← Alle artikelen

Titel 9. De jaarrekening en het bestuursverslag · Afdeling 12. Bepalingen omtrent rechtspersonen van onderscheiden aard

Artikel 2:403 BW

In deze vorm in werking sinds 1 juli 2016, laatst gewijzigd bij Stb. 2015, 505

1

Een tot een groep behorende rechtspersoon behoeft de jaarrekening niet overeenkomstig de voorschriften van deze titel in te richten, mits:

a.de balans in elk geval vermeldt de som van de vaste activa, de som van de vlottende activa, en het bedrag van het eigen vermogen, van de voorzieningen en van de schulden, en de winst- en verliesrekening in elk geval vermeldt het resultaat uit de gewone bedrijfsuitoefening en het saldo der overige baten en lasten, een en ander na belastingen;

b.de leden of aandeelhouders na de aanvang van het boekjaar en voor de vaststelling van de jaarrekening schriftelijk hebben verklaard met afwijking van de voorschriften in te stemmen;

c.de financiële gegevens van de rechtspersoon door een andere rechtspersoon of vennootschap zijn geconsolideerd in een geconsolideerde jaarrekening waarop krachtens het toepasselijke recht de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen, richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU 2013, L 182) of een der beide richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen dan wel van verzekeringsondernemingen van toepassing is;

d.de geconsolideerde jaarrekening, voor zover niet gesteld of vertaald in het Nederlands, is gesteld of vertaald in het Frans, Duits of Engels;

e.de accountantsverklaring en het bestuursverslag, zijn gesteld of vertaald in de zelfde taal als de geconsolideerde jaarrekening;

f.de onder c bedoelde rechtspersoon of vennootschap schriftelijk heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de rechtspersoon voortvloeiende schulden; en

g.de verklaringen, bedoeld in de onderdelen b en f zijn gedeponeerd bij het handelsregister alsmede, telkens binnen zes maanden na de balansdatum of binnen een maand na een geoorloofde latere openbaarmaking, de stukken of vertalingen, genoemd in de onderdelen d en e.

2

Zijn in de groep of het groepsdeel waarvan de gegevens in de geconsolideerde jaarrekening zijn opgenomen, de in lid 1 onder f bedoelde rechtspersoon of vennootschap en een andere nevengeschikt, dan is lid 1 slechts van toepassing, indien ook deze andere rechtspersoon of vennootschap een verklaring van aansprakelijkstelling heeft afgelegd; in dat geval zijn lid 1 onder g en artikel 404 van overeenkomstige toepassing.

3

Voor een rechtspersoon waarop lid 1 van toepassing is, gelden de artikelen 391 tot en met 394 niet.

4

Dit artikel is niet van toepassing op rechtspersonen als bedoeld in artikel 398 lid 7.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:403 BW (28)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (11)

  • Hoge Raad · 21 april 2023

    Schadeloosstelling onteigening SNS Reaal; werking 403-verklaring en achterstelling

    “[…] van SNS Bank en de niet achtergestelde post-faillissementsvorderingen uit hoofde van de Poseidon lening. - Een tweede faillissement van SNS Reaal zou zijn gevolgd. - Na de faillissementsdatum opgekomen rentevorderingen van de concurrente en achtergestelde schuldeisers in het eerste faillissement van SNS Bank zouden, op grond van de door SNS Reaal afgegeven verklaring op basis van art. 2:403 BW, alle als concurrente vorderingen zijn geverifieerd in het tweede faillissement van SNS Reaal. - Het overschot uit het eerste faillissement van SNS Reaal van € 467 miljoen zou zijn verdeeld tussen de na de faillissementsdatum opgekomen rentevorderingen van de concurrente schuldeisers van SNS Reaal van € 612 miljoen en de na de faillissementsdatum opgekomen rentevorderingen van de schuldeisers in een faillissement van SNS Bank van € 14,1 miljard, waardoor op de rentevorderingen van de achtergestelde schuldeisers in een faillissement van SNS Bank van € 284 miljoen nog een bedrag van ongeveer € 9 miljoen (3,2%) zou zijn betaald.”

    r.o. 2.4

    “[…] van SNS Bank en de niet achtergestelde post-faillissementsvorderingen uit hoofde van de Poseidon lening. - Een tweede faillissement van SNS Reaal zou zijn gevolgd. - Na de faillissementsdatum opgekomen rentevorderingen van de concurrente en achtergestelde schuldeisers in het eerste faillissement van SNS Bank zouden, op grond van de door SNS Reaal afgegeven verklaring op basis van art. 2:403 BW, alle als concurrente vorderingen zijn geverifieerd in het tweede faillissement van SNS Reaal. - Het overschot uit het eerste faillissement van SNS Reaal van € 467 miljoen zou zijn verdeeld tussen de na de faillissementsdatum opgekomen rentevorderingen van de concurrente schuldeisers van SNS Reaal van € 612 miljoen en de na de faillissementsdatum opgekomen rentevorderingen van de schuldeisers in een faillissement van SNS Bank van € 14,1 miljard, waardoor op de rentevorderingen van de achtergestelde schuldeisers in een faillissement van SNS Bank van € 284 miljoen nog een bedrag van ongeveer € 9 miljoen (3,2%) zou zijn betaald.”

    r.o. 2.5.2

    “[…] de toepasselijke rentevoet niet op begrijpelijke wijze gekozen. Het middel wordt hierna volgens deze indeling behandeld. Positie achtergestelde crediteuren 3.3.1 Wat de positie van de achtergestelde crediteuren betreft, zijn in deze zaak twee kwesties aan de orde gesteld. De eerste kwestie is de positie van de achtergestelde crediteuren van SNS Bank bij de vordering op grond van art. 2:403 BW tegen SNS Reaal. De tweede kwestie is de positie van de achtergestelde crediteuren in een faillissement van SNS Bank en SNS Reaal. Op deze kwesties zien de onderdelen VI en VII. 3.3.2 Ten aanzien van de 403-verklaring heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 20 maart 2015 in deze zaak als volgt overwogen: “4.34.4 (…) De omstandigheid dat de betrokken crediteuren met SNS Bank een achterstelling zijn overeengekomen, zegt (…) alleen iets over hun positie bij verhaal op het vermogen van SNS Bank. Indien de overeenkomsten ‘niets zeggen’ over de verhaalspositie van de betrokken crediteuren ten opzichte van een derde, zoals de ondernemingskamer heeft vastgesteld, valt niet in te zien waarom (…) het risico dat de crediteuren in hun verhouding tot SNS Bank hebben aanvaard ook zou gelden ten […]”

    r.o. 4.14

    “Wat de positie van de achtergestelde crediteuren betreft, zijn in deze zaak twee kwesties aan de orde gesteld. De eerste kwestie is de positie van de achtergestelde crediteuren van SNS Bank bij de vordering op grond van art. 2:403 BW tegen SNS Reaal. De tweede kwestie is de positie van de achtergestelde crediteuren in een faillissement van SNS Bank en SNS Reaal. Op deze kwesties zien de onderdelen VI en VII.”

    r.o. 3.3.1

    ECLI:NL:HR:2023:649

  • Hoge Raad · 20 mei 2022

    Artikel 6:235 BW en artikel 2:403 BW: geconsolideerde jaarrekening sluit beroep op terhandstelling uit

    “[…] heeft zich beroepen op vernietiging van de algemene voorwaarden van EBS omdat deze haar niet ter hand zijn gesteld. EBS heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat Peterson ABL zich volgens art. 6:235 lid 1, aanhef en onder a, BW, niet op deze vernietigingsgrond kan beroepen, omdat zij onderdeel uitmaakte van de groep van Peterson’s Havenbedrijf B.V. en haar financiële gegevens op de voet van art. 2:403 lid 1 BW zijn verwerkt in de geconsolideerde jaarrekening van Peterson’s Havenbedrijf B.V. De rechtbank heeft dit betoog van EBS gegrond bevonden. Zij overwoog dat, anders dan Peterson ABL had betoogd, voor toepassing van art. 6:235 lid 1, aanhef en onder a, BW slechts is vereist dat art. 2:403 BW is toegepast bij de inrichting van de jaarrekening van de geconsolideerde vennootschap, en niet dat aan alle vereisten van dit artikel is voldaan. Het hof verenigt zich met dit oordeel, en verwijst verder naar zijn arrest van 17 maart 2009, rov. 7. (rov. 18 EA) Exoneratie: aantal opdrachten 2.3.6 EBS bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de vordering van Peterson ABL op EBS wordt toegewezen tot een bedrag van € 67.067,03. Dit bedrag is berekend op basis van drie opdrachten van […]”

    r.o. 2.2 · lid 1

    “Peterson ABL heeft zich beroepen op vernietiging van de algemene voorwaarden van EBS omdat deze haar niet ter hand zijn gesteld. EBS heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat Peterson ABL zich volgens art. 6:235 lid 1, aanhef en onder a, BW, niet op deze vernietigingsgrond kan beroepen, omdat zij onderdeel uitmaakte van de groep van Peterson’s Havenbedrijf B.V. en haar financiële gegevens op de voet van art. 2:403 lid 1 BW zijn verwerkt in de geconsolideerde jaarrekening van Peterson’s Havenbedrijf B.V. De rechtbank heeft dit betoog van EBS gegrond bevonden. Zij overwoog dat, anders dan Peterson ABL had betoogd, voor toepassing van art. 6:235 lid 1, aanhef en onder a, BW slechts is vereist dat art. 2:403 BW is toegepast bij de inrichting van de jaarrekening van de geconsolideerde vennootschap, en niet dat aan alle vereisten van dit artikel is voldaan. Het hof verenigt zich met dit oordeel, en verwijst verder naar zijn arrest van 17 maart 2009, rov. 7. (rov. 18 EA) Exoneratie: aantal opdrachten”

    r.o. 2.3.5 · lid 1

    “Onderdeel 1.1 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat Peterson ABL zich niet kan beroepen op vernietiging van de algemene voorwaarden van EBS. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat de omstandigheid dat de financiële gegevens van Peterson ABL laatstelijk zijn gepubliceerd in de geconsolideerde jaarrekening van Peterson's Havenbedrijf B.V. niet voldoende is om te kunnen aannemen dat ten aanzien van Peterson ABL ten tijde van het sluiten van de overeenkomst laatstelijk art. 2:403 lid 1 BW is toegepast, zoals bedoeld in art. 6:235 lid 1, onder a, BW. Daarvoor is vereist dat ten aanzien van Peterson ABL ook aan de overige vereisten van art. 2:403 lid 1 BW is voldaan, aldus het onderdeel.”

    r.o. 3.1.1 · lid 1

    “[…] aan de wederpartij ter hand heeft gesteld. Volgens art. 6:235 lid 1, aanhef en onder a, BW kan op de vernietigingsgronden bedoeld in de art. 6:233 BW en 6:234 BW geen beroep worden gedaan door een rechtspersoon bedoeld in art. 2:360 BW die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst laatstelijk zijn jaarrekening openbaar heeft gemaakt, of ten aanzien waarvan op dat tijdstip laatstelijk art. 2:403 lid 1 BW is toegepast. Blijkens de toelichting op het amendement waarbij deze bepaling is voorgesteld, is de strekking ervan de toepassing van art. 6:233 BW en art. 6:234 BW uit te sluiten voor zover algemene voorwaarden worden gebruikt tegenover een ‘grote’ wederpartij. Voor dergelijke wederpartijen is de bijzondere wettelijke bescherming volgens de toelichting een onnodige en onwenselijke inbreuk op de contractsvrijheid. Om bewijsproblemen te voorkomen, sluit de tekst niet aan bij de verplichting tot het openbaar maken van een jaarrekening, maar op het daadwerkelijk publiceren daarvan. Deze publicatie is eenvoudig na te gaan.”

