Titel 9. De jaarrekening en het bestuursverslag · Afdeling 12. Bepalingen omtrent rechtspersonen van onderscheiden aard
Artikel 2:404 BW
In deze vorm in werking sinds 1 september 2017, laatst gewijzigd bij Stb. 2016, 290
Een in artikel 403 bedoelde aansprakelijkstelling kan worden ingetrokken door deponering van een daartoe strekkende verklaring bij het handelsregister.
Niettemin blijft de aansprakelijkheid bestaan voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen welke zijn verricht voordat jegens de schuldeiser een beroep op de intrekking kan worden gedaan.
De overblijvende aansprakelijkheid wordt ten opzichte van de schuldeiser beëindigd, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:
a.de rechtspersoon behoort niet meer tot de groep;
b.een mededeling van het voornemen tot beëindiging heeft ten minste twee maanden lang ter inzage gelegen bij het handelsregister;
c.ten minste twee maanden zijn verlopen na de aankondiging in een landelijk verspreid dagblad dat en waar de mededeling ter inzage ligt;
d.tegen het voornemen heeft de schuldeiser niet tijdig verzet gedaan of zijn verzet is ingetrokken dan wel bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak ongegrond verklaard.
Indien de schuldeiser dit verlangt moet, op straffe van gegrondverklaring van een verzet als bedoeld in lid 5, voor hem zekerheid worden gesteld of hem een andere waarborg worden gegeven voor de voldoening van zijn vorderingen waarvoor nog aansprakelijkheid loopt. Dit geldt niet, indien hij na het beëindigen van de aansprakelijkheid, gezien de vermogenstoestand van de rechtspersoon of uit anderen hoofde, voldoende waarborgen heeft dat deze vorderingen zullen worden voldaan.
Tot twee maanden na de aankondiging kan de schuldeiser voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt, tegen het voornemen tot beëindiging verzet doen door het indienen van een verzoek bij de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon die hoofdschuldenaar is.
De rechter verklaart het verzet slechts gegrond nadat een door hem omschreven termijn om een door hem omschreven waarborg te geven is verlopen, zonder dat deze is gegeven.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:404 BW (6)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (2)
SNS/CRI
Maatstaf verzet schuldeisers tegen beëindiging aansprakelijkheid na intrekking 403-verklaring
“Indien [CRI], Fortress Projectontwikkeling en [PRPZ] heeft aangesproken uit hoofde van de hiervoor in Artikel 23.2 opgenomen garantstelling en Fortress Projectontwikkeling en [PRPZ], na daartoe in gebreke te zijn gesteld gedurende veertien (14) dagen na deze ingebrekestelling (ook) in verzuim blijft in de nakoming van zijn verplichtingen, is [CRI] gerechtigd Propertize aan te spreken uit hoofde van de in Artikel 23.1 opgenomen garantstelling.” 3.2.1 CRI en de curatoren hebben ieder afzonderlijk verzet gedaan in de zin van art. 2:404 lid 5 BW tegen het voornemen van SNS Bank tot beëindiging van haar aansprakelijkheid voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van Propertize die zijn verricht vóór 1 januari 2014. CRI heeft bovendien verzet gedaan tegen eenzelfde voornemen van SNS Reaal voor dergelijke schulden van PRPZ. 3.2.2 De rechtbank heeft het verzet in de drie procedures gegrond verklaard. De ondernemingskamer heeft, voor zover in cassatie van belang, de beschikking van de rechtbank in de drie procedures bekrachtigd. Zij overwoog daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt. “Reikwijdte van de 403-verklaring van SNS en de vorderingen van curatoren (…)”
r.o. 24.6 · lid 5“CRI en de curatoren hebben ieder afzonderlijk verzet gedaan in de zin van art. 2:404 lid 5 BW tegen het voornemen van SNS Bank tot beëindiging van haar aansprakelijkheid voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van Propertize die zijn verricht vóór 1 januari 2014. CRI heeft bovendien verzet gedaan tegen eenzelfde voornemen van SNS Reaal voor dergelijke schulden van PRPZ.”
