Titel 9. De jaarrekening en het bestuursverslag · Afdeling 3. Voorschriften omtrent de balans en de toelichting daarop
Artikel 2:375 BW
In deze vorm in werking sinds 1 november 2015, laatst gewijzigd bij Stb. 2015, 349
Onder de schulden worden afzonderlijk opgenomen:
a.obligatieleningen, pandbrieven en andere leningen met afzonderlijke vermelding van de converteerbare leningen;
b.schulden aan banken;
c.ontvangen vooruitbetalingen op bestellingen voor zover niet reeds op actiefposten in mindering gebracht;
d.schulden aan leveranciers en handelskredieten;
e.te betalen wissels en cheques;
f.schulden aan groepsmaatschappijen;
g.schulden aan rechtspersonen en vennootschappen die een deelneming hebben in de rechtspersoon of waarin de rechtspersoon een deelneming heeft, voor zover niet reeds onder f vermeld;
h.schulden ter zake van belastingen en premiën van sociale verzekering;
i.schulden ter zake van pensioenen;
j.overige schulden.
Bij elke in lid 1 vermelde groep van schulden wordt aangegeven tot welk bedrag de resterende looptijd langer is dan een jaar, met aanduiding van de rentevoet daarover. Voor het totaal van de in lid 1 vermelde schulden wordt aangegeven tot welk bedrag de resterende looptijd langer is dan vijf jaar.
Voor het totaal van de in lid 1 genoemde groepen, wordt aangegeven voor welke schulden zakelijke zekerheid is gesteld en in welke vorm dat is geschied. Voorts wordt medegedeeld ten aanzien van welke schulden de rechtspersoon zich, al dan niet voorwaardelijk, heeft verbonden tot het bezwaren of niet bezwaren van goederen, voor zover dat noodzakelijk is voor het verschaffen van het in artikel 362 lid 1 bedoelde inzicht.
Aangegeven wordt tot welk bedrag schulden in rang zijn achtergesteld bij de andere schulden; de aard van deze achterstelling wordt toegelicht.
Is het bedrag waarmee de schuld moet worden afgelost hoger dan het ontvangen bedrag, dan mag het verschil, mits afzonderlijk vermeld, uiterlijk tot de aflossing worden geactiveerd.
Het bedrag wordt vermeld dat de rechtspersoon op leningen die zijn opgenomen onder de schulden met een resterende looptijd van meer dan een jaar, moet aflossen tijdens het boekjaar, volgend op dat waarop de jaarrekening betrekking heeft.
Bij converteerbare leningen worden de voorwaarden van conversie medegedeeld.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:375 BW (2)
Conclusies van de A-G (2)
Jaarrekeningprocedure: ontvankelijkheid aandeelhouder en classificatie ingekochte aandelen als vreemd vermogen
“[…] verschuldigd is.” GGN Brabant heeft dus enige vrijheid in de wijze waarop zij de verplichting uit hoofde van de Participantenovereenkomst en de afspraken van 3 april 2013 onder het vreemd vermogen in de Jaarrekening verwerkt. Dat kan naar het oordeel van de ondernemingskamer als een schuld of als een voorziening. De wet maakt onderscheid tussen voorzieningen (art. 2:374 BW) en schulden (art. 2:375 BW). Voorzieningen en schulden hebben met elkaar gemeen dat zij als verplichtingen tot het vreemd vermogen worden gerekend. Het principiële verschil tussen schulden en voorzieningen is de mate van zekerheid over de omvang van de verplichting en/of het tijdstip waarop de verplichting tot een uitstroom van middelen leidt. In de praktijk is het onderscheid tussen schulden en voorzieningen niet altijd scherp te maken. De toelichting – vergelijk de in cassatie onbestreden aanwijzing van rov. 4 onder d – dient nadere informatie te bevatten over de mate van zekerheid van de verplichting. Het is begrijpelijk dat de ondernemingskamer niet is getreden in de keuze of sprake is van een schuld of voorziening. De ondernemingskamer heeft immers in het midden gelaten of GGN Brabant en GGN Holding […]”
r.o. 3.61Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW; steunverbod artikel 2:207c BW; causaal verband en pauliana
“[…] gaan van € 500.000,- ten behoeve van de aankoop van de aandelen Magista (subonderdeel 1.1), alsmede tegen het oordeel dat Magista’s vrije reserves in werkelijkheid € 629.000,- negatief waren (subonderdeel 1.2). Het hof ziet er volgens het onderdeel aan voorbij dat de lening van Rabobank aan Magista van in totaal € 1.150.000,- geldt als vreemd vermogen (of schuld in de zin van art. 2:364 lid 4 en 2:375 BW) van Magista. Noch het aangaan van die lening noch de wijze waarop het door die lening verkregen vermogen binnen de onderneming wordt aangewend heeft (daarom) (op zichzelf) invloed op de omvang van het eigen vermogen van de onderneming die de lening aangaat (Magista) en is (dus) evenmin (zonder meer) van (negatieve) invloed op de omvang van (de in gevolge art. 2:373 sub f en g BW van het eigen vermogen onderdeel uitmakende) overige (vrij uitkeerbare) reserves. Het feit dat het aangetrokken vreemd vermogen wordt aangewend ten behoeve van een lening aan een derde (Sansto) (en het geleende bedrag direct aan de verantwoordelijk notaris wordt betaald) doet daaraan (dus ook) niet af. Als gevolg daarvan ontstaat immers een even grote (zo niet grotere) – met vreemd vermogen gefinancierde […]”
r.o. 3.3