    r.o. 3.1.2 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2022:719

  • Hoge Raad · 3 april 2020

    SNS Reaal

    Maatstaf bevoegdheid concernenquête SNS Reaal en SNS Bank

    “[…] personele unie; e. gemiddeld de helft van de bestuurders van SNS Reaal had in de periode van 2006 tot de Onteigening zitting in het bestuur van SNS Bank; f. bestuurders van SNS Reaal en SNS Bank waren vertegenwoordigd in het centrale risicocomité van Property Finance en in de kredietcommissie; g. SNS Reaal heeft op 4 december 2006 ten aanzien van SNS Bank een verklaring als bedoeld in artikel 2:403 lid 1 sub f BW afgegeven; h. als gevolg van de binnen het concern gehanteerde financiering van het eigen vermogen van SNS Bank en Reaal door vreemd vermogen aangetrokken door SNS Reaal – de zogenaamde double leverage – en door de funding van Property Finance door SNS Bank bestond er ook financieel een sterke verbondenheid en afhankelijkheid tussen SNS Reaal, SNS Bank en Property Finance.”

    r.o. 3.15 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2020:478

  • Hoge Raad · 31 maart 2017

    SNS/CRI

    Maatstaf verzet schuldeisers tegen beëindiging aansprakelijkheid na intrekking 403-verklaring

    “[…] Bank is een dochtervennootschap van SNS Reaal. PRPZ Financiering Participaties B.V. (hierna: PRPZ; voorheen: SNSPF Financiering Participaties B.V.) is een dochtervennootschap van Propertize B.V. (hierna: Propertize; voorheen: SNS Property Finance B.V.). Propertize was tot 1 januari 2014 een dochtervennootschap van SNS Bank. ii) Op 4 december 2006 heeft SNS Bank een verklaring in de zin van art. 2:403 lid 1, aanhef en onder f, BW (hierna: 403-verklaring) afgelegd voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van Propertize. De verklaring luidt, voor zover van belang, als volgt. “(…) SNS Bank N.V. (…) verklaart hierbij zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van (…) SNS Property Finance B.V. (…) voortvloeiende schulden, in de zin van artikel 403, lid 1, Boek 2, Burgerlijk Wetboek.” iii) Op 30 januari 2008 heeft SNS Reaal een gelijkluidende 403-verklaring afgelegd voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van PRPZ. iv) Bij besluit van de minister van Financiën van 1 februari 2013 zijn ten name van de Staat onteigend de door of met medewerking van SNS Reaal respectievelijk SNS Bank uitgegeven aandelen en andere effecten. Het […]”

    r.o. 3.1 · lid 1

    “De Ondernemingskamer overweegt als volgt. De onder 2.3 weergegeven verklaring houdt in dat SNS Bank N.V verklaart zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van Propertize voortvloeiende schulden, in de zin van artikel 2:403 lid 1 sub f BW. Bij de beoordeling van de grieven zijn in dat verband twee te onderscheiden vragen aan de orde: (a) de vraag of de vordering van de curatoren onderscheidenlijk CRI, gelet op de gestelde grondslag daarvan, onder het bereik van de 403-verklaring valt en (b) of de desbetreffende vordering voldoende “hard” is, dat wil zeggen of er voldoende feiten en omstandigheden voorhanden zijn ter ondersteuning van de gestelde grondslag. De derde vraag, die naar de omvang van de vordering, doet slechts ter zake in het kader van de beoordeling (…) of voldoende waarborgen in de zin van artikel 2:404 lid 4 BW aanwezig zijn.”

    r.o. 3.6 · lid 1

    “De Ondernemingskamer overweegt aangaande de eerste vraag als volgt. De 403-verklaring houdt in dat SNS Bank verklaart zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van Propertize voortvloeiende schulden, in de zin van artikel 2:403 lid 1 sub f BW. De Ondernemingskamer is van oordeel dat curatoren, gelet op de in 3.7 genoemde norm, de vorderingen van de gefailleerde vennootschappen op Propertize toereikend hebben toegelicht en dat die vorderingen vallen onder de uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden in de zin van genoemde 403-verklaring. Zij hebben immers gesteld dat de failliete vennootschappen kredietovereenkomsten met Propertize hebben gesloten, dat Propertize wanprestatie heeft gepleegd door die overeenkomsten ten onrechte op te zeggen en dat ten gevolge daarvan deze vennootschappen schade hebben geleden. In de inmiddels uitgebrachte dagvaarding (…) vorderen de curatoren onder andere een verklaring voor recht dat Propertize tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomsten en een verwijzing naar de schadestaatprocedure. (…)”

    r.o. 3.9 · lid 1

    “Door een 403-verklaring stelt een rechtspersoon die financiële gegevens heeft geconsolideerd op de voet van art. 2:403 lid 1, aanhef en onder c, BW (hierna: moedermaatschappij), zich hoofdelijk aansprakelijk voor de uit rechtshandelingen van de tot een groep behorende rechtspersoon waarvan zij die financiële gegevens heeft geconsolideerd (hierna: groepsmaatschappij). Een derde die een overeenkomst sluit met een groepsmaatschappij als zojuist bedoeld, doet dit in de regel mede in vertrouwen op deze hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en het voortduren daarvan. Uit de regeling van art. 2:404 BW en de hiervoor in 5.1.4 aangehaalde toelichtingen volgt dat dit vertrouwen ook bescherming verdient bij beëindiging van de (mogelijk) overblijvende aansprakelijkheid. Een moedermaatschappij die deze aansprakelijkheid wil beëindigen, behoort dat niet te kunnen doen ten koste van de zekerheid van de schuldeiser voor de voldoening van een vordering waarvoor nog (mogelijke) aansprakelijkheid loopt.”

    r.o. 5.1.5 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2017:546

  • Hoge Raad · 3 april 2015

    Mastertools

    Gevolgen dading met dochter voor aansprakelijkheid moeder uit 403-verklaring

    “[…] van Mastertools. (ii) [verweerster] en Mastertools hebben op 28 oktober 2005 een overeenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten, waarbij Mastertools zich verbond ten behoeve van [verweerster] een trekstempel te vervaardigen en te leveren voor een bedrag van € 52.600,-- excl. btw. (iii) Toen de overeenkomst werd gesloten, was door Bia Beheer met betrekking tot Mastertools op de voet van art. 2:403 lid 1, aanhef en onder f, BW een verklaring afgelegd, waarbij Bia Beheer zich hoofdelijk aansprakelijk stelde voor schulden uit door Mastertools verrichte rechtshandelingen (hierna: de 403-verklaring). (iv) Mastertools heeft op 16 of 17 april 2006 een door haar vervaardigde trekstempel bij [verweerster] afgeleverd. ( v) Mastertools heeft aan [verweerster] drie op 19 april 2006 gedateerde facturen gestuurd, met een totaalbedrag van € 7.259,--. [verweerster] heeft deze facturen op 19 mei 2006 aan Mastertools betaald. (vi) Begin mei 2006 is de bij [verweerster] afgeleverde trekstempel getest onder de pers van [verweerster]. Gebleken is dat daarmee (nog) geen goede producten konden worden gemaakt. De trekstempel is eind juni 2006 aan Mastertools geretourneerd. Ook nadien elders met de […]”

    r.o. 3.1 · lid 1

    “De klachten in cassatie betreffen het oordeel in het tussenarrest over de gevolgen van de dading voor de aansprakelijkheid van Bia Beheer uit hoofde van de 403-verklaring. Het hof heeft ter zake als volgt overwogen: “4.16.1 (…) Ingevolge de aansprakelijkheids-verklaring van artikel 2:403 lid 1 aanhef en onder f BW wordt de moedervennootschap hoofdelijk verbonden voor de uit rechtshandelingen van de dochtervennootschap voortvloeiende schulden. Hoofdelijke aansprakelijkheid, kan, ook in het kader van de bepaling van artikel 2:403 BW, niet op één lijn worden gesteld met borgtocht (HR 28 juni 2002, JOR 2002, 136, LJN: AE4663), waarbij de schuldeiser eerst de dochtervennootschap zou moeten aanspreken conform het subsidiariteitsbeginsel van artikel 7:855 BW. De hoofdelijkheid brengt met zich mee dat de schuldeiser ([verweerster]) naar vrije keuze zowel de dochtervennootschap Mastertools (mr. Gerrits q.q.) als de moedervennootschap Bia Beheer (mr. Eikendal q.q.) tot nakoming voor het geheel kan aanspreken, met dien verstande dat nakoming door een van hen ook de andere medeschuldenaar bevrijdt (art. 6:7 BW). De omstandigheid dat de schuldeiser met één der hoofdelijk verbonden schuldenaren […]”

    r.o. 3.4 · lid 1

    “Onderdeel 1 van het middel verwijt het hof te hebben miskend dat de verplichtingen van de consoliderende vennootschap (Bia Beheer) uit hoofde van de 403-verklaring voortvloeien uit de 403-verklaring zelf en niet uit art. 2:403 BW. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Uit de eerste volzin van de hiervoor in 3.4 geciteerde overweging van het hof volgt onmiskenbaar dat het hoofdelijke aansprakelijkheid afleidt uit de 403-verklaring en niet uit art. 2:403 lid 1, aanhef en onder f, BW. Het onderdeel klaagt voorts dat het hof ten onrechte heeft nagelaten de inhoud van de onderhavige 403-verklaring door middel van uitleg vast te stellen. Ook deze klacht faalt. De kennelijke strekking van rov. 4.16.1 is dat Bia Beheer enkel heeft verklaard zich, overeenkomstig de eis van art. 2:403 BW, hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van Mastertools voortvloeiende schulden. De klacht stelt niet dat nadere uitleg van de verklaring zou meebrengen dat deze een andere inhoud of strekking heeft dan het hof heeft vastgesteld. 3.6.1 Aan de onderdelen 2, 3 en 4 ligt het standpunt ten grondslag dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van een moedermaatschappij op grond van een […]”

    r.o. 3.5 · lid 1

    “Aan de onderdelen 2, 3 en 4 ligt het standpunt ten grondslag dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van een moedermaatschappij op grond van een 403-verklaring niet verder gaat dan een aansprakelijkheid voor verplichtingen van de vrijgestelde groepsvennootschap voor zover en voor zolang die verplichtingen nog daadwerkelijk bestaan. Volgens de onderdelen vloeit dit voort uit de aard en strekking van een 403-verklaring in de context van de wet. Ook de Europese richtlijnen die aan art. 2:403 BW ten grondslag liggen, spreken slechts van garantstelling door de consoliderende vennootschap. Voor het onderhavige geval betekent dit volgens de onderdelen dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van Bia Beheer na de door [verweerster] met mr. Gerrits q.q. getroffen dading zich slechts uitstrekt tot de door de dadingsovereenkomst en finale kwijting beperkte schuld van € 25.000,--.”

    r.o. 3.6.1

    ECLI:NL:HR:2015:837

  • Hoge Raad · 20 maart 2015

    Onteigening SNS Reaal: schadeloosstelling en doorwerking achterstelling in 403-verklaring

