← Alle artikelen

Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 1. Geschillenregeling

Artikel 2:336 BW

In deze vorm in werking sinds 1 januari 2025, laatst gewijzigd bij Stb. 2024, 174

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en de naamloze vennootschap, tenzij de aandelen of certificaten van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of de naamloze vennootschap zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit, als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een met een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:336 BW (17)

Hoge Raad (3)

  • Hoge Raad · 24 januari 2025

    Rechterswisseling na mondelinge behandeling bij OK in geschillenregeling: arrest vernietigd

    “De Hoge Raad zal de zaak terugwijzen naar de ondernemingskamer (art. 2:336 lid 3 BW). Nu partijen zich over en weer hebben gerefereerd, zullen de kosten van zowel het principale als het incidentele beroep worden gereserveerd.”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:HR:2025:114

  • Hoge Raad · 21 januari 2005

    Hoffman

    Geschillenregeling: deskundigenbenoeming bij prijsbepaling aandelen kan achterwege blijven

    “Aan zijn hiervoor onder 1 vermelde vordering heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat [eiser] het belang van Beheer, waaronder begrepen het belang van Bedrijfsrecherche en de daarmee verbonden onderneming, in de in art. 2:336 lid 1 BW bedoelde mate heeft geschaad doordat zijn taakvervulling in hoge mate onbehoorlijk is geweest, [eiser] van plan is geweest [verweerder] te ontslaan, hetgeen het belang van Beheer zou schaden, Beheer in liquiditeitsproblemen heeft gebracht en zich na zijn schorsing onrechtmatig heeft gedragen met het oogmerk om het belang van Beheer te schaden. De rechtbank heeft geoordeeld dat een zodanige impasse in de besluitvoering binnen Beheer is ontstaan dat deze de toepassing van de wettelijke geschillenregeling rechtvaardigt, alsmede dat ontstaan en voortbestaan van die impasse in overwegende mate aan de gedragingen van [eiser] zijn toe te schrijven. De rechtbank heeft omtrent de op de voet van art. 2:340 BW door haar te bepalen prijs van de door [eiser] over te dragen aandelen overwogen dat de waarde van de aandelen kan worden vastgesteld zonder dat daarvoor een deskundigenbericht noodzakelijk is, aangezien statutair is bepaald dat op die aandelen nooit […]”

    r.o. 3.2

    “Het middel is gericht tegen rov. 4.14 - 4.16 van het bestreden arrest. De onderdelen 1 en 4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Onderdeel 1 klaagt dat de ondernemingskamer in rov. 4.14 en 4.16 ten onrechte heeft overwogen dat het benoemen van een of meer deskundigen ter voorlichting omtrent de waarde van de aandelen A achterwege kan blijven, respectievelijk geen redelijk doel zou kunnen dienen en het vonnis van de rechtbank heeft bekrachtigd zonder deskundigenbenoeming als imperatief voorgeschreven door art. 2:339 BW. Onderdeel 4 is gericht tegen het in rov. 4.15 neergelegde oordeel van de ondernemingskamer en houdt de klacht in dat dit oordeel, inhoudende dat de houder van aandelen A, zowel in geval van (vrijwillige) overdracht als van overgang anders dan door overdracht, nimmer een hogere vergoeding kan bedingen dan overeenkomt met de nominale waarde, onbegrijpelijk is.”

    r.o. 3.3.1

    ECLI:NL:HR:2005:AR6028

  • Hoge Raad · 13 januari 2012

    Uitstotingsprocedure artikel 2:336 BW; cassatieberoep verworpen op grond van artikel 81 RO

    Een aandeelhouder stelt cassatie in tegen een arrest van de OK in een geschil tussen aandeelhouders over een uitstotingsvordering tot overdracht van aandelen op grond van artikel 2:336 BW. De Hoge Raad verwerpt het beroep met toepassing van artikel 81 RO, omdat de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

    ECLI:NL:HR:2012:BU4969

Conclusies van de A-G (12)

