← Alle artikelen

Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 2. Het recht van enquête

Artikel 2:357 BW

In deze vorm in werking sinds 1 januari 2013, laatst gewijzigd bij Stb. 2012, 274

1

De ondernemingskamer bepaalt de geldingsduur van de door haar getroffen tijdelijke voorzieningen; zij kan op verzoek van de verzoekers, bedoeld in artikel 355 van dit Boek, of van de rechtspersoon dan wel van de advocaat-generaal die duur verlengen en verkorten.

2

De ondernemingskamer regelt zo nodig de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen.

3

Een door de ondernemingskamer getroffen voorziening kan door de rechtspersoon niet ongedaan worden gemaakt; een besluit daartoe is nietig.

4

De ondernemingskamer kan aan degenen die zij tijdelijk aanstelt tot bestuurder, commissaris of beheerder van aandelen, een beloning ten laste van de rechtspersoon toekennen.

5

Zij kan aan hen opdragen haar regelmatig verslag uit te brengen.

6

De ondernemingskamer kan bepalen dat de rechtspersoon de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer van de bestuurder, commissaris of beheerder van aandelen terzake de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege onbehoorlijke taakvervulling tijdens de tijdelijke aanstelling, betaalt.

7

De ondernemingskamer spreekt de ontbinding van de rechtspersoon niet uit, wanneer het belang van de leden of aandeelhouders of van degenen die in dienst van de rechtspersoon zijn, dan wel het openbaar belang zich daartegen verzet.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:357 BW (16)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (5)

  • Hoge Raad · 23 maart 2012

    e-Traction

    Enquête: geen onmiddellijke voorzieningen meer na einde enquêteprocedure; certificering aandelen

    “Onder 5-7 en ten dele onder 8 betoogt het onderdeel dat de ondernemingskamer, hetzij naar aanleiding van het algemene verzoek van verzoekers om in elk geval zodanige voorzieningen te treffen als zij in goede justitie vermeent te behoren, hetzij uit hoofde van haar rechtsprekende en toezichthoudende taak (die mede proactief toezicht omvat, aldus het onderdeel), hetzij ambtshalve op de voet van de art. 24 en 25 Rv., op een andere grond dan de mogelijkheid tot het treffen van een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a lid 2 en 2:355 lid 3 BW, een nadere dan wel aanvullende voorziening had moeten treffen met betrekking tot de hiervoor in 3.1 onder (xi) genoemde besluiten. Onder 7 verwijst het onderdeel hierbij naar de mogelijkheid van art. 2:357 lid 2 BW, volgens welke de ondernemingskamer de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen zo nodig regelt.”

    r.o. 4.1.6 · lid 2

    “Dit betoog faalt. De ondernemingskamer heeft het verzoek van verzoekers kennelijk niet opgevat in de door de klachten bedoelde zin dat ook voorzieningen werden verzocht op een andere grond dan art. 2:355 lid 3 BW. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Anders dan het onderdeel kennelijk veronderstelt, vloeit uit de rechtsprekende en toezichthoudende taak van de ondernemingskamer geen algemene bevoegdheid tot het (ambtshalve) treffen van voorzieningen voort. Voor zover het onderdeel het oog heeft op de mogelijkheid van toepassing van art. 2:357 lid 2, geldt dat de ondernemingskamer daartoe slechts kan overgaan zolang de enquêteprocedure loopt. Een daartoe strekkend verzoek is wel mogelijk, maar is door verzoekers niet in de enquêteprocedure gedaan. Vanwege de mogelijkheid dit verzoek te doen kan overigens, anders dan het onderdeel doet, niet gesproken worden van een tekort aan rechtsbescherming met betrekking tot de uitwerking die in concreto wordt gegeven aan de op grond van art. 2:356 BW door de ondernemingskamer getroffen voorzieningen.”