r.o. 3.2.1 · lid 5“De Ondernemingskamer overweegt als volgt. De onder 2.3 weergegeven verklaring houdt in dat SNS Bank N.V verklaart zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van Propertize voortvloeiende schulden, in de zin van artikel 2:403 lid 1 sub f BW. Bij de beoordeling van de grieven zijn in dat verband twee te onderscheiden vragen aan de orde: (a) de vraag of de vordering van de curatoren onderscheidenlijk CRI, gelet op de gestelde grondslag daarvan, onder het bereik van de 403-verklaring valt en (b) of de desbetreffende vordering voldoende “hard” is, dat wil zeggen of er voldoende feiten en omstandigheden voorhanden zijn ter ondersteuning van de gestelde grondslag. De derde vraag, die naar de omvang van de vordering, doet slechts ter zake in het kader van de beoordeling (…) of voldoende waarborgen in de zin van artikel 2:404 lid 4 BW aanwezig zijn.”
r.o. 3.6 · lid 4“De onderdelen 2 en 4 klagen kort gezegd dat de ondernemingskamer heeft miskend dat voor het slagen van een verzet van een schuldeiser op de voet van art. 2:404 lid 5 BW ten minste is vereist dat zijn vordering summierlijk aannemelijk is en dat voor het bepalen van de omvang van die vordering dezelfde maatstaf moet worden gehanteerd.”
r.o. 5.1.1 · lid 5Akzo Nobel/ING Bank NV
Aard 403-verklaring en verzet pandhouder tegen beëindiging overblijvende aansprakelijkheid
“[…] verkocht aan Acordis B.V. In het kader van die transactie zijn op 3 januari 2000 alle aandelen van Akzo Nobel in IndustriePark aan een dochtermaatschappij van Acordis B.V., Acordis Services B.V., overgedragen. Vooruitlopend daarop heeft Akzo Nobel op 27 december 1999 de onder (v) bedoelde aansprakelijkheidsverklaring ingetrokken met ingang van 1 januari 2000. Ter zake van de op basis van art. 2:404 lid 2 BW nog bestaande "overblijvende aansprakelijkheid" is een mededeling van het voornemen tot beëindiging daarvan als bedoeld in art. 2:404 lid 3, onder b, eveneens op 27 december 1999 bij de Kamer van Koophandel te Arnhem gedeponeerd. De intrekking en het voornemen tot beëindiging zijn gepubliceerd als door de wet vereist. Door Acordis is tot dusver geen "403-verklaring" afgegeven. (vii) Bij brief van 23 februari 2000 heeft ING Akzo Nobel verzocht "spoedig afdoende vervangende zekerheid voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van IndustriePark uit hoofde van de leveringsovereenkomsten met WKC te verstrekken" dan wel het "voornemen in te trekken", bij gebreke waarvan ING zich genoodzaakt zou zien haar pandrecht "te effectueren".”
r.o. 3.1 · leden 2, 3“ING heeft op de voet van art. 2:404 lid 5 BW een verzoek bij de Rechtbank ingediend als hiervoor in 1 is omschreven. De Rechtbank heeft haar in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat een pandhouder (zoals ING pretendeert te zijn van vorderingen van WKC op IndustriePark) niet kan worden aangemerkt als de schuldeiser voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt als bedoeld in art. 2:404 lid 5. De Ondernemingskamer heeft de hiertegen aangevoerde grieven gegrond geoordeeld en Akzo Nobel in de gelegenheid gesteld zekerheid te stellen tot een bedrag van ƒ 19.972.043,--. De overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd, kunnen als volgt worden samengevat. (a) De stelling van Akzo Nobel dat het door ING geformuleerde petitum niet in overeenstemming is met de bewoordingen van art. 2:404 lid 5, wordt verworpen. (rov. 4.2) (b) ING heeft een pandrecht op de vorderingen van WKC jegens IndustriePark. (rov. 4.3-4.7) (c) De strekking van de "artikel 403-verklaring" is bescherming te bieden aan potentiële schuldeisers die ingevolge de toepassing van de vrijstelling als bedoeld in art. 2:403 lid 1 hun beslissing om al dan niet met de dochtervennootschap te contracteren niet meer […]”
r.o. 3.2 · lid 5
Conclusies van de A-G (3)
Verzet schuldeisers tegen beëindiging overblijvende aansprakelijkheid na intrekking 403-verklaring: toetsingsmaatstaf
“Op 31 december 2013 hebben SNS Bank en SNS Reaal de hierboven genoemde 403-verklaringen ingetrokken. Zij hebben op die dag tevens ieder een mededeling gedaan in de zin van artikel 2:404 lid 3 onder b BW ten aanzien van hun voornemen tot beëindiging van de aansprakelijkheid voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van Propertize respectievelijk PRPZ die zijn verricht vóór 1 januari 2014.”
