← Alle artikelen

Titel 9. De jaarrekening en het bestuursverslag · Afdeling 7. Bestuursverslag en afzonderlijke jaarlijkse verslagen en verklaringen

Artikel 2:391 BW

In deze vorm in werking sinds 1 juli 2026, laatst gewijzigd bij Stb. 2019, 107

1

Het bestuursverslag geeft een getrouw beeld van de toestand op de balansdatum, de ontwikkeling gedurende het boekjaar en de resultaten van de rechtspersoon en van de groepsmaatschappijen waarvan de financiële gegevens in zijn jaarrekening zijn opgenomen. Het bestuursverslag bevat, in overeenstemming met de omvang en de complexiteit van de rechtspersoon en groepsmaatschappijen, een evenwichtige en volledige analyse van de toestand op de balansdatum, de ontwikkeling gedurende het boekjaar en de resultaten. Indien noodzakelijk voor een goed begrip van de ontwikkeling, de resultaten of de positie van de rechtspersoon en groepsmaatschappijen, omvat de analyse zowel financiële als niet-financiële prestatie-indicatoren, met inbegrip van milieu- en personeelsaangelegenheden. Het bestuursverslag geeft tevens een beschrijving van de voornaamste risico’s en onzekerheden waarmee de rechtspersoon wordt geconfronteerd. Het bestuursverslag wordt in de Nederlandse taal gesteld, tenzij de algemene vergadering tot het gebruik van een andere taal heeft besloten.

2

In het bestuursverslag worden mededelingen gedaan omtrent de verwachte gang van zaken; daarbij wordt, voor zover gewichtige belangen zich hiertegen niet verzetten, in het bijzonder aandacht besteed aan de investeringen, de financiering en de personeelsbezetting en aan de omstandigheden waarvan de ontwikkeling van de omzet en van de rentabiliteit afhankelijk is. Mededelingen worden gedaan omtrent de werkzaamheden op het gebied van onderzoek en ontwikkeling. Vermeld wordt hoe bijzondere gebeurtenissen waarmee in de jaarrekening geen rekening behoeft te worden gehouden, de verwachtingen hebben beïnvloed. De naamloze vennootschap waarop artikel 383b van toepassing is, doet voorts mededeling van het beleid van de vennootschap aangaande de bezoldiging van haar bestuurders en commissarissen en de wijze waarop dit beleid in het verslagjaar in de praktijk is gebracht.

3

Ten aanzien van het gebruik van financiële instrumenten door de rechtspersoon en voor zover zulks van betekenis is voor de beoordeling van zijn activa, passiva, financiële toestand en resultaat, worden de doelstellingen en het beleid van de rechtspersoon inzake risicobeheer vermeld. Daarbij wordt aandacht besteed aan het beleid inzake de afdekking van risico’s verbonden aan alle belangrijke soorten voorgenomen transacties. Voorts wordt aandacht besteed aan de door de rechtspersoon gelopen prijs-, krediet-, liquiditeits- en kasstroomrisico’s.

4

Het bestuursverslag mag niet in strijd zijn met de jaarrekening. Indien het verschaffen van het in lid 1 bedoelde overzicht dit vereist, bevat het bestuursverslag verwijzingen naar en aanvullende uitleg over posten in de jaarrekening.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:391 BW (4)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (1)

  • Hoge Raad · 10 januari 1990

    OGEM Holding

    Enquête Ogem: ontvankelijkheid cassatie, doeleinden enquête en begrip wanbeleid

    “Onderdeel 3 betreft de overwegingen van de Ondernemingskamer omtrent de vermelding van de projectontwikkeling in de jaarverslagen en de jaarrekeningen. Bij de bespreking van de klachten van dit onderdeel dient te worden vooropgesteld dat de zowel in de bestreden beschikking als in de klachten meermalen voorkomende term ‘’jaarverslag’’ kennelijk niet steeds in dezelfde betekenis wordt gebruikt: de term wordt hoofdzakelijk gebezigd ter aanduiding van het verslag van de directie, zulks overeenkomstig de artikelen 2:391 en 392 BW; zij komt echter ook voor in de betekenis van het gebundelde geheel van de balans en de winst- en verliesrekening met toelichting daarop, het verslag van de directie en de aan een ander toegevoegde ‘’overige gegevens’’ als bedoeld in artikel 2:392 BW; deze laatste betekenis stemt overeen met het gebruik bij grote ondernemingen.”