    r.o. 4.1.7 · lid 2

    “Ook deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden. De ondernemingskamer heeft in haar 2008-beschikking bij het treffen van de voorziening van de tijdelijke overdracht van de aandelen ten titel van beheer aan Cornelissen deze laatste uitdrukkelijk de bevoegdheid gegeven alle aan de aandelen verbonden rechten uit te oefenen, de overdracht ter certificering daaronder begrepen (zie hiervoor in 3.1 onder (ix)). Zoals hiervoor al overwogen, komt de 2009-beschikking van de ondernemingskamer erop neer dat zij - naar aanleiding van de hiervoor in 3.1 onder (xi) genoemde besluiten en de plaatsgevonden hebbende overdracht aan StAK van de aandelen in het kader van de certificering - op de voet van art. 2:357 lid 1 BW de duur van de door haar getroffen voorziening tot de tijdelijke overdracht van de aandelen ten titel van beheer aan Cornelissen heeft bekort tot het tijdstip van de overdracht aan StAK. Dit kan niet anders worden begrepen dan dat, naar het oordeel van de ondernemingskamer, dit beheer en daarmee de door haar getroffen voorziening op juiste en aanvaardbare wijze waren afgewikkeld, in de vorm van de certificering, het aangaan van de geldlening en het verlenen van de optie.”

    r.o. 4.2.2 · lid 1

    “Ingevolge art. 2:357 lid 3 BW kan de rechtspersoon een door de ondernemingskamer op grond van art. 2:356 en eventueel 357 lid 1 of 2 BW getroffen voorziening niet ongedaan maken. In overeenstemming hiermee kunnen ook belanghebbenden alleen tegen de in dit verband door de ondernemingskamer gegeven beslissingen opkomen door daartegen tijdig een rechtsmiddel aan te wenden. Dit laatste hebben verzoekers nagelaten. In hun cassatieberoep tegen de 2008-beschikking zijn zij niet opgekomen tegen de toekenning van genoemde bevoegdheden aan Cornelissen. Tegen de 2009-beschikking is door hen geen cassatieberoep ingesteld.”

    r.o. 4.2.3 · lid 3

    ECLI:NL:HR:2012:BV1056

  • Hoge Raad · 19 februari 2010

    Bevoegdheden van door de rechter benoemde tijdelijk bestuurder van stichting

    “Bij de beoordeling van onderdeel 1 is, in cassatie onbestreden, uitgangspunt dat een op de voet van art. 2:298 lid 2 BW door de rechter te treffen voorlopige voorziening kan inhouden dat een tijdelijke bestuurder van de stichting wordt benoemd. Bij de uitleg van deze bepaling kan aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in art. 2:22 BW en de regeling van een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a BW dan wel die van de voorzieningen van art. 2:356 BW in verbinding met art. 2:357 lid 2 en 3 BW.”

    r.o. 3.5.1 · leden 2, 3

    ECLI:NL:HR:2010:BK5989

  • Hoge Raad · 4 oktober 2002

    OK-voorzieningen: verlenging tijdelijke commissaris, verzekering en structuurbevoegdheden

    “[…] ten laste van de vennootschap komen. Daarbij heeft de Ondernemingskamer overwogen dat een en ander bepaald wordt om te bewerkstelligen dat de - door de Ondernemingskamer te treffen - voorzieningen het beoogde effect zullen hebben en meer in het bijzonder dat de commissaris zijn werkzaamheden onbelemmerd zal kunnen uitoefenen. Aldus heeft de Ondernemingskamer klaarblijkelijk op de voet van art. 2:357 lid 2 BW de gevolgen van de door haar getroffen voorziening geregeld. Het betreft hier immers een gevolg van de benoeming van een commissaris in dier voege dat de Ondernemingskamer het nodig heeft geoordeeld dat deze commissaris om adequaat te kunnen optreden in voldoende mate verzekerd dient te worden tegen de gevolgen van een eventuele aansprakelijkstelling en gevrijwaard dient te worden voor kosten die redelijkerwijze gemoeid zijn met het voeren van verweer te dier zake. Tot de regeling van dit een en ander was de Ondernemingskamer op grond van voormelde bepaling bevoegd, zodat de desbetreffende rechtsklacht van het onderdeel faalt. Uit de stukken van het geding, zoals vermeld in de onderdelen 3.16 en 3.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, blijkt dat over het afsluiten […]”

    r.o. 3.3 · lid 2

    ECLI:NL:HR:2002:AE8338

  • Hoge Raad · 4 mei 2007

    Enquête taxicentrale: cassatieberoep tegen vastgesteld wanbeleid verworpen (artikel 81 RO)

