat aan art. 2:354 BW de gedachte ten grondslag ligt dat het niet redelijk is de rechtspersoon geheel de kosten van het onderzoek te laten dragen als een ander die in de sfeer van de rechtspersoon is opgetreden, voor het slecht functioneren van de rechtspersoon verantwoordelijk is en daarmee dus ook voor het ontstaan van die kosten.”
r.o. 2.5Enquête Meavita: kostenverhaal ex artikel 2:354 BW en samenstelling OK na defungeren voorzitter
“Naar het oordeel van de Ondernemingskamer is in het voorgaande genoegzaam gebleken van onjuist beleid en een onbevredigende gang van zaken als bedoeld in artikel 2:354 BW van Meavitagroep, van S&TZG en van Meavita Nederland en dat de na te noemen leden van de toezichthoudende organen en van de raden van bestuur daarvoor verantwoordelijk zijn in de zin van die bepaling. De Ondernemingskamer zal de verzoeken tot kostenverhaal daarom toewijzen. Zij ziet geen aanleiding voor hoofdelijke veroordeling. In plaats daarvan zal zij de volgende verdeling toepassen (de vermelde percentages zijn steeds genomen van het totale bedrag): - de leden van de toezichthoudende organen dragen 40%, dat wil zeggen - 8% of wel € 80.000 ten laste van de leden van de raad van toezicht van Meavitagroep, en wel als volgt onderverdeeld: - [verzoeker 1] € 32.000, - [verzoekster 7] € 8.000, - [betrokkene 4] € 8.000, - [verzoeker 5] € 8.000, - [betrokkene 5] € 8.000, - [verzoekster 6] € 8.000, - [verzoekster 8] € 8.000, - 8% of wel € 80.000 ten laste van de leden van de raad van commissarissen van S&TZG, en wel als volgt onderverdeeld: - [verzoeker 3] € 41,600, - [verzoeker 4] € 12,800, - [betrokkene 8] € 12,800, […]”
r.o. 15.2“Zoals AAF in haar verzoekschrift (103) en curatoren in hun nadere schriftelijke toelichting (onder 6.1) hebben uiteengezet, heeft AAF een bedrag van € 50.000 en heeft de curator van Meavita Nederland een bedrag van € 950.000 van de onderzoekskosten voldaan. Curatoren kunnen het verzoek op de voet van artikel 2:354 BW ten behoeve van de boedel doen. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer brengt verder een redelijke wetstoepassing mee, dat AAF, die belang had bij het voldoen van een deel van de onderzoekskosten, het door haar betaalde op de voet van artikel 2:354 BW kan verhalen.”
r.o. 15.4“Onderdeel 2.1 richt zich tegen het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 15.4 dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat AAF het door haar betaalde op de voet van art. 2:354 BW kan verhalen. Dit oordeel geeft volgens onderdeel 2.1 blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de bevoegdheid tot verhaal van de kosten van het onderzoek blijkens art. 2:354 BW alleen toekomt aan de rechtspersoon (of bij diens faillissement aan de curator), althans niet aan een verzoeker (of andere belanghebbende) als AAF.”
r.o. 3.28“Art. 2:350 lid 3 BW bepaalt dat, bij toewijzing van een enquêteverzoek, de kosten van het onderzoek door de rechtspersoon worden betaald. Na kennisneming van het onderzoeksverslag kan de ondernemingskamer ingevolge art. 2:354 BW op verzoek van de rechtspersoon beslissen dat deze de kosten van het deskundigenonderzoek kan verhalen op de verzoekers dan wel op functionarissen in dienst van de rechtspersoon (bestuurders, commissarissen of anderen). De bevoegdheid om kostenverhaal te verzoeken wordt in art. 2:354 BW aan de rechtspersoon toegekend. Is de rechtspersoon failliet, dan kan de curator het verzoek doen. Het artikel verlangt voor verhaal op de verzoekers dat uit het verslag blijkt dat het enquête-verzoek niet op redelijke grond is gedaan, en voor verhaal op een functionaris dat uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid c.q. een onbevredigende gang van zaken.”