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 september 2026

    Uitstoting en uittreding: vennootschapsbelang bij afwikkeling onderneming na vastgelopen 50/50-samenwerking

    “Deze zaak betreft de geschillenregeling van titel 8, afdeling 1 van Boek 2 BW, in het bijzonder de daarin opgenomen uitstotingsprocedure. De twee hoofdpijlers van deze wettelijke geschillenregeling, betreffende een kapitaalvennootschap in de zin van art. 2:336 BW, zijn de uitstotingsprocedure en de uittredingsprocedure. Een uitstotingsprocedure maakt het in bepaalde gevallen mogelijk een aandeelhouder ‘uit te stoten’, wat erop neerkomt dat deze zijn aandelen in de vennootschap moet overdragen. Een uittredingsprocedure maakt het in bepaalde gevallen mogelijk als aandeelhouder ‘uit te treden’, wat erop neerkomt dat de desbetreffende aandelen in de vennootschap dienen te worden overgenomen.”

    r.o. 3.2

    “In het onder 3.4 hiervoor bedoelde vereiste liggen, zoals A-G Timmerman al opmerkte over de voorganger van dit vereiste zoals vervat art. 2:336 lid 1 (oud) BW, drie elementen besloten: (i) de gedragingen die aanleiding zijn tot uitstoting; (ii) schade aan het vennootschapsbelang; en (iii) een redelijkheidstoets. Ook de wetgever refereert bij de toelichting op de Wagevoe naar deze onderverdeling. Du Bois hanteert deze drieslag eveneens, maar dan met de trits gedrags-, schade- en redelijkheidscriterium, die intussen ook OK-rechtspraak heeft bereikt. Ik licht deze drie elementen kort toe.”

    r.o. 3.5

    “Eerst element (i). Onder art. 2:336 lid 1 (oud) BW vielen alleen gedragingen van de aandeelhouder als zodanig binnen het bereik van de bepaling, niet (ook) diens gedragingen in een andere hoedanigheid. De wetgever achtte dit onwenselijk, zodat onder art. 2:336a lid 1 BW ook gedragingen van een aandeelhouder in een andere hoedanigheid relevant kunnen zijn (“gedragingen al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder”). Als voorbeelden worden genoemd een aandeelhouder die de vennootschap oneerlijke concurrentie aandoet, en een bestuurder die tevens 50%-aandeelhouder is en wangedrag vertoont.”

    r.o. 3.6

    “Dit breng mij bij element (iii). De eis dat het voortduren van het aandeelhouderschap “in redelijkheid niet kan worden geduld”, dient te worden bezien in verbinding met de daaraan voorafgaande verwijzing naar “zodanig”. De rechter beoordeelt of het belang van de uit te stoten aandeelhouder om aandeelhouder te blijven, al met al, opweegt tegen het vennootschapsbelang dat met de uitstoting van de aandeelhouder gediend zou zijn. Dit veronderstelt een door de rechter te verrichten belangenafweging. Deze belangenafweging zal niet op lichte gronden ten nadele van die aandeelhouder kunnen uitvallen, net zo min als indertijd bij art. 2:336 lid 1 (oud) BW.”

    r.o. 3.8

    ECLI:NL:PHR:2026:893

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 november 2024

    Uitstoting geschillenregeling: niet gemelde combinatiewisseling OK leidt tot vernietiging en terugwijzing

    “Dit brengt mee dat het eindarrest moet worden vernietigd en wel integraal, nu het zonder de onder 3.14 hiervoor bedoelde mededeling door de OK niet gewezen en uitgesproken mocht worden, zodat geheel opnieuw zal moeten worden beslist. Mede gelet op art. 2:336 lid 3, tweede zin BW dient het geding conform art. 422a-423 Rv naar haar te worden teruggewezen ter verdere behandeling en beslissing. Overigens wordt ingaande 1 januari 2025 de wettelijke geschillenregeling op onderdelen aangepast. Dit regardeert de onderhavige zaak niet, want deze blijft vallen onder het huidige recht inzake die regeling.”