    Na een enquête stelt de OK wanbeleid vast bij een taxicentrale, ontslaat zij de bestuurder, benoemt zij een tijdelijk bestuurder, beveelt zij overdracht van aandelen ten titel van beheer en vernietigt zij besluiten tot het aangaan van managementovereenkomsten. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO, omdat de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

    ECLI:NL:HR:2007:BA1082

  • Hoge Raad · 1 september 2006

    Enquêterecht: zorgplicht jegens minderheidsaandeelhouder, verwerping cassatieberoep op grond van artikel 81 RO

    Een aandeelhouder verzocht de OK wanbeleid vast te stellen bij een naamloze vennootschap en voorzieningen te treffen met betrekking tot de winstbestemming; de OK wees dit af. De zaak betreft de zorgplicht jegens een minderheidsaandeelhouder. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO.

    ECLI:NL:HR:2006:AX9708

Conclusies van de A-G (11)

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 juni 2024

    Conclusie: ontbinding als enquêtevoorziening na wanbeleid; verzoek en tijdigheid

    “[…] van voorzieningen: dat het pand en de onderneming verkocht konden worden onder leiding van een derde partij, zonder tegenwerking van [verweerder 1] (of [verweerder 5] ). Gelet op hetgeen de OK in rov. 4.3-4.6 vaststelt en betrekt, valt ook niet in te zien waarom zij gehouden zou zijn tot nader onderzoek of waarom zij anderszins zou zijn tekortgeschoten in de belangenafweging als bedoeld in art. 2:357 lid 7 BW. 3.8.5 Saillant is overigens dat Lamb c.s. zelf heeft onderkend in de tweede fase van de enquêteprocedures dat de onderneming en het pand moeten worden verkocht, en dat Casa en Raboni dienen te worden ontbonden en vereffend. Ik citeer uit nr. 8 van het onder 2.7 hiervoor bedoelde verweerschrift: “De onderzoeker, en ik citeer punt 31 van het verweerschrift, constateert dat de voortdurende meningsverschillen de partijen in een situatie hebben gebracht dat de enige oplossing is om het restaurant (Casa) en het onroerend goed (Raboni) te verkopen. In het verweerschrift wordt onder 48 de juistheid van die conclusie erkend en wordt gesteld dat partijen ( [verweerder 5] en [verweerder 1] ) hebben besloten pand en onderneming te verkopen. Dit is de enige wijze om te komen tot […]”

    r.o. 3.8 · lid 7

    “[…] van voorzieningen: dat het pand en de onderneming verkocht konden worden onder leiding van een derde partij, zonder tegenwerking van [verweerder 1] (of [verweerder 5] ). Gelet op hetgeen de OK in rov. 4.3-4.6 vaststelt en betrekt, valt ook niet in te zien waarom zij gehouden zou zijn tot nader onderzoek of waarom zij anderszins zou zijn tekortgeschoten in de belangenafweging als bedoeld in art. 2:357 lid 7 BW.”

    r.o. 3.8.4 · lid 7

    ECLI:NL:PHR:2024:714

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 april 2020

    Einde enquêteprocedure en niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen onmiddellijke voorzieningen (e-Traction)