r.o. 1.8 · lid 3“De Ondernemingskamer overweegt als volgt. De onder 2.3 weergegeven verklaring houdt in dat SNS Bank N.V verklaart zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van Propertize voortvloeiende schulden, in de zin van artikel 2:403 lid 1 sub f BW. Bij de beoordeling van de grieven zijn in dat verband twee te onderscheiden vragen aan de orde: (a) de vraag of de vordering van de curatoren onderscheidenlijk CRI, gelet op de gestelde grondslag daarvan, onder het bereik van de 403-verklaring valt en (b) of de desbetreffende vordering voldoende “hard” is, dat wil zeggen of er voldoende feiten en omstandigheden voorhanden zijn ter ondersteuning van de gestelde grondslag. De derde vraag, die naar de omvang van de vordering, doet slechts ter zake in het kader van de beoordeling (hierna, onder 3.19 en volgende) of voldoende waarborgen in de zin van artikel 2:404 lid 4 BW aanwezig zijn.”
r.o. 3.6 · lid 4“Propertize heeft voorts grieven gericht tegen rechtsoverweging 3.19 van de beschikking van 7 mei 2014 en tegen rechtsoverweging 2.2 van de beschikking van 5 november 2014. Kort gezegd heeft de rechtbank hierin overwogen dat beoordeeld moet worden of de vermogenstoestand van Propertize voldoende waarborg biedt voor de vorderingen van curatoren en van CRI. Omdat de rechtbank zich op dit punt onvoldoende voorgelicht achtte, zijn SNS Bank en Propertize in de gelegenheid gesteld nadere stukken in het geding te brengen. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer liggen deze overwegingen van de rechtbank – gezien artikel 2:404 lid 4 BW – in het verlengde van het oordeel dat de vorderingen van curatoren op Propertize en de vorderingen van CRI op Propertize en PRPZ onder de 403-verklaringen van SNS Bank respectievelijk SNS Bank en SNS Reaal vallen en stond het de rechtbank vrij daaromtrent nadere informatie te verlangen. De grieven missen (overigens) zelfstandige betekenis en behoeven geen nadere bespreking. Waarborg van de curatoren en van CRI gelet op de vermogenstoestand van Propertize (…)”
r.o. 3.18 · lid 4“Dat alles leidt tot de conclusie dat niet is gebleken en evenmin aannemelijk is geworden dat op de peildatum voldoende waarborgen in de zin van artikel 2:404 lid 4 tweede zin BW bestaan voor de vorderingen van curatoren en CRI. Dit geldt niet alleen als wordt uitgegaan van de maximale omvang van die vorderingen (€ 157 miljoen en €20 miljoen), maar ook indien slechts de vordering van CRI tot een bedrag van € 10 miljoen in aanmerking wordt genomen en de “frivole claim” van € 408 miljoen (legal proceedings zie 3.37) buiten beschouwing wordt gelaten. Voor dit oordeel is mede van belang dat de in de Koopovereenkomst gegeven garantie zich uitstrekt over een periode tot 2025 en dat de afwikkeling van Propertize binnen 10 jaar te rekenen vanaf 31 december 2013 – dus vóór 2025 – is te verwachten. Nu de beoordeling van de vorderingen van curatoren in rechte nog moet plaatsvinden en aangenomen kan worden dat daar mogelijk enige jaren mee gemoeid zullen zijn, geldt ook ten aanzien van deze vordering – zelfs als deze slechts (zeer) gedeeltelijk toewijsbaar zou zijn – dat niet is gebleken van een voldoende waarborg als bedoeld in artikel 2:404 lid 4 BW.”
