Titel 9. De jaarrekening en het bestuursverslag · Afdeling 2. Algemene bepalingen omtrent de jaarrekening
Artikel 2:362 BW
In deze vorm in werking sinds 27 juni 2017, laatst gewijzigd bij Stb. 2017, 235
De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon. Indien de internationale vertakking van zijn groep dit rechtvaardigt kan de rechtspersoon de jaarrekening opstellen naar de normen die in het maatschappelijk verkeer in een van de andere lidstaten van de Europese Gemeenschappen als aanvaardbaar worden beschouwd en het in de eerste volzin bedoelde inzicht geven.
De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het vermogen en zijn samenstelling in actief- en passiefposten op het einde van het boekjaar weer. De balans mag het vermogen weergeven, zoals het wordt samengesteld met inachtneming van de bestemming van de winst of de verwerking van het verlies, of, zolang deze niet vaststaat, met inachtneming van het voorstel daartoe. Bovenaan de balans wordt aangegeven of daarin de bestemming van het resultaat is verwerkt.
De winst- en verliesrekening met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het resultaat van het boekjaar en zijn afleiding uit de posten van baten en lasten weer.
Indien het verschaffen van het in lid 1 bedoelde inzicht dit vereist, verstrekt de rechtspersoon in de jaarrekening gegevens ter aanvulling van hetgeen in de bijzondere voorschriften van en krachtens deze titel wordt verlangd. Indien dit noodzakelijk is voor het verschaffen van dat inzicht, wijkt de rechtspersoon van die voorschriften af; de reden van deze afwijking wordt in de toelichting uiteengezet, voor zover nodig onder opgaaf van de invloed ervan op vermogen en resultaat.
De baten en lasten van het boekjaar worden in de jaarrekening opgenomen, onverschillig of zij tot ontvangsten of uitgaven in dat boekjaar hebben geleid.
De jaarrekening wordt vastgesteld met inachtneming van hetgeen omtrent de financiële toestand op de balansdatum is gebleken tussen het opmaken van de jaarrekening en de algemene vergadering waarin zij wordt behandeld, voor zover dat onontbeerlijk is voor het in lid 1 bedoelde inzicht. Blijkt nadien dat de jaarrekening in ernstige mate tekortschiet in het geven van dit inzicht, dan bericht het bestuur daaromtrent onverwijld aan de leden of aandeelhouders en deponeert een mededeling daaromtrent bij het handelsregister; bij de mededeling wordt een accountantsverklaring gevoegd, indien de jaarrekening overeenkomstig artikel 393 is onderzocht. Een rechtspersoon waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht wordt geacht te hebben voldaan aan de verplichting om de mededeling, bedoeld in tweede volzin, te deponeren bij het handelsregister, indien zij de mededeling op grond van artikel 5:25m, vijfde lid, van die wet heeft toegezonden aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten.
Indien de werkzaamheid van de rechtspersoon of de internationale vertakking van zijn groep dat rechtvaardigt, mag de jaarrekening of alleen de geconsolideerde jaarrekening worden opgesteld in een vreemde geldeenheid. De posten worden in de Nederlandse taal omschreven, tenzij de algemene vergadering tot het gebruik van een andere taal heeft besloten.
Een rechtspersoon kan de jaarrekening opstellen volgens de door de International Accounting Standards Board vastgestelde en door de Europese Commissie goedgekeurde standaarden, mits de rechtspersoon daarbij alle voor hem van toepassing zijnde vastgestelde en goedgekeurde standaarden toepast. Een rechtspersoon die de geconsolideerde jaarrekening opstelt volgens deze titel, kan niet de enkelvoudige jaarrekening opstellen volgens de vastgestelde en goedgekeurde standaarden. Een rechtspersoon die de geconsolideerde jaarrekening opstelt volgens de in de eerste zin van dit lid genoemde standaarden, kan in de enkelvoudige jaarrekening de waarderingsgrondslagen toepassen die hij ook in de geconsolideerde jaarrekening heeft toegepast.
De rechtspersoon die de jaarrekening opstelt volgens de in lid 8 bedoelde standaarden, past van deze titel slechts de afdelingen 7 tot en met 10 en de artikelen 362, lid 6, een na laatste volzin, lid 7, laatste volzin en lid 10, 365 lid 2, 373, 379 leden 1 en 2, 380b, onderdeel d, 382, 382a, 383, 383b tot en met 383e, 389 leden 8 en 10, en 390 toe. Banken passen tevens artikel 421 lid 5 toe. Verzekeraars passen tevens artikel 441 lid 10 toe.
De rechtspersoon vermeldt in de toelichting volgens welke standaarden de jaarrekening is opgesteld.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:362 BW (17)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (4)
Beklemd vermogen artikel 2:18 lid 6 BW na omzetting pensioenstichting in NV; jaarrekening
“[…] 2008. Ter zake van deze jaarrekeningen zijn door Ernst & Young Accountants LLP goedkeurende verklaringen afgegeven. Aegon heeft haar geconsolideerde jaarrekening opgemaakt in overeenstemming met IAS/IFRS, zoals aanvaard binnen de Europese Unie. Haar enkelvoudige jaarrekening is opgemaakt in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 BW. Aegon heeft hierbij gebruik gemaakt van de mogelijkheid van art. 2:362 lid 8 BW om in de enkelvoudige jaarrekening dezelfde waarderingsgrondslagen te hanteren als toegepast in de geconsolideerde jaarrekening. Ook de Optas Vennootschappen hebben haar jaarrekeningen conform art. 2:362 lid 8 BW opgemaakt in overeenstemming met IAS/IFRS.”