    r.o. 3.22

    “In rov. 2.1 van het eindarrest memoreert de OK dat in de onderhavige zaak in het tussenarrest van 30 november 2021 is geoordeeld - kort gezegd - dat de rechtbank terecht heeft beslist dat de door [eiseres 1] gehouden aandelen in de bv op de voet van art. 2:336 BW moeten worden overgedragen aan [verweerster 1] , maar dat de daarvoor door [verweerster 1] aan [eiseres 1] te betalen prijs opnieuw moet worden bepaald. Tot die prijsbepaling gaat de OK over in het eindarrest, met inachtneming van het deskundigenbericht dat is uitgebracht na het tussenarrest van 5 april 2022 en van het partijdebat.”

    r.o. 3.31

    ECLI:NL:PHR:2024:1231

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 december 2019

    Artikel 2:342 BW: terugovergang stemrecht van stemgerechtigde pandhouder op aandeelhouder

    “[…] 3.19, mist het evenzeer feitelijke grondslag. Ik kan in het subonderdeel overigens geen klacht ontwaren tegen rov. 3.19, eerste-derde zin. Tegen deze achtergrond wijs ik op het volgende, waarbij nog zij aangetekend dat voor zover voornoemde overweging door de OK ten overvloede is gegeven, [eiser] belang mist bij deze klacht. Op het belang van de vennootschap, zoals dat ook in het kader van (art. 2:336 lid 1 BW en) art. 2:342 lid 1 BW speelt, ben ik ingegaan onder 3.2-3.3, 3.6-3.7 en 3.9-3.12 hiervoor. Gelet daarop, en op hetgeen de OK ter zake overweegt in rov. 3.19, getuigt dat door het subonderdeel bestreden oordeel van de OK niet van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het belang van [A] , bezien vanuit het beoordelingskader van art. 2:342 lid 1 BW en de gegeven situatie van [A] . M.i. ziet de OK daarmee ook niet voorbij aan het belang van [A] waarop [eiser] zich hier specifiek heeft beroepen voor de toepassing van art. 2:342 lid 1 BW en dat er, kort gezegd, volgens [eiser] in gelegen is “dat, vanuit de huidige faillissementssituatie, een zo hoog mogelijke waarde wordt verkregen voor haar actief zodat zij aan zoveel mogelijk stakeholders een zo hoog mogelijke […]”

    r.o. 3.33

    “Het subonderdeel faalt. Onderdeel II – uitoefening van stemrecht door pandhouder”

    r.o. 3.34

    “[…] 3:13 BW.” Zij verwijst daarbij naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rov. 4.5 van het vonnis. “Anders dan [eiser] ter zitting heeft bepleit, is er geen aanleiding om in het kader van een vordering op de voet van artikel 2:342 BW eerder aan te nemen dat sprake is van een voor het vennootschappelijk belang schadelijke gedraging dan in het kader van een vordering op de voet van artikel 2:336 BW. Integendeel. In de financieringspraktijk is het zeer gebruikelijk dat de bank een pandrecht op aandelen verkrijgt en dat daarbij wordt bedongen dat het stemrecht op de bank als pandhouder overgaat indien de schuldenaar in gebreke blijft met zijn (betalings)verplichtingen jegens de leninggevers. Zo kan worden voorkomen dat de waarde van het onderpand wordt uitgehold of dat daaraan anderszins schade wordt toegebracht, terwijl de bank met behulp van het stemrecht bovendien de nodige besluiten kan initiëren teneinde de aandelen ‘verkoopklaar’ te maken. Met deze constructie blijft het pandrecht een werkbaar zekerheidsrecht. Het aldus met behulp van de verkregen stemrechten (kunnen) uitwinnen van zijn pandrecht, betreft een gerechtvaardigd belang van een pandhouder dat niet steeds […]”

    r.o. 3.36

    “Het subonderdeel faalt.”