    “[…] beschikking onder 2.1-2.55. Verkort weergegeven komen deze op het volgende neer. (i) SNS Bank N.V. (hierna: SNS Bank) oefent het bankbedrijf uit. Reaal N.V. (hierna: Reaal) oefent het verzekeringsbedrijf uit. SNS Reaal N.V. (hierna: SNS Reaal) houdt alle aandelen in SNS Bank en in Reaal. (ii) Op 8 april 1998 heeft SNS Reaal ten behoeve van SNS Bank een verklaring afgelegd als bedoeld in art. 2:403 BW, inhoudende dat zij zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de uit de rechtshandelingen van SNS Bank voortvloeiende schulden met ingang van 1 januari 1997 (hierna: de 403-verklaring). (iii) Tot 2006 was Stichting Beheer enig aandeelhouder van SNS Reaal. In 2006 heeft Stichting Beheer aandelen in SNS Reaal op de beurs laten noteren. Als gevolg van emissies en verkoop is het aandelenbezit van Stichting Beheer in de loop der jaren verminderd tot 50,00000921%. (iv) In de zomer van 2006 heeft SNS Reaal van ABN AMRO N.V. overgenomen Bouwfonds Property Finance B.V. (later genaamd: SNS Property Finance B.V.), hierna: SNS Property Finance. (v) In november 2008 – tijdens de kredietcrisis – hebben de Staat en Stichting Beheer het kapitaal van SNS Reaal versterkt door Core Tier 1 capital […]”

    r.o. 3.1

    “[…] steeds twee rechtshandelingen een rol: de 403-verklaring zelf en de overeenkomst waarbij de desbetreffende achterstelling is bedongen (rov. 6.59). Bij de uitleg van de 403-verklaring dienen in beginsel objectieve maatstaven centraal te staan (rov. 6.60). Met de 403-verklaring zelf heeft SNS Reaal slechts kenbaar gemaakt dat zij aansprakelijkheid aanvaardt met het oog op de werking van art. 2:403 lid 1 BW. Voor het antwoord op de vraag of de achtergestelde crediteuren van SNS Bank ook achtergesteld zijn – en ten opzichte van wie – indien zij zich bij SNS Reaal aanmelden, zijn de overeenkomsten waarin de achterstelling is bedongen bepalend nu de 403-verklaring daaraan niets toevoegt. (rov. 6.61) Bij de uitleg van de relevante bepalingen dienen wederom in beginsel objectieve maatstaven centraal te staan (rov. 6.66). Uit de (bewoordingen van de) betrokken bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de onderscheiden overeenkomsten, blijkt niet dat SNS Bank de achterstelling van de door haar uitgegeven obligaties en certificaten heeft willen beperken tot vorderingen op haarzelf voor het geval dat naast zijzelf als eigenlijke debiteur, een andere debiteur zou blijken […]”

    r.o. 3.2 · lid 1

    “[…] steeds twee rechtshandelingen een rol: de 403-verklaring zelf en de overeenkomst waarbij de desbetreffende achterstelling is bedongen (rov. 6.59). Bij de uitleg van de 403-verklaring dienen in beginsel objectieve maatstaven centraal te staan (rov. 6.60). Met de 403-verklaring zelf heeft SNS Reaal slechts kenbaar gemaakt dat zij aansprakelijkheid aanvaardt met het oog op de werking van art. 2:403 lid 1 BW. Voor het antwoord op de vraag of de achtergestelde crediteuren van SNS Bank ook achtergesteld zijn – en ten opzichte van wie – indien zij zich bij SNS Reaal aanmelden, zijn de overeenkomsten waarin de achterstelling is bedongen bepalend nu de 403-verklaring daaraan niets toevoegt. (rov. 6.61) Bij de uitleg van de relevante bepalingen dienen wederom in beginsel objectieve maatstaven centraal te staan (rov. 6.66). Uit de (bewoordingen van de) betrokken bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de onderscheiden overeenkomsten, blijkt niet dat SNS Bank de achterstelling van de door haar uitgegeven obligaties en certificaten heeft willen beperken tot vorderingen op haarzelf voor het geval dat naast zijzelf als eigenlijke debiteur, een andere debiteur zou blijken […]”

    r.o. 3.3.6 · lid 1

    “VEB c.s. II bestrijden (in hun middel onder 9-11 en onder 18-29) de rov. 6.52-6.53 voor zover die overwegingen inhouden dat de ondernemingskamer zich bevoegd heeft geacht om zelfstandig te oordelen dat de aanspraken op grond van de verklaring van SNS Reaal uit hoofde van art. 2:403 lid 1, onder f, BW (hierna: de 403-verklaring) zijn onteigend dan wel dat de onteigening mede omvat de vordering uit hoofde van de 403-verklaring. De klachten falen op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 10.4-10.5.”

    r.o. 4.30 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2015:661

  • Hoge Raad · 11 april 2014

    Hertogs/Deterink q.q.

    Artikel 2:403 BW: geen voorrecht voor vordering uit 403-verklaring moedermaatschappij

    “In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.(i) Op 11 november 2003 heeft Econcern N.V. (hierna: Econcern) op de voet van art. 2:403 lid 1, aanhef en onder f, BW een verklaring gedeponeerd (hierna: de 403-verklaring), inhoudende dat zij zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van haar dochtermaatschappij Evelop B.V. (hierna: Evelop). (ii) Evelop is op 15 juni 2009 failliet verklaard. [eiseres] was in dienst bij Evelop en heeft uit dien hoofde een vordering op Evelop van € 2.674,20. Deze vordering op Evelop is bevoorrecht op de voet van art. 3:288, aanhef en onder e, BW. (iii) Econcern is op 18 september 2009 failliet verklaard. (iv) [eiseres] heeft haar vordering ingediend in het faillissement van Econcern. De curatoren hebben de vordering van [eiseres] voorlopig erkend, met uitzondering van het ingeroepen voorrecht. (v) Op de verificatievergadering is het geschil tussen partijen op de voet van art. 122 Fw verwezen naar de rechtbank. 3.2.1 In deze renvooiprocedure vordert [eiseres] erkenning van haar vordering in het faillissement van Econcern, met inbegrip van het door haar ingeroepen voorrecht. 3.2.2 De rechtbank heeft […]”

    r.o. 3.1 · lid 1

    “De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van [eiseres] op Econcern niet bevoorrecht is. Daartoe heeft zij overwogen dat volgens art. 3:278 BW voorrechten slechts ontstaan uit de wet. Art. 3:288, aanhef en onder e, BW geeft slechts een voorrecht aan bepaalde vorderingen van de werknemer op (het vermogen van) de werkgever, en Econcern geldt in dit verband niet als werkgever. Art. 2:403 BW verbindt geen voorrecht aan de op de aansprakelijkheidsverklaring gebaseerde vordering. Voor een dergelijk voorrecht bestaat evenmin een andere wettelijke grond. De strekking van art. 2:403 BW kan niet tot een andere uitkomst leiden. Tevergeefs is ook het beroep van [eiseres] op de Vierde Richtlijn betreffende de jaarrekening (78/660/EEG) (hierna: de Richtlijn). Een richtlijnconforme interpretatie van art. 2:403 BW leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere uitkomst.”

    r.o. 3.2.2

    “Het middel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat geen voorrecht verbonden is aan de vordering van [eiseres] op Econcern. Het middel bevat drie onderdelen, waarvan het eerste de klacht behelst dat de rechtbank het accessoire en subsidiaire karakter heeft miskend van de aanspraak die voortvloeit uit de 403-verklaring. Uit dit karakter volgt volgens het onderdeel dat het voorrecht van art. 3:288, aanhef en onder e, BW ook is verbonden aan de vordering op de moedermaatschappij die deze verklaring heeft afgelegd. Het onderdeel voert daartoe aan dat de uit de verklaring voortvloeiende aanspraak heeft te gelden als een (aan de vordering op de dochtermaatschappij verbonden) nevenrecht als bedoeld in art. 6:142 BW.”

    r.o. 3.3.1

    “Het onderdeel is ongegrond. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voorrechten alleen ontstaan uit de wet (art. 3:278 lid 2 BW). De aansprakelijkheid van Econcern berust op de door haar afgegeven 403-verklaring (HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663, NJ 2002/447, rov. 3.4.3 (Akzo Nobel/ING Bank)). Nu art. 2:403 BW, noch enige andere wettelijke bepaling aan de vordering die op deze aansprakelijkheidsverklaring berust, een voorrecht verbindt, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de vordering van [eiseres] op Econcern niet bevoorrecht is. Daaraan doet niet af het door [eiseres] gestelde accessoire en subsidiaire karakter van de op de aansprakelijkheidsverklaring gebaseerde vordering, noch haar stelling dat het zou gaan om een nevenrecht, wat van deze stellingen ook zij. Het door [eiseres] gedane beroep op art. 6:142 BW kan reeds geen doel treffen omdat door het afleggen van de aansprakelijkheidsverklaring geen sprake is van overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser.”

    r.o. 3.3.2

    ECLI:NL:HR:2014:898

  • Hoge Raad · 11 april 2014

    Hertogs/Deterink q.q.

    403-verklaring moedermaatschappij: geen voorrecht voor vordering UWV op moedermaatschappij

    “In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) Op 11 november 2003 heeft Econcern N.V. (hierna: Econcern) op de voet van art. 2:403 lid 1, aanhef en onder f, BW een verklaring gedeponeerd (hierna: de 403-verklaring), inhoudende dat zij zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van haar dochtermaatschappij Innogrow International B.V. (hierna: Innogrow). (ii) Econcern en Innogrow zijn beide in staat van faillissement verklaard, Econcern op 18 september 2009, Innogrow op 2 februari 2010. (iii) Op grond van art. 66 lid 1 Werkloosheidswet (WW) zijn loonaanspraken van werknemers van Innogrow overgegaan op het UWV tot een bedrag van € 56.563,92. Deze vordering van het UWV is in het faillissement van Innogrow bevoorrecht op grond van art. 3:288, aanhef en onder e, BW in verbinding met art. 66 lid 1 WW en art. 6:142 lid 1 BW. (iv) Het UWV heeft de vordering van € 56.563,92 ingediend in het faillissement van Econcern. De curatoren hebben deze vordering voorlopig erkend, met uitzondering van het ingeroepen voorrecht. (v) Op de verificatievergadering is het geschil tussen partijen op de voet van art. 122 Fw verwezen naar de […]”

    r.o. 3.1 · lid 1

    “De rechtbank heeft geoordeeld dat de curatoren niet (gemotiveerd) hebben betwist dat de 403-verklaring van Econcern mede strekt tot aanvaarding van aansprakelijkheid jegens het UWV die op grond van art. 66 lid 1 WW is getreden in de rechten van werknemers jegens Innogrow. De vordering van het UWV op Econcern is echter naar het oordeel van de rechtbank niet bevoorrecht. Daartoe heeft zij overwogen dat volgens art. 3:278 BW voorrechten slechts ontstaan uit de wet. Art. 3:288, aanhef en onder e, BW geeft slechts een voorrecht aan bepaalde vorderingen van de werknemer op (het vermogen van) de werkgever, en Econcern geldt in dit verband niet als werkgever. Art. 2:403 BW verbindt geen voorrecht aan de op de aansprakelijkheidsverklaring gebaseerde vordering. Voor een dergelijk voorrecht bestaat evenmin een andere wettelijke grond. De strekking van art. 2:403 BW kan niet tot een andere uitkomst leiden. Tevergeefs is ook het beroep van het UWV op de Vierde Richtlijn betreffende de jaarrekening (78/660/EEG) (hierna: de Richtlijn). Een richtlijnconforme interpretatie van art. 2:403 BW leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere uitkomst.”

