Titel 9. De jaarrekening en het bestuursverslag · Afdeling 3. Voorschriften omtrent de balans en de toelichting daarop
Artikel 2:373 BW
In deze vorm in werking sinds 1 oktober 2012, laatst gewijzigd bij Stb. 2012, 299
Onder het eigen vermogen worden afzonderlijk opgenomen:
a.het geplaatste kapitaal;
b.agio;
c.herwaarderingsreserves;
d.andere wettelijke reserves, onderscheiden naar hun aard;
e.statutaire reserves;
f.overige reserves;
g.niet verdeelde winsten, met afzonderlijke vermelding van het resultaat na belastingen van het boekjaar, voor zover de bestemming daarvan niet in de balans is verwerkt.
Is het geplaatste kapitaal niet volgestort, dan wordt in plaats daarvan het gestorte kapitaal vermeld of, indien stortingen zijn uitgeschreven, het gestorte en opgevraagde kapitaal. Het geplaatste kapitaal wordt in deze gevallen vermeld.
Het kapitaal wordt niet verminderd met het bedrag van eigen aandelen of certificaten daarvan die de rechtspersoon of een dochtermaatschappij houdt.
Wettelijke reserves zijn de reserves die moeten worden aangehouden ingevolge de artikelen 67a leden 2 en 3, 94a lid 6 onder f, 98c lid 4, 365 lid 2, 389 leden 6 en 8, 390, 401 lid 2 en 423 lid 4.
In een jaarrekening die in een vreemde geldeenheid wordt opgesteld, wordt de in lid 1 onderdeel a bedoelde post opgenomen in die geldeenheid, naar de koers op de balansdatum. Vermelden de statuten het geplaatste kapitaal in een andere geldeenheid dan de geldeenheid waarin de jaarrekening is opgesteld, dan wordt in de in lid 1 onderdeel a bedoelde post tevens deze koers en het bedrag in die andere geldeenheid vermeld.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:373 BW (6)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (2)
Jaarrekening: inkoop eigen aandelen verlaagt nominaal kapitaal niet (artikel 2:373 lid 3 BW)
“Onderdeel 3 van het middel klaagt dat het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 3.30 en haar aanwijzing in rov. 4 onder (b) in strijd met de wet en dus onjuist zijn, omdat het kapitaal van een vennootschap niet wordt verminderd met het bedrag van eigen aandelen of certificaten van aandelen die de rechtspersoon (of een dochtermaatschappij) houdt (art. 2:373 lid 3 BW). In overeenstemming hiermee wordt ook het kapitaal van een vennootschap niet verminderd waar eigen aandelen zullen worden of zijn ingekocht, maar nog niet zijn geleverd. Dit heeft de ondernemingskamer miskend, aldus de klacht.”
r.o. 3.1.1 · lid 3“Deze klacht slaagt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.56 en 3.58.”
r.o. 3.1.2Beklemd vermogen artikel 2:18 lid 6 BW na omzetting pensioenstichting in NV; jaarrekening
“[…] een contributieverlaging of uitgaven ten gunste van leden niet onder het verbod vielen. Met het oog op de in het voorgestelde art. 2:18 voorziene bescherming heeft de minister van Justitie voorts een wettelijke reserve ter grootte van het oorspronkelijke stichtingsvermogen niet nodig geacht (vgl. 14e vergadering: Vaste commissie voor Justitie, 18 november 1987, p. 14-17) en deze is in art. 2:373 lid 4 BW ook niet voorgeschreven. Een aanwijzing dat de wetgever heeft beoogd dat de beklemming niet (langer) op het gesaldeerd (eigen) vermogen zou mogen rusten, kan aan een en ander niet worden ontleend. Art. 2:18 lid 6 beoogt een waarborg te bieden dat het eigen vermogen van de omgezette stichting niet ongeoorloofd door de nieuwe rechtspersoon wordt uitgekeerd of wordt besteed op een andere wijze dan in overeenstemming is met de statuten van de omgezette stichting. Gelet op deze beschermingsfunctie kan onder vermogen in dit verband slechts het saldo van de activa en passiva worden begrepen. Alleen voor dit saldo kan een omzettingsreserve worden gevormd. De door Stichting BPVH bepleite opvatting zou voor de nieuwe rechtspersoon tot de praktisch onwerkbare situatie leiden dat bij […]”
