← Alle artikelen

Titel 9. De jaarrekening en het bestuursverslag · Afdeling 16. Rechtspleging

Artikel 2:447 BW

In deze vorm in werking sinds 30 december 2023, laatst gewijzigd bij Stb. 2023, 517

1

Op verzoek van degenen die krachtens artikel 448 daartoe bevoegd zijn, kan de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam aan een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in artikel 360 waarop deze titel van toepassing is, een statutair in Nederland gevestigde effectenuitgevende instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet toezicht financiële verslaggeving of een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht bevelen de jaarrekening, het bestuursverslag, de daaraan toe te voegen overige gegevens of het afzonderlijke jaarlijkse verslag en de verklaringen, bedoeld in artikel 391a lid 2 of artikel 5:25e van de Wet op het financieel toezicht, in te richten overeenkomstig door haar te geven aanwijzingen.

2

Het verzoek kan slechts worden ingediend op de grond dat de verzoeker van oordeel is dat de in het eerste lid bedoelde stukken niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 3 van verordening (EG) 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PbEG L 243), deze titel, onderscheidenlijk de Wet op het financieel toezicht gestelde voorschriften. Het verzoek vermeldt in welk opzicht de stukken herziening behoeven.

3

Het verzoek heeft geen betrekking op een accountantsverklaring als bedoeld in artikel 393 lid 5.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:447 BW (6)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (1)

  • Hoge Raad · 24 april 2009

    AFM-verzoek tot wijziging jaarrekening 2006 Spyker afgewezen; maatstaf en stelplicht

    “Onderdeel 4 heeft betrekking op de door de ondernemingskamer gehanteerde maatstaven bij de beantwoording van de vraag of de ondernemingskamer aan een effectenuitgevende instelling een bevel moet geven in de zin van art. 2:447 lid 1 BW in verbinding met art. 2:451 lid 1 en lid 3. Het klaagt dat de ondernemingskamer van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door onjuiste, aanvullende maatstaven te gebruiken en doordat zij heeft miskend dat de enige maatstaf is of de jaarrekening voldoet aan de voorschriften gesteld bij of krachtens art. 3 van de Verordening 1606/2002/EG (de IFRS). Het onderdeel betoogt voorts dat de ondernemingskamer, als de jaarrekening niet voldoet aan een of meer van deze voorschriften, een bevel moet geven aan de effectenuitgevende instelling omtrent de wijze waarop deze de jaarrekening moet inrichten, althans toekomstige jaarrekeningen moet inrichten, zeker, en in elk geval, als de jaarrekening niet voldoet aan meerdere IFRS-voorschriften.”

    r.o. 3.4.1 · lid 1

    “Bij de beoordeling van deze klachten moet worden vooropgesteld dat de ondernemingskamer de jaarrekening van Spyker op de door de AFM aangevoerde punten van kritiek heeft getoetst aan de IFRS en aan de wettelijke bepalingen van Boek 2 BW en tot de conclusie is gekomen (in rov. 3.59) dat niet kan worden gezegd dat het Financieel Verslag 2006 in zijn geheel dan wel de jaarrekening 2006 (of overige gegevens) als onderdeel daarvan, niet voldoet of voldoen aan hetgeen op grond van de wet en de IFRS is vereist. Ook in haar overwegingen met betrekking tot ieder van de hoofdbezwaren afzonderlijk heeft de ondernemingskamer geoordeeld dat ondanks enkele door haar gesignaleerde tekortkomingen, de jaarrekening 2006 van Spyker een voldoende inzicht geeft als bedoeld in het eerste lid van art. 2:362 BW en niet in strijd met de IFRS is opgemaakt. Dit oordeel houdt in dat ook een getrouw beeld wordt gegeven overeenkomstig de IAS. Uitgaande van dit oordeel heeft de ondernemingskamer de door haar op enkele onderdelen gesignaleerde tekortkomingen of afwijkingen van de voorschriften niet voldoende ernstig geacht om een bevel in de zin van art. 2:447 lid 1 BW als door de AFM verzocht te geven.”

    r.o. 3.4.2 · lid 1

    “Al deze klachten stuiten af op het volgende. Met de omzetting van de jaarrekeningprocedure van een met een dagvaarding ingeleide procedure in een verzoekschriftprocedure heeft de wetgever - naar valt af te leiden uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wtfv en van art. 2:447 BW, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.33, 3.34 en 3.36 - niet bedoeld de ingevolge art. 284 lid 1 toepasselijke bepalingen van titel 2, afdeling 9, van Boek 1 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering opzij te zetten. De regels van stelplicht en bewijslast zijn ook op deze procedure van toepassing voorzover de aard ervan zich daartegen niet verzet. De aard van deze procedure brengt mee dat degene die een verzoek als bedoeld in art. 2:447 doet, aan dit verzoek de nodige feiten ten grondslag legt waaruit de toewijsbaarheid kan volgen en, bij gemotiveerde betwisting, deze feiten ook voldoende aannemelijk maakt. Op grond van het bepaalde in art. 24 Rv. mag de ondernemingskamer aan haar beslissing geen andere feiten ten grondslag leggen dan de feiten die partijen in deze procedure aan het verzoek en het verweer ten grondslag hebben gelegd. De enkele omstandigheid dat de AFM […]”