    r.o. 3.37

    ECLI:NL:PHR:2019:1345

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 maart 2012

    Einde tweede fase enquête en certificering van aandelen door tijdelijk beheerder

    “[…] van Wijk, 'Tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer', in: D.J. Hayton e.a. (red.), Vertrouwd met de Trust, 1996, p. 344-346. 37 Noot onder de 2008-beschikking (JOR 2009/127), nr. 3. 38 Daaraan doet niet af dat de geschillenprocedure in de praktijk niet altijd naar wens functioneert gezien de lange duur van de procedure en de beperkte gronden waarop aandeelhouders op voet van art. 2:336 lid 1 BW kunnen worden uitgestoten (TK 2006-2007, 31 058, nr. 3, p. 17). Over deze problematiek uitvoerig P.P. de Vries, Exit rights of minority shareholders in a private limited company (diss. ), Kluwer: Deventer, 2010, p. 27-37. 39 Vergelijk OK 8 juli 2010 LJN BN6834, ARO 2010/117 (Dyna Music). 40 In gelijke zin is ook overwogen in rov. 6.3.2 van de e-Traction beschikking van uw Raad van 25 juni 2010. 41 Citaat uit rov. 1.5 van de bestreden beschikking. 42 Zie onder meer HR 20 april 1979, LJN AC6561, NJ 1980/156 (Pakvries / De Vries); HR 22 oktober 1982, LJN AG4459, NJ 1982/645 (Van Beek / X); HR 5 oktober 2001, LJN AD4003, NJ 2003/266 (Janssen / Vilaggio).”

    r.o. 3.49

    ECLI:NL:PHR:2012:BV1056

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 januari 2012

    Uittreding: vergoeding ter hoogte van wettelijke rente en uitvoerbaarheid bij voorraad (artikel 2:343 BW)

    “Afdeling 1 van titel 8 van boek 2 BW (art. 2:335 - 2:343 BW) bevat de geschillenregeling, die bedoeld is om geschillen tussen aandeelhouders op te lossen. De regeling is van toepassing op besloten vennootschappen en 'besloten' naamloze vennootschappen, die aan de vereisten van lid 2 van art. 2:335 BW voldoen. De regeling kent procedures tot uitstoting (2:336 lid 1 BW), uittreding (2:343 lid 1 BW) en gedwongen overgang van stemrecht van stemgerechtigde pandhouders of vruchtgebruikers (2:342 lid 1 BW).”

    r.o. 4.2

    “[…] Bosch. 5 Zo blijkt onbestreden uit rov. 3.18 van het bestreden arrest. 6 Zie voor een uitgebreide uiteenzetting o.a. C.D.J. Bulten, De geschillenregeling ten gronde, Deventer: Kluwer 2011, p. 1-4 en, voor de in deze zaak aan de orde zijnde onderwerpen, met name p. 191-227 en 262-265. 7 Zie met name art. 2:343 lid 1 jo. 2:339 lid 1 BW. 8 Zie met name art. 2:343 lid 1 BW. 9 Art. 2:343 lid 1 jo. 2:336 lid 3 BW. De uitzondering m.b.t. de benoeming van de deskundigen is te vinden in art. 2:339 lid 1 BW. 10 De feitelijke overdracht van aandelen is/was - zoals al vermeld - in deze zaak niet meer aan de orde, omdat de aandelen op basis van afspraken tussen partijen daaromtrent al op 24 december 1999 zijn overgedragen, maar de Ondernemingskamer heeft de verplichting daartoe nog wel opgenomen in het dictum van het bestreden arrest. 11 Zie HR 11 september 1996, LJN ZC2132, NJ 1997/177 (Zondag Beheer). 12 Kamerstukken II 2006/2007, 31 058. 13 Zie rov. 3.18 van het bestreden arrest, laatste volzin. 14 Conclusie A-G Mok bij het Zondag Beheer-arrest, par. 5.2.2 15 Kamerstukken II, 18 905, nr. 6 (memorie van antwoord), p. 4. 16 J. den Boer, 'Naar een rationeel waarderingstijdstip bij de […]”

    r.o. 5.22

    ECLI:NL:PHR:2012:BU4970

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 januari 2012

    Uitstoting minderheidsaandeelhouder wegens structureel gebruik vetorecht (artikel 2:336 BW)