r.o. 3.29Enquête Meavita: kostenverhaal artikel 2:354 BW en defungerende OK-voorzitter
“Naar het oordeel van de Ondernemingskamer is in het voorgaande genoegzaam gebleken van onjuist beleid en een onbevredigende gang van zaken als bedoeld in artikel 2:354 BW van Meavitagroep, van S&TZG en van Meavita Nederland en dat de na te noemen leden van de toezichthoudende organen en van de raden van bestuur daarvoor verantwoordelijk zijn in de zin van die bepaling. De Ondernemingskamer zal de verzoeken tot kostenverhaal daarom toewijzen. Zij ziet geen aanleiding voor hoofdelijke veroordeling. In plaats daarvan zal zij de volgende verdeling toepassen (de vermelde percentages zijn steeds genomen van het totale bedrag): - de leden van de toezichthoudende organen dragen 40%, dat wil zeggen - 8% of wel € 80.000 ten laste van de leden van de raad van toezicht van Meavitagroep, en wel als volgt onderverdeeld: - [verweerder 29] € 32.000, - [verweerster 33] € 8.000, - [verweerder 38] € 8.000, - [verweerder 26] € 8.000, - [verweerder 39] € 8.000, - [verweerder 37] € 8.000, - [verweerster 27] € 8.000, - 8% of wel € 80.000 ten laste van de leden van de raad van commissarissen van S&TZG, en wel als volgt onderverdeeld: - [verweerder 36] € 41,600, - [verweerder 31] € 12,800, - [verweerder […]”
r.o. 15.2“Zoals AAF in haar verzoekschrift (103) en curatoren in hun nadere schriftelijke toelichting (onder 6.1) hebben uiteengezet, heeft AAF een bedrag van € 50.000 en heeft de curator van Meavita Nederland een bedrag van € 950.000 van de onderzoekskosten voldaan. Curatoren kunnen het verzoek op de voet van artikel 2:354 BW ten behoeve van de boedel doen. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer brengt verder een redelijke wetstoepassing mee, dat AAF, die belang had bij het voldoen van een deel van de onderzoekskosten, het door haar betaalde op de voet van artikel 2:354 BW kan verhalen.”
r.o. 15.4“Onderdeel 2 klaagt dat het hof [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ten onrechte heeft veroordeeld in (een aandeel in) de onderzoekskosten die AAF op grond van een afspraak met de curatoren voor zijn rekening heeft genomen. Volgens de klacht is geen plaats voor verhaal op [verzoeker 1] en [verzoeker 2] op de voet van art. 2:354 BW nu de onderzoekskosten niet overeenkomstig art. 2:350 lid 3 BW door de (boedel van de) rechtspersonen zijn betaald.”
r.o. 3.27“Art. 2:350 lid 3 BW bepaalt dat, bij toewijzing van een enquêteverzoek, de kosten van het onderzoek door de rechtspersoon worden betaald. Na kennisneming van het onderzoeksverslag kan de ondernemingskamer ingevolge art. 2:354 BW op verzoek van de rechtspersoon beslissen dat deze de kosten van het deskundigenonderzoek kan verhalen op de verzoekers dan wel op functionarissen in dienst van de rechtspersoon (bestuurders, commissarissen of anderen). De bevoegdheid om kostenverhaal te verzoeken wordt in art. 2:354 BW aan de rechtspersoon toegekend. Is de rechtspersoon failliet, dan kan de curator het verzoek doen. Het artikel verlangt voor verhaal op de verzoekers dat uit het verslag blijkt dat het enquête-verzoek niet op redelijke grond is gedaan, en voor verhaal op een functionaris dat uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid c.q. een onbevredigende gang van zaken.”
r.o. 3.28Enquête joint venture-vennootschap: vennootschappelijk belang, wanbeleid en verwatering
“De Vennootschap heeft bij verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek, geconcludeerd tot referte voor wat betreft de onderdelen van het verzoek van Holding I zoals hierboven onder 3.1 vermeld onder 1 en onder 3 t/m 5. De Vennootschap heeft zich aangesloten bij het verzoek van Holding I voor wat betreft het onderdeel van het verzoek zoals hierboven onder 3.1 vermeld onder 2. De Vennootschap heeft voorts op de voet van art. 2:354 BW (verhaal van onderzoekskosten) verzocht om Inversiones, Invernostra, [B], Equity Trust, [C] en [A] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de Vennootschap van de onderzoekkosten.”