r.o. 3.5 · lid 8“Het onderdeel klaagt dat het oordeel van de ondernemingskamer blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk (gemotiveerd) is. Daartoe wordt onder meer het volgende aangevoerd. De ondernemingskamer heeft miskend dat het in art. 2:362 lid 1 BW bedoelde inzicht vergt dat het ten tijde van de (middellijke) verwerving van de aandelen in Optas Pensioenen "meegekochte" beklemde vermogen in deze (klein-)dochtervennootschap wordt verantwoord in de (enkelvoudige) jaarrekening van Aegon, waartoe voor het beklemde deel op zijn minst in de balans een separate reserve moet worden gevormd die het beklemde karakter van het vermogen uitdrukt. Een verantwoording van (uitsluitend) de aangegroeide vruchten als 'wettelijke reserve deelnemingen' in de balans en een toelichting op het eigen vermogen dat "[r]etained earnings includes a EUR 770 million statutory reserve for subsidiaries" (hiervoor in 3.5 onder rov. 2.21 vermeld), wekken de onjuiste indruk dat het beklemde vermogen uitkeerbaar is aan Aegon als (indirecte) aandeelhouder van Optas Pensioenen en bij verkoop te gelde kan worden gemaakt.”
r.o. 3.7.2 · lid 1“Deze klachten falen. Het oordeel van de ondernemingskamer geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het op de voet van art. 2:362 BW vereiste inzicht dat de enkelvoudige jaarrekening van Aegon dient te bieden met betrekking tot het in Optas Pensioenen "meegekochte" beklemde vermogen en de sindsdien gekweekte vruchten van dat beklemde vermogen. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Zoals de ondernemingskamer terecht heeft overwogen, leidt de verwerving van een dochtervennootschap met een bestaande, statutair beklemde reserve op het niveau van de moedervennootschap niet tot het ontstaan van "eigen" beklemde reserves. Voorts heeft de ondernemingskamer, op grond van de vaststaande feiten (hiervoor in 3.5 weergegeven), waaronder de in het onderdeel geciteerde zinsnede van de toelichting op de jaarrekening, kunnen oordelen dat in de jaarrekening voldoende duidelijk wordt gemaakt dat het beklemde vermogen (van Optas Pensioenen) in beginsel niet voor uitkering aan aandeelhouders beschikbaar is. Met betrekking tot een verantwoording van de aangegroeide vruchten als 'wettelijke reserve deelnemingen' ziet de klacht eraan […]”
r.o. 3.7.3Afwaardering vordering op failliete debiteur in jaarrekening; artikel 2:362 lid 6 en 2:384 lid 2 BW
“Middel 1 behelst de rechtsklacht dat het in rov. 3.8 gegeven oordeel strijdig is met de, in het bijzonder in art. 2:362 lid 6 BW neergelegde, regel dat de jaarrekening wordt vastgesteld met inachtneming van hetgeen omtrent de financiële toestand op de balansdatum is gebleken tussen het opmaken van de jaarrekening en de algemene vergadering waarin zij wordt behandeld. Volgens het middel heeft de ondernemingskamer deze regel geschonden door de afwijzing van de gevorderde afwaardering van de vordering op [A] te stoelen op een rechterlijke uitspraak van na de datum waarop de jaarrekening in de algemene vergadering van aandeelhouders is vastgesteld, terwijl effecten van een gebeurtenis die zich heeft voltrokken na de datum van vaststelling van de jaarrekening bij de waardering van posten op de jaarrekening geen rol mogen spelen. Naar luid van het middel verwart de ondernemingskamer aldus kennis die zij ten tijde van arrestwijzing in 2008 had met de kennis die men in 2004 ten tijde van het vaststellen van de jaarrekening had.”
r.o. 3.4.1 · lid 6“Het middel faalt. De jaarrekening wordt ingevolge art. 2:362 lid 6 BW vastgesteld met inachtneming van hetgeen omtrent de financiële toestand op de balansdatum is gebleken tussen het opmaken van de jaarrekening en de algemene vergadering waarin zij wordt behandeld, voor zover zulks onontbeerlijk is voor het in lid 1 van die bepaling bedoelde inzicht. Blijkens de weergave in het faxbericht van 28 september 2004 van het gesprek van 20 augustus 2004 van de advocaat van [eiseres] in feitelijke aanleg met de accountant van [verweerster] (bijlage IV van productie 3 bij akte na deskundigenverhoor, ook genoemd onder 17 van de cassatiedagvaarding), stelde de accountant zich op het standpunt, zakelijk weergegeven, dat de vordering op [A] niet tot nihil behoefde te worden afgewaardeerd omdat de curator van [A] in een gerechtelijke procedure erin zou kunnen slagen door het stellen van een benadelingshandeling een bepaald bedrag voor de failliete boedel te incasseren. Met de gewraakte overweging heeft de ondernemingskamer tot uitdrukking gebracht dat [verweerster] in de gegeven omstandigheden aan de - vóór de vaststelling van de jaarrekening klaarblijkelijk reeds door [verweerster] […]”
r.o. 3.4.2 · lid 6AFM-verzoek tot wijziging jaarrekening 2006 Spyker afgewezen; maatstaf en stelplicht
“[…] bij de AFM gedeponeerd op 23 april 2007. Spyker heeft haar geconsolideerde jaarekening 2006 opgesteld volgens de door de International Accounting Standard Board vastgestelde en door de Europese Commissie goedgekeurde International Accounting Standards (hierna: IAS) en de International Financial Reporting Standards (hierna: IFRS). Zij heeft gebruik gemaakt van de in de laatste volzin van art. 2:362 lid 8 BW vermelde mogelijkheid ook de enkelvoudige jaarrekening 2006 op basis van deze waarderingsgrondslagen op te stellen. (ii) Spyker heeft sinds haar oprichting geen winsten gerapporteerd. In het Financieel Verslag is onder meer vermeld dat "the company has shown negative operating results and cash flows in the preceding years. These conditions indicate the existence of material uncertainty which may cast significant doubt about the company's ability to continue as going concern." (iii) De balans van Spyker per 31 december 2006 bevat een latente belastingvordering van € 4.725.000,--. Deze vordering betreft het tegen te verwachten tarieven gewaardeerde, met geschatte toekomstige winsten te compenseren totale nominale bedrag aan verliezen uit het verleden, waarbij rekening is […]”
r.o. 3.1 · lid 8“Bij de beoordeling van deze klachten moet worden vooropgesteld dat de ondernemingskamer de jaarrekening van Spyker op de door de AFM aangevoerde punten van kritiek heeft getoetst aan de IFRS en aan de wettelijke bepalingen van Boek 2 BW en tot de conclusie is gekomen (in rov. 3.59) dat niet kan worden gezegd dat het Financieel Verslag 2006 in zijn geheel dan wel de jaarrekening 2006 (of overige gegevens) als onderdeel daarvan, niet voldoet of voldoen aan hetgeen op grond van de wet en de IFRS is vereist. Ook in haar overwegingen met betrekking tot ieder van de hoofdbezwaren afzonderlijk heeft de ondernemingskamer geoordeeld dat ondanks enkele door haar gesignaleerde tekortkomingen, de jaarrekening 2006 van Spyker een voldoende inzicht geeft als bedoeld in het eerste lid van art. 2:362 BW en niet in strijd met de IFRS is opgemaakt. Dit oordeel houdt in dat ook een getrouw beeld wordt gegeven overeenkomstig de IAS. Uitgaande van dit oordeel heeft de ondernemingskamer de door haar op enkele onderdelen gesignaleerde tekortkomingen of afwijkingen van de voorschriften niet voldoende ernstig geacht om een bevel in de zin van art. 2:447 lid 1 BW als door de AFM verzocht te geven.”