r.o. 3.3.4 · lid 4“[…] vermogen in de zin van IAS 37, zodat opname onder het eigen vermogen in zoverre juist is. (rov. 3.16-3.17). Het is niet toegestaan het beklemde vermogen als minderheidsbelang in de zin van IAS 27.4 op te nemen (rov. 3.18). Waar in de jaarrekeningen wordt gesproken van 'statutory reserve' is niet het juiste woord gebruikt, waar hier geen sprake is van een wettelijke reserve in de zin van art. 2:373 lid 4 BW (rov. 3.19). In noot 11 van de toelichting op het eigen vermogen heeft Optas Pensioenen ten onrechte het beklemde vermogen aangeduid als wettelijke reserve omdat wettelijke reserves limitatief zijn genoemd in art. 2:373 lid 4 en art. 2:18 lid 6 daarin niet is vermeld (rov. 3.20). Onjuist is dat het beklemde vermogen is opgenomen onder de post 'ingehouden winsten' ('Retained earnings') en dat is volstaan met de enkele vermelding van de beklemming in de toelichting op die post. Tot een bedrag ter grootte van het beklemde vermogen (inclusief de vruchten daarvan) is immers sprake van niet aan de aandeelhouder(s) ter vrije beschikking staande 'ingehouden winst', maar van vermogen dat slechts met toestemming van de rechter anders mag worden besteed dan in overeenstemming met het […]”
r.o. 3.6.1 · lid 4“Het onderdeel klaagt dat de ondernemingskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat Optas Pensioenen het beklemde vermogen in de balans als onderdeel van het eigen vermogen kan presenteren als statutaire (omzettings)reserve. Deze wijze van presentatie doet, in een principle based benadering, geen recht aan het werkelijke rechtsgevolg van de uit art. 2:18 lid 6 voortvloeiende beklemming, namelijk dat de activa en passiva van het beklemde vermogen en niet het saldo respectievelijk de waarde daarvan voorwerp zijn van de beklemming. Voorts verzet de aard van een beklemming zich ertegen dat in de (toelichting op de) balans van een omgezette stichting het beklemde vermogen zodanig wordt gepresenteerd dat dit beklemde vermogen tot het (in beginsel voor uitkering aan aandeelhouders beschikbare) eigen vermogen van de in een vennootschap omgezette stichting wordt gerekend; een nadere uitleg in de toelichting op het eigen vermogen kan dit niet corrigeren. Subsidiair klaagt het onderdeel dat de ondernemingskamer, zo nodig met aanvulling van rechtsgronden (art. 25 Rv.), had moeten oordelen dat, als van het in IAS 27.4 bedoeld aandelenbelang of van een daaraan gelijk te stellen belang niet kan […]”
r.o. 3.6.2“[…] Onderscheid moet worden gemaakt tussen het ten tijde van de (middellijke) verwerving van de aandelen in Optas Pensioenen "meegekochte" beklemde vermogen en de sindsdien in handen van (indirect) Aegon aangegroeide vruchten van dat beklemde vermogen. Voor de post aangegroeide beklemde vruchten diende een 'wettelijke reserve deelnemingen' in de zin van art. 2:389 lid 6 BW (in verbinding met art. 2:373 lid 4 BW) te worden gevormd en gepresenteerd, nu immers dit deel van de resultaten van Optas Pensioenen niet zonder beperking aan de (middellijke) aandeelhouder uitkeerbaar is. Anders dan Aegon heeft gedaan, dient deze wettelijke reserve afzonderlijk onder het eigen vermogen te worden vermeld (artikel 2:373 lid 1, onder d, BW). Niet is vereist dat het "meegekochte" beklemde vermogen in de enkelvoudige jaarrekening van Aegon als statutaire reserve dient te worden verantwoord. De verwerving van een dochtervennootschap met een bestaande, statutair beklemde reserve leidt immers, op het niveau van de moedervennootschap, niet als zodanig tot het ontstaan van "eigen" beklemde reserves. Aldus is de verantwoording van het "meegekochte" beklemde vermogen in de enkelvoudige jaarrekening van […]”
r.o. 3.7.1 · leden 1, 4
Conclusies van de A-G (4)
Jaarrekeningprocedure: ontvankelijkheid aandeelhouder en classificatie ingekochte aandelen als vreemd vermogen
“Het onderdeel klaagt dat het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 3.30 dat GGN Brabant het nominale aandelenkapitaal in haar balans dient aan te passen vanwege een in de balans op te nemen verplichting in strijd met de wet en dus onjuist is. Dat geldt eveneens voor de aanwijzing in rov. 4 onder b. Het kapitaal van een vennootschap wordt niet verminderd met het bedrag van eigen aandelen of certificaten daarvan die de rechtspersoon (of een dochtermaatschappij) houdt (art. 2:373 lid 3 BW). Waar het kapitaal van een vennootschap niet wordt verminderd met het bedrag van eigen aandelen, wordt ook het kapitaal van een vennootschap niet verminderd waar eigen aandelen zullen worden of zijn ingekocht (en overigens niet zijn geleverd). Dit heeft de ondernemingskamer miskend.”