    “[Verweerster] c.s. hebben bij dagvaarding van 2 maart 2006 gevorderd dat de rechtbank Den Haag, verkort weergegeven: I. B.E.K. Holding veroordeelt om na het onherroepelijk worden van het te wijzen vonnis - o.g.v. art. 2:336 BW - al haar aandelen in Elf te leveren aan [verweerster] c.s. (pro rata de aandelenverhouding van [verweerster 1] en [verweerster 2]), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom en met bepaling dat [verweerster 1] wordt benoemd als vertegenwoordigster van B.E.K. Holding (i.d.z.v. art. 3:300 BW) voor de levering van de aandelen voor het geval dat B.E.K. Holding niet meewerkt aan de levering; II. B.E.K. Holding verbiedt het stemrecht uit te oefenen op haar aandelen in Elf in de periode van het te wijzen vonnis tot en met de datum van de aandelenoverdracht.”

    r.o. 3.1

    “[…] dat voor uitstoting sprake moet zijn van een gevaar voor 'ondergang van onderneming', dat de uit te stoten aandeelhouder 'alles doet en niets nalaat om de onderneming te gronde te richten' en dat de Ondernemingskamer die maatstaf terecht als uitgangspunt heeft genomen. Op basis daarvan, zo stelt het middel, is de door de Ondernemingskamer gegeven motivering onbegrijpelijk. De maatstaf van art. 2:336 lid 1 BW is echter dat er sprake van moet zijn dat de uit te stoten aandeelhouder door zijn gedragingen het belang van Elf zondanig schaadt, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Hierin zijn drie elementen te ontdekken, (i) de gedragingen die aanleiding zijn tot uitstoting; (ii) schade aan het vennootschappelijk belang en (iii) een redelijkheidstoets. Over de invulling van de toetsingsnorm bestaat wel enige onduidelijkheid(3), maar m.i. is in ieder geval onjuist dat uitstoting niet gerechtvaardigd kan zijn als de betreffende aandeelhouder niet 'alles' doet om 'de onderneming te gronde te richten'. Dat heeft de Ondernemingskamer dan ook - terecht - niet als uitgangspunt genomen. Ik meen voorts dat niet vereist is dat het voortbestaan […]”

    r.o. 4.11

    “Het middelonderdeel kan m.i. niet tot cassatie leiden, omdat het is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Het middelonderdeel suggereert dat het begrip "in redelijkheid" in art. 2:336 BW meebrengt dat uitstoting alleen gerechtvaardigd zou zijn ter bescherming van "'algemeen belang' in Nederland, dus voor het landsbelang, of voor enig regionaal belang, voor de cultuur, de volksgezondheid, de wetenschap en/of werkgelegenheid." De reden daarvoor is, aldus het middelonderdeel, dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de uitstoting een 'onteigenings-karakter'(7) heeft. Een dergelijke maatstaf geldt m.i. niet voor de vraag of in een concreet geval uitstoting op zijn plaats is. De wet neemt als maatstaf dat het vennootschappelijk belang moet worden geschaad.(8) Aan art. 2:336 BW is de door B.E.K. Holding opgevoerde maatstaf dus niet te ontlenen. Van onteigening in de zin van art. 14 van de Grondwet(9) is m.i. nu juist geen sprake omdat de beslissing dat aandelen moeten worden overgedragen niet is ingegeven door een algemeen belang zoals bedoeld in dat artikel. In de parlementaire behandeling van de geschillenregeling is aan het vermeende onteigeningskarakter verder geen aandacht […]”

    r.o. 4.15

    ECLI:NL:PHR:2012:BU4969

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 januari 2005

    Geschillenregeling: deskundigenbenoeming bij prijsvaststelling aandelen A mag achterwege blijven

