← Alle artikelen

Titel 9. De jaarrekening en het bestuursverslag · Afdeling 3. Voorschriften omtrent de balans en de toelichting daarop

Artikel 2:374 BW

In deze vorm in werking sinds 27 juli 2005, laatst gewijzigd bij Stb. 2005, 377

1

Op de balans worden voorzieningen opgenomen tegen naar hun aard duidelijk omschreven verplichtingen die op de balansdatum als waarschijnlijk of als vaststaand worden beschouwd, maar waarvan niet bekend is in welke omvang of wanneer zij zullen ontstaan. Tevens kunnen voorzieningen worden opgenomen tegen uitgaven die in een volgend boekjaar zullen worden gedaan, voor zover het doen van die uitgaven zijn oorsprong mede vindt voor het einde van het boekjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal boekjaren.

2

Waardevermindering van een actief wordt niet door vorming van een voorziening tot uitdrukking gebracht.

3

De voorzieningen worden gesplitst naar de aard der verplichtingen, verliezen en kosten waartegen zij worden getroffen; zij worden overeenkomstig de aard nauwkeurig omschreven. In de toelichting wordt zoveel mogelijk aangegeven in welke mate de voorzieningen als langlopend moeten worden beschouwd.

4

In ieder geval worden afzonderlijk opgenomen:

a.de voorziening voor belastingverplichtingen, die na het boekjaar kunnen ontstaan, doch aan het boekjaar of een voorafgaand boekjaar moeten worden toegerekend, met inbegrip van de voorziening voor belastingen die uit waardering boven de verkrijgings- of vervaardigingsprijs kan voortvloeien;

b.de voorziening voor pensioenverplichtingen.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:374 BW (10)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (2)

  • Hoge Raad · 4 oktober 2002

    Voorziening indexering in jaarrekening pensioenstichting; beroep deelnemersraad bij OK

    “[…] toe te passen (rov. 3.9). Zij heeft voorts, met SPK ervan uitgaande dat de jaarrekening van een pensioenfonds aan normen behoort te voldoen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van Titel 9 van Boek 2 BW, geoordeeld dat het daarbij ging om een onvoorwaardelijke "verplichting (...) waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs is te schatten" als bedoeld in art. 2:374 lid 1, onder a, BW (rov. 3.8 en 3.10), althans dat sprake was van "op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen (...) waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten" als bedoeld in art. 2:374 lid 1, onder b, BW (rov. 3.11). Aan deze, door het middel niet bestreden, oordelen heeft de Ondernemingskamer de, evenmin door het middel bestreden, gevolgtrekking verbonden dat ter zake een voorziening in de jaarrekening opgenomen diende te worden (rov. 3.10 en 3.11) en dat het besluit dit na te laten dus kennelijk onredelijk is (rov. 3.14). Door daarvan uitgaande vervolgens het bestuur van SPK te gelasten een voorziening te treffen die, kort gezegd, recht zou moeten doen aan de door de rechtbank te Rotterdam gegeven verklaring voor recht zoals deze […]”

    r.o. 3.4.3 · lid 1

    “Het middel klaagt in de tweede plaats dat de Ondernemingskamer aan het verzoek van de Deelnemersraad, zoals dit ter zitting werd verduidelijkt, een invulling heeft gegeven, die verder strekt dan wat door de Deelnemersraad werd gevraagd. De Deelnemersraad heeft wel ter zitting verzocht om wijziging van de jaarrekening in de door haar voorgestane zin, maar, aldus de klacht, de raad heeft niet verzocht een verdergaande en meer gespecificeerde voorziening te treffen dan een die ertoe strekte dat het bestuur van SPK in de jaarrekening een voorziening zou opnemen "voor het afdekken van het financiële risico dat het pensioenfonds loopt inzake het proces inzake de indexatie van de pensioenen."”