    r.o. 3.2.2

    “Het middel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat geen voorrecht verbonden is aan de vordering van het UWV op Econcern. Het middel bevat drie onderdelen, waarvan het eerste de klacht behelst dat de rechtbank het accessoire en subsidiaire karakter heeft miskend van de aanspraak die voortvloeit uit de art. 2:403-verklaring. Uit dit karakter volgt volgens het onderdeel dat het voorrecht van art. 3:288, aanhef en onder e, BW ook is verbonden aan de vordering op de moedermaatschappij die deze verklaring heeft afgelegd. Het onderdeel voert daartoe aan dat de uit de verklaring voortvloeiende aanspraak heeft te gelden als een (aan de vordering op de dochtermaatschappij verbonden) nevenrecht als bedoeld in art. 6:142 BW.”

    r.o. 3.3.1

    “Het onderdeel is ongegrond. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voorrechten alleen ontstaan uit de wet (art. 3:278 lid 2 BW). De aansprakelijkheid van Econcern berust op de door haar afgegeven 403-verklaring (HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663, NJ 2002/447, rov. 3.4.3 (Akzo Nobel/ING Bank)). Nu art. 2:403 BW, noch enige andere wettelijke bepaling aan de vordering die op deze aansprakelijkheidsverklaring berust, een voorrecht verbindt, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de vordering van het UWV op Econcern niet bevoorrecht is. Daaraan doet niet af het door het UWV gestelde accessoire en subsidiaire karakter van de op de aansprakelijkheidsverklaring gebaseerde vordering, noch zijn stelling dat het zou gaan om een nevenrecht, wat van deze stellingen ook zij. Het door het UWV gedane beroep op art. 6:142 BW kan reeds geen doel treffen omdat door het afleggen van de aansprakelijkheidsverklaring geen sprake is van overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser.”

    r.o. 3.3.2

    ECLI:NL:HR:2014:904

  • Hoge Raad · 24 februari 2006

    Groepsvrijstelling artikel 2:403 BW en verkrijgbaarstelling jaarstukken aan obligatiehouders

    “[…] alle kennisgevingen aan houders van obligaties, per advertentie gratis te Amsterdam zullen worden verkrijgbaar gesteld of in een advertentie zullen worden opgenomen." (iv) Simon de Wit is enig aandeelhouder van AH. Beide zijn groepsmaatschappijen van Ahold. Ahold stelt jaarlijks een geconsolideerde jaarrekening vast, waarin de financiële gegevens van AH zijn verwerkt. AH heeft op grond van art. 2:403 BW vrijstelling van de verplichting de jaarrekening overeenkomstig titel 9 van boek 2 BW in te richten. (v) Bij brief van 14 september 2003 heeft ACM, teneinde de positie van haar cliënten te kunnen bepalen, Ahold verzocht om inzicht te verschaffen in een door haar op 3 maart 2003 verkregen kredietfaciliteit. Met hetzelfde doel is verzocht om een exemplaar van de enkelvoudige jaarrekening van AH. De gevraagde informatie is niet ter beschikking gesteld. Het krediet van 3 maart 2003 is afgelost. Op 17 december 2003 is door Ahold een nieuwe kredietovereenkomst aangegaan.”

    r.o. 3.1

    “De hiervoor in 3.4 genoemde onderdelen klagen over onjuistheid van de uitleg die het hof heeft gegeven aan art. 2.1.20, aanhef en onder g, van Bijlage B bij het Fondsenreglement in het zich hier voordoende geval dat voor de debitrice van de obligatielening de groepsvrijstelling van art. 2:403 lid 1 BW geldt, te weten dat dan onder jaarrekening en verslag in de zin van eerstgenoemde bepaling moeten worden verstaan de geconsolideerde jaarrekening en het verslag van de consoliderende groepsmaatschappij.”

    r.o. 3.6 · lid 1

    “Voor zover deze onderdelen het hof verwijten te hebben geoordeeld dat AH niet verplicht is "tot verkrijgbaarstelling van een door haar ex art. 2:101 lid 1 jo art. 2:403 lid 1 sub a BW op te maken jaarrekening" missen zij feitelijke grondslag aangezien een zodanig, buiten het door partijen aan het hof ter beslechting voorgelegde geschil vallend, oordeel in de bestreden uitspraak niet te lezen valt. Voor het overige falen deze onderdelen. Bij de aanpassing van het jaarrekeningenrecht aan de richtlijn 83/349/EEG heeft, zoals nader uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.44 - 2.46, de wetgever in 1988 ervoor gekozen de groepsvrijstelling van art. 2:403 BW, anders dan voorheen het geval was, ook te laten gelden voor geconsolideerde groepsmaatschappijen die zelfstandig ter beurze genoteerde effecten hebben uitgegeven. Voor een uitleg van art. 2.1.20, aanhef en onder g, van Bijlage B bij het Fondsenreglement die aan deze keuze zijn effect zou ontnemen, zou slechts grond bestaan indien de regels van gemeenschapsrecht die thans zijn samengebracht in richtlijn 2001/34/EEG daartoe zouden dwingen. Dit is echter niet het geval, nu die regels verkrijgbaarstelling van […]”

    r.o. 3.7 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2006:AV0046

  • Hoge Raad · 28 juni 2002

    Akzo Nobel/ING Bank NV

    Aard 403-verklaring en verzet pandhouder tegen beëindiging overblijvende aansprakelijkheid

    “In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) Akzo Fibers B.V. (hierna: Akzo Fibers) is een 100% dochtervennootschap van Akzo Nobel, waarvoor Akzo Nobel op 9 januari 1985 een per 11 december 1984 ingaande verklaring als bedoeld in art. 2:403 lid 1, onder f, BW bij de Kamer van Koophandel te Arnhem heeft gedeponeerd. (ii) Akzo Fibers en N.V. PGEM zijn op 8 oktober 1991 met elkaar een samenwerkingsovereenkomst aangegaan tot oprichting van een vennootschap onder firma ten behoeve van de gezamenlijke exploitatie van een warmtekrachtcentrale op de Akzo-locatie "Kleefse Waard". Daartoe hebben zij ieder een dochtermaatschappij opgericht, te weten Akzo Fibers Energie Arnhem B.V. en PGEM WK-II B.V. Deze dochtermaatschappijen zijn vervolgens vennootschap onder firma Warmte/Kracht Centrale Kleefse Waard (hierna: WKC) aangegaan. (iii) Eveneens op 8 oktober 1991 is WKC met Akzo Fibers een overeenkomst tot levering - door eerstgenoemde aan laatstgenoemde - van electriciteit en stoom aangegaan. Ook met andere partijen heeft WKC dergelijke leveringscontracten gesloten. (iv) Ter financiering van een nieuw te bouwen warmte-/krachtcentrale op de genoemde locatie heeft WKC op 23 maart 1992 […]”

    r.o. 3.1 · lid 1

    “[…] dat het door ING geformuleerde petitum niet in overeenstemming is met de bewoordingen van art. 2:404 lid 5, wordt verworpen. (rov. 4.2) (b) ING heeft een pandrecht op de vorderingen van WKC jegens IndustriePark. (rov. 4.3-4.7) (c) De strekking van de "artikel 403-verklaring" is bescherming te bieden aan potentiële schuldeisers die ingevolge de toepassing van de vrijstelling als bedoeld in art. 2:403 lid 1 hun beslissing om al dan niet met de dochtervennootschap te contracteren niet meer op de jaarstukken van de dochter kunnen baseren. De bescherming bestaat erin dat de vennootschap die zich op vrijstelling beroept (verder aan te duiden als de moedervennootschap), verklaart zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit de rechtshandelingen van de dochtervennootschap voortspruitende schulden. (rov. 4.9) (d) De hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedervennootschap gaat niet zo ver dat de contractant van de dochtervennootschap de moedervennootschap rechtstreeks tot nakoming kan aanspreken. Aan de door de wet beoogde bescherming van de contractant van de dochtervennootschap wordt voldoende recht gedaan indien de moedervennootschap op grond van de hier bedoelde verklaring […]”

    r.o. 3.2 · lid 1

    “De Hoge Raad zal eerst de onderdelen 4 en 6 van het middel behandelen. Het slagen van deze onderdelen, die bestrijden dat ING in haar hoedanigheid van pandhouder kan worden aangemerkt als de schuldeiser voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt in de zin van art. 2:403 en 404 BW, heeft tot gevolg dat de beschikking van de Ondernemingskamer niet in stand kan blijven en de beslissing van de Rechtbank moet worden bekrachtigd, zodat de overige onderdelen geen bespreking behoeven.”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:HR:2002:AE4663

  • Hoge Raad · 19 juni 2015

    Verjaring vordering uit 403-verklaring moedermaatschappij; kenbaarheid fusie

    Een schuldeiser vordert van een moedermaatschappij op grond van een 403-verklaring. Het geschil gaat volgens de inhoudsindicatie over de aanvang van de verjaringstermijn en over de kenbaarheid van een fusie. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep zonder nadere motivering op grond van artikel 81 lid 1 RO.

    ECLI:NL:HR:2015:1691

Conclusies van de A-G (12)

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 september 2021

    Artikel 6:235 BW en artikel 2:403 BW: wanneer is het groepsregime 'toegepast'?

    “[…] niet verplicht zijn. Om bewijsproblemen te voorkomen is intussen niet de verplichting tot het openbaar maken van een jaarrekening het toepasselijke criterium, maar de uit het handelsregister eenvoudig blijkende daadwerkelijke publicatie van de jaarrekening. Art. 6:235 lid 1 onder a BW houdt bij de aanknoping bij het jaarrekeningenrecht vervolgens mede rekening met het groepsregime van art. 2:403 BW. Daaromtrent vermeldt de toelichting bij het amendement niet meer dan het volgende: ‘Met het oog op groepsmaatschappijen is voorts verwezen naar artikel 403, en wel lid 1 daarvan. Toepassing van lid 3 van dat artikel vindt (in verband met artikel 396 lid 2) plaats indien de desbetreffende vennootschap èn de gehele groep volgens de criteria van art. 396 “klein” zijn, zodat ook dan de toepasselijkheid van de artikelen 2a en 2b redelijk zijn.’”

    r.o. 3.5

    “De vraag nu die de klachten van het onderdeel onder 1.1 aan de orde stellen, is wat is te verstaan onder de woorden in art. 6:235 lid 1 onder a BW: ‘ten aanzien waarvan op dat tijdstip laatstelijk artikel 403 lid 1 van Boek 2 is toegepast’. De steller van het middel gaat uit van de opvatting dat ‘is toegepast’ betekent dat aan álle voorschriften die art. 2:403 lid 1 BW aan het benutten van het groepsregime verbindt, moet zijn voldaan. Rechtbank en hof zijn van een andere opvatting uitgegaan. Volgens die opvatting kan met betrekking tot een rechtspersoon art. 2:403 lid 1 BW ‘laatstelijk zijn toegepast’, ook zonder dat blijkt dat aan álle voorschriften van art. 2:403 lid 1 BW is voldaan; voldoende is in deze opvatting dat bij de inrichting van de jaarrekening art. 2:403 lid 1 BW is toegepast.”

    r.o. 3.8 · lid 1

    “Uit het voorgaande zal reeds duidelijk zijn dat het antwoord op de vraag welke opvatting juist is, niet rechtstreeks uit de wetsgeschiedenis van art. 6:235 lid 1 BW volgt. Ook de bewoordingen van die bepaling wijzen niet duidelijk op het gelijk van de ene dan wel de andere lezing. De formulering ‘is toegepast’ is niet eenduidig en kan mijns inziens, behalve op een volledige, heel wel ook op een onvolledige toepassing van art. 2:403 lid 1 BW worden betrokken. De doorslag behoort te geven een vergelijking van de strekking van art. 6:235 lid 1 BW met die van de diverse voorschriften van art. 2:403 lid 1 BW.”

