← Alle artikelen

Titel 9. De jaarrekening en het bestuursverslag · Afdeling 6. Voorschriften omtrent de grondslagen van waardering en van bepaling van het resultaat

Artikel 2:389 BW

In deze vorm in werking sinds 1 november 2015, laatst gewijzigd bij Stb. 2015, 349

1

De deelnemingen in maatschappijen waarin de rechtspersoon invloed van betekenis uitoefent op het zakelijke en financiële beleid, worden verantwoord overeenkomstig de leden 2 en 3. Indien de rechtspersoon of een of meer van zijn dochtermaatschappijen alleen of samen een vijfde of meer van de stemmen van de leden, vennoten of aandeelhouders naar eigen inzicht kunnen uitbrengen of doen uitbrengen, wordt vermoed dat de rechtspersoon invloed van betekenis uitoefent.

2

De rechtspersoon bepaalt de netto-vermogenswaarde van de deelneming door de activa, voorzieningen en schulden van de maatschappij waarin hij deelneemt te waarderen en haar resultaat te berekenen op de zelfde grondslagen als zijn eigen activa, voorzieningen, schulden en resultaat. Deze wijze van waardering moet worden vermeld.

3

Wanneer de rechtspersoon onvoldoende gegevens ter beschikking staan om de netto-vermogenswaarde te bepalen, mag hij uitgaan van een waarde die op andere wijze overeenkomstig deze titel is bepaald en wijzigt hij deze waarde met het bedrag van zijn aandeel in het resultaat en in de uitkeringen van de maatschappij waarin hij deelneemt. Deze wijze van waardering moet worden vermeld.

4

In de jaarrekening van een rechtspersoon die geen bank is als bedoeld in artikel 415 mag de verantwoording van een deelneming in een bank overeenkomstig afdeling 14 van deze titel geschieden. In de jaarrekening van een bank als bedoeld in artikel 415 wordt een deelneming in een rechtspersoon die geen bank is, verantwoord overeenkomstig de voorschriften voor banken met uitzondering van artikel 424 en onverminderd de eerste zin van lid 5.

Deze uitzondering behoeft niet te worden toegepast ten aanzien van deelnemingen, waarin werkzaamheden worden verricht, die rechtstreeks liggen in het verlengde van het bankbedrijf.

5

In de jaarrekening van een rechtspersoon die geen verzekeringsmaatschappij is als bedoeld in artikel 427 mag de verantwoording van een deelneming in een verzekeringsmaatschappij overeenkomstig afdeling 15 van deze titel geschieden. In de jaarrekening van een verzekeringsmaatschappij als bedoeld in artikel 427 wordt een deelneming in een rechtspersoon die geen verzekeringsmaatschappij is, verantwoord overeenkomstig de voorschriften voor verzekeringsmaatschappijen, onverminderd de eerste zin van lid 4 van dit artikel.

6

De rechtspersoon houdt een reserve aan ter hoogte van zijn aandeel in het positieve resultaat uit deelnemingen en in rechtstreekse vermogensvermeerderingen sedert de eerste waardering overeenkomstig lid 2 of lid 3. Deelnemingen waarvan het cumulatief resultaat sedert die eerste waardering niet positief is, worden daarbij niet in aanmerking genomen. De reserve wordt verminderd met de uitkeringen waarop de rechtspersoon sedertdien tot het moment van het vaststellen van de jaarrekening recht heeft verkregen, alsmede met rechtstreekse vermogensverminderingen bij de deelneming; uitkeringen die hij zonder beperkingen kan bewerkstelligen, worden eveneens in mindering gebracht. Deze reserve kan in kapitaal worden omgezet. Onder de in dit lid bedoelde uitkeringen worden niet begrepen uitkeringen in aandelen.

7

Indien de waarde bij de eerste waardering overeenkomstig lid 2 of lid 3 lager is dan de verkrijgingsprijs of de voorafgaande boekwaarde van de deelneming, wordt het verschil als goodwill geactiveerd. Voor deze berekening wordt ook de verkrijgingsprijs verminderd overeenkomstig artikel 385 lid 5.

