Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête · Afdeling 2. Het recht van enquête
Artikel 2:358 BW
In deze vorm in werking sinds 12 juni 2015, laatst gewijzigd bij Stb. 2015, 184
De ondernemingskamer kan de voorlopige tenuitvoerlegging der voorzieningen genoemd in artikel 356 onder a-e bevelen.
De griffier der ondernemingskamer doet ten kantore van het handelsregister een afschrift van de beschikkingen der ondernemingskamer nederleggen. Van beschikkingen die niet voorlopig ten uitvoer kunnen worden gelegd, geschiedt de nederlegging zodra zij in kracht van gewijsde zijn gegaan.
In het geval, bedoeld in artikel 348, ontvangt de in dat artikel genoemde, op de rechtspersoon toezichthoudende instelling van de griffier een afschrift van de beschikkingen van de ondernemingskamer.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:358 BW (9)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (2)
Enquêtebevoegdheid certificaathouders in onverdeelde nalatenschap; uitvoerbaarheid bij voorraad enquêtebeschikking
“Het onderdeel faalt. In overeenstemming met de in art. 288 Rv. verwoorde hoofdregel kan de ondernemingskamer een eindbeschikking, waarin op de voet van art. 2:350 BW het enquêteverzoek wordt toegewezen, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Een wetsbepaling die dit verbiedt, ontbreekt. Anders dan wel wordt afgeleid uit HR 2 maart 1994, nr. 49, LJN AB7943, NJ 1994/548, staat art. 2:358 BW (dat alleen voorzieningen betreft die getroffen kunnen worden indien uit het verslag van wanbeleid is gebleken) aan uitvoerbaarheid bij voorraad van een beschikking als de onderhavige niet in de weg. Een andersluidende opvatting zou, zonder dat dit zijn rechtvaardiging vindt in de aard van de procedure, tekort doen aan het belang dat kan bestaan bij een spoedige aanvang van het noodzakelijk geachte onderzoek. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 358,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris. Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en […]”
r.o. 3.7.2Ontslag stichtingsbestuurders ex artikel 2:298 BW: belanghebbende en uitvoerbaarverklaring bij voorraad
“Het ontslag van bestuurders doet een nieuwe rechtstoestand ontstaan welke in beginsel eerst met het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak een aanvang neemt. De aard van deze beslissing is echter niet zodanig dat deze, in afwijking van art. 288 Rv., niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Het hof heeft in dit verband terecht betekenis gehecht aan de omstandigheid dat de wetgever een zodanige maatregel in de regeling van het enquêterecht vatbaar heeft geacht voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad (art. 2:358 lid 1 in verbinding met art. 2:356 BW). Hieraan kan niet afdoen, dat art. 2:298 BW een zodanige uitdrukkelijke bepaling niet bevat. Onderdeel 4 faalt derhalve.”
r.o. 3.6.2 · lid 1
Conclusies van de A-G (7)
Conclusie: ontbinding als enquêtevoorziening na wanbeleid; verzoek en tijdigheid
“De slotsom is dat uit het onderzoeksverslag is gebleken van wanbeleid bij Casa en Raboni. De Ondernemingskamer zal bij wijze van definitieve voorziening Casa en Raboni ontbinden. De Ondernemingskamer zal een vereffenaar benoemen, maar omdat de ontbinding, gelet op artikel 2:358 lid 1 BW, niet uitvoerbaar bij voorraad is, de persoon van de vereffenaar niet aanwijzen voordat deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat. Zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan kan ieder van partijen de Ondernemingskamer verzoeken de vereffenaar aan te wijzen.”