    r.o. 3.9 · lid 1

    “De kern van het groepsregime van art. 2:403 lid 1 BW is de publicatie van een geconsolideerde jaarrekening door (eenvoudig gezegd) de moedermaatschappij, waarin de financiële gegevens van de tot de groep behorende rechtspersoon begrepen zijn (lid 1 onder a en c). Die publicatie is hét alternatief voor een publicatie van de afzonderlijke jaarrekening van de rechtspersoon. Naast deze kern zijn er gedetailleerde bijkomende bepalingen, die mijns inziens (vooral) strekken ter bescherming van: ‒ de belangen van leden of aandeelhouders (dezen moeten schriftelijk instemmen; lid 1 onder b); ‒ het belang van de toegankelijkheid van de jaarrekening wat betreft de taal waarin deze is gesteld (verplicht in het Nederlands, Frans, Duits of Engels; lid 1 onder d); ‒ het belang van de toegankelijkheid van de accountantsverklaring en het bestuursverslag (verplicht in dezelfde taal als de geconsolideerde jaarrekening; lid 1 onder e); ‒ de belangen van hen die op grond van rechtshandelingen van de rechtspersoon schuldeiser zijn (verklaring van hoofdelijke aansprakelijkstelling; lid 1 onder f); ‒ het belang van de tijdige openbaarheid van de geconsolideerde jaarrekening en de andere vereiste stukken […]”

    r.o. 3.10 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2021:827

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 oktober 2019

    Concernenquête SNS Reaal en SNS Bank: maatstaf bevoegdheidsdoorbraak en reikwijdte onderzoek

    “[…] hield, en gesteld dat in de door hen beoogde onderzoeksperiode SNS Reaal, SNS Bank en Propertize een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding vormden. Ze hebben toegelicht dat in de jaarverslagen van SNS Reaal “de hele groep”, inclusief SNS Bank en Propertize, als zodanig werd gepresenteerd, dat SNS Reaal onderscheidenlijk SNS Bank verklaringen conform artikel 2:403 lid 1 sub f BW hebben afgegeven, en dat SNS Reaal, SNS Bank en Propertize een fiscale eenheid vormden. Voorts bestond tussen de raden van commissarissen van SNS Reaal en SNS Bank een volledige personele unie, en hadden bestuurders van SNS Reaal zitting in de raad van commissarissen en het centrale risicocomité van Propertize en in het bestuur van SNS Bank, terwijl bestuurders van SNS Bank in de raad van commissarissen, het bestuur en het centrale risicocomité van Propertize zaten. SNS Bank en Propertize zouden derhalve hun bestuursbeleid niet zelfstandig ten opzichte van SNS Reaal behoren te bepalen en te voeren, aldus nog steeds VEB c.s.”

    r.o. 3.28 · lid 1

    “[…] personele unie; e. gemiddeld de helft van de bestuurders van SNS Reaal had in de periode van 2006 tot de Onteigening zitting in het bestuur van SNS Bank; f. bestuurders van SNS Reaal en SNS Bank waren vertegenwoordigd in het centrale risicocomité van Property Finance en in de kredietcommissie; g. SNS Reaal heeft op 4 december 2006 ten aanzien van SNS Bank een verklaring als bedoeld in artikel 2:403 lid 1 sub f BW afgegeven; h. als gevolg van de binnen het concern gehanteerde financiering van het eigen vermogen van SNS Bank en Reaal door vreemd vermogen aangetrokken door SNS Reaal – de zogenaamde double leverage – en door de funding van Property Finance door SNS Bank bestond er ook financieel een sterke verbondenheid en afhankelijkheid tussen SNS Reaal, SNS Bank en Property Finance.”

    r.o. 3.15 · lid 1

    “[…] A-G].” Deze omstandigheid benadrukt ook weer de verwevenheid tussen het beleid en de gang van zaken van SNS Reaal en het beleid en gang van zaken van SNS Bank ten aanzien van Property Finance (zie rov. 3.18 waarin de ondernemingskamer “in het licht van dit alles” spreekt van een “gekunsteld” onderscheid). g. De omstandigheid dat SNS Reaal op 4 december 2006 een verklaring als bedoeld in art. 2:403 lid 1 sub f BW heeft afgegeven draagt ook op niet onbegrijpelijke wijze bij aan de vereisten voor het groepsbegrip van art. 2:24b BW. Het element economische eenheid is opgenomen in art. 2:24b BW met het oog op de verslaggeving in de geconsolideerde jaarrekening. De begrippen groep en groepsmaatschappij worden in vele wettelijke bepalingen in het jaarrekeningenrecht gebruikt. Een van die bepalingen is art. 2:403 BW. Als aan de in lid 1 van die bepaling opgenomen voorwaarden is voldaan, behoeft een tot een groep behorende rechtspersoon de jaarrekening niet overeenkomstig de voorschriften van titel 9 van Boek 2 BW in te richten. Een van die voorwaarden, onder lid 1 sub f, is de zogenoemde 403-verklaring. Dat een dergelijke verklaring is afgegeven draagt bij aan het oordeel dat SNS […]”

    r.o. 3.62 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2019:1059

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 december 2016

    Verzet schuldeisers tegen beëindiging overblijvende aansprakelijkheid na intrekking 403-verklaring: toetsingsmaatstaf

    “De Ondernemingskamer overweegt als volgt. De onder 2.3 weergegeven verklaring houdt in dat SNS Bank N.V verklaart zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van Propertize voortvloeiende schulden, in de zin van artikel 2:403 lid 1 sub f BW. Bij de beoordeling van de grieven zijn in dat verband twee te onderscheiden vragen aan de orde: (a) de vraag of de vordering van de curatoren onderscheidenlijk CRI, gelet op de gestelde grondslag daarvan, onder het bereik van de 403-verklaring valt en (b) of de desbetreffende vordering voldoende “hard” is, dat wil zeggen of er voldoende feiten en omstandigheden voorhanden zijn ter ondersteuning van de gestelde grondslag. De derde vraag, die naar de omvang van de vordering, doet slechts ter zake in het kader van de beoordeling (hierna, onder 3.19 en volgende) of voldoende waarborgen in de zin van artikel 2:404 lid 4 BW aanwezig zijn.”

    r.o. 3.6 · lid 1

    “De Ondernemingskamer overweegt aangaande de eerste vraag als volgt. De 403-verklaring houdt in dat SNS Bank verklaart zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van Propertize voortvloeiende schulden, in de zin van artikel 2:403 lid 1 sub f BW. De Ondernemingskamer is van oordeel dat curatoren, gelet op de in 3.7 genoemde norm, de vorderingen van de gefailleerde vennootschappen op Propertize toereikend hebben toegelicht en dat die vorderingen vallen onder de uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden in de zin van genoemde 403-verklaring. Zij hebben immers gesteld dat de failliete vennootschappen kredietovereenkomsten met Propertize hebben gesloten, dat Propertize wanprestatie heeft gepleegd door die overeenkomsten ten onrechte op te zeggen en dat ten gevolge daarvan deze vennootschappen schade hebben geleden. In de inmiddels uitgebrachte dagvaarding (zie hierboven onder 2.13) vorderen de curatoren onder andere een verklaring voor recht dat Propertize tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomsten en een verwijzing naar de schadestaatprocedure. In die dagvaarding staat in hoofdstuk IV (Vorderingen) onder IV.1 (Schadeplichtigheid Propertize) […]”

    r.o. 3.9 · lid 1

    “Op grond van art. 2:403 BW kan een rechtspersoon die behoort tot een groep zijn vrijgesteld van de verplichting de jaarrekening overeenkomstig de voorschriften van titel 9 van boek 2 BW in te richten. Eén van de hiervoor geldende voorwaarden is dat de moedermaatschappij een zogenoemde 403-verklaring heeft afgegeven: een verklaring waarin de moedermaatschappij zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de uit rechtshandelingen van de dochtermaatschappij voortvloeiende schulden (art. 2:403 lid 1 aanhef en sub f).”

    r.o. 4.9 · lid 1

    “De vraag is: wat is een “schuldeiser voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt” (art. 2:404 lid 5 BW)? Deze vraag is ook aan de orde gekomen in het arrest Akzo/ING. Het ging in die zaak om een houder van een stil pandrecht op vorderingen van een partij op een conform art. 2:403 BW vrijgestelde dochtermaatschappij. De Hoge Raad maakte duidelijk dat een zodanige pandhouder niet kan worden beschouwd als “schuldeiser voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt.””

    r.o. 4.16

    ECLI:NL:PHR:2016:1326

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 april 2015

    Verjaring vordering uit 403-verklaring moedermaatschappij; kenbaarheid juridische fusie

    “[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag, samengevat, dat de facturen die DVO P aan Etis heeft gestuurd, (deels) onbetaald zijn gebleven. Volgens [eiseres] heeft zij een pandrecht op de vorderingen waarop de facturen betrekking hebben, terwijl Eneco op grond van haar verklaring op de voet van art. 2:403 lid 1 aanhef en onder f BW aansprakelijk is voor de schulden van Etis (zie rov. 4).”

    r.o. 2.2 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2015:523

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 januari 2015

    403-verklaring: gevolgen dading met dochter voor hoofdelijke aansprakelijkheid moedermaatschappij

    “[…] waarbij Mastertools zich verbond ten behoeve van [verweerster] een trekstempel te vervaardigen en te leveren voor een bedrag van € 52.600,- excl. btw. In deze - in de kooporder 0015909 van [verweerster] vastgelegde - overeenkomst is als leveringsdatum vermeld 24 maart 2006. (iii) Toen de overeenkomst werd gesloten, was door Bia Beheer met betrekking tot Mastertools op de voet van artikel 2:403, eerste lid, aanhef en sub f, BW een verklaring afgelegd, waarbij Bia Beheer zich hoofdelijk aansprakelijk stelde voor schulden uit door Mastertools verrichte rechtshandelingen (hierna: de 403-verklaring). (iv) Mastertools is overgegaan tot het vervaardigen van een trekstempel, die zij op 16 of 17 april 2006 bij [verweerster] heeft afgeleverd. (v) Mastertools heeft aan [verweerster] drie op 19 april 2006 gedateerde facturen gestuurd, met een totaalbedrag van € 7.259,-. [verweerster] heeft deze facturen op 19 mei 2006 aan Mastertools betaald. (vi) Begin mei 2006 is de bij [verweerster] afgeleverde trekstempel getest onder de pers van [verweerster]. Gebleken is dat daarmee (nog) geen goede producten konden worden gemaakt. De trekstempel is eind juni 2006 aan Mastertools […]”

    r.o. 1.2

    “[verweerster] heeft het hof – zoals verduidelijkt in haar wijziging van eis – verzocht om het vonnis van de rechtbank van 17 juni 2009 te vernietigen en verderom (a) voor recht te verklaren dat Mastertools vanaf week 13 van 2006 in verzuim was jegens [verweerster] en dat de overeenkomst tussen [verweerster] en Mastertools van 28 oktober 2005 rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden per 24 november 2006, althans 1 december 2006, en (b) Bia Beheer uit hoofde van art. 2:403 BW te veroordelen tot betaling aan [verweerster] van i) de drie door [verweerster] voldane facturen van in totaal € 7.259,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, ii) het door [verweerster] krachtens het te vernietigen rechtbankvonnis betaalde bedrag van € 31.560,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, en iii) een vergoeding voor alle als gevolg van de wanprestatie van Mastertools geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.”

