Titel 9. De jaarrekening en het bestuursverslag · Afdeling 16. Rechtspleging
Artikel 2:448 BW
In deze vorm in werking sinds 30 december 2023, laatst gewijzigd bij Stb. 2023, 517
Tot het indienen van het in artikel 447 bedoelde verzoek is bevoegd:
a.iedere belanghebbende;
b.de advocaat-generaal bij het ressortsparket in het openbaar belang.
Tot het indienen van het verzoek is voorts bevoegd de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor zover het stukken betreft die betrekking hebben op een effectenuitgevende instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet toezicht financiële verslaggeving en met inachtneming van het in artikel 4 van die wet bepaalde. Deze bevoegdheid geldt niet ten aanzien van het verslag inzake de winstbelasting, genoemd in de desbetreffende algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 391a lid 2.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:448 BW (3)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Conclusies van de A-G (3)
Jaarrekeningprocedure: ontvankelijkheid aandeelhouder en classificatie ingekochte aandelen als vreemd vermogen
“De jaarrekeningprocedure is thans vervat in de art. 2:447-454 BW die deel uitmaken van titel 9 van Boek 2 BW. De huidige jaarrekeningprocedure is een verzoekschriftprocedure (zie ook onder 2.1 en 2.8 hiervoor). In art. 2:448 lid 1 BW is bepaald wie bevoegd zijn een jaarrekeningprocedure te entameren: iedere belanghebbende (lid 1, onder a), de advocaat-generaal bij het ressortsparket in het openbaar belang (lid 1, onder b), en met betrekking tot uitgevende instellingen ook de Stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) (lid 2). Van de bevoegdheid onder b is voor zover mij bekend slechts tweemaal gebruikgemaakt en van de bevoegdheid onder c slechts eenmaal. Door belanghebbenden in de zin van art. 2:448 lid 1 onder a BW is door de jaren heen eveneens een betrekkelijk gering aantal jaarrekeningprocedures gestart. Vanaf de invoering van de jaarrekeningprocedure in 1971 tot 2014 hebben in totaal 93 jaarrekeningprocedures plaatsgevonden. Dat zijn dus gemiddeld ruim twee zaken per jaar. Ik heb niet de indruk dat dat beeld na 2014 bijstelling behoeft. Voor het relatief geringe aantal aanhangig gemaakte jaarrekeningprocedures worden in de literatuur verschillende redenen […]”
r.o. 3.3 · lid 1“[…] ervoor gekozen de vraag wie in een concreet geval als belanghebbende moet worden aangemerkt over te laten aan de rechter. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet op de jaarrekening van ondernemingen (hierna: WJO) wordt gesproken van “een ruime kring van belanghebbenden”. Anders dan bijvoorbeeld voor de enquêteprocedure in art. 2:346-347 BW is in art. 2:448 BW voor de jaarrekeningprocedure geen nauwkeurige omschrijving van bepaalde groepen belanghebbenden opgenomen. Door enkele Eerste Kamerleden werd in verband met de rechtszekerheid aangedrongen op een nauwkeuriger omschrijving van het begrip belanghebbende. De toenmalige minister van Justitie Polak heeft hierop in het eindverslag als volgt geantwoord: “[D]e aandeelhouders [zullen] steeds als belanghebbenden ten aanzien van de gehele jaarrekening mogen worden beschouwd: deze wordt immers in de eerste plaats te hunnen behoeve opgesteld, hun aangeboden en door hen vastgesteld of goedgekeurd; zij hebben een rechtstreeks belang bij de stand van het vermogen en bij het resultaat der onderneming. Het belang van de houders van certificaten van aandelen, die met medewerking der onderneming […]”
r.o. 3.4“[…] jaarrekeningprocedure in het leven is geroepen, faalt het middel, daar dit oordeel, beschouwd tegen de achtergrond van de hedendaagse rechtsopvattingen zoals die o.m. tot uiting komen in de huidige wetgeving op het gebied van het ondernemingsrecht, juist is.3.3 De omstandigheid dat de werknemer behoort tot de hiervoor bedoelde kring, brengt mee dat te zijnen aanzien het door art. 999 [thans art. 2:448 BW. A-G] vereiste belang om door middel van de jaarrekeningprocedure op te komen tegen de inrichting van de in dat artikel bedoelde stukken, wordt verondersteld, zodat hij in die procedure geen feiten of omstandigheden behoeft te stellen waaruit valt af te leiden dat voor hem nadeel is verbonden aan de wijze waarop die stukken zijn ingericht. 3.4 Maar hij kan niet als belanghebbende in vorenbedoelde zin gelden, indien zijn wederpartij in de procedure stelt, en in geval van een betwisting bewijst, dat achterwege blijven van de door hem verlangde wijziging in de inrichting der stukken, gelet op de omstandigheden van het geval, geen nadeel voor hem in zijn betrokkenheid als werknemer bij de onderneming kan opleveren. Alsdan zal hij in zijn vordering dus niet kunnen worden […]”
r.o. 3.7Belanghebbende bij ontslag stichtingsbestuur en ontbinding stichting; tweekringenleer
“De wet schrijft niet voor wie tot het begrip ‘belanghebbende’ gerekend kunnen worden. Het antwoord op die vraag is overgelaten aan de rechter. Behalve in het stichtingenrecht (zie naast de reeds genoemde bepalingen bijv. ook art. 2:295 BW en 2:301 BW) wordt de belanghebbende ook genoemd in het algemene rechtspersonenrecht van Titel 1 van Boek 2 BW (bijv. art. 2:15 lid 5 BW en art. 2:21 lid 4 BW), in het NV-recht (art. 2:86d lid 4 BW), in het recht over fusie en splitsing (art. 2:323 lid 2 BW en 2:334u lid 2 BW), in het enquêterecht (bijv. art. 2:349a lid 2 BW) en in het jaarrekeningenrecht (bijv. art. 2:448 BW). Ook buiten Boek 2 BW komt het begrip belanghebbende geregeld voor, bijvoorbeeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de Faillissementswet (Fw), in de Handelsregisterwet (Hrw) (oud) en in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).”