r.o. 3.4.2 · lid 1KPN/SOBI
Jaarrekening KPN: maatstaf inzicht artikel 2:362 BW, Richtlijnen en impairment
“Vervolgens heeft de ondernemingskamer in rov. 3.6 van dat tussenarrest overwogen dat de rubricering van die verwateringswinst onder "overige bedrijfsopbrengsten" het door art. 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht in (de opbouw van) het resultaat versluiert, aangezien KPN geen handelaar in telecombedrijven is en heeft zij aangegeven op welke wijze de verwateringswinst wel had dienen te worden verwerkt, namelijk ofwel door opneming onder een afzonderlijke post "Resultaat uit niet-operationele bedrijfsvoering" (of een soortgelijke benaming) dan wel onder de "bijzondere baten". In rov. 3.2 van het eindarrest heeft de ondernemingskamer dit laatste aldus gecorrigeerd, dat KPN, voor het geval zij meende niet te mogen afwijken van de Modellen voor de jaarrekening, de verwateringswinst onder de post "buitengewone baten" had dienen op te nemen. In rov. 3.7 van het tussenarrest van 7 november 2002 heeft de ondernemingskamer benadrukt dat een juiste plaatsing van de verwateringswinst in de winst- en verliesrekening op de voet van het in de voorafgaande rov. 3.6 overwogene noodzakelijk is omdat alleen op die wijze het relatieve belang van de desbetreffende post voldoende tot uitdrukking komt. Aan […]”
r.o. 4.3.2 · lid 1“Door, niettegenstaande vorenweergegeven omlijning van het bewaar door SOBI, vervolgens eigener beweging te beoordelen of de wijze waarop deze verwateringswinst in de winst- en verliesrekening is gerubriceerd het in art. 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht biedt, heeft de ondernemingskamer in strijd met art. 24 Rv. de feitelijke grondslag van de vordering aangevuld. Het staat de ondernemingskamer niet vrij haar beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer zijn ten grondslag gelegd (vgl. HR 29 maart 1996, nr. 15 958, NJ 1996, 421; HR 1 oktober 2004, nr. C03/093, NJ 2005, 92).”
r.o. 4.5 · lid 1“Onderdeel 1.3 slaagt derhalve. Het bestreden eindarrest kan niet in stand blijven. Voor het bevel aan KPN de jaarrekening over het boekjaar 2000 ter zake van de NTT DoCoMo transactie op de in het dictum onder 1) vermelde wijze in te richten is geen plaats.”
r.o. 4.6“Bij de beoordeling van het onderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of de jaarrekening het in art. 2:362 BW vereiste inzicht geeft, moet op de voet van het eerste lid van die bepaling worden onderzocht of zulks het geval is volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd. Bij de vaststelling daarvan zijn, gelet ook op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving van belang. De voorschriften van deze Richtlijnen kunnen immers een belangrijk oriëntatiepunt en gezaghebbende kenbron vormen voor wat in het concrete geval als aanvaardbaar heeft te gelden. Ingeval de rechtspersoon bij het vaststellen van de jaarrekening is gekomen tot waarderingen die met deze voorschriften stroken, kan zulks een belangrijke aanwijzing vormen dat het vereiste inzicht is verschaft en dat de ruimte die in redelijkheid aan de rechtspersoon moet worden gelaten bij haar keuze voor de waardering van bepaalde posten niet is overschreden.”
r.o. 5.5
Conclusies van de A-G (12)
Zorgplicht controlerend accountant jegens derden; wettelijke taak, conceptjaarrekening en causaal verband
“In de zojuist aangehaalde r.o. 5.4.1 van Vie d’Or wordt verwezen naar de informatie zoals deze naar buiten komt door (de veelal wettelijk verplichte) openbaarmaking van de jaarrekening en een goedkeurende verklaring van de externe controlerende accountant. In de concrete invulling van de zorgplicht jegens derden die geldt voor deze informatie is de wettelijke controletaak van art. 2:393 BW te herkennen, zoals die is uitgewerkt in art. 2:362 lid 1 BW. Van belang, en daaraan refereert de Hoge Raad ook in Vie d’Or, is dat de accountant bij de uitvoering van zijn wettelijke controletaak ook de belangen van derden in acht moet nemen. De accountant dient daarmee ook een wezenlijk publiek belang, aldus de Hoge Raad.”