r.o. 3.3“[…] het onderdeel (bij nr. 5.2) bouwt enkel voort op de eerdere klachten; het deelt dan ook in het lot van die klachten. De tweede klacht (bij nr. 5.2) berust op een onjuiste lezing van de bestreden rechtsoverweging (rov. 3.63). De klacht miskent dat de Ondernemingskamer in rov. 3.63 een oordeel geeft over de verantwoordelijkheid voor het eerder in de beschikking geconstateerde wanbeleid (vgl. art. 2:354 BW); zie ook de nadere motivering van dat oordeel in rov. 3.64.2. Over de slotklachten (bij nr. 5.3) merk ik op dat het bestreden oordeel (van onder meer rov. 3.45, 3.63 en 3.67) geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting; het is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. 4.7.7 Onderdeel 5 (nrs. 6.3 t/m 6.11) richt zich tegen het oordeel (in rov. 3.62 t/m 3.67) dat Equity Trust veroordeeld dient te worden tot vergoeding van de kosten van het onderzoek. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel blijk heeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de eisen die gesteld dienen te worden aan een kostenveroordeling op grond van art. 2:354 BW. Volgens het onderdeel is het oordeel op dit punt in elk geval onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Uit de Bobel-beschikking zou […]”
r.o. 4.7“Onderdeel 4 (nrs. 5.1 t/m 5.3) wordt tevergeefs voorgesteld. De eerste klacht van het onderdeel (bij nr. 5.2) bouwt enkel voort op de eerdere klachten; het deelt dan ook in het lot van die klachten. De tweede klacht (bij nr. 5.2) berust op een onjuiste lezing van de bestreden rechtsoverweging (rov. 3.63). De klacht miskent dat de Ondernemingskamer in rov. 3.63 een oordeel geeft over de verantwoordelijkheid voor het eerder in de beschikking geconstateerde wanbeleid (vgl. art. 2:354 BW); zie ook de nadere motivering van dat oordeel in rov. 3.64.2. Over de slotklachten (bij nr. 5.3) merk ik op dat het bestreden oordeel (van onder meer rov. 3.45, 3.63 en 3.67) geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting; het is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.”
r.o. 4.7.6“Onderdeel 5 (nrs. 6.3 t/m 6.11) richt zich tegen het oordeel (in rov. 3.62 t/m 3.67) dat Equity Trust veroordeeld dient te worden tot vergoeding van de kosten van het onderzoek. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel blijk heeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de eisen die gesteld dienen te worden aan een kostenveroordeling op grond van art. 2:354 BW. Volgens het onderdeel is het oordeel op dit punt in elk geval onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Uit de Bobel-beschikking zou blijken dat de verantwoordelijkheid van de bestuurder individueel en concreet uit het verslag moet blijken (vgl. HR 19 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AD3051, NJ 1999/658, rov. 3.3 e.v. (Bobel)). Dit vereiste van een concreet op het verslag terug te voeren individuele verantwoordelijkheid, is – aldus het onderdeel – een noodzakelijke waarborg voor de aangesproken bestuurder. Een verzoek om de bestuurder te veroordelen tot vergoeding van de onderzoekskosten zou namelijk, anders dan de vaststelling van wanbeleid, de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen betreffen; in feite zou het gaan om een aansprakelijkheidsprocedure ten aanzien van de onderzoekskosten in de enquêteprocedure.”
r.o. 4.7.7Conclusie: enquête naar failliete vennootschap en doeleinden enquêterecht (KPNQwest)
“[…] te voldoen" (rov. 2.6). De Ondernemingskamer vervolgt: "2.7. Daarmee is evenwel nog niet gezegd dat het verweer slaagt. VEB c.s. hebben immers in hun pleitnota gewezen op (andere) mogelijkheden fondsen te verkrijgen ter financiering van een eventueel te bevelen onderzoek. Zij hebben, mede onder verwijzing naar de verhaalsmogelijkheden van de kosten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2:354 BW, onder meer gewezen op de regeling als bedoeld in artikel 2:138 lid 10 BW (garantstellingsregeling curatoren) en op de mogelijkheid dat een of meer crediteuren bereid zijn een bijdrage in die kosten te leveren, zoals dat ook is geschied met betrekking tot een procedure die door curatoren in verband met het faillissement van KPNQwest aanhangig is gemaakt in de Verenigde Staten van Amerika. Zij hebben voorts opgemerkt dat zij zich het recht voorbehouden zelf een deel van de kosten te betalen dan wel - naar de Ondernemingskamer begrijpt - leden van Vereniging van Effectenbezitters te verzoeken in die kosten bij te dragen.”