r.o. 3.39 · lid 4Groepsvrijstelling artikel 2:403 BW en jaarstukken bij beursgenoteerde obligaties concerndochter
“De groepsvrijstelling vervalt indien bij het handelsregister een verklaring tot intrekking van de eigen aansprakelijkstelling wordt neergelegd (art. 2:404 BW). De tot dan toe vrijgestelde concerndochter zal dan alsnog moeten publiceren. Art. 2:403 BW-verklaring”
r.o. 2.34“De artikelen 2:403 en 2:404 BW kennen een turbulente geschiedenis(44). De regeling van de groepsvrijstelling, die vooraf gaat aan de artikelen 2:403 en 2:404 BW, deed in 1971 zijn intrede in de Nederlandse wetgeving met art. 38a Wet Jaarrekening Ondernemingen(45). Vanaf 1976 is deze regeling van de groepsvrijstelling vervat in art. 2: 343 BW (oud) in verbinding met art. 57w K-oud voor wat betreft de BV en later in art. 2: 215 BW (oud). De regeling van art. 2:343 in verbinding met 2:215 werd bij Wet van 7 december 1983, Stb 663 (aanpassing aan de vierde richtlijn, richtlijn 78/660/EEG) overgebracht naar art. 2:403 BW (oud). Bij Wet van 12 december 1985, Stb. 456 werd de beëindiging van de aansprakelijkstelling, die tot dan toe was geregeld in art. 2:403 lid 2 BW overgebracht naar art. 2:404 BW(46). Art. 2:403 is wederom gewijzigd bij Wet van 10 november 1988, Stb. 571 (aanpassing aan de zevende richtlijn, richtlijn 83/349/EEG) en bij Wet van 13 december 1989, Stb. 1990, 1(47).”
r.o. 2.35“[…] op 15 juli 1985 ten kantore van het handelsregister te Zaandam een schriftelijke verklaring heeft neergelegd waarin zij zich hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de uit rechtshandelingen van AH voortvloeiende schulden. Niet is aannemelijk geworden dat deze verklaring ten tijde van de uitgifte van de obligatielening door Ahold of daarna is herroepen (hetgeen, zoals is bepaald in artikel 2:404 BW, zou hebben dienen te geschieden door neerlegging van een daartoe strekkende verklaring ten kantore van het handelsregister). Voorshands luidt dan ook de conclusie dat AH ingevolge artikel 2:403, lid 1 BW is vrijgesteld van de wettelijke verplichting tot het opmaken en publiceren van een (zelfstandige) jaarrekening.”