    r.o. 3.6.2

    “Onderdeel 12 is gericht tegen de laatste twee volzinnen van rov. 3.59 waarin de ondernemingskamer heeft geoordeeld dat deze procedure krachtens art. 2:447 lid 1 BW - slechts - betreft de eventuele herinrichting door Spyker van haar jaarrekening, haar jaarverslag of de daaraan toe te voegen overige gegevens en dat zulks inhoudt dat voorzover bezwaren zijn aangevoerd tegen de vaststelling dan wel de (wijze van) openbaarmaking van de jaarrekening, deze niet als zodanig in deze procedure aan de orde (kunnen) zijn en dus reeds daarom niet (kunnen) worden gehonoreerd. Het onderdeel bestrijdt voorts rov. 3.61 betreffende de veroordeling van de AFM in de proceskosten, en bevat in 12.9 een algemene klacht.”

    r.o. 3.11.1 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2009:BG8790

Conclusies van de A-G (5)

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 februari 2020

    Jaarrekeningprocedure: ontvankelijkheid aandeelhouder en classificatie ingekochte aandelen als vreemd vermogen

    “De jaarrekeningprocedure is thans vervat in de art. 2:447-454 BW die deel uitmaken van titel 9 van Boek 2 BW. De huidige jaarrekeningprocedure is een verzoekschriftprocedure (zie ook onder 2.1 en 2.8 hiervoor). In art. 2:448 lid 1 BW is bepaald wie bevoegd zijn een jaarrekeningprocedure te entameren: iedere belanghebbende (lid 1, onder a), de advocaat-generaal bij het ressortsparket in het openbaar belang (lid 1, onder b), en met betrekking tot uitgevende instellingen ook de Stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) (lid 2). Van de bevoegdheid onder b is voor zover mij bekend slechts tweemaal gebruikgemaakt en van de bevoegdheid onder c slechts eenmaal. Door belanghebbenden in de zin van art. 2:448 lid 1 onder a BW is door de jaren heen eveneens een betrekkelijk gering aantal jaarrekeningprocedures gestart. Vanaf de invoering van de jaarrekeningprocedure in 1971 tot 2014 hebben in totaal 93 jaarrekeningprocedures plaatsgevonden. Dat zijn dus gemiddeld ruim twee zaken per jaar. Ik heb niet de indruk dat dat beeld na 2014 bijstelling behoeft. Voor het relatief geringe aantal aanhangig gemaakte jaarrekeningprocedures worden in de literatuur verschillende redenen […]”

    r.o. 3.3

    ECLI:NL:PHR:2020:171

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 januari 2011

    Conclusie: beklemd vermogen artikel 2:18 lid 6 BW in jaarrekening na omzetting stichting

    “Subonderdeel 5.4 klaagt dat het oordeel van de Ondernemingskamer dat niet kan worden gezegd dat de jaarrekeningen op het punt van het beklemde vermogen alsnog dienen te worden aangepast, gezien al het voorgaande, geen toereikend gemotiveerde uitoefening inhoudt van de aan de Ondernemingskamer op grond van art. 2:447 lid 1 BW toekomende discretionaire bevoegdheid om een verzocht bevel te weigeren. De Ondernemingskamer kent voor toekomstige jaarrekeningen betekenis toe aan Aegon's algemene toezegging ter zitting om de jaarrekeningen in het vervolg met inachtneming van de beschikking in te richten. Ook dit oordeel is rechtens onjuist althans ontoereikend gemotiveerd, gelet op het voorgaande. Hierbij geldt dat Stichting BPVH belang heeft bij het door haar verzochte bevel, ook vanwege haar belang bij een proceskostenveroordeling te harer gunste, terwijl zij bovendien, nog los van het handhavingsbelang, een concreet belang erbij heeft dat in een dictum de op grond van art. 2:451 lid 1 BW nauwkeurig te formuleren aanwijzingen worden gegeven. In dit verband wordt nog gewezen op de stelling van Stichting BPVH dat Aegon zich al vanaf 2001 heeft beijverd om een ontklemming van het beklemde […]”

    r.o. 3.44 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2011:BN8852

  • Parket bij de Hoge Raad · 24 april 2009

    Conclusie A-G: AFM-jaarrekeningprocedure tegen Spyker, beleidsvrijheid OK bij IFRS-afwijkingen

    “Op 29 augustus 2007 heeft de AFM Spyker schriftelijk medegedeeld dat ook met de door Spyker verstrekte nadere toelichting de bij de AFM gerezen twijfel over de naleving van de toepasselijke inrichtingsvoorschriften niet is weggenomen. Op 31 augustus 2007 heeft de AFM een verzoekschrift bij de OK ingediend als bedoeld in art. 2:447 BW.”

