← Alle artikelen

Titel 9. De jaarrekening en het bestuursverslag · Afdeling 10. Openbaarmaking

Artikel 2:394 BW

In deze vorm in werking sinds 19 september 2018, laatst gewijzigd bij Stb. 2018, 228

1

De rechtspersoon is verplicht tot openbaarmaking van de jaarrekening binnen acht dagen na de vaststelling. De openbaarmaking geschiedt door deponering van de volledig in de Nederlandse taal gestelde jaarrekening of, als die niet is vervaardigd, de jaarrekening in het Frans, Duits of Engels, bij het handelsregister, indien van toepassing op de wijze als voorgeschreven bij of krachtens artikel 19a van de Handelsregisterwet 2007. De dag van vaststelling moet zijn vermeld.

2

Is de jaarrekening niet binnen twee maanden na afloop van de voor het opmaken voorgeschreven termijn overeenkomstig de wettelijke voorschriften vastgesteld, dan maakt het bestuur onverwijld de opgemaakte jaarrekening op de in lid 1 voorgeschreven wijze openbaar; op de jaarrekening wordt vermeld dat zij nog niet is vastgesteld. Binnen twee maanden na gerechtelijke vernietiging van een jaarrekening moet de rechtspersoon een afschrift van de in de uitspraak opgenomen bevelen met betrekking tot de jaarrekening deponeren bij het handelsregister, met vermelding van de uitspraak.

3

Uiterlijk twaalf maanden na afloop van het boekjaar moet de rechtspersoon de jaarrekening op de in lid 1 voorgeschreven wijze openbaar hebben gemaakt.

4

Gelijktijdig met en op dezelfde wijze als de jaarrekening worden het bestuursverslag en de overige in artikel 392 bedoelde gegevens in het Nederlands of in een van de andere in het eerste lid genoemde talen openbaar gemaakt. Het voorafgaande geldt, behalve voor de in artikel 392 lid 1 onder a en e genoemde gegevens, niet, indien de stukken ten kantore van de rechtspersoon ter inzage van een ieder worden gehouden en op verzoek een volledig of gedeeltelijk afschrift daarvan ten hoogste tegen de kostprijs wordt verstrekt; hiervan doet de rechtspersoon opgaaf ter inschrijving in het handelsregister.

5

De vorige leden gelden niet, indien Onze Minister van Economische Zaken de in artikel 58, artikel 101 of artikel 210 genoemde ontheffing heeft verleend; alsdan wordt een afschrift van die ontheffing bij het handelsregister gedeponeerd.

6

De in de vorige leden bedoelde bescheiden worden gedurende zeven jaren bewaard. De Kamer van Koophandel mag de op deze bescheiden geplaatste gegevens overbrengen op andere gegevensdragers, die zij in hun plaats in het handelsregister bewaart, mits die overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.

7

Iedere belanghebbende kan van de rechtspersoon nakoming van de in de leden 1-5 omschreven verplichtingen vorderen.

8

Een vennootschap waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht wordt geacht te hebben voldaan aan:

a.lid 1, indien zij de vastgestelde jaarrekening op grond van artikel 5:25o, eerste lid, van die wet heeft toegezonden aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten;

b.lid 2, eerste volzin, indien zij mededeling heeft gedaan op grond van artikel 5:25o, tweede lid, van die wet aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten;

c.vierde lid, eerste volzin, indien zij het bestuursverslag en de overige in artikel 392 bedoelde gegevens op grond van artikel 5:25o, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht heeft toegezonden aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:394 BW (69)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (13)

  • Hoge Raad · 9 juli 2021

    Mobile Services

    Ontzenuwing bewijsvermoeden artikel 2:248 lid 2 BW door handelen van bestuurders

    “Art. 2:248 lid 2 BW bepaalt dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit art. 2:10 BW of art. 2:394 BW, het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het niet voldoen aan deze verplichtingen wijst erop dat het bestuur zijn taak ook voor het overige niet behoorlijk vervult. Een redelijke uitleg van art. 2:248 lid 2 BW brengt mee dat voor het ontzenuwen van het daarin neergelegde vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement, volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van art. 2:248 lid 1 BW aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Naast van buiten komende oorzaken, kan ook handelen of nalaten van een of meer bestuurders dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert – en waarvan dus niet gezegd […]”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:HR:2021:1099

