Titel 9. De jaarrekening en het bestuursverslag · Afdeling 6. Voorschriften omtrent de grondslagen van waardering en van bepaling van het resultaat
Artikel 2:387 BW
In deze vorm in werking sinds 1 november 2015, laatst gewijzigd bij Stb. 2015, 349
Waardeverminderingen van activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen.
Vlottende activa worden gewaardeerd tegen actuele waarde, indien deze op de balansdatum lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De waardering geschiedt tegen een andere lagere waarde, indien het in artikel 362 lid 1 bedoelde inzicht daardoor wordt gediend.
Bij de waardering van de vaste activa wordt rekening gehouden met een vermindering van hun waarde, indien deze naar verwachting duurzaam is. Bij de waardering van de financiële vaste activa mag in ieder geval met op de balansdatum opgetreden waardevermindering rekening worden gehouden.
De afboeking overeenkomstig de voorgaande leden wordt, voor zover zij niet krachtens artikel 390 lid 3 aan de herwaarderingsreserve wordt onttrokken, ten laste van de winst- en verliesrekening gebracht. De afboeking wordt ongedaan gemaakt, zodra de waardevermindering heeft opgehouden te bestaan. De afboekingen ingevolge lid 3, alsmede de terugnemingen, worden afzonderlijk in de winst- en verliesrekening of in de toelichting opgenomen.
De tweede zin van lid 4 geldt niet voor afboekingen van goodwill.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:387 BW (3)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (1)
KPN/SOBI
Jaarrekening KPN: maatstaf inzicht artikel 2:362 BW, Richtlijnen en impairment
“De waarderingsgrondslag voor de goodwill die voortkomt uit de acquisitie van E-Plus en voor de UMTS-licenties is in de jaarrekening toegelicht als hiervoor in 3.1 onder (xii) en (xiii) weergegeven. KPN heeft zich op het standpunt gesteld dat de bedrijfswaarde van de bedoelde activa, welke blijkens die toelichting wordt gewaardeerd volgens een impairment test op basis van niet contant gemaakte toekomstige kasstromen, niet duurzaam lager was dan de historische uitgaafprijs. In feitelijke aanleg heeft zij betoogd, kort gezegd, dat zij deze keuze in redelijkheid heeft kunnen maken, dat omtrent de wijze van berekenen art. 2:387 lid 4 BW geen voorschriften geeft en dat de door haar gehanteerde methodiek in overeenstemming is met de voor het boekjaar 2000 geldende Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving en met voorschriften van de US GAAP (standaard SFAS 121), welke standaard bepaalt dat van een duurzaam lagere bedrijfswaarde sprake is indien de met het actief te genereren verwachte toekomstige, niet contant gemaakte, kasstromen lager zijn dan de boekwaarde.”
r.o. 6.2 · lid 4“[…] heeft gehandeld door niet tot impairment over te gaan, slechts dan voldoende grond zal zijn, indien geen redelijk denkende ondernemingsleiding een dergelijk impairment achterwege had kunnen laten. Zij is tot de conclusie gekomen dat onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat geen redelijk denkende ondernemingsleiding - ook bij toepassing van het juiste criterium, te weten dat van art. 2:387 lid 4 BW - had kunnen afzien van een afwaardering van de post "Goodwill en licenties" op een lagere bedrijfswaarde (rov. 3.31 van het eindarrest). De ondernemingskamer heeft voorts in rov. 3.32 van het eindarrest overwogen: "De slotsom is dat onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat de post "Goodwill en licenties" in de balans ultimo 2000 onjuist is. De in de jaarrekening gegeven toelichting is evenwel in een drietal opzichten ontoereikend: a) ten eerste omdat het door KPN voor de (mogelijke) impairment gehanteerde criterium - een toetsing op basis van ongedisconteerde kasstromen - onjuist is; de Ondernemingskamer verwijst daarvoor naar de rechtsoverwegingen 3.31 en 3.32 van het arrest van 7 november 2002 alsmede naar rechtsoverweging 3.16 hiervóór; b) ten tweede omdat een […]”
r.o. 6.3 · lid 4“Hoofdstuk 121 van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, waarin wordt verlangd dat de impairment test plaatsvindt op basis van contant gemaakte waarden, is in 1999 als ontwerp gepubliceerd en in 2000 als definitieve richtlijn. In de definitieve tekst is opgenomen dat de (nieuwe) richtlijn geldt met ingang van 1 januari 2001 en is eerdere toepassing aanbevolen. Nu de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving hebben te gelden als aanbevelingen waarin de - geëvolueerde - maatschappelijke opvattingen omtrent de - nadere uitwerking van de - wettelijke regeling tot uitdrukking komen, concludeert de Ondernemingskamer dat de in artikel 2:387 lid 4 BW voorgeschreven toets in beginsel dient plaats te vinden op basis van de contante waarde van de verwachte toekomstige kasstromen. Waarom KPN hiervan is afgeweken, heeft zij tot nu toe onvoldoende gemotiveerd uiteengezet."”