r.o. 3.2Conclusie A-G: AFM-jaarrekeningprocedure tegen Spyker, beleidsvrijheid OK bij IFRS-afwijkingen
“Het middel klaagt dat de Ondernemingskamer uitgaat van een onjuiste rechtopvatting over de aard van een op grond van art. 4 Wtfv jo. art 2:447 lid 2 en 2:448 lid 2 BW door de AFM tegen een effectenuitgevende instelling aangespannen jaarrekeningprocedure, althans de gevolgen die de aard van de procedure heeft voor de toepasselijkheid van (bepaalde) voor verzoekschriftprocedure algemeen geldende regels van procesrecht met betrekking tot stelplicht, betwisting van feiten of rechten, partijautonomie en lijdelijkheid van de rechter. Onderdeel 6.2 tot en met onderdeel 6.6 klagen dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat de aard van de onderhavige zaak zich verzet tegen overeenkomstige toepassing van de art. 149-207 Rv en dat deze artikelen op grond van art. 284 lid 1 Rv niet van toepassing zijn op de onderhavige zaak. De Ondernemingskamer heeft in rov. 3.21, 3.30, 3.33, 3.46 en 3.56 in het bijzonder miskend dat de regel in art. 149 lid 1 Rv tweede volzin - dat de rechter feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet voldoende zijn betwist, als vaststaand moet beschouwen - niet van (overeenkomstige) toepassing is. De bijzondere aard van de procedure […]”
r.o. 3.35 · lid 2“[…] aan AFM d.d. 16 juli 2007, bijlage p. 21 (productie 4 bij verzoekschrift ex art. 2:447 BW) 8 Annotatie bij bestreden beschikking onder 9, JOR 2008, 38. 9 A.N. Krol, Ondernemingsrecht 2008, nr. 69, p. 245. 10 TK 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 157-158. 11 TK 2005-2006, 30 336, nr. 3, p. 16. 12 TK 2005-2006 30 336, nr. 3, p. 8 en 11. 13 TK 2005-2006, 30 336, nr. 3, p. 33. 14 Zie toelichting op art. 2:448 BW, TK 2005-2006, 30 336, nr. 3, p. 34. 15 TK 2005-2006, 30.336, nr. 3, p. 35. 16 TK 2005-2006, 30 336, nr. 8, p. 10. 17 HR 10 februari 2006, NJ 2006, 241 rov. 4.5. 18 De oude bepaling spreekt over 'de eis' in plaats van 'het verzoek'. 19 TK 2005-2006, 30 336, nr. 3, p. 37. 20 TK 1979-1980, 16 326, nr. 3, p. 46. 21 TK 1967-1968, 9595, nr. 3, p. 21 22 HR 26 maart 1980, NJ 1980, 630 rov. 6. 23 Asser Maeijer 2-III, nr. 445. 24 Zie over IAS 12.34 en 12.35 hierna subonderdeel 8.II.5. 25 Het onderdeel verwijst naar de pleitnota van de AFM onder 47. 26 Verweerschrift Spyker nr. 5.21 en 5.3. 27 Verweerschrift accountant nr. 4.6. 28 Productie 9 bij verweerschrift Spyker. 29 Pleitnota AFM, nr. 52. 30 Pleitnota AFM nr. 55 en conclusie. 31 Verzoekschrift in eerste aanleg onder C.3.6 en C.3.7 en […]”
r.o. 3.99