r.o. 3.3“Subonderdeel 3.3 richt zich tegen rov. 2.7 en 2.8 van de eerste beschikking. In rov. 2.7 overweegt de Ondernemingskamer dat VEB c.s. in hun pleitnota hebben gewezen op verschillende mogelijkheden om een onderzoek te financieren. Zo hebben VEB c.s. gewezen op (i) verhaalsmogelijkheden van de kosten o.g.v. art. 2:354 BW, (ii) de regeling als bedoeld in artikel 2:138 lid 10 BW (garantstellingsregeling curatoren) en, (iii) de mogelijkheid dat crediteuren bereid zijn een bijdrage in de kosten te leveren. In rov. 2.8 overweegt de Ondernemingskamer dat belanghebbenden dit betoog niet voldoende hebben weersproken. Daarom staat volgens de Ondernemingskamer niet met zekerheid vast dat een eventuele enquête niet zal plaatsvinden. Volgens het onderdeel verliest de Ondernemingskamer uit het oog dat de in art. 2:138 lid 10 bedoelde regeling is bedoeld voor het instellen van een rechtsvordering op grond van art. 2:9 BW of art. 2:138/248 BW of het voor het instellen van een voorafgaand onderzoek naar de mogelijkheid daartoe. In een enquêteprocedure gaat het niet om een dergelijke rechtsvordering of een dergelijk onderzoek. Het subonderdeel verwijst in dit verband naar de Unilever-beschikking […]”
r.o. 8.7“Het onderdeel mist feitelijke grondslag. De Ondernemingskamer heeft immers geen oordeel gegeven over de garantstellingsregeling curatoren. Zij heeft slechts overwogen dat het betoog van VEB c.s. onvoldoende is weersproken. Het subonderdeel faalt om nog een reden. Ik meen dat niet is uitgemaakt óf de Garantstellingsregeling curatoren 2005(75) kan worden aangewend ter financiering van een enquêteonderzoek. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat de minister een door de rechter-commissaris goedgekeurde aanvraag toewijst. Het is evenwel niet aan de Ondernemingskamer om over de rechtmatigheid hiervan een oordeel uit te spreken. Indien zou vaststaan dat de curatoren beroep op de Garantstellingsregeling kunnen doen, terwijl tevens zou vaststaan dat het onderzoek op geen andere wijze zou kunnen worden gefinancierd, zou de Ondernemingskamer het enquêteverzoek in behandeling moeten nemen.”
r.o. 8.8“Subonderdeel 3.4 stelt dat de Ondernemingskamer in rov. 2.7 jo. 2.8 een onjuiste uitleg heeft gegeven van art. 2:354 BW, althans haar beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd. Immers, aan een evt. kostenverhaal op grond van art. 2:354 kan pas worden toegekomen nadat het onderzoeksverslag gereed is en indien het verslag daartoe aanleiding ziet. Deze verhaalsmogelijkheden bieden derhalve geen mogelijkheden voor financiering van de onderzoekskosten. Deze klacht, wat er verder inhoudelijk van zij, faalt op de grond, vermeld in par. 8.8 van deze conclusie. 9. Behandeling van onderdeel 4”
r.o. 8.9Enquête KPNQwest: beëindiging onderzoek bij ontbrekende financiering
“Dat het belang van de vennootschap bij het houden van een enquête vooropstaat, blijkt onder andere uit het feit dat de vennootschap in beginsel de kosten van het onderzoek draagt (vgl. art. 2:350 lid 3 en 2:354 BW). Indien de vennootschap is gefailleerd, kan de financiering van het onderzoek problematisch zijn. In Decidewise(9) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat de onderzoekskosten niet als boedelschuld gelden in het faillissement van de rechtspersoon tegen wie een onderzoek is gelast. De curator kan zelf beslissen in hoeverre hij middelen uit de boedel wil gebruiken om daarmee de kosten van het onderzoek te bestrijden. Indien de curator daartoe niet bereid is, kan de verzoeker ervoor kiezen die kosten voor eigen rekening te nemen, aldus de Hoge Raad in Decidewise.”
r.o. 3.3Enquêterecht bij vermogensrechtelijk geschil over conversie van preferente aandelen Unilever
“[…] komen van de vennootschap. Dit werd redelijk gevonden omdat immers een verzoek slechts zou worden toegewezen indien er gronden waren aan een juist beleid te twijfelen (MvT Kamerstukken II 1967-1968, 9569, nr. 3, p. 6). Mocht uit het verslag van het onderzoek blijken dat het verzoek op onredelijke gronden is gedaan dan kan de Ondernemingskamer de kosten alsnog op verzoekers verhalen, aldus art. 2:354 BW (voorheen art. 54b WvK). Gezien de eerdere rechterlijke toets op dit punt zal hieraan niet snel zijn voldaan. Zie hierover verder P.G.F.A. Geerts, aantek. bij art. 2:354, Rechtspersonen losbl., 2004. De mogelijkheid verzoekers tot de kosten van de procedure te veroordelen dient in samenhang te worden begrepen met art. 2:350 lid 2 BW dat bepaalt dat indien een enquêteverzoek wordt afgewezen en ook niet op redelijke grond zal zijn gedaan de rechtspersoon de Ondernemingskamer kan verzoeken verzoekers te veroordelen tot vergoeding van de schade die de rechtspersoon heeft geleden wegens het ten onrechte indienen van het verzoek. De rechtspraak is conform de wens van de wetgever zeer terughoudend in het toewijzen van een dergelijk verzoek (zie hierover verder C.A. Boukema, aantek. bij […]”
r.o. 5.22Enquête: voormalig bestuurder belanghebbende, certificaathouder, onmiddellijke voorziening en machtiging onderzoeker
“De mogelijke vaststelling door de ondernemingskamer dat is gebleken van wanbeleid en dat (voormalige) bestuurders daarvoor verantwoordelijk zijn, kan verstrekkende gevolgen voor hen hebben. Art. 2:354 BW bepaalt voorzover thans van belang dat de ondernemingskamer na kennisneming van het verslag van de onderzoeker(s) op verzoek van de rechtspersoon kan beslissen dat deze de kosten van het onderzoek kan verhalen op een bestuurder of een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon(19).”