    “De geschillenregeling is tezamen met het enquêterecht geregeld in titel 8 van Boek 2 BW. In de eerste afdeling (artikel 2:335 tot en met artikel 2:343 BW) is de geschillenregeling, in werking getreden op 1 januari 1989, opgenomen; het gaat er in deze regeling om dat aandeelhouders die een onoplosbaar geschil hebben uit elkaar kunnen. Dit kan door een gedwongen overdracht (artikel 2:336 e.v. BW) of een gedwongen overname (artikel 2:343 e.v. BW). In de onderhavige zaak gaat het om een gedwongen overdracht: junior dwingt senior zijn aandelen over te dragen.”

    r.o. 2.3

    “De rechter bepaalt in het geval van een verzoek tot overdracht van aandelen allereerst of de aandeelhouder tegen wie de vordering zich richt door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (artikel 2:336 lid 1 BW). Artikel 2:339 lid 1 BW bepaalt het volgende: "Indien de vordering wordt toegewezen benoemt de rechter een of drie deskundigen die over de prijs van de aandelen schriftelijk bericht moeten uitbrengen. De artikelen 194 tot en met 200 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn voor het overige van toepassing. De deskundigen vangen hun werkzaamheden pas aan, nadat het vonnis onherroepelijk is geworden. Tegen de deskundigenbenoeming staat geen hogere voorziening open." In de Memorie van Toelichting is bij artikel 2:339 BW o.m. het volgende opgenomen: "Om de prijs van de aandelen te kunnen vaststellen benoemt de rechter een of drie deskundigen die hem over de prijs schriftelijk bericht moeten uitbrengen. Die benoeming zal meestal bij het vonnis waarbij de vordering wordt toegewezen (een tussenvonnis) geschieden, maar het kan ook later. (...) Het ontwerp van de […]”

    r.o. 2.5

    ECLI:NL:PHR:2005:AR6028

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 juli 2016

    Geschillenregeling: appelverbod deskundigenbenoeming niet te doorbreken; geen tussentijds cassatieberoep

    In een uittredingsprocedure op grond van artikel 2:343 BW wordt een deskundige benoemd om de aandelenprijs te bepalen. De A-G concludeert dat het appelverbod uit artikel 2:339 lid 1 BW tegen die benoeming niet kan worden doorbroken, omdat de beslissing de instructie van de zaak betreft. Het arrest van de OK is daarom een tussenarrest waartegen zonder verlof geen tussentijds cassatieberoep openstaat. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid.

    ECLI:NL:PHR:2016:861

  • Parket bij de Hoge Raad · 8 mei 2020

    Uitkoop: prijsvaststelling en correctie voor 'tunneltjes graven' door uitkopende meerderheidsaandeelhouder

    “[…] geen beperkingen gelden voor de overdraagbaarheid van de aandelen. De uitkoopregeling is van toepassing op alle NV’s (art. 2:92a BW) en BV’s (art. 2:201a BW), ongeacht of sprake is van een ‘open’ of ‘besloten’ karakter. Een procedureel verschil is dat een uitstotings- of uittredingsvordering op basis van de geschillenregeling normaaltypisch een procedure kent met twee feitelijke instanties (art. 2:336 lid 3 jo. 2:343 lid 2 BW), met de mogelijkheid van cassatieberoep, terwijl de uitkoopregeling van art. 2:201a BW (idem die van art. 2:92a BW en trouwens ook die van art. 2:359c BW) slechts één feitelijke instantie kent, eveneens met de mogelijkheid van cassatieberoep. De geschillenregeling biedt overigens wel de mogelijkheid (art. 2:337 lid 2 BW voor de uitstotingsvordering en art. 2:343 lid 2 jo. 2:337 lid 2 BW voor de uittredingsvordering) om in een overeenkomst of de statuten de OK als enige feitelijke instantie aan te wijzen. In de geschillenregeling bestaat ook de mogelijkheid dat de rechter (in eerste aanleg de rechtbank en in hoger beroep de OK), in het kader van een uitstotings- of uittredingsvordering, kennisneemt van samenhangende vorderingen (art. 2:336 lid 5 jo. 2:343 […]”