r.o. 4.6 · lid 1“[…] voorziening(en) te treffen die zij op grond van de uitkomst van het onderzoek, en de overige omstandigheden van het geval, geboden acht. Daarbij is zij niet gebonden aan de wijze waarop partijen hun verzoeken inkleden, en kan het ook gaan om toepassing van art. 2:356, aanhef en sub f BW in verbinding met art. 2:355 lid 1 BW. Zie onder 3.4.4 hiervoor. Daarbij zij bedacht dat de in art. 2:355 t/m 2:358 BW vervatte regeling ertoe strekt om, indien uit het onderzoeksverslag van wanbeleid blijkt, de OK ruime bevoegdheden te verschaffen ten einde haar in staat te stellen aan dat wanbeleid een einde te maken en de eruit voortgevloeide gevolgen zoveel mogelijk ongedaan te maken en te beperken. 3.18.2 A-G Timmerman maakte uit relevante parlementaire geschiedenis, rechtspraak en literatuur op: “(…) de rechter - d.w.z. de Ondernemingskamer - [is] binnen de grenzen van art. 2:356 BW de bevoegdheid gegeven naar eigen inzicht die voorziening(en) te treffen die zij noodzakelijk acht. Gekozen kan worden voor ontbinding indien minder verstrekkende voorzieningen niet meer het gewenste effect kunnen sorteren.” Aangenomen wordt verder dat de OK niet de meerwaarde van de ontbinding ten opzichte van […]”
r.o. 3.18“De OK heeft, zoals gezegd, een ruime mate van vrijheid om - bij uit het onderzoeksverslag gebleken wanbeleid - die voorziening(en) te treffen die zij op grond van de uitkomst van het onderzoek, en de overige omstandigheden van het geval, geboden acht. Daarbij is zij niet gebonden aan de wijze waarop partijen hun verzoeken inkleden, en kan het ook gaan om toepassing van art. 2:356, aanhef en sub f BW in verbinding met art. 2:355 lid 1 BW. Zie onder 3.4.4 hiervoor. Daarbij zij bedacht dat de in art. 2:355 t/m 2:358 BW vervatte regeling ertoe strekt om, indien uit het onderzoeksverslag van wanbeleid blijkt, de OK ruime bevoegdheden te verschaffen ten einde haar in staat te stellen aan dat wanbeleid een einde te maken en de eruit voortgevloeide gevolgen zoveel mogelijk ongedaan te maken en te beperken.”
r.o. 3.18.1Enquête KPNQwest: intrekking enquêteverzoek na bevel tot onderzoek, rol curatoren
“Cassatie tegen een beschikking heeft schorsende werking, behalve in gevallen dat de rechter de voorlopige ten uitvoerlegging (= uitvoerbaar bij voorraad verklaring) heeft toegestaan. Artikel 288 Rv geeft in algemene zin aan dat eindbeschikkingen uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard. Verzoekers menen dat artikel 2:358 lid 1 BW een lex specialis is, die tot gevolg heeft dat artikel 288 Rv niet geldt voor de enquêteregeling (Boek 2, Titel 8, Afdeling 2 van het Burgerlijk Wetboek).”
r.o. 3.67 · lid 1“Artikel 2:358 lid 1 BW vermeldt dat de voorzieningen van artikel 2:356 onder a tot en met e BW uitvoerbaar bij voorraad verklaard kunnen worden. Dat zijn voorzieningen die getroffen kunnen worden in een tweede procedure (nadat wanbeleid is vastgesteld). Van de in artikel 2:356 BW genoemde voorzieningen is alleen die onder f (ontbinding van de rechtspersoon) niet opgenomen in de uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Volgens Verzoekers houdt de regel van artikel 2:358 lid 1 in dat niet alleen voormelde ontbinding van de rechtspersoon, maar alle overige bepalingen van de enquêteregeling (behalve de voorlopige voorzieningen ex artikel 2:349a BW die naar hun aard uitvoerbaar bij voorraad zijn) niet uitvoerbaar bij voorraad zouden zijn. Het is een a contrario redenering die in de literatuur en jurisprudentie meer is aangenomen(62), al zijn er auteurs ook die een andere opvatting zijn toegedaan.(63) Een tegengestelde redenering is dat artikel 2:358 lid 1 BW geen algemene regel heeft geformuleerd voor de uitvoerbaarheid bij voorraad van (beschikkingen op grond van) de enquêtebepalingen, maar slechts ziet op de voorzieningen die op grond van artikel 2:356 kunnen worden bevolen. Dan zou de […]”
r.o. 3.68 · lid 1“De Hoge Raad heeft in de recente Butôt-beschikking(64) in een vergelijkbare kwestie geoordeeld dat artikel 2:358 BW niet aan uitvoerbaarheid bij voorraad van andere bepalingen van de enquêteregeling in de weg staat. Het betrof daarin de toewijzing van een enquêteverzoek op grond van artikel 2:350 lid 1 BW: "In overeenstemming met de in art. 288 Rv. verwoorde hoofdregel kan de ondernemingskamer een eindbeschikking, waarin op de voet van art. 2:350 BW het enquêteverzoek wordt toegewezen, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Een wetsbepaling die dit verbiedt, ontbreekt. Anders dan wel wordt afgeleid uit HR 2 maart 1994, nr. 49, LJN AB7943, NJ 1994/548, staat art. 2:358 BW (dat alleen voorzieningen betreft die getroffen kunnen worden indien uit het verslag van wanbeleid is gebleken) aan uitvoerbaarheid bij voorraad van een beschikking als de onderhavige niet in de weg. Een andersluidende opvatting zou, zonder dat dit zijn rechtvaardiging vindt in de aard van de procedure, tekort doen aan het belang dat kan bestaan bij een spoedige aanvang van het noodzakelijk geachte onderzoek."”