  • Hoge Raad · 5 juni 2020

    Opheffing faillissement bij gebrek aan baten en Garantstellingsregeling curatoren bij vordering ex artikel 2:248 BW

    “[…] te maken dat er nog wel baten in dit faillissement aanwezig zijn. (…) 3.9.3. Met [verzoeksters] en de curator is het hof van oordeel dat bij gebrek aan gedeponeerde jaarstukken over de jaren 2006, 2008 en latere jaren alsmede het aan de curator overleggen van een gebrekkige administratie door de bestuurder van gefailleerde, sprake is van het in artikel 2:248 juncto de artikelen 2:10 en 2:394 BW genoemde bewijsvermoeden. (…) 3.9.4. (…) [ De] bestuurders van gefailleerde [dienen] - teneinde genoemd weerlegbaar bewijsvermoeden te weerleggen - een belangrijke andere oorzaak van het faillissement aannemelijk te maken. (…) 3.9.5. Bij gebrek aan de gegevens in deze zaak (…) kan het hof zelf moeilijk toetsen of een andere oorzaak van het faillissement in plaats van financieel wanbeleid inderdaad aanwezig is, althans in voldoende mate aannemelijk is gemaakt. De door [verzoeksters] overgelegde informatie (…) wijst echter in de richting van mogelijk financieel wanbeheer door de bestuurders vóór en tijdens de economische crisis en daarmee op bestuurdersaansprakelijkheid. De stelling dat slechts uitsluitend en beslissend de economische crisis aansprakelijk is voor het […]”

    r.o. 2.5

    “Met [verzoeksters] en de curator is het hof van oordeel dat bij gebrek aan gedeponeerde jaarstukken over de jaren 2006, 2008 en latere jaren alsmede het aan de curator overleggen van een gebrekkige administratie door de bestuurder van gefailleerde, sprake is van het in artikel 2:248 juncto de artikelen 2:10 en 2:394 BW genoemde bewijsvermoeden. (…)”

    r.o. 3.9.3

    ECLI:NL:HR:2020:1016

  • Hoge Raad · 6 maart 2015

    Disculpatie feitelijk bestuurder artikel 2:248 lid 3 BW; bewijslast verkeerd toegepast

    “[…] De rechtbank heeft de bestuurders hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het tekort in de faillissementen van ZHG Beheer en de werkmaatschappijen, met dien verstande dat [verweerster] slechts gehouden is tot betaling van 14% van het totale faillissementstekort. De rechtbank heeft, kort gezegd, vastgesteld dat met betrekking tot de jaarrekeningen over 2003 en 2004 niet is voldaan aan art. 2:394 BW, dat de door het bestuur van ZHG Beheer aan de Holding toegekende managementvergoedingen een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest en dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur van ZHG Beheer (rov. 5.31-5.37). Met betrekking tot [verweerster] heeft de rechtbank vastgesteld dat zij van 1 november 2005 tot 31 maart 2006 het beleid van ZHG Beheer mede heeft bepaald en derhalve voor de toepassing van art. 2:248 BW wordt gelijkgesteld met een bestuurder. De rechtbank heeft het beroep van [verweerster] op disculpatie als bedoeld in art. 2:248 lid 3 BW verworpen. Zij heeft daartoe, samengevat, overwogen dat [verweerster] niet alle maatregelen heeft getroffen die tot haar mogelijkheden behoorden om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af […]”

    r.o. 3.1

    “De rechtbank heeft de bestuurders hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het tekort in de faillissementen van ZHG Beheer en de werkmaatschappijen, met dien verstande dat [verweerster] slechts gehouden is tot betaling van 14% van het totale faillissementstekort. De rechtbank heeft, kort gezegd, vastgesteld dat met betrekking tot de jaarrekeningen over 2003 en 2004 niet is voldaan aan art. 2:394 BW, dat de door het bestuur van ZHG Beheer aan de Holding toegekende managementvergoedingen een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest en dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur van ZHG Beheer (rov. 5.31-5.37). Met betrekking tot [verweerster] heeft de rechtbank vastgesteld dat zij van 1 november 2005 tot 31 maart 2006 het beleid van ZHG Beheer mede heeft bepaald en derhalve voor de toepassing van art. 2:248 BW wordt gelijkgesteld met een bestuurder. De rechtbank heeft het beroep van [verweerster] op disculpatie als bedoeld in art. 2:248 lid 3 BW verworpen. Zij heeft daartoe, samengevat, overwogen dat [verweerster] niet alle maatregelen heeft getroffen die tot haar mogelijkheden behoorden om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden […]”

    r.o. 3.2.2

    ECLI:NL:HR:2015:522

  • Hoge Raad · 1 november 2013

    Verify

    Kennelijk onbehoorlijk bestuur: onbelangrijk verzuim bij te late openbaarmaking jaarrekening