r.o. 4.15 · lid 1Jaarrekeningprocedure: ontvankelijkheid aandeelhouder en classificatie ingekochte aandelen als vreemd vermogen
“[…] bedrag in het eigen vermogen te verantwoorden, de economische realiteit miskent dat de aandelen zijn “ingekocht” en niet meer voor rekening en risico van [verweerster] komen. Aldus wordt de vermogenspositie van GGN Brabant beter voorgesteld dan deze daadwerkelijk is, waardoor op basis van de Jaarrekening geen verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat (art. 2:362 lid 1 BW) en de balans met toelichting niet getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte en de samenstelling van het vermogen weergeeft (art. 2:362 lid 2 BW). De “inkoop” vloeit ingevolge de Participantenovereenkomst voort uit de opzegging door [verweerster] / [betrokkene 1] . Primair zijn [verzoekers] van mening dat GGN geen beroep op art. 5 lid 23 heeft gedaan en dat [verweerster] uit hoofde van de afspraken van 3 april 2013 een opeisbare vordering op GGN Brabant heeft. De concept-leningovereenkomst van 11 september 2013 was een eenzijdig door GGN opgesteld document en was strijdig met de afspraken van 3 april 2013. Subsidiair heeft te gelden dat hoe dan ook een koopovereenkomst ter zake van de inkoop tot stand is gekomen en dat bij toepassing van art. 5 lid 23 de koopsom […]”
r.o. 2.2 · leden 1, 2“[…] getrokken dat het bestuur de regelgeving correct heeft toegepast, zodat Accon het standpunt derhalve heeft gevolgd. Ter verduidelijking van de situatie is in de jaarrekening (...) tevens een uitgebreide toelichting opgenomen bij zowel de post deelnemingen als het eigen vermogen. (...) [verweerster] (stelt) zich op het standpunt dat het vereiste van stelselmatigheid, zoals bedoeld in artikel 2:362 BW zou zijn geschonden. Daarvan is echter geen sprake. De waarderingsgrondslagen van GGN Brabant zijn ongewijzigd. De waardering van GGN Holding vond en vindt plaats op basis van de netto vermogenswaarde. De netto vermogenswaarde is per 31 december 2016 gewijzigd ten opzichte van 31 december 2015 als gevolg van enerzijds het behaalde resultaat in 2016 en anderzijds de mutatie van [het] per saldo niet ingekochte certificaat. Het eigen vermogen en vreemd vermogen zijn in de jaarrekening (...) conform de juridische vorm opgenomen. Dit betekent dat de jaarrekening 2016 (...) op dezelfde grondslagen is samengesteld als de jaarrekening 2015 en er dus geen stelselwijziging heeft plaatsgevonden.””
r.o. 2.4“GGN Brabant stelt zich op het standpunt dat zij in de Jaarrekening bij deze juridische realiteit mocht aansluiten door de aandelen A tot het eigen vermogen te rekenen en dat niet gezegd kan worden dat de Jaarrekening daardoor niet het door artikel 2:362 BW vereiste inzicht geeft. Zij beroept zich hierbij op het bepaalde onder B8.106 van de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving van micro- en kleine ondernemingen, welke bepaling inhoudt: “Bij de classificatie van financiële instrumenten in de enkelvoudige jaarrekening als eigen vermogen of als vreemd vermogen is de juridische vorm bepalend. Dit betekent bijvoorbeeld dat aandelen worden gerubriceerd als eigen vermogen en schulden als vreemd vermogen.””
r.o. 3.18“Gelet op de functie van de jaarrekening als financieel verantwoordingsinstrument ten behoeve van het maatschappelijk verkeer dient het begrip “de juridische vorm” naar het oordeel van de Ondernemingskamer in die zin te worden uitgelegd, dat uit het vermogensrecht voortvloeiende verplichtingen worden verantwoord als onderdelen van het vreemd vermogen van de rechtspersoon. Gelet op de essentiële functie van de afbakening van eigen vermogen en vreemd vermogen wordt alleen op die wijze recht gedaan aan het door art. 2:362 BW vereiste inzicht in het vermogen en het resultaat dan een zuiver goederenrechtelijke uitleg.”
r.o. 3.21Conclusie: jaarrekening 2017 GGN Holding, uittreders als vreemd vermogen, inzichtsvereiste
“[…] GGN Holding. In de enkelvoudige jaarrekening 2017 van GGN Holding worden de aanspraken van [verweerster] (en andere uittreders) ten onrechte niet als verplichting weergegeven en uit de toelichting blijkt dat het bedrag van deze aanspraken tot de agioreserve wordt gerekend. Daarmee wordt de vermogenspositie van GGN Holding beter voorgesteld dan zij is en biedt de jaarrekening niet het door art. 2:362 BW vereiste inzicht. De geconsolideerde jaarrekening 2017 weerspiegelt wel de economische realiteit met betrekking tot de verplichtingen van GGN Holding jegens uittreders. Hiermee wijkt deze jaarrekening af van de geconsolideerde jaarrekening 2016. Ten onrechte is deze wijziging geduid als “voortschrijdend inzicht”. Feiten en omstandigheden noch de relevante wet- en regelgeving zijn gewijzigd. De wijziging diende daarom als foutherstel te worden geduid (rov. 3.2).”
r.o. 2.1“GGN Holding heeft zich voor dit geval subsidiair op het standpunt gesteld dat zij in de enkelvoudige jaarrekening, ondanks het bestaan van een inkoopverplichting jegens de uittreders, de indirect door uittreders gehouden certificaten tot haar eigen vermogen mocht rekenen en dat niet gezegd kan worden dat haar enkelvoudige jaarrekening daardoor niet het door art. 2:362 BW vereiste inzicht geeft. Zij heeft hiertoe een opinie van prof. [betrokkene 4] in het geding gebracht. [verweerster] heeft dit standpunt betwist bij wege van een opinie van [betrokkene 2] .”
r.o. 3.19“De Ondernemingskamer kan GGN Holding hierin niet volgen. Zoals is overwogen in de beschikking inzake de jaarrekening 2016 van GGN Brabant dient, gelet op de functie van de jaarrekening als financieel verantwoordingsinstrument ten behoeve van het maatschappelijk verkeer, het begrip “de juridische vorm” in die zin te worden uitgelegd dat uit het vermogensrecht voortvloeiende verplichtingen worden verantwoord als onderdelen van het vreemd vermogen van de rechtspersoon. Gelet op de essentiële functie van de afbakening van het eigen vermogen en vreemd vermogen wordt alleen op die wijze recht gedaan aan het door art. 2:362 BW vereiste inzicht in het vermogen en het resultaat. De zuiver goederenrechtelijke uitleg die GGN Holding voorstaat, voldoet hieraan niet.”