    r.o. 10.3

    ECLI:NL:HR:1990:AC1234

Conclusies van de A-G (3)

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 januari 2021

    Hoorplicht jegens ex-bestuurder (artikel 2:8 BW) bij publicatie onderzoeksconclusies door vennootschap

    “[…] het hof het niet nodig vond dat in het jaarverslag melding werd gemaakt van het OR-advies en de uitspraak in de zaak [betrokkene 2] om een getrouw beeld te geven. Dit is begrijpelijk te achten in het licht van het gegeven dat bestuurders grote vrijheid hebben bij het bepalen van de inhoud van het jaarverslag (of bestuursverslag), uiteraard binnen de grenzen die de wetgever hen laat (vgl. art. 2:391 BW). Daaronder begrepen is de verplichting een getrouw beeld te geven. Daarmee wordt bedoeld dat het bestuursverslag in overeenstemming met de werkelijkheid moet zijn. Niet vereist is dat elk detail in het bestuursverslag beschreven moet worden. Door die bril bezien zou de hier besproken motiveringsklacht dan niet opgaan.”

    r.o. 2.34

    ECLI:NL:PHR:2021:78

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 juli 2010

    Enquête ASMI: strategie, corporate governance en gegronde redenen voor twijfel aan juist beleid

    “Voor deze terughoudendheid is wellicht minder aanleiding indien een beursvennootschap de Code ten onrechte niet zou toepassen. De vraag of een vennootschap de Code toepast moet evenwel worden onderscheiden van de vraag of zij afwijkt van de Code, zo blijkt uit de toelichting op het besluit waarin de Code 2003 is aangewezen als gedragscode bedoeld in art. 2:391 lid 4 BW:(48) "Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen toepassen van de code, naleven van de codebepalingen (principes en best practices) en geven van uitleg. Toepassen van de code is ruimer dan naleven en omvat naast het opvolgen van de bepalingen ook uitleg over het gebruik van een andere regel of het niet naleven van een bepaald beginsel danwel best practice bepaling, bijvoorbeeld om te voldoen aan de voorschriften van een buitenlandse beur of omdat men de eigen benadering verkiest boven de praktijk als uitgewerkt in de code." De Code 2003 zelf meldt hierover in best practice-bepaling I.1 en I.2: "I.1. De hoofdlijnen van de corporate governance structuur van de vennootschap worden elk jaar, mede aan de hand van de principes die in deze code zijn genoemd, in een apart hoofdstuk in het jaarverslag uiteengezet. In dat […]”

    r.o. 3.4.25 · lid 4

    “De onderdelen 6.21 - 6.25 klagen dat de Ondernemingskamer enkele stellingen van ASMI onvoldoende kenbaar in haar oordeel heeft betrokken. Het betreft de stelling dat de betekenis van de Code 2003 in de AVA van 2004 is besproken en dat de aandeelhouders hierop geen kritiek hebben gehad, dat in 2005 evenmin kritiek is geuit. Alleen in de AVA van 2006 is dit onderwerp aan de orde geweest. De enige afwijking betreft op dit moment de quorumeis voor ontslag van bestuurders en commissarissen, welke eis ook geldt in een volgende vergadering. Deze quorumeis zou, gelet op het lange termijn karakter van haar activiteiten en het belang van continuïteit in strategie en bestuur essentieel zijn om niet afhankelijk te zijn van een toevallige meerderheid ter vergadering. Bovendien zal aan deze afwijking binnen afzienbare termijn een einde komen. Het verwijt van een gedateerde governance is in dit licht bezien onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd.”