    r.o. 3.28

    “[…] grond van art. 6:162 BW, een enquêteverzoek op de voet van art. 2:345 BW (waarvoor wel aan de ontvankelijkheidseisen van art. 2:346 BW moet worden voldaan, zie onder 3.14), of een verzoek tot uittreding op de voet van art. 2:343 lid 1 BW (desgevorderd gecombineerd met een vordering tot billijke verhoging als bedoeld in art. 2:343 lid 4 BW of andere samenhangende vorderingen als bedoeld in art. 2:336 lid 5 jo. 2:343 lid 3 BW). De uitkoopregeling biedt de minderheidsaandeelhouder geen mogelijkheid om op zijn initiatief te worden uitgekocht (zie onder 3.11 en 3.28). De minderheidsaandeelhouder die wenst uit te treden, is daarvoor aangewezen op art. 2:343 lid 1 BW of is afhankelijk van een uitkoopvordering van de meerderheidsaandeelhouder op de voet van art. 2:201a BW. In het onderhavige geval heeft [verweerder] niet zelf een vordering op grond van art. 2:343 BW en/of art. 6:162 BW ingesteld, maar is door [eiser] een vordering ingesteld op grond van art. 2:201a BW. Dat [verweerder] niet zelf zo’n vordering heeft ingesteld, neemt niet weg dat “zodra hij wordt uitgekocht, hij kan eisen dat bij de waardebepaling met nadelige intra-groepstransacties rekening wordt gehouden.” Die […]”

    r.o. 3.40

    ECLI:NL:PHR:2020:450

  • Parket bij de Hoge Raad · 24 juni 2016

    Enquêtebevoegdheid van onteigende SNS-aandeelhouders ondanks niet meer voldoen aan kapitaalseis

    “Zowel door de Staat c.s. als door SNS Reaal c.s. in de parallelzaak zijn voorbeelden genoemd. Zoals: hoe lang mag de periode tussen het verlies van het aandeelhouderschap en het indienen van het enquêteverzoek duren? Kan de benadering van de ondernemingskamer ook toepassing vinden in een situatie waarin de voormalig aandeel- of certificaathouder op grond van een rechterlijk oordeel (bijvoorbeeld op grond van art. 2:92a/201a BW, art. 2:359c BW of art. 2:336 BW) zijn belang heeft moeten overdragen? Denk verder aan het geval dat een aandeelhouder op zijn aandelen in de vennootschap een pandrecht heeft gevestigd ten gunste van de bank, tot zekerheid voor een lening die de bank aan de vennootschap verstrekt. Als gevolg van wanbeleid komt de vennootschap in financiële problemen. De bank gaat tot uitwinning van het pandrecht over, zodat de aandeelhouder zijn aandeelhouderschap verliest. Is de voormalige aandeelhouder nog enquêtebevoegd? Of denk aan het geval dat een aandeelhouder, in reactie op in zijn ogen misleidende mededelingen van de vennootschap, zijn aandelen heeft verkocht.”

    r.o. 4.33

    ECLI:NL:PHR:2016:536

  • Parket bij de Hoge Raad · 24 juni 2016

    Enquêtebevoegdheid van onteigende SNS-aandeelhouders na Interventiewet; conclusie strekt tot verwerping