r.o. 3.21“Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de enkelvoudige jaarrekening tekort schiet in het door art. 2:362 BW vereiste inzicht. Het verzoek is toewijsbaar voor zover het een aanwijzing aan GGN Holding betreft om in de enkelvoudige balans een verplichting op te nemen voor hetgeen GGN Holding uit hoofde van de Participantenovereenkomst en de met uittreders gemaakte afspraken (indirect, via de desbetreffende regionale houdstervennootschap) aan de uittreders verschuldigd is. Daarbij is het aan GGN Holding om - binnen de grenzen van de redelijkheid - te bepalen welke gevolgen voor de (toelichting op) de jaarrekening zij verbindt aan de met onderscheiden uittreders gemaakte afspraken en aan (haar standpunten in) juridische geschillen terzake. GGN Holding dient bij deze balanspost een toelichting te verstrekken die recht doet aan de Participantenovereenkomst, met name aan het bepaalde in art. 5 lid 23 daarvan, en de met uittreders gemaakte afspraken. Dienovereenkomstig dient GGN Holding het eigen vermogen in haar balans aan te passen door een vermindering van de agioreserve (de in de beschikking van 28 juni 2018 aan GGN Brabant gegeven aanwijzing om ook het nominaal kapitaal te […]”
r.o. 3.25Afgeleide schade moedervennootschap en vereenzelviging met dochters bij gederfde winst
“[…] komen, maar dat dit afhankelijk is van tal van factoren. Het resultaat van deze vennootschappen na belastingen, dat aan het einde van elk boekjaar wordt vastgesteld, is niet gelijk te stellen met enkel de te behalen winsten op reversals indien ING voldoende leenstukken ter beschikking had gesteld, maar is een afleiding uit de verschillende baten en lasten van de vennootschappen (vgl. de artt. 2:362 en 2:377 BW). Voorts wordt pas toegekomen aan een uitkering of reservering van de winst, voor zover het eigen vermogen groter is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden (art. 2:216 lid 1 BW). Cross Options had dan ook feiten en omstandigheden moeten aanvoeren waaruit volgt dat de door Cross Options gestelde schade (bestaande uit gederfde winst) als gevolg van het feit dat door ING gedurende de periode van 1 april 1991 tot en met 31 december 1992 niet voldoende leenstukken ter beschikking waren gesteld aan Extra niet beïnvloed werd door omstandigheden aan de zijde van de werkmaatschappijen, hetgeen Cross Options echter heeft nagelaten. Dat Cross Options en de werkmaatschappijen volgens Cross Options een fiscale eenheid hebben gevormd speelt bij […]”
r.o. 2.28Conclusie A-G: weerlegging bewijsvermoeden artikel 2:248 lid 2 BW bij niet-tijdige publicatie jaarrekening
“Aldus legt het middel een verband tussen de solvabiliteit van een onderneming en de beschikbaarheid van liquide middelen, dat mijns inziens niet bestaat. Het begrip ‘solvabiliteit’ wordt, naast ‘liquiditeit’, genoemd in art. 2:362 lid 1 BW. IJsselmuiden in GS Rechtspersonen citeert voor de betekenis van beide begrippen het klassieke leerboek van de bedrijfseconomie van Slot: ‘Onder liquiditeit wordt verstaan het vermogen van de onderneming, het evenwicht te bewaren tussen haar ontvangsten en uitgaven, zodat zij haar betalingsverplichtingen steeds op tijd kan voldoen. (…) Onder solvabiliteit wordt verstaan de verhouding tussen de waarde van de totale activa en het totale vreemde vermogen.’”
r.o. 2.39 · lid 1Conclusie: beklemd vermogen artikel 2:18 lid 6 BW in jaarrekening na omzetting stichting
“[…] 2008. Ter zake van deze jaarrekeningen zijn door Ernst & Young Accountants LLP goedkeurende verklaringen afgegeven. Aegon heeft haar geconsolideerde jaarrekening opgemaakt in overeenstemming met IAS/IFRS, zoals aanvaard binnen de Europese Unie. Haar enkelvoudige jaarrekening is opgemaakt in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 BW. Aegon heeft hierbij gebruik gemaakt van de mogelijkheid van art. 2:362 lid 8 BW om in de enkelvoudige jaarrekening dezelfde waarderingsgrondslagen te hanteren als toegepast in de geconsolideerde jaarrekening. Ook de Optas Vennootschappen hebben haar jaarrekeningen conform art. 2:362 lid 8 BW opgemaakt in overeenstemming met IAS/IFRS.”