    “[…] in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW is sprake indien het niet voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in dat artikellid in de omstandigheden van het geval niet erop wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. Indien het, zoals in dit geval, gaat om een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening, geldt dat het antwoord op de vraag of een overschrijding als een onbelangrijk verzuim kan gelden, afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder rusten (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7189). 3.6.3 Het hof heeft zijn oordeel dat de onderhavige termijnoverschrijding met tien dagen als een onbelangrijk verzuim dient te worden aangemerkt, gebaseerd op de relatief korte duur van die overschrijding en op zijn vaststelling dat [verweerder] een plausibele verklaring voor die overschrijding […]”

    r.o. 3.5 · lid 3

    “Van een onbelangrijk verzuim als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW is sprake indien het niet voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in dat artikellid in de omstandigheden van het geval niet erop wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. Indien het, zoals in dit geval, gaat om een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening, geldt dat het antwoord op de vraag of een overschrijding als een onbelangrijk verzuim kan gelden, afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder rusten (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7189).”

    r.o. 3.6.2 · lid 3

    “Dit oordeel is in overeenstemming met de hiervoor in 3.6.2 vermelde maatstaven, die meebrengen dat in geval van een relatief korte overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW geen hoge eisen zijn te stellen aan de verklaring die daarvoor wordt gegeven (vgl. HR 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993: ZC0994, NJ 1993/713 en HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1981, NJ 1996, 406). Dit oordeel geeft ook anderszins geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Het onderdeel is derhalve ongegrond.”

    r.o. 3.6.4 · lid 3

    ECLI:NL:HR:2013:1079

  • Hoge Raad · 12 juli 2013

    Te late openbaarmaking jaarrekening: onbelangrijk verzuim bij artikel 2:248 lid 2 BW

    “In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. (i) [eiser 2] is bestuurder van [eiseres 1], die op haar beurt bestuurder is geweest van Apeldoornse Asbestsanering B.V. (hierna: Apeldoornse Asbestsanering). (ii) Apeldoornse Asbestsanering is in 2002 veroordeeld om aan W.I.V. B.V. (hierna: W.I.V.) een bedrag van € 92.775,37 te betalen. In 2004 is Apeldoornse Asbestsanering veroordeeld om aan Aannemersbedrijf De Combi Amsterdam B.V. (hierna: De Combi) een bedrag van € 21.787,27 te betalen. Apeldoornse Asbestsanering heeft aan geen van beide veroordelingen voldaan. (iii) Op verzoek van De Combi is Apeldoornse Asbestsanering op 17 maart 2005 in staat van faillissement verklaard. W.I.V. en De Combi zijn de enige schuldeisers in het faillissement. (iv) De jaarrekening van Apeldoornse Asbestsanering over 2003 had op grond van art. 2:394 lid 3 BW uiterlijk op 1 februari 2005 openbaar moeten zijn gemaakt door nederlegging ervan ten kantore van het handelsregister. Die openbaarmaking heeft echter pas op 28 februari 2005 plaatsgevonden.”

    r.o. 3.1 · lid 3

    “[…] dan wel zij geen of weinig relaties heeft, dit van belang kan zijn bij de beantwoording van de vraag of de niet-nakoming van de verplichting tot tijdige openbaarmaking een onbelangrijk verzuim oplevert als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW. Deze opvatting is onjuist. Art. 2:248 lid 2 BW bepaalt dat het niet voldoen aan de boekhoudplicht van art. 2:10 BW en aan de plicht van art. 2:394 BW tot het tijdig openbaar maken van de jaarrekening, onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur oplevert, omdat het niet voldoen aan deze verplichtingen - gelet op het gewicht dat aan de nakoming daarvan toekomt - erop wijst dat het bestuur zijn taak ook voor het overige niet behoorlijk vervult (Kamerstukken II, 16 631, 1980-1981, nr. 3, p. 4 en HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0329, NJ 1989/676, rov. 3.4). Ook indien het belang bij openbaarmaking in het gegeven geval betrekkelijk is om redenen als bedoeld in het onderdeel, wijst de niet-tijdige openbaarmaking van de jaarrekening op zichzelf op een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur. Die redenen kunnen derhalve geen grond zijn om een onbelangrijk verzuim aan te nemen als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW. […]”