    “Zowel door SNS Reaal c.s. als door de Staat c.s. in de parallelzaak zijn voorbeelden genoemd. Zoals: hoe lang mag de periode tussen het verlies van het aandeelhouderschap en het indienen van het enquêteverzoek duren? Kan de benadering van de ondernemingskamer ook toepassing vinden in een situatie waarin de voormalig aandeel- of certificaathouder op grond van een rechterlijk oordeel (bijvoorbeeld op grond van art. 2:92a/201a BW, art. 2:359c BW of art. 2:336 BW) zijn belang heeft moeten overdragen? Denk verder aan het geval dat een aandeelhouder op zijn aandelen in de vennootschap een pandrecht heeft gevestigd ten gunste van de bank, tot zekerheid voor een lening die de bank aan de vennootschap verstrekt. Als gevolg van wanbeleid komt de vennootschap in financiële problemen. De bank gaat tot uitwinning van het pandrecht over, zodat de aandeelhouder zijn aandeelhouderschap verliest. Is de voormalige aandeelhouder nog enquêtebevoegd? Of denk aan het geval dat een aandeelhouder, in reactie op in zijn ogen misleidende mededelingen van de vennootschap, zijn aandelen heeft verkocht.”

    r.o. 4.30

    ECLI:NL:PHR:2016:537

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 april 2013

    Vernietiging reserveringsbesluit prioriteitsaandeelhouder; zorgvuldigheidsplicht jegens minderheidsaandeelhouders (KLM)

    “[…] schrijffout; zie s.t. namens KLM c.s., noot 25 en onderdeel 4.1. 4 HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. Ma, JOR 2007, 178 m.nt. Nieuwe Weme (ABN AMRO), rov. 4.5 en 4.6. 5 Hierover P.J. van der Korst, Minderheidsaandeelhouders na een geslaagd bod, in: M.P. Nieuwe Weme e.a. (red.), Handboek Openbaar Bod (2008), p. 853 e.v. 6 HR 14 september 2007, LJN BA4117, NJ 2007, 610 (Versatel). 7 Art. 2:92a, 2:336 en 2:359c BW zijn geschreven voor de bieder/grootaandeelhouder. In dit verband is art. 5:79 Wft nog van belang op grond waarvan de bieder een jaar na het biedingsbericht geen effecten mag verwerven tegen voor de rechthebbende van die effecten gunstiger voorwaarden dan volgens het openbaar bod. Op grond van art. 56b Vrijstellingsregeling Wft worden vrijgesteld van art. 5:79 Wft bieders voor zover zij hun effecten verwerven volgens 2:92a of 2:336 BW; kennelijk is over het hoofd gezien art. 2:359c en 2:359d BW onder de vrijstelling te brengen. 8 Vgl. het biedingsbericht dat vermeldt: "The absence of an active trading market could reduce the liquidity and market value of your KLM common shares." 9 B. Bier, Uitkeringen aan aandeelhouders, 2003, p. 68. 10 HR 1 maart 2002, LJN AD9857, NJ […]”

    r.o. 4.20

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ9145

Hoven en Ondernemingskamer (2)

  • Gerechtshof Amsterdam · 27 januari 2026

    Uittreding aandeelhouder: toets artikel 2:207 lid 2 BW pas na prijsbepaling

    “In beginsel is de OK bij uitsluiting bevoegd in hoger beroep kennis te nemen van een vordering tot uittreding (artikel 2:343 lid 2 jo. 2:336 BW), tenzij partijen bij overeenkomst een andere rechter als bevoegd hebben aangewezen (artikel 2:343 lid 2 jo. 2:337 lid 2 BW). Doordat beide partijen de behandeling van deze vordering door de onderhavige kamer van dit hof klaarblijkelijk hebben aanvaard, worden zij geacht te zijn overeengekomen de onderhavige kamer van het hof daarvoor aan te wijzen. Het hof (te weten de onderhavige kamer) kan dus kennisnemen van de vordering van [appellant] . - De aandelen van [appellant] zijn volgestort”

    r.o. 5.9

    ECLI:NL:GHAMS:2026:294

  • Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 1 mei 2026

    Enquêteverzoek niet-ontvankelijk: kapitaalseis na verwatering door aandelenuitgifte

    “Bij vonnis van 21 oktober 2020 van de rechtbank Rotterdam is de vordering van Logistique tot uitstoting (artikel 2:336 (oud) BW) van Kirsha afgewezen.”

    r.o. 2.5

    ECLI:NL:GHAMS:2026:1193