r.o. 2.1 · lid 8“Bij dit alles moet bovendien in aanmerking worden genomen dat de onderhavige zaak een jaarrekeningenprocedure betreft, waarbij het erom gaat dat de jaarrekening overeenkomstig art. 2:362 BW een zodanig inzicht geeft dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat. Bij de waardering van bepaalde posten komt de ondernemingsleiding een zekere beoordelingsvrijheid toe.(24)”
r.o. 3.14“[…] aan aandeelhouders beschikbaar eigen vermogen, althans niet zonder toestemming van de rechter.(40) In dit verband lijkt het onderdeel ook voorbij te gaan aan de toelichting in de balans op deze post, waarin de aard van de beklemming wordt uiteengezet en waaruit dus ook blijkt dat de statutaire omzettingsreserve niet voor uitkering aan de aandeelhouders in aanmerking komt. Op grond van art. 2:362 lid 1 BW (alsmede op grond van het principle based karakter van IAS/IFRS) dient de jaarrekening volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht te geven dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon.(41) Naar mijn mening voldoet de door de Ondernemingskamer gekozen aansluiting bij de in art. 2:373 lid 1 sub e BW vermelde statutaire reserves hieraan. Niet valt in te zien dat de Ondernemingskamer náást de door de Stichting BPVH opgeworpen mogelijkheden van presentatie in de jaarrekening van het beklemde vermogen, die de Ondernemingskamer in rov. 3.17 (vreemd vermogen) […]”
r.o. 3.22 · lid 1“[…] geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat sprake is van complexe wet- en regelgeving met zich brengt dat niet kan worden gezegd dat de enkelvoudige jaarrekeningen niet een getrouw beeld geven van de grootte en samenstelling van het vermogen en het resultaat van Optas Pensioenen en Aegon (zie 3.39 hierboven). Meer inhoudelijk geldt bovendien dat de wettelijke normen - zoals de grondnorm van art. 2:362 lid 1 BW - soms vaag zijn. Het gevolg hiervan kan zijn dat voor het weergeven van bepaalde verhoudingen verschillende manieren van presentatie ervan in de jaarrekening ieder op zich voldoende inzicht geven, maatschappelijk aanvaardbaar zijn en daarmee geacht moeten worden in overeenstemming met de wet te zijn. Hierbij kan bijvoorbeeld van belang zijn hoe een bepaalde post in de toelichting op de jaarrekening is verduidelijkt. De door de wetgever gebruikte terminologie wijst ook in die richting: de uitdrukking 'maatschappelijk aanvaardbaar' wijst op een zekere vrijheid van de ondernemingsleiding. Het gaat hierbij niet om een optimaal of maximaal inzicht. Voldoende is dat het geboden inzicht tot een verantwoord oordeel in staat stelt.(54) Nu de Ondernemingskamer de tekortkomingen in […]”
r.o. 3.43 · lid 1Jaarrekening: afwaardering vordering na faillissement debiteur en gebeurtenissen na vaststelling
“Middel 1 klaagt er met een rechtsklacht over dat de Ondernemingskamer(11) haar oordeel in het bijzonder baseert op het vonnis van de rechtbank Haarlem van 25 mei 2005. Hiermee schendt de Ondernemingskamer (aldus het middel in onderdeel 1) de regel uit het jaarrekeningenrecht, onder andere neergelegd in art. 2:362 lid 6 BW, dat de jaarrekening wordt vastgesteld met inachtneming van hetgeen omtrent de financiële toestand op de balansdatum is gebleken tussen het opmaken van de jaarrekening en de algemene vergadering waarin zij wordt behandeld, voor zover dat onontbeerlijk is voor het in art. 2:362 lid 1 BW bedoelde inzicht.(12) Deze regel is (zo vervolgt het middel) tevens neergelegd in de door de Raad voor de Jaarverslaggeving uitgevaardigde Richtlijnen voor de jaarverslaggeving, te weten in Richtlijn 160 ("Gebeurtenissen na balansdatum") in paragraaf (160.)2 ("Verwerking. Gebeurtenissen na balansdatum die nadere informatie geven over de feitelijke situatie op balansdatum"). Deze luidt als volgt: "Gebeurtenissen die blijken na balansdatum tot aan de datum van het opmaken van de jaarrekening [...] en nadere informatie geven over de feitelijke situatie op balansdatum, dienen bij het […]”
r.o. 3.3 · leden 1, 6“[…] door het bestuur; b. datum opmaken jaarrekening tot datum vaststellen jaarrekening door algemene vergadering van aandeelhouders; c. periode na vaststelling. Met betrekking tot deze perioden bepaalt de wet (kort gezegd) als volgt:(16) periode a.:art. 2:384 lid 2 BW: Gebeurtenissen na balansdatum moeten in acht worden genomen tot de datum van het opmaken van de jaarrekening. periode b.:art. 2:362 lid 6, eerste zin BW: De jaarrekening wordt vastgesteld met inachtneming van hetgeen omtrent de financiële toestand op de balansdatum is gebleken tussen het opmaken van de jaarrekening en de algemene vergadering waarin zij wordt behandeld (vastgesteld), voor zover dat onontbeerlijk is voor het in art. 2:362 lid 1 BW bedoelde inzicht (zie voetnoot 12).(17) periode c.:art. 2:362 lid 6, tweede zin BW: Blijkt na de vaststelling van de jaarrekening dat de jaarrekening in ernstige mate tekortschiet in het geven van het in art. 2:362 lid 1 BW bedoelde inzicht, dan bericht het bestuur daaromtrent onverwijld aan de leden of aandeelhouders en aan het handelsregister (de zogenaamde "désaveuverklaring").”
r.o. 3.6 · leden 1, 6“[…] Ondernemingskamer van 26 juni 2008. De cassatiedagvaarding is van 26 september 2008. 9 Het middel merkt (in onderdeel 1) terecht op dat voor "opstellen" gelezen moet worden: "vaststellen". 10 Het vonnis van de rechtbank Haarlem van 25 mei 2005 is overgelegd als productie 3, bijlage V bij conclusie van antwoord in eerste aanleg van 13 oktober 2005. 11 Het middel heeft het over "het hof". 12 Art. 2:362 lid 1 BW luidt: "De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon. [...]" Bij Wet van 9 juli 2004 (Stb. 2004, 370, in werking getreden op 1 oktober 2004) is art. 2:362 BW gewijzigd. Het nieuwe art. 2:362 BW is van toepassing op jaarrekeningen over de boekjaren vanaf 1 januari 2005. Het - in casu toepasselijke - oude art. 2:362 BW is met betrekking tot de voor de onderhavige zaak relevante bepalingen ongewijzigd gebleven. 13 Het middel lijkt Richtlijn 160 (2002) aan te halen. Richtlijn 160 (2002) […]”
r.o. 3.26 · lid 1Conclusie A-G: AFM-jaarrekeningprocedure tegen Spyker, beleidsvrijheid OK bij IFRS-afwijkingen
“Spyker heeft in overeenstemming met Verordening (EG) 1606/2002 (hierna de IAS-verordening) haar geconsolideerde jaarrekening 2006 opgesteld volgens de door de International Accounting Standards Board vastgestelde en door de Europese Commissie goedgekeurde standaarden, de International Accounting Standards (hierna: IAS) en de International Financial Reporting Standards (hierna: IFRS). Spyker heeft gebruik gemaakt van de in artikel 2:362 lid 8 BW vermelde mogelijkheid ook de enkelvoudige jaarrekening 2006 op basis van deze waarderingsgrondslagen op te stellen.”