    r.o. 3.4.26

    “[…] dat "the chairman (...) should maintain sufficient contact with major shareholders to understand their issues and concerns." 28 www.corporate-governance-code.de. 29 Hierover A.G.H. Klaassen, Bevoegdheden van de algemene vergadering van aandeelhouders, 2007, p. 179 e.v. 30 Principle 6.D.1 (www.oecd.org). 31 www.code-afep-medef.com. 32 De Code 2008 is aangewezen als gedragscode, bedoeld in art. 2:391 lid 5 BW (Stcrt. 2009, nr. 18499). 33 D.A.M.H.W. Strik, Aansprakelijkheid voor falend risicomanagement, preadvies Vereeniging Handelsrecht 2009, p. 232 e.v. 34 Strik, a.w., p. 245 e.v. 35 Indien bijvoorbeeld divisie A voor haar financiering afhankelijk is van financiering door divisie B, kan het afstoten van divisie B gevolgen hebben voor het risicoprofiel van het concern als geheel. 36 TK 2008-2009, 32 014. 37 TK 2008-2009, 32 014, nr. 3, p. 2. 38 TK 2008-2009, 32 014, nr. 3, p. 3. 39 TK 2008-2009, 32 014, nr. 3, p. 11-12. 40 www.eumedion.nl/page/downloads/Commentaar_2009_Frijns-wetsvoorstel_DEF.pdf. 41 www.commissiecorporategovernance.nl. 42 A.W.A. Boot, De ontwortelde onderneming. Ondernemingen overgeleverd aan financiers? 2009, p. 84. 43 A.W.A. Boot, De ontwortelde onderneming, […]”

    r.o. 3.9.3

    ECLI:NL:PHR:2010:BM0976

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 september 2007

    Reikwijdte onmiddellijke voorziening OK; afwijking van dwingend recht en corporate governance code

    “Onderdeel 2.2 (nrs. 14 tot en met 19) betoogt dat het zonder nadere motivering onbegrijpelijk is dat de Ondernemingskamer Versatel heeft verboden af te wijken van de code. Daarmee heeft de Ondernemingskamer miskend dat de code zelf voorziet in de mogelijkheid om met goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders af te wijken van de code. Aldus heeft de Ondernemingskamer het "comply or explain" beginsel dat ten grondslag ligt aan de code en aan artikel 2:391 lid 4 BW jo het Besluit van 23 december 2004 tot vaststelling van nadere voorschriften omtrent de inhoud van het jaarverslag miskend en heeft zij een voorziening getroffen die in strijd is met de wettelijke verdeling van bevoegdheden van de organen van Versatel, aldus het onderdeel.”

    r.o. 4.14 · lid 4

    “Het onderdeel faalt. De door de Ondernemingskamer voor de duur van het geding getroffen voorziening laat zich niet anders verstaan dan een verbod om gebruik te maken van de in de code opgenomen mogelijkheid tot afwijking van de voorschriften van de code met uitleg (het zogenoemde "comply or explain" beginsel). Ik zie niet in dat een dergelijk verbod in bepaalde bijzondere omstandigheden niet gegeven zou kunnen worden. Ik verwijs naar mijn in deze conclusie opgenomen beschouwingen over de reikwijdte van art. 2: 349a BW. Voor zover het onderdeel nog klaagt over het feit dat de door de Ondernemingskamer getroffen voorziening in strijd is met de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming, nu zij voor de toekomst de flexibiliteit "uitbant" terwijl de code juist transparantie en dialoog tussen organen van de vennootschap beoogt merk ik nog het volgende op. In het onderhavige geval heeft de Ondernemingskamer het kennelijk nodig geacht de vrijheid tot het afwijken van de code te beperken en alle organen van Versatel in ieder geval voor enige tijd te binden aan de voorschriften van de code. De getroffen maatregel is beperkt tot de duur van het geding (ex art. 2:349a lid 2 BW). […]”

    r.o. 4.15

    ECLI:NL:PHR:2007:BA4888