    “[…] voet van artikel 2:349a BW als voor op de voet van artikel 2:356 BW getroffen voorzieningen van overdracht van aandelen ten titel van beheer. Het voorgaande laat overigens onverlet dat de Ondernemingskamer zo nodig de (vennootschapsrechtelijke) gevolgen van een daar haar getroffen voorziening van overdracht van aandelen ten titel van beheer nader kan regelen (met (analoge) toepassing van artikel 2:357 lid 2 BW).” Bovenstaande overweging brengt mee dat de getroffen voorziening waarbij aan [verweerster 3] mede de aandelen die [verweerder 4] in DEM houdt ten titel van beheer zijn overgedragen, onverlet laat dat [verweerder 4] over die aandelen kan en mag beschikken. Daarmee is de materiële grondslag aan het verzoek komen te ontvallen. Nu er geen andere (relevante) gronden zijn aangevoerd om reeds thans tot opheffing van de getroffen voorziening over te gaan en de Ondernemingskamer daartoe ook overigens geen aanleiding ziet, zal het verzoek worden afgewezen. Dat in artikel 3.1 (ii) van de VSO als voorwaarde voor de totstandkoming van de VSO wordt genoemd dat de bewuste voorziening wordt opgeheven - eveneens met als grondslag dat daarmee de weg voor Graver vrij zou worden gemaakt om […]”

    r.o. 3.17 · lid 2

    “Met betrekking tot het verzoek om op de voet van artikel 2:357 lid 6 BW te bepalen dat DEM de redelijke en in redelijkheid te maken kosten van verweer van [verweerder 2] en [verweerster 3] ter zake de vaststelling van aansprakelijkheid jegens DEM, JKS, STAK, [betrokkene 3] en de dochtervennootschappen vanwege onbehoorlijke taakvervulling en /of onrechtmatig handelen tijdens de tijdelijke aanstelling betaalt, overweegt de Ondernemingskamer als volgt. In zijn algemeenheid geldt dat functionarissen die door de Ondernemingskamer worden ingezet, kunnen worden geconfronteerd - en dat lijkt in toenemende mate te gebeuren - met aansprakelijkstellingen. Die functionarissen werken in een omgeving waarin orde op zaken moet worden gesteld en waarin zij in meerdere of mindere mate tegenwerking kunnen ondervinden, terwijl ze tevens met het oog op de continuïteit van de onderneming beslissingen moeten nemen, waaraan risico's verbonden zijn. Voor hen geldt dat zij in vrijheid moeten kunnen optreden om de stappen te kunnen zetten en de besluiten te kunnen nemen die zij in het belang van de rechtspersoon en de met haar verbonden onderneming nodig achten, zonder bevreesd te hoeven zijn dat de kosten […]”

    r.o. 3.18 · lid 6

    ECLI:NL:PHR:2020:467

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 mei 2014

    Enquêterecht: terughoudende toetsing handelen tijdelijk bestuurder, commissaris en beheerder van aandelen

    “De klachten van onderdeel 3.2(a) worden tevergeefs voorgesteld. Sinds 1 januari 2013 bepaalt art. 2:357 lid 6 BW dat de Ondernemingskamer kan bepalen dat “de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer van de bestuurder, commissaris of beheerder van aandelen terzake de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege onbehoorlijke taakvervulling tijdens de tijdelijke aanstelling” voor rekening komen van de rechtspersoon (zie art. 2:357 lid 6 BW). Deze bepaling wordt voor de onmiddellijke voorzieningen van overeenkomstige toepassing verklaard (zie art. 2:349a lid 2 BW). Het toepasselijke overgangsrecht brengt mee dat deze nieuwe wettelijke regeling niet van toepassing is op gevallen waarin het inleidende enquêteverzoek is ingediend vóór 1 januari 2013. De aan de orde zijnde onmiddellijke voorziening betreffende de kosten van het voeren van verweer, betreft het geding dat aanhangig is gemaakt met het enquêteverzoek van 12 december 2012 (zie de in rov. 1.2 aangeduide beschikking van 14 maart 2013). Dit betekent dat de bovengenoemde wettelijke regeling omtrent de kosten van verweer, in dit geval niet van toepassing is. Anders dan het onderdeel betoogt, volgt daaruit niet dat er […]”