r.o. 2.16“[…] (2001), blz. 649-653. 18 Asser-Maeijer 2-III (2000), nr. 526; vgl. Maeijer in zijn noot sub 5 onder OK 10 december 1981, NJ 1983, 24. Zie voorts A-G van Soest vóór HR 19 maart 1975, NJ 1976, 267 (blz. 744 r.k.). 19 Bijvoorbeeld: OK 19 juni 1997, NJ 1997, 673 welke beschikking (ten dele) is vernietigd in HR 19 mei 1999, NJ 1999, 658 m.nt. Ma. In laatstgenoemde beschikking is uitgemaakt dat art. 2:354 BW verlangt dat uit het onderzoeksverslag ten aanzien van de bestuurder/commissaris individueel en concreet moet blijken dat hij verantwoordelijk is voor een onjuist beleid. Volgens OK 28 juni 2001, NJ 2001, 511 (De Vries Robbé) staat aan kostenverhaal niet in de weg de omstandigheid dat bestuurders c.q. commissarissen niet meer in dienst zijn bij (verbonden zijn aan) de vennootschap op het moment dat kostenverhaal wordt verzocht. Dat lijkt mij een redelijke toepassing van art. 2:354 BW. 20 Asser-Maeijer 2-III (2000), nr. 336 en 529. Van Schilfgaarde, a.w., nr. 121, blz. 308-310. Asser, a.w., blz. 65. 21 HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671 rov. 4.1.3 m.nt. Ma. Zie ook OK 9 juli 1998, NJ 1998, 882. Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, 1992, […]”
r.o. 3.1Enquête: wanbeleid en kostenverhaal op bestuurder bij failliete projectvennootschap
“[…] dat RCB (wier naam inmiddels in Bouwprojecten Brabant B.V. was gewijzigd) en [verzoekster] wanbeleid hebben gevoerd; - RCB en [verzoekster] te veroordelen in de kosten van het geding. (b) De curator heeft voorts bij op 5 februari 1998 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschriften met rekestnummers 88/98 OK en 89/98 OK de Ondernemingskamer verzocht om op de voet van art. 2:354 BW de kosten van het onderzoek geheel te mogen verhalen op onderscheidenlijk RCB en [verzoekster]. (c) Bij beschikking van 23 april 1998(4) in de zaak met rekestnummer 87/97 OK(5), heeft de Ondernemingskamer de curator in zijn verzoek ontvankelijk geoordeeld en heeft zij een nader onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van Village Scaldia in het tijdvak juni 1994 - 23 januari 1997, met benoeming van mr. P.N. Wakkie te Rotterdam tot onderzoeker. Bij afzonderlijke beschikking, eveneens van 23 april 1998, in de zaken met rekestnummers 88/98 OK en 89/98 OK, heeft de Ondernemingskamer geoordeeld dat de curator in zijn desbetreffende verzoeken kan worden ontvangen en heeft zij iedere verdere beslissing aangehouden. (d) Nadat mr. Wakkie het verslag van het onderzoek met […]”
r.o. 1.3“Ingevolge artikel 2:350 lid 3 BW betaalt de rechtspersoon de kosten van het onderzoek. Artikel 2:354 BW biedt de vennootschap - of de curator in geval van haar faillissement - echter de mogelijkheid de Ondernemingskamer te verzoeken dat zij de kosten kan verhalen op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon. De curator heeft de Ondernemingskamer verzocht [verzoekster] en RCB in de kosten te veroordelen. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 4 juni 1997 inzake Text Lite(28) het volgende overwogen: "4.1.2. Uit het bepaalde in de artt. 2:355 jo 2:356 en 2:354 BW vloeit rechtstreeks voort dat in de in die bepalingen bedoelde situaties de Ondernemingskamer bevoegd is voorzieningen te treffen ten laste van individuele bestuurders en commissarissen en te beslissen dat kosten verhaald kunnen worden op (een of meer van) hen. De uitoefening van die bevoegdheden zal gemotiveerd moeten worden, hetgeen meebrengt dat, naar omstandigheden, de Ondernemingskamer zal moeten oordelen omtrent het functioneren van […]”