r.o. 1.3 · lid 8“De AFM heeft bij op 31 augustus 2007 ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven - bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: 1) de vaststelling van de jaarrekening 2006 van Spyker als onderdeel van het financiële verslag 2006 te vernietigen; 2) Spyker te bevelen het financiële verslag 2006 opnieuw op te maken overeenkomstig de in het verzoekschrift opgenomen aanwijzingen; 3) Spyker te bevelen de nieuw opgemaakte jaarrekening 2006 vast te stellen; 4) Spyker te bevelen haar verplichtingen uit hoofde van de artikelen 2:362 lid 6 en 2:395 lid 3 BW na te leven; 5) Spyker te bevelen haar toekomstige financiële verslaggeving op te stellen in overeenstemming met de voorschriften als in het verzoekschrift verwoord.”
r.o. 2.1 · leden 2, 6“De Ondernemingskamer acht de stellingen van Spyker omtrent het tijdstip van de onderscheiden feitelijke gebeurtenissen aannemelijk en overtuigend. Een en ander vormt naar het oordeel van de Ondernemingskamer dan ook geen reden om aan te nemen dat Spyker ten tijde van het goedkeuren voor publicatie dan wel het vaststellen van de jaarrekening had moeten voorzien dat de toekomstverwachtingen voor 2007 (en daaropvolgende jaren) zodanig in negatieve zin zouden wijzigen dat de belastinglatentie niet, dan wel niet voor het bewuste bedrag, in de jaarrekening 2006 opgenomen had mogen worden. Mitsdien is op dit punt geen sprake van feiten na balansdatum als bedoeld in artikel 2:362 lid 6 BW die het inzicht omtrent de financiële toestand op de balansdatum raken.”
r.o. 3.22 · lid 6“Onderdeel 4.7 klaagt dat de Ondernemingskamer in de rov. 3.20, 3.33 en 3.40 in ieder geval miskend heeft dat de door haar gehanteerde begrippen 'verantwoord oordeel (omtrent het vermogen en het resultaat)' en 'het vereiste/voldoende inzicht' zijn ontleend aan art. 2:362 lid 1 BW en op grond van art. 2:362 lid 9 BW niet van toepassing zijn op een jaarrekening die is opgesteld volgens de IFRS. De Ondernemingskamer heeft volgens het onderdeel ten onrechte maatstaven gehanteerd waarin naar die begrippen wordt verwezen. De Ondernemingskamer dient het begrippenkader van IFRS toe te passen. Het onderdeel geeft aan dat IAS 1.13 vereist dat de jaarrekening een 'getrouw beeld' moet geven van de financiële positie, de financiële prestaties en de kasstromen van een entiteit. De toepassing van de IFRS met waar nodig aanvullende informatie, zo bepaalt IAS 1.13, wordt geacht te leiden tot een jaarrekening die een getrouw beeld geeft. IAS 1.14 bepaalt dat de jaarrekening niet dient te worden gekwalificeerd als in overeenstemming met IFRS tenzij ze voldoet aan alle vereisten van de IFRS. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan de naleving van een vereiste in een IFRS-voorschrift onder in IAS […]”
r.o. 3.9 · leden 1, 9Conclusie A-G: jaarrekeningrecht KPN, RJ-richtlijnen, artikel 2:362 BW en impairment
“Art. 2:362 lid 1 BW bepaalt als volgt: "De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon. (...)" Blijkens hetgeen Minister Polak in de Memorie van Toelichting heeft opgemerkt, heeft de wetgever er bewust voor gekozen de concretisering van de "normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd" aan de praktijk over te laten: "Zoals reeds in de toelichting op artikel 3 is vermeld, schrijft het ontwerp niet bepaalde maatstaven voor de waardering voor. In de eerste plaats is de wetenschappelijke beoefening van de bedrijfseconomie nog te zeer in beweging om in de wet een bepaalde methode vast te leggen; waardering op basis van de vervangingswaarde vindt evenzeer verdediging als die op grond van de historische kostprijs. Daarbij komt dat sommige waarderingsgrondslagen zich voor bepaalde bedrijfstakken beter lenen dan andere. Tenslotte is het van belang een toekomstige […]”
r.o. 3.3 · lid 1“[…] dient het in het jaarrekeningrecht niet te gaan over de vraag of zich in het maatschappelijk verkeer een meerderheidsstroming heeft gemanifesteerd die als normstellend moet worden beschouwd, maar om de vraag wat in een concreet geval als een maatschappelijk verantwoorde wijze van verslaggeving kan worden beschouwd.(9) Het is zeer wel denkbaar dat onder omstandigheden het door art. 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht noopt tot afwijking van de RJ, zoals het vereiste inzicht ook tot afwijking van de wet kan nopen (zie art. 2:362 lid 4 BW)(10). Ook de Ondernemingskamer zelf heeft erop gewezen dat de Richtlijnen met voorzichtigheid moeten worden toegepast. Zo stelt zij: "........met inachtneming van.... belang zijnde bijzonderheden dient van geval tot geval te worden bezien of en in hoeverre voor toepassing van de aan de orde zijnde wettelijke bepalingen gewicht dien te worden toegekend aan enige bepalingen uit de Richtlijnen"(11). Hier komt bij dat de bundel "Richtlijnen voor de jaarverslaggeving" richtlijnen bevat met een stellig karakter, met het karakter van een aanbeveling en ontwerprichtlijnen waarin voorstellen ter discussie zijn opgenomen.”