    r.o. 3.29 · lid 6

    ECLI:NL:PHR:2014:441

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 maart 2012

    Einde tweede fase enquête en certificering van aandelen door tijdelijk beheerder

    “[…] gebruik wordt gemaakt op een wijze en onder voorwaarden die niet strookt met doel en strekking van de in de eerdere beschikking getroffen voorziening(en), in het kader waarvan deze bevoegdheid werd toegekend." Subonderdeel A.7 voert aan dat de grondslag voor dergelijke reactief toezicht zou zijn dat de Ondernemingskamer ambtshalve op voet van art. 24 en 25 Rv in verbinding met art. 2:357 lid 2 BW alsnog de gevolgen van de voorziening uit de 2008-beschikking had moeten regelen. Subonderdeel A.8 omvat een motiveringsklacht over hetzelfde punt, waarbij een reeks stellingen wordt vermeld die essentiële stellingen zouden betreffen in het licht waarvan het in de subonderdelen A.6 en A.7 bestreden 'kennelijke oordeel' van de Ondernemingskamer onbegrijpelijk zou zijn.”

    r.o. 3.25 · lid 2

    “Het inroepen in onderdeel A.7 van art. 2:357 lid 2 BW kan Verzoekers m.i. ook niet helpen, doordat de Eerste Procedure is geëindigd. Het artikellid bepaalt: "De ondernemingskamer regelt zo nodig de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen." De Ondernemingskamer kan op basis van dit artikel bij het treffen van voorzieningen o.g.v. art. 2:356 BW, zoals het beheerderschap van Cornelissen, nadere gevolgen en voorwaarden formuleren, bijvoorbeeld door een uitgewerkte opdracht mee te geven. Ik vind goed te verdedigen dat er ook ruimte bestaat om op grond van dit artikellid lopende het geding nog achteraf (de gevolgen van) een voorziening nader te regelen. Nergens blijkt m.i dat het artikellid bedoeld is om na afloop van het geding een nieuw geding te starten en daarbij de gevolgen van een geëindigde voorziening van het geëindigde geding ongedaan te (laten) maken, noch een zelfstandige taak van de Ondernemingskamer in die richting. Verzoekers maken m.i. ook niet duidelijk dat en waarom het artikellid wel zo begrepen moet worden.”

    r.o. 3.27 · lid 2

    “Hoewel de beheerder in vermogensrechtelijke zin beschikkingsbevoegd wordt, mag de beheerder het niet tot zijn beheerstaak rekenen om de aandelen te vervreemden en bezwaren: de beheerder mag de aandelen niet vervreemden, maar kan het wel. Blijkens de 2008-beschikking ziet de Ondernemingskamer geen bezwaar indien de beheerder de aandelen ter certificering overdraagt aan een daartoe opgerichte stichting administratiekantoor. Dit zou ertoe leiden dat de stichting als aandeelhouder het stemrecht uitoefent op de aandelen, en de dividend- en andere uitkeringen (al dan niet na aftrek van een beheersvergoeding) doorbetaalt aan e-Traction Worldwide als certificaathouder (en daarmee indirect aan [verzoeker 1] voor zijn deel als middellijk certificaathouder). Josephus Jitta heeft naar aanleiding van deze overweging betoogd dat de Ondernemingskamer hiermee treedt buiten het afgebakende domein van de voorzieningen die op grond van art. 2:356 BW worden toegestaan.(37) Volgens hem kan bovendien niet worden gezegd dat het hierbij gaat om het regelen van de gevolgen van de door de Ondernemingskamer getroffen voorziening (art. 2:357 BW).”