8

Waardevermeerderingen of waardeverminderingen van deelnemingen wegens omrekening van het daarin geïnvesteerde vermogen en het resultaat vanuit de valuta van de deelneming naar de valuta waarin de rechtspersoon zijn jaarrekening opmaakt, komen ten gunste respectievelijk ten laste van een reserve omrekeningsverschillen. Valutakoersverschillen op leningen aangegaan ter dekking van valutakoersrisico van buitenlandse deelnemingen, komen eveneens ten gunste respectievelijk ten laste van deze reserve. De reserve kan een negatief saldo hebben. Bij gehele of gedeeltelijke vervreemding van het belang in de desbetreffende deelneming wordt het gedeelte van de reserve dat op het vervreemde deel van die deelneming betrekking heeft aan deze reserve onttrokken. Indien de reserve omrekeningsverschillen een negatief saldo heeft, kunnen ter hoogte van dit saldo geen uitkeringen worden gedaan ten laste van de reserves.

9

Wegens in de toelichting te vermelden gegronde redenen mag worden afgeweken van toepassing van lid 1.

10

Verschillen in het eigen vermogen en het resultaat volgens de enkelvoudige jaarrekening en volgens de geconsolideerde jaarrekening van de rechtspersoon worden in de toelichting bij de enkelvoudige jaarrekening vermeld.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:389 BW (2)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (1)

  • Hoge Raad · 21 januari 2011

    Beklemd vermogen artikel 2:18 lid 6 BW na omzetting pensioenstichting in NV; jaarrekening

    “[…] samengevat, het volgende overwogen. Onderscheid moet worden gemaakt tussen het ten tijde van de (middellijke) verwerving van de aandelen in Optas Pensioenen "meegekochte" beklemde vermogen en de sindsdien in handen van (indirect) Aegon aangegroeide vruchten van dat beklemde vermogen. Voor de post aangegroeide beklemde vruchten diende een 'wettelijke reserve deelnemingen' in de zin van art. 2:389 lid 6 BW (in verbinding met art. 2:373 lid 4 BW) te worden gevormd en gepresenteerd, nu immers dit deel van de resultaten van Optas Pensioenen niet zonder beperking aan de (middellijke) aandeelhouder uitkeerbaar is. Anders dan Aegon heeft gedaan, dient deze wettelijke reserve afzonderlijk onder het eigen vermogen te worden vermeld (artikel 2:373 lid 1, onder d, BW). Niet is vereist dat het "meegekochte" beklemde vermogen in de enkelvoudige jaarrekening van Aegon als statutaire reserve dient te worden verantwoord. De verwerving van een dochtervennootschap met een bestaande, statutair beklemde reserve leidt immers, op het niveau van de moedervennootschap, niet als zodanig tot het ontstaan van "eigen" beklemde reserves. Aldus is de verantwoording van het "meegekochte" beklemde vermogen […]”

    r.o. 3.7.1 · lid 6

    “Het onderdeel klaagt dat het oordeel van de ondernemingskamer blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk (gemotiveerd) is. Daartoe wordt onder meer het volgende aangevoerd. De ondernemingskamer heeft miskend dat het in art. 2:362 lid 1 BW bedoelde inzicht vergt dat het ten tijde van de (middellijke) verwerving van de aandelen in Optas Pensioenen "meegekochte" beklemde vermogen in deze (klein-)dochtervennootschap wordt verantwoord in de (enkelvoudige) jaarrekening van Aegon, waartoe voor het beklemde deel op zijn minst in de balans een separate reserve moet worden gevormd die het beklemde karakter van het vermogen uitdrukt. Een verantwoording van (uitsluitend) de aangegroeide vruchten als 'wettelijke reserve deelnemingen' in de balans en een toelichting op het eigen vermogen dat "[r]etained earnings includes a EUR 770 million statutory reserve for subsidiaries" (hiervoor in 3.5 onder rov. 2.21 vermeld), wekken de onjuiste indruk dat het beklemde vermogen uitkeerbaar is aan Aegon als (indirecte) aandeelhouder van Optas Pensioenen en bij verkoop te gelde kan worden gemaakt.”

    r.o. 3.7.2

    ECLI:NL:HR:2011:BN8852

Conclusies van de A-G (1)