r.o. 2.28“[…] het verzoek tot kostenverhaal. Hij is van mening dat een oordeel over de verantwoordelijkheid met het oog op kostenverhaal vooral in geval van faillissement een aanloop is naar individuele aansprakelijkstelling (zie sub 2). Maeijer pleit ervoor dat de Ondernemingskamer bij het toelaten van kostenverhaal terughoudendheid betracht (zie sub 3). Twee andere beschikkingen die uitleg geven aan art. 2:354 BW zijn HR 8 april 1998, NJ 1999, 546 (OK 65; Skipper Club) en HR 19 mei 1999, NJ 1999, 658, m.nt. Ma (OK 67; Bobel). In de bestreden beschikking voorafgaand aan HR 8 april 1998 had de Ondernemingskamer vastgesteld dat in de vennootschap sprake was van wanbeleid. De Ondernemingskamer had voorts bepaald dat de kosten van het onderzoek op de bestuurder/meerderheidsaandeelhouder konden worden verhaald. Geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting gaf het oordeel dat uit het onderzoeksverslag was gebleken dat betrokkene als meerderheidsaandeelhouder en als bestuurder voor het onjuiste beleid en de onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon verantwoordelijk was te achten, en wel dusdanig dat de rechtspersoon de kosten van het onderzoek op hem kon verhalen. Aan de beschikking van […]”
r.o. 4.1.3“[…] in de zaak 87/98 OK strekte (blijkens rov. 1.4) tot openbare inzage van het rapport van mr. Wind, tot vaststelling dat RCB en [verzoekster] wanbeleid hadden gevoerd en tot veroordeling van RCB en [verzoekster] in de kosten van het geding. In zijn verzoek met rekestnummer 89/98 OK heeft de curator de Ondernemingskamer verzocht te bepalen dat hij de kosten van het onderzoek op de voet van art. 2:354 BW op [verzoekster] zou mogen verhalen (zie rov. 1.5). In rov. 1.9 heeft de Ondernemingskamer vastgesteld dat de curator in zijn verzoekschrift van 8 november 2000 (rekestnummer 1008/2000) zijn verzoeken zoals weergegeven in rov. 1.4 en 1.5 heeft herhaald. De op de genoemde verzoeken gegeven beslissingen met betrekking tot het gevoerde wanbeleid en het kostenverhaal op [verzoekster] vinden hun motivering in de rov. 3.3-3.11 respectievelijk 3.12-3.12. Het onderdeel bouwt (blijkens de verwijzing naar "hetgeen hier voor is betoogd") op de eerdere onderdelen voort. Waar geen van die onderdelen tot cassatie kan leiden, moet ook onderdeel M het lot daarvan delen. 3. Conclusie Deze strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, […]”
r.o. 2.33Enquête: wanbeleid bij inbrengtransactie, kostenverhaal op commissaris, cassatieberoepen te verwerpen
“[Verzoeker] was, evenals (o.m.) BTG, belanghebbende in de door de a.-g. aangespannen procedure(11) en heeft daarin dezelfde belangen verdedigd als in de door het verzoekschrift van De Vries Robbé ingeleide procedure. Dit laatste geldt niet voor het toegewezen verzoek van De Vries Robbé tot verhaal van kosten op [verzoeker], [belanghebbende F + N], [belanghebbende C + J] en [belanghebbende G + O]. Dit verzoek is echter gegrond op art. 2:354 BW, welk artikel aan de betrokken rechtspersoon het recht verleent een verzoek in te dienen tot verhaal van de kosten van enquête. Dat De Vries Robbé ook zelf een verzoek tot het gelasten van een enquête heeft ingediend en daarin ten onrechte ontvankelijk is verklaard, doet hieraan niet af.”
r.o. 3.2.2“Aan het slot van onderdeel 2 betoogt [verzoeker], onder verwijzing naar de klacht in subonderdeel 5.4, dat hij belang heeft bij de klachten van middelonderdeel 2, omdat de OK ro. 3.16 mede tot uitgangspunt neemt bij haar oordeel dat [verzoeker] verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid dan wel de onbevredigende gang van zaken als bedoeld in art. 2:354 BW.”
r.o. 4.2.2.4“Onderdeel 4 heeft betrekking op ro. 3.20. Daarin heeft de OK overwogen dat zij i.v.m. het verzoek van De Vries Robbé de kosten van het onderzoek te mogen verhalen op (o.m.) [verzoeker], diende te onderzoeken of uit het verslag blijkt dat (o.m.) [verzoeker] verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid dan wel voor de onbevredigende gang van zaken. De OK zou hier, volgens het onderdeel, een onjuiste maatstaf hebben aangelegd, althans zijn oordeel onvoldoende hebben gemotiveerd. Zij zou hebben miskend dat zij zelf dient vast te stellen of sprake is geweest van verantwoordelijkheid in de zin van art. 2:354 BW. Zij is niet aan het oordeel van de onderzoeker hierover is gebonden.”