r.o. 3.55 · lid 3“Krol schrijft in haar noot onder de bestreden beschikking: “Tot slot valt op dat de OK de wettelijke bepalingen over de verwerking van een inkoop van aandelen in de jaarrekening onbesproken laat. Deze bepalingen zijn te vinden in art. 2:373 lid 3, 2:378 lid 2 en 2:385 lid 5 BW. Daarin staat (voor zover relevant) het volgende. Het aandelenkapitaal wordt niet verminderd met het bedrag van eigen aandelen of certificaten daarvan die de rechtspersoon of een dochtermaatschappij houdt. In de toelichting bij de post eigen vermogen wordt vermeld op welke post van het eigen vermogen de verkrijgingsprijs in mindering is gebracht. De eigen aandelen of certificaten daarvan die de rechtspersoon houdt of doet houden, mogen niet worden geactiveerd. Dit betekent dat de inkoop van eigen aandelen wordt verwerkt door een verlaging van een vrije reserve (onder de post eigen vermogen) en een verlaging van de balanspost liquide middelen (bij contante betaling van de koopprijs) en/of verhoging van de post schulden (bij het schuldig blijven van (een deel van) de koopprijs). Op het moment dat deze aandelen worden ingetrokken, komt de nominale waarde van de ingetrokken aandelen in mindering op de post […]”
r.o. 3.56 · leden 2, 3Conclusie: beklemd vermogen artikel 2:18 lid 6 BW in jaarrekening na omzetting stichting
“Voor de vermogensklem is geen wettelijke reserve voorgeschreven (vgl. art. 2:373 lid 4 BW), maar in de jaarrekening kan, zo wordt in de literatuur aangenomen, een statutaire reserve worden gevormd.(11)”
r.o. 3.7 · lid 4“[…] zodanig zwaarwegend en relevant dat zij afzonderlijk onder het eigen vermogen op de balans tot uitdrukking dient te komen. Nu de bestedingsbeperking en het ontstaan ervan zijn omschreven in artikel 27 van de statuten van Optas Pensioenen, is de Ondernemingskamer van oordeel dat voor die afzonderlijke opname en presentatie op de balans aansluiting kan worden gezocht bij de in artikel 2:373 lid 1 sub e BW vermelde statutaire reserves, ook al schrijven de statuten van Optas Pensioenen het aanhouden van een dergelijke "omzettingsreserve" niet expliciet voor. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer doet een dergelijke verwerking recht aan de functie van zowel de - ingevolge artikel 2:18 lid 6 BW verplichte statutaire bescherming en "earmarking" van het beklemde vermogen, als het principle based karakter van IAS/IFRS op grond waarvan de jaarrekening zodanig dient te worden ingericht dat daaruit een goed begrip van de financiële positie van de onderneming volgt. In casu houdt zulks in dat de omvang van het beklemde vermogen in een afzonderlijke balanspost "statutaire omzettingsreserve" onder het eigen vermogen wordt verantwoord en dat de aard van de beklemming in de […]”
r.o. 3.21 · lid 1“[…] in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht te geven dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon.(41) Naar mijn mening voldoet de door de Ondernemingskamer gekozen aansluiting bij de in art. 2:373 lid 1 sub e BW vermelde statutaire reserves hieraan. Niet valt in te zien dat de Ondernemingskamer náást de door de Stichting BPVH opgeworpen mogelijkheden van presentatie in de jaarrekening van het beklemde vermogen, die de Ondernemingskamer in rov. 3.17 (vreemd vermogen) en 3.18 (minderheidsbelang) heeft besproken en verworpen, desalniettemin de thans in cassatie genoemde mogelijkheden had moeten bespreken. Het oordeel van de Ondernemingskamer geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de rechtsklachten falen. Nu bovendien niet zonder nadere toelichting valt in te zien welk belang Stichting BPVH heeft bij de beoordeling van een stelling van de accountant van Aegon tijdens de mondelinge behandeling ter zitting van de Ondernemingskamer, is de slotsom dat het onderdeel […]”