    r.o. 1.7

    “Het voorgedragen cassatiemiddel bevat vijf onderdelen. De daarin opgenomen klachten richten zich voornamelijk tegen rov. 4.16.1 van het tussenarrest, waarin het hof in verband met de door Bia Beheer afgelegde 403-verklaring het volgende overweegt: “4.16.1 (…) Ingevolge de aansprakelijkheidsverklaring van artikel 2:403 lid 1 aanhef en onder f BW wordt de moedervennootschap hoofdelijk verbonden voor de uit rechtshandelingen van de dochtervennootschap voortvloeiende schulden. Hoofdelijke aansprakelijkheid, kan, ook in het kader van de bepaling van artikel 2:403 BW, niet op één lijn worden gesteld met borgtocht (HR 28 juni 2002, JOR 2002, 136, LJN: AE4663), waarbij de schuldeiser eerst de dochtervennootschap zou moeten aanspreken conform het subsidiariteitsbeginsel van artikel 7:855 BW. De hoofdelijkheid brengt met zich mee dat de schuldeiser ([verweerster]) naar vrije keuze zowel de dochtervennootschap (Mastertools; mr. Gerrits q.q.) als de moedervennoo-schap (Bia Beheer; mr. Eikendal q.q.) tot nakoming voor het geheel kan aanspreken, met dien verstande dat nakoming door een van hen ook de andere medeschuldenaar bevrijdt (art. 6:7 BW). De omstandigheid dat de schuldeiser met één der […]”

    r.o. 2.1 · lid 1

    “In onderdeel 1 wordt tegen deze overweging aangevoerd dat het hof miskent dat datgene waartoe de consoliderende vennootschap (Bia Beheer) zich hoofdelijk verplicht niet uit art. 2:403 BW voortvloeit maar uit de 403-verklaring zelf, zodat het hof ten onrechte nalaat de inhoud van die verklaring door middel van uitleg vast te stellen.”

    r.o. 2.2

    ECLI:NL:PHR:2015:48

  • Parket bij de Hoge Raad · 10 oktober 2014

    Schadeloosstelling onteigening SNS Reaal en SNS Bank; werking 403-verklaring bij achterstelling

    “VEB c.s., Aviva c.s. en Unipol c.s. hebben de Ondernemingskamer een voorwaardelijk verzoek gedaan, inhoudende – zakelijk weergegeven – dat de schadeloosstelling slechts dient te worden vastgesteld voor het geval dat de op art. 2:403 BW gebaseerde vorderingen van de onteigende achtergestelde obligatiehouders van SNS Bank zijn afgewezen bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak, of voor het geval dat op andere gronden de onteigende achtergestelde obligatiehouders van SNS Bank geen beroep op de 403-verklaring kunnen doen (zie rov. 1.9).”

    r.o. 3.5

    “[…] blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de uitleg van een aansprakelijkheidsverklaring zoals deze in het onderhavige geval aan de orde is. Wat een dergelijke verklaring in een concreet geval inhoudt, dient immers vastgesteld te worden door uitleg van die verklaring. De strekking van de verklaring – welke bijvoorbeeld kan zijn de aanvaarding van aansprakelijkheid met het oog op de in art. 2:403 lid 1 BW genoemde voorwaarden – kan bij deze uitleg een rol spelen. De strekking van de verklaring kan als zodanig echter niet de inhoud van de verklaring bepalen (zie HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663, NJ 2002/447, rov. 3.4.2 (Akzo Nobel/ING)). Het onderdeel klaagt terecht dat de Ondernemingskamer dit miskend heeft. De Ondernemingskamer heeft immers geoordeeld dat gezien de in de 403-verklaring opgenomen verwijzing naar art. 2:403 lid 1 BW, mag worden aangenomen dat deze verklaring niet de strekking heeft om daarmee verdere aansprakelijkheid te aanvaarden dan voor de werking van art. 2:403 lid 1 BW noodzakelijk is, en de Ondernemingskamer is op basis daarvan tot de slotsom gekomen dat de 403-verklaring van SNS Reaal inhoudt dat de achtergestelde crediteuren van SNS Bank […]”

    r.o. 8.7 · lid 1

    “[…] de orde is – de achterstelling waardoor een vordering een lagere rang inneemt dan de wet aan die vordering toekent – kan berusten op een overeenkomst tussen de schuldeiser en de schuldenaar (zie art. 3:277 lid 2 BW). Voor zover het betreft vorderingsrechten die rechtstreeks ontstaan uit een niet tot een bepaalde partij gerichte eenzijdige rechtshandeling zoals een verklaring in de zin van art. 2:403 lid 1 aanhef en onder f BW, kan daaraan mijns inziens worden toegevoegd dat de achterstelling ook kan berusten op die eenzijdige rechtshandeling. De inhoud van de aansprakelijkheid uit een dergelijke eenzijdige rechtshandeling wordt in beginsel immers door die rechtshandeling zelf bepaald. Anders dan de Ondernemingskamer kennelijk heeft aangenomen, kan een ‘eigenlijke’ achterstelling niet berusten op de enkele overeenkomst tussen de schuldeiser (in dit geval: de crediteur met een vordering op SNS Reaal uit hoofde van de 403-verklaring) en een derde (in dit geval: SNS Bank). Het oordeel van de Ondernemingskamer omtrent de achterstelling van de vorderingen op SNS Reaal uit hoofde van de 403-verklaring, kan ook om deze reden niet in stand blijven.”

    r.o. 10.16 · lid 1

    “Dat de moedermaatschappij in het laatstgenoemde geval niet gehouden is tot betaling van de vordering uit hoofde van de 403-verklaring, is volgens het onderdeel een rechtstreeks en legitiem gevolg van de contractuele achterstellingsbepalingen en de regelingen van artt. 6:10 t/m 6:12 BW, art. 2:403 BW en art. 136 Fw. In veel grote financiële transacties zouden borgen en andere hoofdelijke medeschuldenaren dan ook akkoord plegen te gaan met een uitdrukkelijke uitsluiting van hun wettelijke verhaalsrechten totdat alle externe schuldeisers zijn voldaan. Volgens het onderdeel heeft een dergelijke uitsluiting in de hier aan de orde zijnde overeenkomsten kennelijk welbewust niet plaatsgevonden, en is er op dit punt ook geen andere regeling getroffen. Een en ander zou echter voor rekening dienen te blijven van de achtergestelde crediteuren van SNS Bank.”

    r.o. 12.5

    ECLI:NL:PHR:2014:1825

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 februari 2014

    403-verklaring: geen voorrecht bij vordering op moedermaatschappij

    “Op 11 november 2003 heeft Econcern N.V. (hierna: Econcern), destijds handelend onder de naam Econcern B.V., op voet van art. 2:403 lid 1 sub f BW een verklaring gedeponeerd, inhoudende dat zij zich, behoudens tussentijdse intrekking conform de wet, hoofdelijk aansprakelijk stelt voor uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van onder meer haar dochtermaatschappij Innogrow International B.V. (hierna: Innogrow) (zie rov. 2.1). Deze verklaring van Econcern wordt hierna tevens aangeduid als ‘de aansprakelijkheidsverklaring’ of ‘de 403-verklaring’.”

    r.o. 1.1 · lid 1

    “[…] werd echter gegrond bevonden. De rechtbank overweegt dat volgens art. 3:278 BW voorrechten slechts ontstaan uit de wet. Art. 3:288 aanhef en sub e BW geeft slechts een voorrecht aan bepaalde vorderingen van de werknemer op (het vermogen van) de werkgever, en Econcern geldt niet als werkgever van de werknemers in de rechten van wie het UWV is gesubrogeerd. De rechtbank overweegt voorts dat art. 2:403 BW (verondersteld dat die bepaling in het onderhavige geval van toepassing zou zijn) noch enige andere wettelijke bepaling een voorrecht verbindt aan aansprakelijkheid die voortvloeit uit een ten behoeve van een dochtervennootschap afgegeven aansprakelijkheidsverklaring. De strekking van art. 2:403 BW kan niet tot een andere uitkomst leiden, aldus de rechtbank. Tevergeefs is ook het beroep van het UWV op de Vierde Richtlijn betreffende de jaarrekening (78/660/EEG). Een richtlijnconforme interpretatie van art. 2:403 BW leidt naar oordeel van de rechtbank namelijk niet tot een andere uitkomst (zie rov. 4.1 t/m 4.5).”

    r.o. 1.8

    “De klachten van onderdeel 2 zijn ongegrond. De rechtbank heeft aangenomen dat de strekking van art. 2:403 BW niet meebrengt dat crediteuren die een bevoorrechte vordering hebben op de dochtermaatschappij, tevens aanspraak kunnen maken op een voorrecht bij de op de 403-verklaring gebaseerde vordering jegens de moedermaatschappij. Dat rechtsoordeel is mijns inziens juist (zie voor een nadere bespreking mijn conclusie van heden in de parallelle procedure met rolnummer 13/02589). Het genoemde rechtsoordeel kan ook niet met vrucht met motiveringsklachten worden bestreden. Reeds om deze redenen kunnen de klachten van onderdeel 2 niet slagen. Onderdeel 3”

    r.o. 2.8

    “Onderdeel 3 betoogt dat een richtlijnconforme interpretatie van art. 2:403 lid 1 aanhef en onder f BW meebrengt dat de moedervennootschap zich aansprakelijk dient te stellen voor de verplichtingen van de dochtervennootschap, inclusief de aan die verplichtingen verbonden voorrechten. Het onderdeel beroept zich in dit verband onder meer op de tekst van art. 57 van de Vierde Richtlijn betreffende de jaarrekening (78/660/EEG). Volgens het onderdeel getuigt het oordeel van de rechtbank op het betreffende punt van een onjuiste rechtsopvatting.”

    r.o. 2.9 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2014:92

  • Parket bij de Hoge Raad · 14 februari 2014

    403-verklaring moedermaatschappij: geen voorrecht op moedermaatschappij bij bevoorrechte vordering op dochter

    “Op 11 november 2003 heeft Econcern N.V. (hierna: Econcern), destijds handelend onder de naam Econcern B.V., op de voet van art. 2:403 lid 1 sub f BW een verklaring gedeponeerd, inhoudende dat zij zich, behoudens tussentijdse intrekking conform de wet, hoofdelijk aansprakelijk stelt voor uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van onder meer haar dochtermaatschappij Evelop B.V. (hierna: Evelop) (zie rov. 2.1). Deze verklaring van Econcern wordt hierna tevens aangeduid als ‘de aansprakelijkheidsverklaring’ of ‘de 403-verklaring’.”

    r.o. 1.1 · lid 1

    “[…] van de curatoren dat de vordering van [eiseres] op Econcern niet preferent is, werd echter gegrond bevonden. De rechtbank overweegt dat volgens art. 3:278 BW voorrechten slechts ontstaan uit de wet. Art. 3:288 aanhef en sub e BW geeft slechts een voorrecht aan bepaalde vorderingen van de werknemer op (het vermogen van) de werkgever, en Econcern geldt in dit verband niet als werkgever. Art. 2:403 BW verbindt geen voorrecht aan de op de aansprakelijkheidsverklaring gebaseerde vordering van [eiseres] op Econcern. Voor een dergelijk voorrecht bestaat evenmin een andere wettelijke grond. De strekking van art. 2:403 BW kan niet tot een andere uitkomst leiden – aldus nog steeds de rechtbank. Tevergeefs is ook het beroep van [eiseres] op de Vierde Richtlijn betreffende de jaarrekening (78/660/EEG). Een richtlijnconforme interpretatie van art. 2:403 BW leidt naar oordeel van de rechtbank namelijk niet tot een andere uitkomst (zie rov. 4.1 t/m 4.4).”