    r.o. 3.38

    ECLI:NL:PHR:2012:BV1056

  • Parket bij de Hoge Raad · 26 juni 2009

    Enquête KPNQwest: beëindiging onderzoek bij ontbrekende financiering

    “Daar komt bij dat de enquêteprocedure onder andere wordt gekenmerkt door een zekere beweeglijkheid, waarbij de Ondernemingskamer in een aantal gevallen een discretionaire bevoegdheid toekomt om in te spelen op veranderende omstandigheden. Zo kan de Ondernemingskamer de geldingsduur van de door haar getroffen tijdelijke voorzieningen verlengen en verkorten overeenkomstig het bepaalde in art. 2:357 BW. Hoewel het vanzelfsprekend partijen zijn die de omvang van het geding bepalen, kan worden gesteld dat de Ondernemingskamer zich in de enquêteprocedure niet louter lijdelijk behoeft op te stellen. Tot op zekere hoogte zou men kunnen stellen dat zij een beperkte regiefunctie heeft waarin een zekere discretionaire bevoegdheid besloten ligt. Zij is bijvoorbeeld onder voorwaarden bevoegd om, na het gelasten van het onderzoek, de omvang van het onderzoek ambtshalve aan de orde te stellen, mits zij partijen in een tussenbeschikking in de gelegenheid stelt het processuele debat daarover aan te gaan, waarbij zij zich van een beslissing op dit punt dient te onthouden als vervolgens zou blijken dat partijen dit debat niet wensen te voeren.(15)”

    r.o. 3.10

    ECLI:NL:PHR:2009:BH6537

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 mei 2005

    Enquête: wanbeleid, territorialiteitsbeginsel en ontbinding door de OK als afwijkende voorziening

    “De klacht voert voorts aan dat dit temeer klemt nu art. 2:357 lid 6 BW bepaalt dat de Ondernemingskamer geen ontbinding uitspreekt wanneer het belang van de aandeelhouders of van degenen die in haar dienst zijn dan wel het openbaar belang zich daartegen verzet. De Ondernemingskamer heeft er niet op kunnen vertrouwen dat dergelijke belangen niet aan de orde waren mede aangezien niet is gebleken dat de Ondernemingskamer daar enig onderzoek naar heeft ingesteld.”

    r.o. 3.33 · lid 6

    “Mij lijkt daarmee sprake van voldoende gegronde redenen voor de ontbinding en ik acht de beslissing van de Ondernemingskamer niet onbegrijpelijk en - in het licht van de Zwagerman II-beschikking - ook niet onvoldoende gemotiveerd. Immers, in redelijkheid valt niet in te zien hoe de samenwerking tussen [verweerder] (c.s.) en [aandeelhouder] (c.s.) zou kunnen worden voortgezet indien de niet tot ontbinding zou zijn besloten. Nu beide vennootschappen naar het voorkomt holdingvennootschappen zijn valt ook niet in te zien waarom de Ondernemingskamer gehouden zou zijn tot nader onderzoek of waarom zij anderszins tekort zou zijn geschoten in de belangenafweging tot welke art. 2:357 lid 6 BW verplicht. De aangevoerde klachten falen derhalve. Hierbij valt ook nog te wijzen op de feitelijke vaststelling van de Ondernemingskamer dat partijen in 1991 al tevergeefs hebben onderhandeld om te geraken tot een scheiding en deling van de gemeenschappelijke belangen (zie onderdeel 1.14 van deze conclusie).”

    r.o. 3.43 · lid 6

    ECLI:NL:PHR:2005:AT2829

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 oktober 2002

    Enquête: verlenging door OK van commissarisbenoeming en aansprakelijkheidsverzekering commissaris

    “[Verweerders] hebben bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 6 november 2001, de Ondernemingskamer op grond van art. 2:357 lid 1 BW verzocht de benoeming van een commissaris (met gewone bevoegdheden), bij voorkeur [betrokkene 2], bij [verzoekster] te verlengen tot ten minste 31 december 2002, althans tot een door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen datum.”