    r.o. 3.4.4

    “In haar zo-even genoemde overwegingen komt de Ondernemingskamer tot het oordeel dat uit de door de rechtbank te Rotterdam gegeven verklaring voor recht voor SPK de hiervoor onder 3.4.3 vermelde indexeringsverplichting voortvloeit en dat in zoverre sprake is van een onvoorwaardelijke verplichting waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs is te schatten als bedoeld in art. 2:374 lid 1, onder a, BW (rov. 3.9 en 3.10), althans (rov. 3.11) dat het bestuur van SPK gelet op die verklaring voor recht minst genomen ernstig rekening dient te houden met de kans dat die indexeringsverplichting (nader) in rechte komt vast te staan en dat in verband daarmee sprake is van op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten als bedoeld in art. 2:374 lid 1, onder b, BW. De uitgangspunten voor de waardering van de voorziening zouden in dat geval niet anders zijn dan in het geval van een onvoorwaardelijke verplichting, aldus de Ondernemingskamer.”

    r.o. 3.5.2 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2002:AE8320

  • Hoge Raad · 22 maart 2000

    Toetsing voorziening bijzondere risico's in jaarrekening aan artikel 2:374 BW

    “Onderdeel 3 van het middel richt zich tegen de beslissing van de Ondernemingskamer dat de handhaving in het boekjaar 1995 van de toevoeging in 1994 van ¦ 10.000.000,-- aan de voorziening in verband met de werken in Hong Kong gerechtvaardigd was. Ingevolge artikel 2:374 lid 1 aanhef en onder b BW kunnen op de balans voorzieningen worden opgenomen tegen op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten. Bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde voorziening in de jaarrekening gerechtvaardigd is, dient in het algemeen maatstaf te zijn of de ondernemer daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen besluiten. Bij de toetsing aan het bepaalde in artikel. 2:374 lid 1 aanhef en onder b zal aan de hand van die omstandigheden bovendien moeten worden vastgesteld of (i) een voldoende mate van zekerheid bestaat met betrekking tot de in die bepaling bedoelde risico’s en (ii) voldoende gegevens voorhanden zijn op grond waarvan de omvang ervan redelijkerwijs kan worden geschat. Onderdeel 3 van het middel strekt ten betoge dat de Ondernemingskamer zich van die criteria […]”

    r.o. 3.4 · lid 1

    ECLI:NL:HR:2000:AA5256

Conclusies van de A-G (6)

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 december 2013

    Conclusie: ernstig verwijt bestuurders bij overdracht activa en onbetaald laten van betwiste schuldeiser

    “Laatstgenoemd standpunt van [eiser 1] en [eiseres 2] verhoudt zich niet goed met art. 2:374 BW. Uit deze bepaling volgt dat op de balans ook voorzieningen dienen te worden opgenomen tegen naar hun aard duidelijk omschreven verplichtingen die op de balansdatum als waarschijnlijk worden beschouwd, maar waarvan niet bekend is in welke omvang of wanneer zij zullen ontstaan. Dat de verplichting jegens Air Holland naar het oordeel van het hof als waarschijnlijk moest worden beschouwd, volgt uit de overweging dat [eiser 1] en [eiseres 2] er eind 2001/begin 2002 ernstig rekening mee dienden te houden dat de vennootschap (ook na verrekening) nog een aanzienlijk bedrag voor de door Air Holland uitgevoerde vluchten zou moeten betalen”

    r.o. 2.4

    ECLI:NL:PHR:2013:2389

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 november 2012

    Externe bestuurdersaansprakelijkheid: dividenduitkeringen, geen voorziening, ernstig verwijt jegens bank

    “Onderdeel 1.5.1 betoogt dat het hof heeft miskend dat het opnemen van een voorziening in de jaarrekening slechts is toegestaan ter dekking voor naar hun aard duidelijk omschreven verplichtingen die op de balansdatum als waarschijnlijk of vaststaand worden beschouwd maar waarvan niet bekend is in welke omvang of wanneer zij zouden ontstaan. Onderdeel 1.5.2 meent dat het hof heeft miskend dat art. 2:374 lid 1 onder b BW (oud) voorschreef dat de te hanteren maatstaf luidt of de vennootschap/bestuurder in de omstandigheden van het geval in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opnemen/achterwege laten van een bepaalde voorziening. Onderdeel 1.5.3 voert aan dat het hof heeft miskend dat het enkele feit dat een vordering niet bij voorbaat kansloos is, gelet op het feit dat deze in eerste aanleg en in hoger beroep gegrond is bevonden, niet betekent dat hiervoor een voorziening in de jaarrekening moet worden opgenomen. Onderdeel 1.5.4 betoogt dat het feit dat een vordering in eerste en tweede aanleg gegrond is bevonden, niet de conclusie rechtvaardigt dat deze vordering niet bij voorbaat kansloos is. De onderdelen 1.5.5 en 1.5.6 voeren nog aan dat de door [eiser] aangevoerde […]”

    r.o. 3.31 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2012:BY0662

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 april 2000

    Aansprakelijkheid voormalige aandeelhoudster voor onttrekkingen na buy-out; feitelijk bestuurder; artikel 2:11 BW