    r.o. 1.7

    “Art. 2:403 BW bepaalt dat een tot een groep behorende rechtspersoon in bepaalde gevallen is vrijgesteld van de verplichting tot het opstellen van een volledige jaarrekening. Voorwaarde voor het gebruik van deze zogenaamde groepsvrijstelling is onder meer dat er een verklaring is afgelegd als bedoeld in art. 2:403 lid 1 sub f BW (een ‘403-verklaring’). Het gaat daarbij blijkens de genoemde bepaling om een schriftelijke verklaring van de consoliderende rechtspersoon of vennootschap (hierna: de moedermaatschappij) waarin deze verklaart zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor schulden voortvloeiende uit rechtshandelingen van de betreffende rechtspersoon (hierna: de dochtermaatschappij).”

    r.o. 2.5 · lid 1

    “Uit het arrest Akzo Nobel/ING Bank blijkt dat een verklaring als bedoeld in art. 2:403 lid 1 sub f BW een niet tot een bepaalde partij gerichte eenzijdige rechtshandeling is, op grond waarvan rechtstreeks aansprakelijkheid van de moedermaatschappij ontstaat. De eenzijdige verklaring van hoofdelijke aansprakelijkheid roept niet een afhankelijk recht in het leven. De aansprakelijkheid is bovendien uitsluitend gebaseerd op de 403-verklaring zelf; de crediteur kan jegens de moedermaatschappij geen recht ontlenen aan art. 2:403 BW. Wat een 403-verklaring in een concreet geval inhoudt, dient vastgesteld te worden door uitleg van de betreffende verklaring. Zie HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663, NJ 2002/447, rov. 3.4.2 t/m 3.4.6 (Akzo Nobel/ING Bank).”

    r.o. 2.6 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2014:93

  • Parket bij de Hoge Raad · 24 februari 2006

    Groepsvrijstelling artikel 2:403 BW en jaarstukken bij beursgenoteerde obligaties concerndochter

    “Ahold stelt jaarlijks een geconsolideerde jaarrekening vast, waarin de financiële gegevens van AH zijn verwerkt. AH heeft op grond van art. 2:403 BW vrijstelling van de verplichting de jaarrekening overeenkomstig titel 9 van boek 2 BW in te richten.”

    r.o. 1.6

    “In het van toepassing verklaarde Fondsenreglement is bepaald dat de jaarrekening en het jaarverslag zo spoedig mogelijk na het verschijnen (gratis) ter beschikking moeten worden gesteld. ACM stelt op grond van die bepaling recht te hebben op afgifte van de enkelvoudige jaarrekeningen van AH van 2001 en 2002. De reeds verstrekte geconsolideerde jaarcijfers van Ahold zijn onvoldoende. Ahold kan zich in dit verband niet beroepen op art. 2:403 BW, nu dit artikel is geschreven voor crediteuren en niet voor vermogensverschaffers, zoals obligatiehouders.”

    r.o. 1.12

    “Op grond van het bepaalde in art. 2:403 BW behoeft AH haar jaarrekening niet overeenkomstig de voorschriften van titel 9 van boek 2 BW in te richten en behoeft zij haar jaarrekening niet te publiceren. In een dergelijke situatie van een dochtervennootschap is het, aldus AH c.s., marktpraktijk dat indien de dochtervennootschap een obligatielening uitgeeft die is gegarandeerd door de moedermaatschappij uitsluitend de moedervennootschap (i.c. Ahold) haar jaarrekening publiceert. In de prospectus zijn uitsluitend de financiële gegevens van Ahold opgenomen, hetgeen er eveneens op wijst dat Ahold (en niet AH) de verplichtingen heeft zoals genoemd in de prospectus.”

    r.o. 1.15

    “In beginsel dienen ook de verschillende rechtspersonen die tot een groep behoren een eigen jaarrekening op te maken, vast te stellen en te publiceren conform de vereisten van titel 9 van boek 2 BW. Niet alleen kan dit buitensporige administratieve lasten tot gevolg hebben, ook kan dit er toe leiden dat concurrenten van het concern inzicht verkrijgen in de voorwaarden die gelden voor intraconcerntransacties(40). Art. 2:403 lid 1 BW biedt de moedervennootschap de mogelijkheid om dit te voorkomen.”

    r.o. 2.31 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2006:AV0046

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 juni 2002

    Verzetrecht pandhouder tegen beëindiging overblijvende 403-aansprakelijkheid

    “Akzo Fibers BV (hierna: Akzo Fibers) is een 100 % dochtervennootschap van eiseres tot cassatie, Akzo Nobel, waarvoor Akzo Nobel op 9 januari 1985 een per 11 december 1984 ingaande verklaring als bedoeld in art. 2:403 lid 1 onder f BW bij de Kamer van Koophandel te Arnhem heeft gedeponeerd.”

    r.o. 1.1 · lid 1

    “Op 1 juli 1998 heeft Akzo Fibers alle aandelen in Akzo Fibers Energie Arnhem BV overgedragen aan een nieuw opgerichte vennootschap Akzo Nobel Service Unit Kleefse Waard BV, later IndustriePark Kleefse Waard geheten (hierna: IndustriePark). Met ingang van diezelfde dag zijn alle rechten en verplichtingen van Akzo Fibers terzake van WKC VOF overgedragen aan IndustriePark. Akzo Nobel heeft ook voor IndustriePark een aansprakelijkheidsverklaring afgegeven als bedoeld in artikel 2:403 lid 1 onder f BW, ingaande op 1 juli 1998.”

    r.o. 1.5 · lid 1

    “Het gaat in deze zaak om het volgende. Een aansprakelijkstelling in de zin van art. 2:403 lid 1 onder f BW kan worden ingetrokken door nederlegging van een daartoe strekkende verklaring ten kantore van het handelsregister (art. 2:404 lid 1 BW), waarmee aansprakelijkheid niet langer bestaat voor (nieuwe) schulden uit rechtshandelingen verricht nadat jegens de schuldeiser een beroep op intrekking kan worden gedaan. Door intrekking van de aansprakelijkstelling eindigt niet de aansprakelijkheid voor "oude" bestaande schulden. Deze "overblijvende aansprakelijkheid" wordt ten opzichte van de schuldeisers beëindigd indien aan de in art. 2:404 lid 3 onder a t/m d BW genoemde voorwaarden is voldaan. Binnen twee maanden na de aankondiging van de mededeling van het voornemen tot beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid in een landelijk verspreid dagblad, kan de schuldeiser voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt, verzet doen. ING heeft bij verzoekschrift op grond van art. 2:404 lid 5 BW verzet gedaan.”

    r.o. 2.2 · lid 1

    “Onderdeel 4 heeft betrekking op de strekking en de gevolgen van de verklaring van art. 2: 403 lid 1 onder f BW. De Ondernemingskamer heeft dienaangaande in de rechtsoverweging 4.9 en 4.10 als volgt overwogen: "4.9 De strekking van de "artikel 403-verklaring"is bescherming te bieden aan potentiële schuldeisers die ingevolge de toepassing van de vrijstellingsregeling als bedoeld in artikel 2:403 lid 1 BW hun beslissing om al of niet met de dochtervennootschap te contracteren niet meer op de jaarstukken van die dochter kunnen baseren. De bescherming bestaat erin dat de vennootschap die zich op vrijstelling beroept (hierna, om redenen van eenvoud, aan te duiden als: de moedervennootschap) in een bij het Handelsregister gedeponeerde verklaring heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de dochter voortvloeiende schulden. In de wet worden de aard en de rechtsgevolgen van deze hoofdelijke aansprakelijkheid niet (verder) uitgewerkt.”

    r.o. 2.16 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2002:AE4663

  • Parket bij de Hoge Raad · 12 september 2008

    Doorbraak van aansprakelijkheid: moeder na mislukt reddingsplan van dochter

    De curator van een gefailleerde dochtervennootschap sprak de buitenlandse moedervennootschap (indirect enig aandeelhouder) aan voor het faillissementstekort wegens onrechtmatige daad, nadat een reddingsplan was mislukt en de financiering was gestopt. Het hof wees de vordering af. In zijn conclusie meent de A-G dat alle omstandigheden van het geval moeten worden gewogen en dat het hof zijn oordeel begrijpelijk heeft gemotiveerd. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2008:BD7596

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 oktober 2006

    Artikel 2:248 lid 2 BW: ontbrekende accountantsverklaring en weerlegging van het causaliteitsvermoeden

    “[…] bestuurders kan worden geschonden, [noot] of het niet of te laat openbaarmaken van de jaarrekening over een boekjaar wordt geheeld door het wel tijdig openbaarmaken van de jaarrekening over het daaropvolgende boekjaar,[noot] hoe moet worden omgegaan met de gevallen waarin vennootschapen ten onrechte in de veronderstelling verkeerden van de openbaarmakingsplicht te zijn vrijgesteld (zie o.a. art. 2:403 lid 3 BW) of hun grootte (zie art. 2:397 BW) verkeerd hebben ingeschat en of art. 2:394 BW ook geldt voor pseudo buitenlandse vennootschappen.[noot] Wij zullen de verleiding weerstaan deze vragen hier te bespreken. Maar dat zij stuk voor stuk in de praktijk tot onduidelijkheid - en rechtsonzekerheid! - kunnen leiden bij de toepassing van art. 2:248 lid 2 BW is evident."”

    r.o. 3.12 · lid 3

    ECLI:NL:PHR:2006:AY7916

Hoven en Ondernemingskamer (1)

  • Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 juni 2026

    Garantiestelling aandeelhouders met verwijzing naar artikel 2:403 BW: derdenbescherming in kort geding

    “[…] die voortvloeien uit de huidige dan wel de voorgenomen bedrijfsvoering. Wat moet er tenminste in de garantstelling staan? De aandeelhouders CQ investeerders genaamd…moeten schriftelijk verklaren zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de spoorwegonderneming (MDrivers B.V.) voortvloeiende schulden. (vergelijk de verklaring in het concernrecht artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek. Het zou mooi zijn als jullie die garantstelling morgen tijdens het overleg al aan ons zouden kunnen voorleggen.” Daarop is namens Mthode, met in de cc [persoon C] , als volgt gereageerd: “We nemen deze tekst mee in de opzet van een verklaring zodat dit morgenochtend als input kan gelden.” 6.2.5. Op 12 december 2024 is door Intergroup, Sbcn, SchieGotthard en Rail4Ward een zogenaamde “Garantiestelling aandeelhouders ten aanzien van MDrivers” (hierna: de Garantiestelling) ondertekend. Namens Intergroup heeft [persoon A] getekend. De Garantiestelling houdt het volgende in: “Aan: Inspectie Leefomgeving & Transport T.n.v. (…) Mdrivers B.V. is als Spoorwegonderneming met ERA veiligheidscertificaat in de start-up fase en geeft met de onderstaande garantiestelling vanuit […]”

    r.o. 6.2

    “[…] die voortvloeien uit de huidige dan wel de voorgenomen bedrijfsvoering. Wat moet er tenminste in de garantstelling staan? De aandeelhouders CQ investeerders genaamd…moeten schriftelijk verklaren zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de spoorwegonderneming (MDrivers B.V.) voortvloeiende schulden. (vergelijk de verklaring in het concernrecht artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek. Het zou mooi zijn als jullie die garantstelling morgen tijdens het overleg al aan ons zouden kunnen voorleggen.” Daarop is namens Mthode, met in de cc [persoon C] , als volgt gereageerd: “We nemen deze tekst mee in de opzet van een verklaring zodat dit morgenochtend als input kan gelden.””