r.o. 3.22 · lid 1“[…] 2007 - "meegekochte" beklemde vermogen en de sindsdien in handen van (indirect) Aegon aangegroeide vruchten van dat beklemde vermogen. Wat die laatste post, de aangegroeide beklemde vruchten, betreft, is de Ondernemingskamer - in zoverre met Aegon c.s. - van oordeel dat (wèl) een wettelijke reserve - te weten een "wettelijke reserve deelnemingen" in de zin van art. 2:389 lid 6 BW (juncto artikel 2:373 lid 4 BW) - diende te worden gevormd en gepresenteerd, nu immers dit deel van de - sinds de (middellijke) verwerving door Aegon behaalde - resultaten van Optas Pensioenen niet zonder beperking aan de (middellijke) aandeelhouder uitkeerbaar is. Deze wettelijke reserve dient echter anders dan Aegon heeft gedaan - in de balans "onderscheiden naar [haar] aard" afzonderlijk onder het eigen vermogen te worden vermeld (artikel 2:373 lid 1 sub d BW), zodat ook hier niet kon worden volstaan met - louter - vermelding in de toelichting daarop. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer is niet vereist dat het per 29 juni 2007 bij Optas Pensioenen aanwezige, "meegekochte" beklemde vermogen in de enkelvoudige jaarrekening van Aegon (evenals bij Optas Pensioenen) als statutaire reserve dient te […]”
r.o. 3.23 · leden 1, 4Conclusie: jaarrekening 2017 GGN Holding, uittreders als vreemd vermogen, inzichtsvereiste
In deze conclusie behandelt de A-G het cassatieberoep van een holdingvennootschap tegen een bevel van de OK om haar jaarrekening 2017 aan te passen, op grond van artikel 2:447 BW. De OK had geoordeeld dat de enkelvoudige jaarrekening niet het door artikel 2:362 BW vereiste inzicht gaf, omdat de inkoopverplichting jegens uittredende participanten niet als vreemd vermogen was verantwoord. De A-G acht dat oordeel juist en concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW; steunverbod artikel 2:207c BW; causaal verband en pauliana
“[…] van art. 2:364 lid 4 en 2:375 BW) van Magista. Noch het aangaan van die lening noch de wijze waarop het door die lening verkregen vermogen binnen de onderneming wordt aangewend heeft (daarom) (op zichzelf) invloed op de omvang van het eigen vermogen van de onderneming die de lening aangaat (Magista) en is (dus) evenmin (zonder meer) van (negatieve) invloed op de omvang van (de in gevolge art. 2:373 sub f en g BW van het eigen vermogen onderdeel uitmakende) overige (vrij uitkeerbare) reserves. Het feit dat het aangetrokken vreemd vermogen wordt aangewend ten behoeve van een lening aan een derde (Sansto) (en het geleende bedrag direct aan de verantwoordelijk notaris wordt betaald) doet daaraan (dus ook) niet af. Als gevolg daarvan ontstaat immers een even grote (zo niet grotere) – met vreemd vermogen gefinancierde – vordering op die derde. Onjuist, althans onbegrijpelijk, is het feit dat het hof de geprognosticeerde winst van € 47.000,- niet bij de vaststelling van de vrij uitkeerbare reserves heeft betrokken. Daarmee ziet het hof eraan voorbij dat die winst ten gunste komt van het eigen vermogen en dus een verhoging van het eigen vermogen (en daarmee de vrij uitkeerbare […]”
r.o. 3.3