    r.o. 1.11

    “[…] tot met name een aantal toelichtingsvereisten, acht de Ondernemingskamer deze, mede in het licht van de door Spyker toegezegde aanpassingen van deze punten in het Financieel Verslag 2007, evenmin zodanig ernstig dat het geven van specifieke aanwijzingen voor toekomstige jaarrekeningen zou zijn geboden. De Ondernemingskamer overweegt tot slot dat de onderhavige procedure krachtens artikel 2:447 lid 1 BW - slechts - betreft de eventuele herinrichting door Spyker van haar jaarrekening, haar jaarverslag of de daaraan toe te voegen overige gegevens. Dit houdt in dat, voor zover het verzoek bezwaren inhoudt tegen de vaststelling dan wel de (wijze van) openbaarmaking van de jaarrekening (waarop de in 1.1 aanhef en onder 1), onder 3 ) en - deels - onder 4) vermelde onderdelen van het petitum zien), die bezwaren niet als zodanig in deze procedure aan de orde (kunnen) zijn en daarom niet (kunnen) worden gehonoreerd.”

    r.o. 2.12 · lid 1

    “[…] niet is weggenomen. Op grond van art. 4 lid 2 Wtfv kan de AFM vervolgens in het belang van een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de belegger op die markten een verzoek doen aan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam tot het geven van een bevel aan de effectenuitgevende instelling tot herziening van de financiële verslaggeving, zoals bedoeld in art. 2:447 BW. Dit verzoek heeft de Ondernemingskamer in het onderhavige geval niet gehonoreerd.”

    r.o. 3.1

    “De klachten tegen de beschikking van de Ondernemingskamer zijn uitgewerkt in middel 4 tot en met 12. Middel 4 betreft de maatstaf voor het geven van een bevel tot (her)inrichting van een bestaande of toekomstige jaarrekening. Middel 5 klaagt over de toepassing van het materialiteitsbegrip als bedoeld in de IFRS. Middel 6 stelt de bijzondere aard van de jaarrekeningprocedure aan de orde. Middel 7 bevat klachten over het horen van de accountant. Middel 8 heeft betrekking op de activering van de latente belastingvordering. Het middel is uitgewerkt in Onderdeel 8.I, 8.II en 8.III. Onderdeel 8.I betreft de vooropstelling van het hof dat de Nederlandse tekst van de IAS doorslaggevend is. Onderdeel 8.II handelt over de activering van de latente belastingvordering als zodanig en onderdeel 8.III gaat over de presentatie van de aard van het bewijs. Middel 9 klaagt over de waardering van de SA-overeenkomst. Middel 10 behelst klachten over de waardering van de sponsorverplichtingen jegens Midland RHL. Middel 11 behandelt de overige bezwaren van de AFM en middel 12 bevat resterende cassatieklachten. Maatstaf voor het geven van een bevel tot (her)inrichting van een bestaande of toekomstige […]”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:PHR:2009:BG8790

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 februari 2020

    Conclusie: jaarrekening 2017 GGN Holding, uittreders als vreemd vermogen, inzichtsvereiste

    In deze conclusie behandelt de A-G het cassatieberoep van een holdingvennootschap tegen een bevel van de OK om haar jaarrekening 2017 aan te passen, op grond van artikel 2:447 BW. De OK had geoordeeld dat de enkelvoudige jaarrekening niet het door artikel 2:362 BW vereiste inzicht gaf, omdat de inkoopverplichting jegens uittredende participanten niet als vreemd vermogen was verantwoord. De A-G acht dat oordeel juist en concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:2020:172

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 april 2010

    Jaarrekening: afwaardering vordering na faillissement debiteur en gebeurtenissen na vaststelling

    “[…] van de Ondernemingskamer van 29 juni 2006 is (met LJN BD7874) gepubliceerd als ARO 2006, 127. Het eindarrest van de Ondernemingskamer van 26 juni 2008 is (met LJN BG4460) gepubliceerd als JOR 2008, 298 m.nt. prof. dr. mr. P.M. van der Zanden RA en als ARO 2008, 119. 2 De regeling van de jaarrekeningprocedure is vanaf 31 december 2006 opgenomen in Afdeling 16 van Titel 9 van Boek 2 BW (art. 2:447-455 BW). Hiermee is de regeling in de elfde titel van Boek 3 Rv (art. 999-1002 Rv) komen te vervallen (Wet van 28 september 2006, Stb. 2006, 569). De nieuwe regeling in het BW is van toepassing op jaarrekeningen die zijn opgesteld over boekjaren begonnen op of na 1 januari 2006 (art. 30a Wet jo. Besluit inwerkingtreding Wet toezicht financiële verslaggeving, Stb. 2006, 571), derhalve niet op de onderhavige jaarrekening van [verweerster]. 3 Bij tussenarrest van 9 februari 2006 (het eerste tussenarrest) heeft de Ondernemingskamer [eiseres] in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat zij als belanghebbende in de zin van art. 999 lid 1 Rv heeft te gelden (en dientengevolge bevoegd is om de onderhavige vordering in te stellen). Bij tussenarrest van 29 juni 2006 (het tweede […]”

    r.o. 3.26

    ECLI:NL:PHR:2010:BL5416