r.o. 3.69Enquêtebevoegdheid deelgenoten nalatenschap met certificaten; uitvoerbaarverklaring bij voorraad enquêtebeschikking
“Art. 288 Rv. bepaalt dat een eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. De rechter heeft deze bevoegdheid in alle voorkomende gevallen, tenzij uit de wet anders voortvloeit(10). Art. 2:358 lid 1 BW regelt dat de ondernemingskamer de voorlopige tenuitvoerlegging van de voorzieningen genoemd in art. 356 onder a-e BW kan bevelen. Dit artikel is afgeleid van art. 54c K. In de wetsgeschiedenis van dat artikel staat: "Het kan voorkomen, dat ingrijpen in de gang van zaken zo dringend nodig is, dat uitstel tot de beslissing op een beroep in cassatie niet verantwoord is. Daarom wordt voorgesteld dat de ondernemingskamer voorlopig tenuitvoerlegging kan bevelen van de voorzieningen die zich daartoe lenen. Daartoe behoort niet de ontbinding der vennootschap, omdat een slechts tijdelijke geldigheid van een zodanige voorziening niet wel denkbaar is." De vraag is dan of een beschikking in de zin van art. 2:350 BW uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard.”
r.o. 3.12 · lid 1“Volgens het onderdeel blijkt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 2 maart 1994(11) dat de Hoge Raad heeft beslist dat de Ondernemingskamer enkel de voorzieningen in art. 2:356 a-e BW uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren. De Hoge Raad besliste daar: "Voor het enquêterecht, geregeld in de art. 2:344 e.v. BW, wordt trouwens de schorsende werking van het cassatieberoep nog bevestigd door de bepaling van art. 2:358 BW, welke bepaling immers met betrekking tot een beperkt aantal specifiek omschreven rechterlijke voorzieningen eveneens een uitvoerbaarverklaring bij voorraad toestaat, als uitzondering op de normaal geldende schorsende werking."”
r.o. 3.13“Evenwel vormen de art. 2:350 tot en met 359 BW, in het bijzonder art. 2:358 BW, mede blijkens de wetsgeschiedenis van 1970 - waarin uitdrukkelijk overwogen is, bij welke beschikkingen uitvoerbaarverklaring bij voorraad wenselijk was -, leges speciales ten opzichte van art. 429k, lid 2, 2e volzin, Rv, medebrengende dat de beschikkingen, bedoeld in art. 2:358 BW, wel, maar de overige beschikkingen, bedoeld in de art. 2:350 tot en met 359 BW niet uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard." Verburg(13) is dezelfde mening toegedaan. Ook Verburg verwijst naar art. 2:358 BW: "Dat de Ondernemingskamer de voorlopige tenuitvoerlegging (...) van bepaalde voorzieningen kan bevelen, blijkt uit het van titel 8, afdeling 2, Boek 2 BW deel uitmakende art. 358. Uitsluitend de voorzieningen genoemd in art. 2:356 onder a-d BW komen in aanmerking voor deze voorlopige tenuitvoerlegging. Genoemde voorzieningen hebben echter alle betrekking op de fase, waarin op grond van de uitkomst van het ingestelde onderzoek die maatregelen zijn getroffen, welke door de Ondernemingskamer geboden zijn geacht."”