    “In het cassatiemiddel wordt gesproken over Avoorzieningen@ en Areserves@. Ik breng in herinnering dat deze termen juridisch betekenis hebben. Art. 2:374 lid 1 BW bepaalt dat op de balans o.m. voorzieningen worden opgenomen tegen: a. verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs is te schatten; b. op de balansdatum bestaande risico=s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten. De voorzieningen worden gesplitst naar gelang de aard der verplichtingen, verliezen en kosten waartegen zij worden getroffen (lid 3). Waardevermindering van een actief wordt niet door vorming van een voorziening tot uitdrukking gebracht (lid 2)14. De reserves daarentegen maken deel uit van het eigen vermogen. Zij houden verband met de fase, waarin het gaat om de bestemming van de gemaakte winst. De hoofdregel van art. 2:216 lid 1 BW bepaalt dat de winst van de vennootschap de aandeelhouders ten goede komt voor zover bij de statuten niet anders is bepaald. De winst wordt slechts uitgekeerd voor zover het eigen vermogen groter is dan het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal, […]”

    r.o. 2.4 · lid 1

    “[…] een activa-transactie waarbij een onderneming wordt verzelfstandigd uit een groter geheel van ondernemingen en leden van het management van de betrokken onderneming alleen of samen met anderen de uiteindelijke zeggenschap verkrijgen over deze onderneming door een participatie in het risicodragend vermogen van de vennootschap die de onderneming na deze transactie in stand houdt. 14 Zie over art. 2:374: Asser-Maeijer III (1994) nr. 419; losbl. Rechtspersonen, ad art. 2:374 BW (Th.S. IJsselmuiden). 15 Dit zijn de zgn. gebonden reserves. Daarnaast bestaan vrije reserves. Zie verder: Asser- Maeijer III (1994) nr. 447 e.v.; losbl. Rechtspersonen, aant. 3 ad art. 2:105 BW (J.B. Huizink). Overigens maakt de curator een onderscheid tussen reserves die vennootschapsrechtelijk vrij zijn en reserves die bedrijfseconomisch vrij zijn: pleitnota in appèl blz. 10. 16 Art. 2:216 lid 2: De vennootschap kan aan de aandeelhouders (Y) slechts uitkeringen doen voor zover het eigen vermogen groter is dan het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal vermeerderd met de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden. Lid 4: De vennootschap mag tussentijds slechts uitkeringen […]”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:PHR:2000:AA5658

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 mei 2016

    Bestuurdersaansprakelijkheid na faillissement thuiszorgbureau: dividendverrekening en rekening-courant bij kennelijk onbehoorlijk bestuur

    In deze conclusie bij een cassatieberoep gaat het om de aansprakelijkheid van een holding en haar (middellijk) bestuurders voor het tekort in het faillissement van een thuiszorgbureau. Het hof had kennelijk onbehoorlijk bestuur aangenomen vanwege het nalaten van reserveringen, een dividenduitkering via verrekening in rekening-courant en het uitblijven van afbouw of zekerheid voor de rekening-courantvordering. De A-G concludeert dat de klachten falen, onder meer omdat voor het causaal verband slechts aannemelijkheid is vereist, en strekt tot verwerping van het beroep.

    ECLI:NL:PHR:2016:453

  • Parket bij de Hoge Raad · 22 maart 2000

    Jaarrekeningprocedure: eisen aan voorzieningen en toetsing door de OK

    In een jaarrekeningprocedure vordert de weduwe van een overleden bestuurder van een moedervennootschap bij de OK dat een dochtervennootschap haar jaarrekening 1995 aanpast door een voorziening voor bijzondere risico's op internationale projecten te laten vrijvallen, omdat zij daardoor recht zou hebben op een hoger winstaandeel. De OK wijst de vorderingen af. De A-G beoordeelt de eisen van artikel 2:374 lid 1 BW: de voorziening vereist een redelijke mate van zekerheid dat de verplichting of het verlies zich voordoet, en de omvang moet verantwoord geschat zijn. Het oordeel van de OK is niet toereikend gemotiveerd. De A-G concludeert tot vernietiging en verwijzing; het incidentele beroep over de belanghebbende-status faalt.