    r.o. 2.9 · lid 1

    “[…] is de volgende passage opgenomen: "4. Enkele suggesties Verzoekers hebben begrepen dat de commissaris voor zijn eventuele herbenoeming verlangt dat een aansprakelijkheidsverzekering voor hem wordt gesloten, maar het is gebleken dat verzekeraars tot het afsluiten van een dergelijke verzekering (in geval van wanbeleid) niet bereid zijn. De Ondernemingskamer zou op grond van het bepaalde in artikel 2:357-2 BW (de Ondernemingskamer regelt zonodig de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen) kunnen bepalen dat de aandeelhouders in [verzoekster] terzake van de vervulling van zijn functie als commissaris, geen rechten tegenover deze commissaris geldend kunnen maken, en dat [verzoekster] gehouden is de commissaris in ieder opzicht terzake van eventuele aansprakelijkheden op grond van de vervulling van die functie te vrijwaren, danwel zou de Ondernemingskamer deze voorzieningen bij wege van onmiddelijke voorziening op voet van artikel 2:355-3 BW kunnen treffen."”

    r.o. 3.16

    “Zoals hiervoor reeds is uiteengezet, heeft de Ondernemingsamer in geval van gebleken wanbeleid, ruime bevoegdheden om aan dat wanbeleid een einde te maken en de eruit voortvloeiende gevolgen zo veel mogelijk ongedaan te maken en te beperken(19). Art. 2:356 BW bevat een limitatieve opsomming van de voorzieningen die de Ondernemingskamer kan treffen(20). Voorts bepaalt art. 2:357 lid 2 BW dat de Ondernemingskamer zo nodig de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen regelt.”

    r.o. 3.20 · lid 2

    “De parlementaire geschiedenis tot art 54d lid 2 WvK, de voorganger van art. 2:357 lid 2 BW, vermeldt het volgende: "Vervolgens wordt bepaald, dat de ondernemingskamer zo nodig de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen regelt. Zo zou de vernietiging van een besluit (artikel 54a, onder a) zonder meer, consequenties kunnen hebben, die ten opzichte van derden te goeder trouw onaanvaardbaar zijn. Het is daarom gewenst de ondernemingskamer de bevoegdheid te geven, bij de vaststelling van de gevolgen van haar beslissingen met alle in aanmerking komende belangen rekening te houden."”

    r.o. 3.22 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2002:AE8338

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 februari 2003

    Enquête: wanbeleid door gebrekkige informatieverschaffing aan AVA en onvolledige jaarrekeningen

    In deze conclusie in een enquêteprocedure gaat het om wanbeleid bij een beursgenoteerde vennootschap. Het bestuur en de commissarissen gaven de AVA onvoldoende helderheid over een transactie met schijn van belangenverstrengeling, en de jaarrekeningen vermeldden een beschermingsconstructie niet. De A-G ziet de elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap als invulling van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Hij oordeelt dat later herstel het wanbeleid niet wegneemt en schade of opzet niet vereist zijn. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2003:AF1797

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 juni 2026

    Enquête Nexperia: ex parte onmiddellijke voorzieningen en hoor en wederhoor (artikel 2:349a BW)

    “[…] voet van artikel 2:349a BW als voor op de voet van artikel 2:356 BW getroffen voorzieningen van overdracht van aandelen ten titel van beheer. Het voorgaande laat overigens onverlet dat de Ondernemingskamer zo nodig de (vennootschapsrechtelijke) gevolgen van een door haar getroffen voorziening van overdracht van aandelen ten titel van beheer nader kan regelen (met (analoge) toepassing van artikel 2:357 lid 2 BW).” 4.145.3 De overdracht van de aandelen ten titel van beheer is in de kern een middel om een ander doel te bereiken, te weten (in het onderhavige geval) het bevorderen van sanering en herstel van gezonde verhoudingen binnen de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Om dat doel te bereiken, zijn de vennootschapsrechtelijke bevoegdheden van Yuching (kort gezegd: vergaderrecht en stemrecht) overgedragen aan de OK-beheerder, maar blijven de overige (economisch georiënteerde) aandeelhoudersrechten (zoals het recht op dividend) bij Yuching. Doordat de getroffen onmiddellijke voorziening betrekking heeft op alle aandelen minus één (be)houdt Yuching ook toegang tot de algemene vergadering van Nexperia Holding en de daarmee gepaard gaande informatierechten als […]”