r.o. 3.32 · lid 4“De ondernemingskamer heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd de jaarrekening onvoldoende het in art. 3:262 lid 1 BW vereiste inzicht geeft, omdat ten aanzien van de duurzame waardevermindering van de hier bedoelde activa de in art. 2:387 lid 4 BW voorgeschreven toets uitsluitend dient plaats te vinden op basis van de contante waarde van de verwachte toekomstige kasstromen en KPN onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij hiervan is afgeweken.”
r.o. 6.6 · lid 4
Conclusies van de A-G (2)
Jaarrekening: afwaardering vordering na faillissement debiteur en gebeurtenissen na vaststelling
“[…] die hun oorsprong vinden vóór het einde van het boekjaar kunnen in acht worden genomen indien zij vóór het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden." De definitie van het voorzichtigheidsbeginsel die het middel geeft (zie alinea 3.14 hierboven), luidt anders dan art. 2:384 lid 2 BW en ook Richtlijn 222 bevat niet een dergelijke definitie. Wel vertoont deze definitie gelijkenis met art. 2:387 lid 3 BW, dat bepaalt dat indien redelijkerwijs een buitengewone waardevermindering van vlottende activa op korte termijn valt te voorzien, bij de waardering hiermee rekening mag worden gehouden. Voor zowel art. 2:384 lid 2 BW als art. 2:387 lid 3 BW heeft te gelden dat de betreffende overweging van de Ondernemingskamer hiermee niet in strijd kan worden geacht. De overweging dat niet is komen vast te staan dat verhaal van de vordering van [verweerster] op [A] in redelijkheid is uitgesloten, is niet onverenigbaar met het beginsel dat mogelijke verliezen in acht kunnen worden genomen en ook niet met de regel dat bij de waardering rekening mag worden gehouden met een redelijkerwijs te voorziene buitengewone waardevermindering van vlottende activa op korte termijn. Onderdeel 7 faalt dan […]”
r.o. 3.15 · lid 3Conclusie A-G: jaarrekeningrecht KPN, RJ-richtlijnen, artikel 2:362 BW en impairment
“[…] geeft, en een alternatief waarderingsysteem, zodra deze grens wordt overschreden. Waar de grens ligt, is in het algemeen uiteraard niet aan te geven. De beslissing moet in concreto door de bedrijfsleiding worden genomen en door de accountant worden getoetst op haar aanvaardbaarheid." Het voorgaande heeft betrekking op de waarderingsgrondslagen die mogen worden gekozen. Daarnaast schrijft art. 2:387 lid 4 BW voor dat bij de waardebepaling van (vaste) activa rekening gehouden dient te worden met duurzame waardevermindering.(67) Hoe deze bijzondere waardevermindering (ook wel impairment genoemd) dient te worden berekend blijkt mijns inziens niet uit de wet of wetsgeschiedenis, noch uit de Vierde Richtlijn of Zevende Richtlijn. Wel schrijft RJ (1999) 210 voor: 113 (...) Aan het einde van elke verslagperiode dient te worden nagegaan in hoeverre met betrekking tot het niet afgeschreven bedragen nog is voldaan aan de voorwaarde bedoeld in alinea 108. Indien en voor zover dat niet meer het geval is dient een waardevermindering in acht te worden genomen." 108 Immateriële vaste activa mogen slechts in de balans worden opgenomen, indien de verwachting gefundeerd is dat de toekomstige […]”
r.o. 6.8 · lid 4