r.o. 4.4.1“Op grond van art. 2:354 BW kan de OK op verzoek van de rechtspersoon beslissen dat de rechtspersoon de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalen op (o.m.) een commissaris, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon. In de beschikking inzake Text Lite(19) heeft de HR overwogen (ro. 4.4.2) dat uit deze bepaling niet mag worden afgeleid dat het gevorderde direct kan worden toegewezen indien in het verslag tot wanbeleid of verantwoordelijkheid daarvoor wordt geconcludeerd. De OK moet beslissen of inderdaad sprake is geweest van wanbeleid, waarbij zij niet aan het oordeel van de onderzoeker is gebonden.”
r.o. 4.4.2.1Kan een vennootschap zelf een enquête bij zichzelf verzoeken? Conclusie P-G
“In een uitspraak van 23 april 1998(30) heeft de OK de bevoegdheid van de rechtspersoon om de in art. 2:355 bedoelde verzoeken te doen gebaseerd op de strekking en het systeem van de wet. De OK heeft daarin overwogen: "Weliswaar noemt artikel 2:355 BW de rechtspersoon niet als een van degenen die de in het artikel bedoelde verzoeken kan doen, doch op grond van het systeem en de strekking van de wet moet worden aangenomen dat zij die bevoegdheid niettemin heeft en wel op grond van de volgende overwegingen. Ook de rechtspersoon kan na het uitbrengen van een enquêteverslag belang hebben bij het vaststellen van wanbeleid. Bovendien bieden de artikelen 2:346 aanhef en onder c juncto 2:355 BW aan de rechtspersoon de mogelijkheid bij overeenkomst aan derden bepaalde bevoegdheden ter zake van het enquêterecht te verlenen. Het ligt dan voor de hand aan te nemen dat de rechtspersoon zelf die bevoegdheden, althans die tot het doen van de hier aan de orde zijnde in artikel 2:355 BW bedoelde verzoeken, eveneens toekomt. Tenslotte wijst ook de in artikel 2:354 BW aan de rechtspersoon toegekende bevoegdheid, die verwant is aan het verzoek tot vaststelling van wanbeleid, in die richting."”
r.o. 3.5.1Verhaal enquêtekosten op voormalig commissaris ingevolge artikel 2:354 BW
“In de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 17 april 1997 heeft verweerder in cassatie, de curator in het faillissement van [A] , verzocht te beslissen dat [A] de kosten van het onderzoek , vermeerderd met de rente, geheel mag verhalen op vijfentwintig met name genoemde personen die bestuurder of commissaris geweest zijn van [A] in de periode voorafgaand aan haar faillissement, en te bepalen dat deze bestuurders en commissarissen hoofdelijk voor de betaling van deze kosten aansprakelijk zijn. De curator betoogde daartoe dat uit het verslag bleek dat de bestuurders en commissarissen van [A] zich geheel in dienst hadden gesteld van de meerderheidsaandeelhouder van [A] , dat zij de belangen van de vennootschap en derden geheel ondergeschikt hadden gemaakt aan de belangen van deze meerderheidsaandeelhouder en dat derhalve was voldaan aan de voorwaarden waaronder bestuurders en commissarissen in de onderzoekskosten kunnen worden veroordeeld als bedoeld in art. 2:354 BW.”
r.o. 1.4“Dit middel keert zich tegen ro 3.10, waar de ondernemingskamer heeft overwogen: “De verweerders lijken de mening te zijn toegedaan dat een veroordeling op grond van artikel 2:354 BW uitsluitend gegrond kan zijn op hetgeen in het verslag van de onderzoeker door deze is vastgesteld. Aldus worden de woorden “indien uit het verslag blijkt” in voormelde bepaling te beperkt uitgelegd. De omstandigheid dat de onderzoeker in zijn verslag op sommige plaatsen geen zekerheid kan bieden, maar meer of minder sterke vermoedens of twijfel uit, hoeft de ondernemingskamer er niet van te weerhouden op de desbetreffende punten haar oordeel te vormen. Ook kan de ondernemingskamer haar beslissing baseren op hetgeen partijen naar aanleiding van het onderzoek en naar aanleiding van overgelegde stukken over een weer aanvoeren.””
r.o. 3.1.1“Onderdeel 1 houdt de klacht in dat het hof zou hebben miskend dat de rechtspersoon ingevolge art. 2:354 BW de kosten van het onderzoek slechts geheel of gedeeltelijk kan verhalen op een commissaris. “indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon.””