    r.o. 4.99 · lid 2

    “[…] voet van artikel 2:349a BW als voor op de voet van artikel 2:356 BW getroffen voorzieningen van overdracht van aandelen ten titel van beheer. Het voorgaande laat overigens onverlet dat de Ondernemingskamer zo nodig de (vennootschapsrechtelijke) gevolgen van een door haar getroffen voorziening van overdracht van aandelen ten titel van beheer nader kan regelen (met (analoge) toepassing van artikel 2:357 lid 2 BW).” 4.145.3 De overdracht van de aandelen ten titel van beheer is in de kern een middel om een ander doel te bereiken, te weten (in het onderhavige geval) het bevorderen van sanering en herstel van gezonde verhoudingen binnen de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Om dat doel te bereiken, zijn de vennootschapsrechtelijke bevoegdheden van Yuching (kort gezegd: vergaderrecht en stemrecht) overgedragen aan de OK-beheerder, maar blijven de overige (economisch georiënteerde) aandeelhoudersrechten (zoals het recht op dividend) bij Yuching. Doordat de getroffen onmiddellijke voorziening betrekking heeft op alle aandelen minus één (be)houdt Yuching ook toegang tot de algemene vergadering van Nexperia Holding en de daarmee gepaard gaande informatierechten als […]”

    r.o. 4.99.8 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:2026:584

  • Parket bij de Hoge Raad · 15 december 2023

    Enquête: afwijzing op grond van belangenafweging bij gesanctioneerde certificaathouders Fortenova

    “[…] van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek, in elke stand van het geding (mede) op verzoek van de indiener(s) van het enquêteverzoek een zodanige voorziening treffen voor ten hoogste de duur van het geding. Art. 2:357 lid 6 BW is daarbij van overeenkomstige toepassing. Blijkens art. 2:349a lid 3 BW wordt, ingeval nog geen onderzoek is gelast, een onmiddellijke voorziening slechts getroffen indien er naar het voorlopig oordeel van de OK gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen. Zij beslist daarna binnen een redelijke termijn op het enquêteverzoek. Dergelijke onmiddellijke voorzieningen hebben het karakter van een ordemaatregel. Bij zowel art. 2:349a lid 2 BW als art. 2:349a lid 3 BW dient de OK onder meer een belangenafweging toe te passen. Het moge duidelijk zijn dat als de OK eerst het enquêteverzoek beoordeelt en dit afwijst, waarmee het geding bij de OK een einde neemt, zo’n verzoek tot het treffen van een onmiddellijke voorziening deelt in dit […]”

    r.o. 3.10 · lid 6

    ECLI:NL:PHR:2023:1170

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 oktober 2020

    Onmiddellijke voorzieningen in enquête bij coöperatie met drie leden en patstelling

    “[…] januari 2013 in werking is getreden. Art. 2:349a leden 2 en 3 BW luiden sindsdien als volgt: Het tweede lid van art. 2:349a BW (eerste zin) vormt, blijkens de wetsgeschiedenis, een codificatie van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad over het treffen van onmiddellijke voorzieningen in het enquêterecht, waarin tevens aansluiting is gezocht bij art. 2:8 BW. Zie ook onder 3.3 hiervoor. In art. 2:357 lid 6 BW, dat in art. 2:349a lid 2 BW van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, is geregeld dat de OK kan bepalen dat de rechtspersoon de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer van de bestuurder, commissaris of beheerder van aandelen terzake de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege onbehoorlijke taakvervulling tijdens de tijdelijke aanstelling, betaalt. In het derde lid van art. 2:349a BW is nieuw in de wet opgenomen dat, ingeval nog geen onderzoek is gelast, de OK alleen een onmiddellijke voorziening kan treffen als zij voorlopig heeft geoordeeld dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van de rechtspersoon te twijfelen (vgl. art. 2:350 lid 1 BW), in welk geval de OK binnen een redelijke termijn nadat die […]”

    r.o. 3.4 · lid 6

    ECLI:NL:PHR:2020:925