    ECLI:NL:PHR:2000:AA5256

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 februari 2020

    Jaarrekeningprocedure: ontvankelijkheid aandeelhouder en classificatie ingekochte aandelen als vreemd vermogen

    “[…] 3 april 2013 aan [verweerster] verschuldigd is.” GGN Brabant heeft dus enige vrijheid in de wijze waarop zij de verplichting uit hoofde van de Participantenovereenkomst en de afspraken van 3 april 2013 onder het vreemd vermogen in de Jaarrekening verwerkt. Dat kan naar het oordeel van de ondernemingskamer als een schuld of als een voorziening. De wet maakt onderscheid tussen voorzieningen (art. 2:374 BW) en schulden (art. 2:375 BW). Voorzieningen en schulden hebben met elkaar gemeen dat zij als verplichtingen tot het vreemd vermogen worden gerekend. Het principiële verschil tussen schulden en voorzieningen is de mate van zekerheid over de omvang van de verplichting en/of het tijdstip waarop de verplichting tot een uitstroom van middelen leidt. In de praktijk is het onderscheid tussen schulden en voorzieningen niet altijd scherp te maken. De toelichting – vergelijk de in cassatie onbestreden aanwijzing van rov. 4 onder d – dient nadere informatie te bevatten over de mate van zekerheid van de verplichting. Het is begrijpelijk dat de ondernemingskamer niet is getreden in de keuze of sprake is van een schuld of voorziening. De ondernemingskamer heeft immers in het midden gelaten of […]”

    r.o. 3.61

    ECLI:NL:PHR:2020:171

Hoven en Ondernemingskamer (1)

  • Gerechtshof Den Haag · 3 februari 2026

    Verhaalsfrustratie door verhangen activa binnen concern: bestuurders hoofdelijk aansprakelijk, schade € 132.147

    “[…] te worden gehouden met het bestaan van deze (mogelijke) verplichting, wat had gekund door het vermogenssaldo dat bij beëindiging van de activiteiten (in de 2e helft van 2005) resteerde te reserveren voor die (mogelijke) verplichting. (Vgl. in dit verband HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:829 en nr. 2.14 e.v. van de bijbehorende conclusie AG.). Toegevoegd wordt (i) dat het bepaalde in art. 2:374 BW niet in de weg staat aan het treffen van een voorziening in een geval als het onderhavige, waarin het enige actief van betekenis wordt verhangen, waardoor er, zonder voorziening, geen verhaalsmogelijkheid overblijft voor verplichtingen waarmee ernstig rekening moet worden gehouden en (ii) dat (niet voldoende concreet) gesteld of gebleken is dat na de beëindiging betalingen hebben plaatsgevonden die selectief en onrechtmatig waren.”

    r.o. 2.14

    ECLI:NL:GHDHA:2026:162

Rechtbanken (1)

  • Rechtbank Gelderland · 13 mei 2026

    VvE: nietigheid herhaald besluit jaarstukken en decharge; Titel 9 Boek 2 niet van toepassing

    “Verzoekers hebben het voorgaande in hun verzoekschrift voor een deel miskent. Waar zij menen dat de VvE voor door hen genoemde zaken voorzieningen zou moeten treffen in de jaarstukken over 2020 en 2021, kunnen zij hierin niet worden gevolgd. De VvE is namelijk enkel gehouden de balans en de staat van baten en lasten met een toelichting ter goedkeuring aan de vergadering van eigenaars over te leggen. Geen verplichting bestaat tot het opnemen van voorzieningen in de jaarstukken. Het bepaalde in artikel 2:374 BW is niet van toepassing. Ook bestaat geen verplichting voor de VvE om in de jaarstukken over 2020 en 2021 melding te maken van de beschikking van 25 maart 2025 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, onder mededeling van de omvang van de gevolgen voor de VvE. Het bepaalde in artikel 2:380a BW mist immers toepassing. Gezag van gewijsde”

    r.o. 4.6

    ECLI:NL:RBGEL:2026:3760