r.o. 2.13Bevoegdheden van door rechter benoemde tijdelijk bestuurder van stichting; benoeming en ontslag bestuurders
“[…] van de uitspraak een aanvang neemt. De aard van deze beslissing is echter niet zodanig dat deze, in afwijking van art. 288 Rv, niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Het hof heeft in dit verband terecht betekenis gehecht aan de omstandigheid dat de wetgever een zodanige maatregel in de regeling van het enquêterecht vatbaar heeft geacht voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad (art. 2:358 lid 1 in verbinding met art. 2:356 BW). Hieraan kan niet afdoen, dat art. 2:298 BW een zodanige uitdrukkelijke bepaling niet bevat. (..)" In het kader van de voorlopige voorziening is art. 2:349a lid 2 van de regeling van het enquêterecht relevant. Art. 2:349a lid 2 BW luidt: "Indien in verband met de toestand van een rechtspersoon of in het belang van het onderzoek een onmiddelijke voorziening is vereist, kan de ondernemingskamer in elke stand van het geding op verzoek van de indieners van het in artikel 245 bedoelde verzoek een zodanige voorziening treffen voor ten hoogste de duur van het geding." In de parlementaire geschiedenis op dit artikel wordt het volgende opgemerkt: "(..) Ik meen dat dat ordekarakter geen andere beperking meebrengt dan al besloten ligt in wat het […]”
r.o. 3.4 · lid 1Ontslag stichtingsbestuurders wegens wanbeheer; belanghebbende en uitvoerbaarheid bij voorraad (artikel 2:298 BW)
“[…] in kwestie zich daar naar haar aard niet voor leent. Anders dan [verzoekers] lijken te menen, brengt het enkele feit dat het hier een beslissing van constitutieve aard betreft nog niet met zich dat er sprake is van een geval waarin "de aard der zaak" uitvoerbaarheid bij voorraad uitsluit (vergelijk HR 20 januari 1995, NJ 1995, 413). Uit artikel 2:356 onder b BW in verbinding met artikel 2:358 lid 1 BW, gevende de regel dat de ondernemingskamer de voorlopige tenuitvoerlegging kan bevelen van de voorziening om een bestuurder te ontslaan, is voorts af te leiden dat er geen fundamenteel beletsel bestaat om de beslissing tot ontslag van een bestuurder uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Aangezien onmiddellijk ingrijpen geboden was heeft de rechtbank haar ontslagbeslissing dan ook terecht uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het gevaar van wanbestuur en/of financieel wanbeheer van De Stichting is nog steeds te duchten wanneer [verzoeker 2] en [verzoeker 1] het bestuur daarvan weer op zich zouden nemen. Daarom acht het hof uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de ontslagbeslissing ook thans geïndiceerd.' Geklaagd wordt dat het hof door aldus te overwegen blijk heeft gegeven […]”
r.o. 3.7 · lid 1“[…] zijn toevlucht zoekt tot verlenging van de voorlopige voorziening die op grond van lid 2 'hangende het onderzoek' kan worden getroffen, geeft m.i. juist de noodzaak, althans wenselijkheid, aan van de mogelijkheid tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de ontslagbeslissing. Wat betreft de vergelijking met de regeling van het enquêterecht, meer in het bijzonder met art. 2:356 onder b BW jo. 2:358 BW, waaruit expliciet blijkt dat de ondernemingskamer de voorlopige tenuitvoerlegging van de voorziening die bestaat uit (de schorsing of) het ontslag van een of meer bestuurders kan bevelen, geldt m.i. het volgende. Klacht 4 betoogt dat uit het feit dat voor de ontslagbeslissing in een enquêteprocedure de mogelijkheid tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring uitdrukkelijk in de wet is opgenomen, moet worden afgeleid dat, nu dit niet expliciet voor de ontslagbeslissing in de procedure ex art. 2:298 BW is bepaald, deze ontslagbeslissing dus kennelijk niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard kan worden. In het licht van de hiervoor besproken hoofdregel van art. 288 Rv acht ik deze (a contrario) redenering onhoudbaar. Veeleer juist lijkt mij de (analogische) redenering van het hof: uit […]”
r.o. 3.8Enquête: verlenging door OK van commissarisbenoeming en aansprakelijkheidsverzekering commissaris
“Uit de beschikking van de Hoge Raad van 4 november 1987, NJ 1988, 578 m.nt. Ma volgt dat niet gespecificeerd behoeft te worden welke voorzieningen men verzoekt. De regeling in de art. 2:355 tot en met 2:358 BW strekt ertoe om, indien uit het verslag van het verrichte onderzoek van wanbeleid blijkt, de Ondernemingskamer ruime bevoegdheden te verschaffen ten einde haar in staat te stellen aan dat wanbeleid een einde te maken en de eruit voortgevloeide gevolgen zoveel mogelijk ongedaan te maken en te beperken, aldus de Hoge Raad(9).”