    r.o. 3.4

    “[…] dan wel zij geen of weinig relaties heeft, dit van belang kan zijn bij de beantwoording van de vraag of de niet-nakoming van de verplichting tot tijdige openbaarmaking een onbelangrijk verzuim oplevert als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW. Deze opvatting is onjuist. Art. 2:248 lid 2 BW bepaalt dat het niet voldoen aan de boekhoudplicht van art. 2:10 BW en aan de plicht van art. 2:394 BW tot het tijdig openbaar maken van de jaarrekening, onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur oplevert, omdat het niet voldoen aan deze verplichtingen - gelet op het gewicht dat aan de nakoming daarvan toekomt - erop wijst dat het bestuur zijn taak ook voor het overige niet behoorlijk vervult (Kamerstukken II, 16 631, 1980-1981, nr. 3, p. 4 en HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0329, NJ 1989/676, rov. 3.4). Ook indien het belang bij openbaarmaking in het gegeven geval betrekkelijk is om redenen als bedoeld in het onderdeel, wijst de niet-tijdige openbaarmaking van de jaarrekening op zichzelf op een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur. Die redenen kunnen derhalve geen grond zijn om een onbelangrijk verzuim aan te nemen als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW. […]”

    r.o. 3.5.2

    “[…] bonafide instelling heeft en een redelijke verklaring kan geven voor het verzuim, de bepaling [van de slotzin] kan worden toegepast om de al te scherpe kantjes van het tweede lid van de artikelen 138 en 248 Boek 2 BW, zoals in het wetsontwerp voorgesteld, weg te nemen” (Kamerstukken II, 16 631, 1983-1984, nr. 9, p. 16). Indien het, zoals hier, gaat om een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening, geldt voor het overige hetgeen is beslist in HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1981, NJ 1996/406 (rov. 3.2) en HR 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7916, NJ 2007/2 (rov. 4.3.2 laatste zin), namelijk dat het antwoord op de vraag of een overschrijding als een onbelangrijk verzuim kan gelden, afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder rusten.”

    r.o. 3.6.2 · lid 3

    ECLI:NL:HR:2013:BZ7189

  • Hoge Raad · 18 maart 2011

    D Freight

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW en artikel 2:11 BW bij Belgische rechtspersoon-bestuurder

    “De vordering van de curator strekt ertoe, voor zover in cassatie van belang, dat D Group wordt veroordeeld, onder meer, tot voldoening van het bedrag van de tekorten van de failliete boedels van [A], VIT en Techno D, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en van een voorschot op het - op ƒ 8.000.000,-- begrote - bedrag van de tekorten. De curator heeft daartoe gesteld dat D Group op grond van verscheidene feiten en omstandigheden, waaronder het niet voldoen aan de verplichtingen van art. 2:10 en art. 2:394 BW, haar taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, hetgeen een belangrijke oorzaak van de faillissementen is geweest. De curator grondde zijn vordering in de eerste plaats op art. 2:248 lid 2 BW in verbinding met art. 2:10 en 2:394 BW en in de tweede plaats op art. 2:248 lid 1 BW. D Group heeft onder meer als verweer gevoerd dat de faillissementen van [A], VIT en Techno D zijn veroorzaakt door de beëindiging door de ING Bank van haar kredietrelatie met D Freight.”

    r.o. 3.2

    “De rechtbank heeft D Group aansprakelijk geoordeeld op de voet van art. 2:248 lid 2 (in verbinding met lid 1) BW en de vorderingen van de curator (goeddeels) toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank was sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur in verband met het niet voldoen aan de verplichtingen uit art. 2:10 en 2:394 BW, en is D Group - ter weerlegging van het in art. 2:248 lid 2 BW bedoelde wettelijke vermoeden - niet erin geslaagd haar stelling te bewijzen dat de faillissementen zijn veroorzaakt door het opzeggen door ING Bank van de aan D Freight verleende kredietfaciliteiten. De rechtbank overwoog in verband met dit laatste als volgt (rov. 2.5 eindvonnis): "Nog in het midden latend of het opzeggen van de kredieten door de ING Bank wel tot de faillissementen heeft moeten leiden (..), leidt al het vorenstaande de rechtbank reeds tot de conclusie dat niet het enkele opzeggen van de verleende kredieten door de ING Bank, die daartoe op zich gerechtigd was en die daarvoor voldoende zwaarwegende redenen had, als de rechtens relevante oorzaak van de faillissementen is aan te merken. Die oorzaak is wel gelegen in het in de gegeven omstandigheden onbehoorlijk besturen van de […]”