r.o. 3.4 · leden 1, 4“[…] toegepast kan worden, als dit maar niet in strijd komt met dwingende bepalingen van Nederlands recht. Voor internationale ondernemingen met de hoofdvestiging in Nederland geldt dat aanvaardbaar in het maatschappelijk verkeer niet zo beperkt mag worden opgevat dat dit alleen betrekking heeft op het Nederlandse maatschappelijke verkeer. Deze gedachte komt voor wat betreft de EU ook in art. 2:362 lid 1 BW naar voren. In de laatste zinsnede van artikellid is bepaald: "Indien de internationale vertakking van zijn groep dit rechtvaardigt kan de rechtspersoon de jaarrekening opstellen naar de normen die in het maatschappelijk in een van de andere lidstaten van de Europese Gemeenschappen als aanvaardbaar worden beschouwd en het in de eerste zin bedoelde inzicht geven".”
r.o. 3.5 · lid 1“De RJ zijn als subnorm bruikbaar aan de hand waarvan de rechter de vage grondnorm zoals neergelegd in art. 2:362 lid 1 BW in het concrete geval kan invullen. Wat maatschappelijk aanvaardbaar is, wordt in laatste instantie door de rechter bepaald. Met Maeijer(17) ben ik van mening dat de RJ ook bruikbare aanknopingspunten kunnen bieden bij de toetsing van het oordeel van de Ondernemingskamer in cassatie: "Voor het achterhalen van die (sub)normen en regels zijn van groot belang de beschouwingen en de richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving (...). Die richtlijnen zijn niet bindend, zij zijn niet zonder meer als objectief recht te beschouwen. Het kan echter heel goed zijn dat de richtlijn reeds is gecondenseerd tot een rechtens relevante subnorm die uiteindelijk ressorteert onder, wordt herleid tot een in de wet zelf vervatte grondnorm (...). Met het oog op de rechtsontwikkeling is het mijns inziens aangewezen dat subnormen en vuistregels in een eventuele uitspraak van de OK zoveel mogelijk worden blootgelegd waarna een gemotiveerde beslissing hieromtrent wordt gegeven. In cassatie kan hiertegen dan worden opgekomen hetzij door materiële rechtsklachten waarbij het […]”
r.o. 3.6 · lid 1Enquête: wanbeleid door gebrekkige informatieverschaffing aan AVA en onvolledige jaarrekeningen
In deze conclusie in een enquêteprocedure gaat het om wanbeleid bij een beursgenoteerde vennootschap. Het bestuur en de commissarissen gaven de AVA onvoldoende helderheid over een transactie met schijn van belangenverstrengeling, en de jaarrekeningen vermeldden een beschermingsconstructie niet. De A-G ziet de elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap als invulling van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Hij oordeelt dat later herstel het wanbeleid niet wegneemt en schade of opzet niet vereist zijn. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Jaarrekeningprocedure: eisen aan voorzieningen en toetsing door de OK
In een jaarrekeningprocedure vordert de weduwe van een overleden bestuurder van een moedervennootschap bij de OK dat een dochtervennootschap haar jaarrekening 1995 aanpast door een voorziening voor bijzondere risico's op internationale projecten te laten vrijvallen, omdat zij daardoor recht zou hebben op een hoger winstaandeel. De OK wijst de vorderingen af. De A-G beoordeelt de eisen van artikel 2:374 lid 1 BW: de voorziening vereist een redelijke mate van zekerheid dat de verplichting of het verlies zich voordoet, en de omvang moet verantwoord geschat zijn. Het oordeel van de OK is niet toereikend gemotiveerd. De A-G concludeert tot vernietiging en verwijzing; het incidentele beroep over de belanghebbende-status faalt.
Groepsvrijstelling artikel 2:403 BW en jaarstukken bij beursgenoteerde obligaties concerndochter
“Onder jaarrekening (in de zin van boek 2 BW) moet worden verstaan de balans en de winst- en verliesrekening met toelichting (art. 2:361 lid 1 BW). Art. 2:362 BW, dat een centrale plaats inneemt binnen het jaarrekeningenrecht, bepaalt vervolgens in het eerste lid dat de jaarrekening volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht biedt dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van de jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon.”
r.o. 2.27“Het tweede lid van art. 2:405 BW bepaalt dat de geconsolideerde jaarrekening overeenkomstig art. 2:362 lid 1 BW inzicht moet geven in de desbetreffende groep. In art. 2:24 b BW is vastgelegd wat wordt verstaan onder een "groep" in voornoemde zin, namelijk een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden. De rechtspersoon die aan het hoofd staat van een groep, dient volgens art. 2:406 lid 1 BW in de toelichting op zijn jaarrekening een geconsolideerde jaarrekening op te nemen, "waarin de eigen financiële gegevens en die van haar dochtermaatschappijen in het concern, andere groepsmaatschappijen en andere rechtspersonen waarop zij een overheersende zeggenschap kan uitoefenen of waarover zij de centrale leiding heeft, zijn opgenomen"(39). Concernvrijstelling”
r.o. 2.30 · lid 1
Hoven en Ondernemingskamer (1)
Maatschapsverdeling: jaarrekeningvoorschrift 2:362 lid 3 BW als maatstaf voor vergoeding
“[…] opstellen “in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving”. Het hof neemt aan dat zij daarmee hebben bedoeld te verwijzen naar de normen uit Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ofwel de artikelen 2:360 e.v. BW. Het hof neemt verder aan dat zij alle jaarrekeningen van de maatschap op die wijze hebben laten opstellen. Lid 3 van artikel 2:362 BW bepaalt dat de winst- en verliesrekening een getrouw, duidelijk en stelselmatig beeld heeft te geven van het resultaat van een boekjaar, wat volgens de wetsgeschiedenis ook geldt voor de keuze voor en de toepassing van waarderingsgrondslagen. Dit betekent dat de vergoeding voor ingebracht vee en ingebrachte fosfaatrechten daaraan moet beantwoorden. Daar waar in dit geval [naam1] een vergoeding voorstaat op basis van de aan hem toebehorende fosfaatrechten, ongeacht het gebruik daarvan, het aantal aanwezige melkkoeien en de feitelijk gerealiseerde melkopbrengst, is dat naar het oordeel van het hof niet in voldoende mate in overeenstemming met voorgaand voorschrift en evenmin met de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding van [naam1] en [geïntimeerde2 in […]”
r.o. 6.25 · lid 3