r.o. 3.1.2“Ten overvloede voeg ik nog het volgende toe. Het doel van art. 2:354 BW is niet zozeer het voeren van een afzonderlijke procedure over de persoonlijke aansprakelijkheid van individuele functionarissen, als wel het toedelen van de gemaakte onderzoekskosten aan die betrokkenen die daarvoor het meest in aanmerking komen. Men mag geen al te zware eisen stellen, waaraan voldaan moet zijn, wil de ondernemingskamer bepaalde functionarissen aansprakelijk houden voor de kosten van de enquête. De bewoordingen van de wet (die niet spreekt van wanbeleid maar slechts van onjuist beleid) duiden m.i. niet op zo’n eis. In de wetsgeschiedenis komt de ernst van de fout ook niet als een verzwaring van het aansprakelijkheidscriterium ter sprake . Bovendien vloeit ook uit het voorgaande voort dat het in wezen gaat om de bevoegdheid van de rechter om een betrokken partij te veroordelen in (een deel van) met de procedure samenhangende kosten. Ook hieruit volgt dat de mate waarin in cassatie over een dergelijke beslissing kan worden geklaagd, beperkt is .”
r.o. 3.1.4Conclusie: maatstaf ernstig verwijt artikel 2:9 BW en gewicht enquêtebeschikkingen
In deze conclusie gaat het om de interne aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van artikel 2:9 BW en het gewicht van OK-beschikkingen over wanbeleid en enquêtekosten in een gewone civiele procedure. De A-G meent dat het hof een te strenge maatstaf hanteerde, omdat een ernstig verwijt de norm is, en dat het de gestelde feiten niet buiten beschouwing mocht laten. OK-beschikkingen binden de burgerlijke rechter niet. Hij concludeert tot vernietiging.
Enquête KPNQwest: intrekking enquêteverzoek na bevel tot onderzoek, rol curatoren
“De Ondernemingskamer overweegt als volgt: "2.7. Daarmee is evenwel nog niet gezegd dat het verweer slaagt. VEB c.s. hebben immers in hun pleitnota gewezen op (andere) mogelijkheden fondsen te verkrijgen ter financiering van een eventueel te bevelen onderzoek. Zij hebben, mede onder verwijzing naar de verhaalsmogelijkheden van de kosten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2:354 BW, onder meer gewezen op de regeling als bedoeld in artikel 2:138 lid 10 BW (garantstellingsregeling curatoren) en op de mogelijkheid dat een of meer crediteuren bereid zijn een bijdrage in die kosten te leveren, zoals dat ook is geschied met betrekking tot een procedure die door curatoren in verband met het faillissement van KPNQwest aanhangig is gemaakt in de Verenigde Staten van Amerika. Zij hebben voorts opgemerkt dat zij zich het recht voorbehouden zelf een deel van de kosten te betalen dan wel - naar de Ondernemingskamer begrijpt - leden van Vereniging van Effectenbezitters te verzoeken in die kosten bij te dragen. In aanmerking genomen hetgeen hiervoor in 2.5 is 2.8. overwogen met betrekking tot de te betrachten terughoudendheid in het honoreren van een verweer als hier aan de orde, dat niet […]”
r.o. 2.7Enquête: overdracht aandelen Luxemburgse aandeelhouder ten titel van beheer, bevoegdheid OK
“De verweersters e-Traction Europe, e-Traction Finance en e-Traction Manufacturing hebben bij verweerschrift de Ondernemingskamer verzocht: 1. vast te stellen dat gebleken is van wanbeleid dan wel een onjuist beleid bij e-Traction Europe, e-Traction Finance en e-Traction Manufacturing; 2. vast te stellen dat [verzoeker 1] voor dit wanbeleid dan wel onjuiste beleid verantwoordelijk is; 3. [verzoeker 1] op de voet van art. 2:354 BW te veroordelen in de kosten van het onderzoek tot een bedrag van € 10.000 excl. BTW.”
r.o. 1.19
Hoven en Ondernemingskamer (1)
Enquête tweede fase: wanbeleid joint venture, ontnomen corporate opportunity, ontslag bestuurder en kostenverhaal
“Het verzoek van Clean Air tot veroordeling van [C] , [A] en/of Greenvironmental in de kosten van het onderzoek is deels toewijsbaar. Clean Air heeft de kosten van het onderzoek volledig voorgeschoten voor En-VFA. Dat maakt dat zij kostenverhaal op de voet van artikel 2:354 BW kan verzoeken (HR 18 november 2016, NJ 2017/202 (Meavita)).”
r.o. 6.38