r.o. 3.4“[…] onderdeel 6 van het eerder ingediende verzoekschrift tot cassatie (tegen de vorige beschikking van het hof) slaagt. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 1 maart 2002 in rov. 3.13 geoordeeld dat onderdeel 6 faalt. 27 Dit volgt uit HR 4 november 1987, NJ 1988, 578 in verbinding met art. 357 lid 1 BW, dat in rov. 3.3 (eerste alinea) van die beschikking als een van de artikelen 2:355 t/m 2:358 BW wordt genoemd. 28 Zie tevens rov. 3.4 van de bestreden beschikking. 29 De klachten tegen die overwegingen zijn door de Hoge Raad in zijn meergenoemde beschikking van 1 maart 2002 ongegrond bevonden.”
r.o. 3.37Conclusie A-G: wanbeleid bij LBO en fusie kinderopvangbedrijf, publiek belang en tegenstrijdig belang
“[…] enquêterecht dienen ook de belangen van de verzoeker (als bedoeld in art. 2:355 BW) en van alle bij de rechtspersoon betrokkenen in aanmerking te worden genomen. - Uitgangspunt bij de toepassing van het enquêterecht is dat het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. - Op 5 juli 2014 is Estro Groep op eigen verzoek failliet verklaard (zie rov. 2.47). - De in art. 2:355 t/m 2:358 BW vervatte regeling strekt ertoe om, indien uit het verslag van het verrichte onderzoek van wanbeleid blijkt, de OK ruime bevoegdheden te verschaffen. Niet alleen om aan wanbeleid een einde te maken, maar ook om de eruit voortgevloeide gevolgen zoveel mogelijk ongedaan te maken en te beperken. - De in art. 2:15 BW vervatte regeling staat naast die van art. 2:356, aanhef en sub a BW. Deze regelingen dienen elk een verschillend doel. In een enquêteprocedure zijn de gronden voor vernietiging van een besluit ook ruimer dan in art. 2:15 BW. - Art. 2:356, aanhef en sub a BW laat zich toepassen op déchargebesluiten, ook al betreffen die besluiten tevens bestuurders en commissarissen. - Een eventueel vastgestelde verantwoordelijkheid voor geconstateerd wanbeleid kan een rol spelen bij de […]”
r.o. 3.74“[…] enquêterecht dienen ook de belangen van de verzoeker (als bedoeld in art. 2:355 BW) en van alle bij de rechtspersoon betrokkenen in aanmerking te worden genomen. - Uitgangspunt bij de toepassing van het enquêterecht is dat het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. - Op 5 juli 2014 is Estro Groep op eigen verzoek failliet verklaard (zie rov. 2.47). - De in art. 2:355 t/m 2:358 BW vervatte regeling strekt ertoe om, indien uit het verslag van het verrichte onderzoek van wanbeleid blijkt, de OK ruime bevoegdheden te verschaffen. Niet alleen om aan wanbeleid een einde te maken, maar ook om de eruit voortgevloeide gevolgen zoveel mogelijk ongedaan te maken en te beperken. - De in art. 2:15 BW vervatte regeling staat naast die van art. 2:356, aanhef en sub a BW. Deze regelingen dienen elk een verschillend doel. In een enquêteprocedure zijn de gronden voor vernietiging van een besluit ook ruimer dan in art. 2:15 BW. - Art. 2:356, aanhef en sub a BW laat zich toepassen op déchargebesluiten, ook al betreffen die besluiten tevens bestuurders en commissarissen. - Een eventueel vastgestelde verantwoordelijkheid voor geconstateerd wanbeleid kan een rol spelen bij de […]”
r.o. 3.74.3