    r.o. 6.2.4

    “Op 12 december 2024 is door Intergroup, Sbcn, SchieGotthard en Rail4Ward een zogenaamde “Garantiestelling aandeelhouders ten aanzien van MDrivers” (hierna: de Garantiestelling) ondertekend. Namens Intergroup heeft [persoon A] getekend. De Garantiestelling houdt het volgende in: “Aan: Inspectie Leefomgeving & Transport T.n.v. (…) Mdrivers B.V. is als Spoorwegonderneming met ERA veiligheidscertificaat in de start-up fase en geeft met de onderstaande garantiestelling vanuit aandeelhouders expliciet aan dat zij haar bestaande en toekomstige financieel economische verplichtingen voor ten minste een jaar (2025) kunnen waarborgen welke voortvloeien uit de huidige dan wel voorgenomen bedrijfsvoering. Genoemde aandeelhouders geven hierbij aan garant te zullen staan alsook zich hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de uit rechtshandelingen van de spoorwegonderneming (MDrivers B.V.) voortvloeiende schulden (artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek). Aandeelhouders welke garant staan voor MDrivers B.V. zijn respectievelijk: (…) Intergroup B.V. (…)”.”

    r.o. 6.2.5

    “LLOB heeft in dit verband naar voren gebracht dat de verklaring in de Garantiestelling geldt jegens alle schuldeisers van MDrivers en vereist was voor de vergunning van MDrivers op grond van artikel 28 Spoorwegwet jo artikel 5a Besluit bedrijfsvergunning en enkele vrijstellingen veiligheidscertificaat hoofdspoorwegen (hierna: het Besluit). De Garantiestelling bood LLOB de noodzakelijke financiële zekerheid om haar werkzaamheden te verrichten zonder voorafgaande betaling of het verlangen van aanvullende zekerheiden, en maakte het mogelijk een ruimere betalingstermijn te hanteren. Zonder de Garantiestelling had LLOB de werkzaamheden niet uitgevoerd, althans niet onder deze voorwaarden. De Spoorwegwet en de Garantiestelling boden het vertrouwen dat betaling gewaarborgd was. LLOB mocht uit de verwijzing naar artikel 2:403 BW redelijkerwijs afleiden en mocht daarop ook vertrouwen dat Intergroup met de Garantiestelling dezelfde werking heeft beoogd als met een ‘403-verklaring’, te weten hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de schuldeisers van MDrivers.”

    r.o. 6.16

    ECLI:NL:GHSHE:2026:1666

Rechtbanken (4)

  • Rechtbank Overijssel · 2 september 2026

    Curator kan geen nakoming van 403-verklaring vorderen namens schuldeisers

    “Op 21 augustus 2024 is tussen WLM Vastgoed enerzijds en [bedrijf 2] en [bedrijf 3] anderzijds een koopovereenkomst tot stand gekomen. Op grond van deze koopovereenkomst heeft WLM Vastgoed van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] de aandelen in [gedaagde] gekocht. Artikel 12 aanhef, lid 2, onder e van deze koopovereenkomst luidt als volgt: “Verkoper verklaart en garandeert aan Koper met betrekking tot: (…) De Vennootschap, dat: (…) de Vennootschap geen hoofdelijke aansprakelijkheidsverklaring heeft afgegeven zoals bedoeld in artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek;””

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:RBOVE:2026:5514

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 2 september 2026

    Hoofdelijke aansprakelijkheid aandeelhouders uit garantstellingsverklaring met verwijzing naar artikel 2:403 BW

    “In het kader van de vergunningverlening heeft een medewerker van ILT op 12 december 2024 aan een medewerker van MRA een e-mailbericht gezonden met de volgende inhoud: “Hierbij info mbt een garantstelling: Aangetoond moet worden dat de financiële positie van de spoorwegonderneming toereikend is om ten minste gedurende een jaar te voldoen aan haar bestaande en toekomstige verplichtingen die voortvloeien uit de huidige dan wel de voorgenomen bedrijfsvoering. Wat moet er minstens in de garantstelling staan? De aandeelhouders CQ investeerders genaamd …moeten schriftelijk verklaren zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de spoorwegonderneming (MDrivers B.V.) voortvloeiende schulden. (vergelijk de verklaring in het concernrecht artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek. Het zou mooi zijn als jullie die garantstelling morgen tijdens het overleg al aan ons zouden kunnen voorleggen.””

    r.o. 2.5

    “[…] en toekomstige financieel economische verplichtingen voor ten minste een jaar (2025) kunnen waarborgen welke voortvloeien uit de huidige dan wel voorgenomen bedrijfsvoering. Genoemde aandeelhouders geven hierbij aan garant te zullen staan alsook zich hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de uit rechtshandelingen van de spoorwegonderneming (MDrivers B.V.) voortvloeiende schulden (artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek). Aandeelhouders welke garant staan voor MDrivers B.V. zijn respectievelijk; 1. Sbcn B.V., [persoon 1] 2. Intergroup B.V., [persoon 2] 3. Schiegotthard B.V., [persoon 3] 4. Rail4Ward B.V. [persoon 3] Aldus naar waarheid opgemaakt en ondertekent te Barendrecht, 12 december 2024””

    r.o. 2.6

    “[…] & Transport (hierna: “ILT”) en vermeldt dat het zou gaan om een “Garantiestelling aandeelhouders ten aanzien van MDrivers” (hierna: “Document”). In het Document is verder onder meer vermeld dat aandeelhouders aangeven “garant te zullen staan alsook zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de spoorwegonderneming (MDrivers B.V.) voortvloeiende schulden (artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek)” (deze schuingedrukte passage wordt hierna als “Verklaring” aangeduid). De verwijzing in de Verklaring naar artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek (“BW”) is niet correct, omdat geen sprake is van een verklaring van de moedermaatschappij van MDrivers B.V. Er heeft ook geen publicatie van het Document plaatsgevonden in het handelsregister, zoals op grond van het Burgerlijk Wetboek wel vereist is. Intergroup c.s. zijn daarom van mening dat het Document en de Verklaring niet rechtsgeldig zijn en er geen beroep op kan worden gedaan door wie dan ook, dus ook niet door schuldeisers van MDrivers B.V. en sowieso ook niet door MDrivers B.V. zelf. (…) In elk geval (ook als het Document en/of de Verklaring wel rechtsgeldig zouden zijn) trekken Intergroup c.s. het Document en […]”

    r.o. 2.8

    “Ten derde neemt de rechtbank bij de uitleg van de garantstellingsverklaring in aanmerking dat daarin een verwijzing is opgenomen naar artikel 2:403 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De garantstellingsverklaring is niet opgesteld in de door artikel 2:403 BW beschreven, ondernemingsrechtelijke context en kan op zichzelf dus ook niet als een zogenaamde 403-verklaring worden aangemerkt. De rechtbank kan de verwijzing in de garantstellingsverklaring naar genoemd artikel dan ook niet anders duiden dan dat de opstellers daarmee hebben beoogd aan de garantstellingsverklaring eenzelfde strekking te geven als in dat artikel bedoeld, namelijk het (doen) ontstaan van rechtstreekse aansprakelijkheid van de ondertekenaars voor de (toekomstige) schulden van MDrivers. Dat past ook bij het doel waarmee de garantstellingsverklaring op verzoek van ILT is afgegeven: de financiële draagkracht van MDrivers aantonen teneinde de bedrijfsvergunning te verkrijgen.”

    r.o. 4.11

    ECLI:NL:RBZWB:2026:9489

  • Rechtbank Amsterdam · 1 juni 2026

    Hoofdelijke veroordeling moedervennootschap op grond van 403-verklaring bij huurachterstand

    “Mac-Mahon heeft op 11 juli 2018 een verklaring als bedoeld in artikel 2:403 lid 1 BW afgegeven waarmee zij zich hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schulden voortvloeiende uit rechtshandelingen van Park Hotel.”

    r.o. 2.2 · lid 1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:5462

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 8 april 2026

    Hoofdelijke aansprakelijkheid uit 403-verklaring vervalt door schending klachtplicht pensioenindexatie

    “Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de klachtplicht ook in deze zaak van toepassing is. Eisers stellen namelijk dat EMN64 (en later Ericsson Nederland) en/of Eurolab gebrekkig hebben gepresteerd doordat de pensioenen van eisers wel zijn geïndexeerd, maar niet volledig. Meer concreet stellen eisers dat de pensioenindexatie met de stijging van de prijsindex tot en met 2019 correct heeft plaatsgevonden, dat de pensioenen in 2020 te weinig zijn verhoogd en dat de pensioenen vanaf 2021 in strijd met de gemaakte afspraken in het geheel niet meer zijn verhoogd en ook niet meer verhoogd zullen worden. Eisers stellen dus dat er sprake is van ondeugdelijke nakoming van de verbintenis om de pensioenen te indexeren aan de hand van de consumentenprijsindex. Daarop is de klachtplicht van toepassing. Vervolgens stellen eisers dat EHI hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige indexatie op grond van artikel 2:403 lid 1 aanhef en onder f. BW.”

    r.o. 4.3 · lid 1

    “Uit het voorgaande volgt dat eisers naar het oordeel van de kantonrechter de klachtplicht hebben geschonden in zowel het geval dat de indexatieverplichting op Eurolab zou rusten of zou hebben gerust als in het geval dat de indexatieverplichting op EMN64/Ericsson Nederland zou rusten of zou hebben gerust. Dat betekent dat eisers geen beroep meer kunnen doen op het door hen gestelde gebrek in de prestatie (het niet volledig indexeren van hun pensioenen). In artikel 2:403 lid 1 aanhef en onder f. BW is bepaald dat de ‘moedermaatschappij’ (in dit geval EHI) zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de uit rechtshandelingen van de ‘403-rechtspersoon’ (in dit geval Eurolab dan wel EMN64 en Ericsson Nederland) voortvloeiende schulden. Nu uit het voorgaande volgt dat noch Eurolab noch EMN64/Ericsson Nederland nog een schuld heeft aan eisers is er van hoofdelijke aansprakelijkheid van EHI jegens eisers ook geen sprake (meer).”

    r.o. 4.11 · lid 1

    “Gelet op al het voorgaande zullen de vorderingen van eisers tegen EHI afgewezen worden. Immers, van hoofdelijke aansprakelijkheid van EHI op grond van artikel 2:403 lid 1 aanhef en onder f. BW is geen sprake meer. Er is ook geen andere rechtsgrond voor toewijzing van de vorderingen van eisers tegen EHI. Weliswaar stellen eisers nog dat EHI door aansprakelijkheid af te wijzen (ook) in strijd handelt met het goed werkgeverschap, het goed schuldenaarschap, de eisen van redelijkheid en billijkheid en met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, maar EHI betwist die stellingen gemotiveerd. De kantonrechter overweegt in dit kader dat EHI nooit werkgever van eisers is geweest. Verder hebben eisers onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de kantonrechter tot het oordeel kan komen dat aan de hoge drempel van vereenzelviging is voldaan. Zo is niet (voldoende) gesteld dat de identiteit van een van de rechtspersonen werd misbruikt om derden te benadelen. Wat betreft het beroep op artikel 6:248 lid 1 BW overweegt de kantonrechter dat tussen EHI en eisers geen overeenkomst bestaat. Tot slot hebben eisers naar het oordeel van de […]”

    r.o. 4.12 · lid 1

    ECLI:NL:RBZWB:2026:4281