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 januari 2011

    Conclusie: beklemd vermogen artikel 2:18 lid 6 BW in jaarrekening na omzetting stichting

    “[…] in Optas Pensioenen - 29 juni 2007 - "meegekochte" beklemde vermogen en de sindsdien in handen van (indirect) Aegon aangegroeide vruchten van dat beklemde vermogen. Wat die laatste post, de aangegroeide beklemde vruchten, betreft, is de Ondernemingskamer - in zoverre met Aegon c.s. - van oordeel dat (wèl) een wettelijke reserve - te weten een "wettelijke reserve deelnemingen" in de zin van art. 2:389 lid 6 BW (juncto artikel 2:373 lid 4 BW) - diende te worden gevormd en gepresenteerd, nu immers dit deel van de - sinds de (middellijke) verwerving door Aegon behaalde - resultaten van Optas Pensioenen niet zonder beperking aan de (middellijke) aandeelhouder uitkeerbaar is. Deze wettelijke reserve dient echter anders dan Aegon heeft gedaan - in de balans "onderscheiden naar [haar] aard" afzonderlijk onder het eigen vermogen te worden vermeld (artikel 2:373 lid 1 sub d BW), zodat ook hier niet kon worden volstaan met - louter - vermelding in de toelichting daarop. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer is niet vereist dat het per 29 juni 2007 bij Optas Pensioenen aanwezige, "meegekochte" beklemde vermogen in de enkelvoudige jaarrekening van Aegon (evenals bij Optas Pensioenen) als […]”

    r.o. 3.23 · lid 6

    “Voorts klaagt het onderdeel dat een 'wettelijke reserve deelnemingen' zonder duidelijke toelichting waarin de beklemming en haar gevolgen deugdelijk worden uitgelegd, niet het inzicht biedt dat het daarmee corresponderende eigen vermogen als uitgangspunt niet ter beschikking staat van Aegon als (indirecte) aandeelhouder. Dit geldt gelijkelijk voor het vruchtdragende beklemde vermogen. Met een beklemming is ook onverenigbaar dat, zoals art. 2:389 lid 6 BW bepaalt voor de wettelijke reserve deelnemingen, het beklemde vermogen in kapitaal zou kunnen worden omgezet, iets wat het publiek echter wel kan en zal denken bij lezing van de balans en de toelichting daarop van Aegon.(43)”

    r.o. 3.27 · lid 6

    “Voor zover de klacht betrekking heeft op het (vruchtdragende) beklemde vermogen, faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. De Ondernemingskamer heeft immers niet geoordeeld dat een wettelijke reserve als bedoeld in art. 2:389 lid 6 BW dient te worden aangehouden voor het beklemde vermogen. Het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 3.22 ten aanzien van de wettelijke reserve deelnemingen heeft betrekking op de aangegroeide vruchten van het beklemde vermogen.”

    r.o. 3.28 · lid 6

    “[…] een wettelijke reserve voor de aangegroeide vruchten, faalt de klacht evenzeer. De klacht dat de wettelijke reserve deelnemingen niet het inzicht biedt dat het daarmee corresponderende eigen vermogen als uitgangspunt niet ter beschikking staat van Aegon als (indirect) aandeelhouder, snijdt geen hout. Ingeval van waardering volgens de vermogensmutatiemethode dient per deelneming op grond van art. 2:389 lid 6 BW een wettelijke reservering te worden aangehouden, indien en voor zover de boekwaarde hoger is dan de op het verwervingsmoment in aanmerking genomen waarde. Het positieve saldo is alleen dan een wettelijke reserve indien de deelnemende rechtspersoon daarover niet kan beschikken. Dit kan verband houden met het niet kunnen afdwingen van een besluit tot uitkering of de omstandigheid dat een rechtspersoon op grond van wet- en regelgeving beperkt is in het uitkeren van winsten of reserves (bijv. door valutarestricties, wettelijke reserves en contractuele afspraken die uitkeringen beperken tot een bepaald minimumniveau van het eigen vermogen van de deelneming).(44) Uit de wettelijke reservering vloeit dus juist voort dat Aegon niet over het corresponderende eigen vermogen kan […]”

    r.o. 3.29 · lid 6

    ECLI:NL:PHR:2011:BN8852