r.o. 4.3“[…] a.w., p. 182. 40 Kroeze/Timmerman/Wezeman, a.w., p. 183. 41 M.i. volgt dit uit artikel 2:403 lid 3 BW in combinatie met artikel 2:394 BW. Ook Maeijer lijkt deze mening toegedaan. Asser-Maeijer 2-III, 2000, nr. 438. Ook Koning lijkt van mening dat de op de vrijgestelde groepsdochter geen publicatieplicht rust. S.C.H. Koning, T & C Ondernemingsrecht, aantekening 1 bij artikel 2:404 BW. IJsselmuiden lijkt daar evenwel anders over te denken. Th. S. IJsselmuiden, rechtspersonenrecht, Losbladige uitgave, aantekening 2 bij artikel 2:403 BW. 42 Asser-Maeijer 2-III, 2000, nr. 438. 43 Rechtspersonenrecht, Losbladige uitgave, aantekening 3 bij artikel 2:403 BW. 44 Asser-Maeijer 2-III, 2000, nr. 438. 45 Aan art. 38a WJO ging art. 13 lid 3 WJO vooraf, maar dit artikel is, zo schrijft Beckman, nooit operationeel geworden. H. Beckman, De jaarrekeningvrijstelling voor afhankelijke groepsmaatschappijen, diss., 1995, p. 1. 46 Asser-Maeijer 2-III, 2000, nr. 438. 47 Om te kunnen voldoen aan de richtlijn van 8 december 1986 (86/635/EEG) betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen is art. 2:403 BW nogmaals aangepast […]”
r.o. 3.44Verzetrecht pandhouder tegen beëindiging overblijvende 403-aansprakelijkheid
“Eind 1999 en begin 2000 heeft Akzo Nobel haar vezelactiviteiten verkocht aan Acordis BV. In het kader van die transactie zijn op 3 januari 2000 alle aandelen van Akzo in IndustriePark aan een dochtervennootschap van Acordis BV, Acordis Services BV, overgedragen. Vooruitlopend daarop heeft Akzo Nobel op 27 december 1999 de onder 1.5 bedoelde aansprakelijkheidsverklaring ingetrokken met ingang van 1 januari 2000. Ter zake van de op basis van art. 2:404 lid 2 BW nog bestaande "overblijvende aansprakelijkheid" is een mededeling van het voornemen tot beëindiging daarvan als bedoeld in art. 2:404 lid 3 onder b BW eveneens op 27 december 1999 bij de Kamer van Koophandel te Arnhem gedeponeerd. De intrekking en het voornemen tot beëindiging zijn gepubliceerd als door de wet vereist. Door Acordis is tot dusver geen "403-verklaring" afgegeven.”
r.o. 1.6 · leden 2, 3“Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de arrondissementsrechtbank te Arnhem op 25 februari 2000, heeft ING de rechtbank verzocht primair te verklaren voor recht, althans te bepalen dat de aansprakelijkheid van Akzo Nobel voortvloeiend uit jegens ING voor de datum van het beroep op intrekking van haar aansprakelijkheidsverklaring, verrichte rechtshandelingen van IndustriePark blijft voortbestaan, althans deze aansprakelijkheid te laten voortbestaan, en subsidiair Akzo Nobel te veroordelen om jegens ING voldoende waarborgen te verschaffen voor de voldoening van haar vorderingen op IndustriePark waarvoor nog aansprakelijkheid loopt. ING heeft haar verzoek gegrond op art. 2:404 lid 5 BW.”
r.o. 1.8 · lid 5“Bij beschikking van 1 februari 2001 heeft de rechtbank ING in haar verzoek niet-ontvankelijk verklaard(2). De rechtbank heeft daartoe overwogen dat - daargelaten de door Akzo Nobel gevoerde verweren terzake van het bestaan en de geldigheid van het pandrecht van ING - ING als pandhouder niet kan worden aangemerkt als "de schuldeiser voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt", als bedoeld in art. 2:404 lid 5 BW.”
r.o. 1.10 · lid 5“Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam op 22 februari 2001, is ING in hoger beroep gekomen van deze beschikking. ING heeft aangevoerd dat zij als schuldeiser in de zin van art. 2:404 lid 5 BW is te beschouwen. Voorts heeft zij gesteld dat ING als pandhouder na mededeling van het pandrecht, bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen, zoals het instellen van verzet op grond van art. 2:404 lid 5 BW.”
r.o. 1.11 · lid 5
Rechtbanken (1)
Verzet schuldeisers tegen juridische fusie ongegrond: vermogenstoestand in artikel 2:316 lid 2 BW
Certificaathouders van een voormalige holding, onder wie een gesanctioneerde rechtspersoon, komen als gestelde schuldeisers in verzet tegen een juridische fusie op grond van artikel 2:316 lid 2 BW. De rechtbank beschouwt hen als schuldeisers, maar oordeelt dat met vermogenstoestand de financiële toestand wordt bedoeld en dat die geen reële twijfel geeft over voldoening van hun vorderingen. Zij maken niet aannemelijk dat verhaal feitelijk onmogelijk wordt; verlies van enquêtebevoegdheid en onmogelijke ongedaanmaking van een aandelenverkoop zijn geen beschermde belangen. Het verzet wordt opgeheven.