    r.o. 3.3

    “Het hof heeft de in hoger beroep bestreden vonnissen vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de curator in verband met het faillissement van [A] toegewezen (conform het eindvonnis van de rechtbank), en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het hof oordeelde dat alle op art. 2:248 lid 2 in verbinding met art. 2:10 of art. 2:394 BW gebaseerde verwijten van de curator dienen te worden verworpen dan wel als onbelangrijke verzuimen moeten worden aangemerkt, en dat de rechtbank D Group op dit punt ten onrechte bewijs heeft opgedragen (rov. 11.40.1). Wat betreft de op art. 2:248 lid 1 BW gebaseerde verwijten, oordeelde het hof dat slechts ten aanzien van [A] sprake is geweest van handelen dat als onbehoorlijk bestuur moet worden aangemerkt en waarvan aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement (rov. 11.38.4). Bedoeld handelen bestond samengevat hierin dat D Group heeft meegewerkt aan de vervreemding van een aan [A] toebehorende onroerende zaak ('het pand in [plaats A]') aan Polisol tegen een (ver) onder de reële waarde van deze zaak liggende verkoopprijs, waardoor een belangrijk actief - te weten het verschil tussen de reële waarde en […]”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:HR:2011:BP1408

  • Hoge Raad · 20 oktober 2006

    Van Schilt/Jansen q.q.

    Artikel 2:248 BW: ontbreken accountantsverklaring als onbelangrijk verzuim; weerlegging vermoeden

    “De curator heeft zijn hiervoor in 1 vermelde vordering om [eiser] op de grondslag van art. 2:248 BW te veroordelen tot betaling van het tekort van de gefailleerde vennootschap, namelijk ƒ 2.160.966,80 (met rente en kosten) gebaseerd op de stellingen dat [eiser] als (feitelijk) bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld door a. niet te voldoen aan de boekhoudplicht ingevolge art. 2:10 BW en door b. niet te voldoen aan de publicatieplicht ingevolge art. 2:394 in verbinding met art. 2:392 BW.”

    r.o. 3.2

    “Aan de - in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.21 vermelde - parlementaire geschiedenis kan voorts worden ontleend dat de bij nota van wijziging opgenomen slotzin van art. 2:248 lid 2 BW, inhoudende dat een onbelangrijk verzuim niet in aanmerking wordt genomen, is toegevoegd naar aanleiding van de vraag of het als onbehoorlijk bestuur aanmerken van het niet tijdig publiceren van de jaarstukken niet een wat zware sanctie is voor een geringe overschrijding van de wettelijke of statutaire termijn. De reden voor de toevoeging, namelijk dat een gering verzuim niet te zwaar moet worden bestraft, geldt echter ook voor andere voorschriften op het stuk van de openbaarmaking van de jaarrekening dan die betreffende de geldende termijnen. Of een schending van de in art. 2:394 BW opgenomen voorschriften als een onbelangrijk verzuim kan gelden, hangt af van de aard van het overtreden voorschrift en de, door de aangesproken bestuurder te stellen en zo nodig te bewijzen verdere omstandigheden van het geval.”

    r.o. 4.3.2

    “Onderdeel 1, dat in wezen berust op de rechtsopvatting dat de verwijzing in art. 2:248 lid 2 BW naar art. 2:394 BW slechts betrekking heeft op een gedeelte van de in laatstvermeld artikel omschreven verplichtingen, faalt, omdat die rechtsopvatting niet als juist kan worden aanvaard. Zij is niet in overeenstemming met de wettekst en de hiervoor in 4.3.1 vermelde gegevens uit de parlementaire geschiedenis.”

    r.o. 4.4.1

    “Dit neemt niet weg dat het, zoals hiervoor in 4.3.2 is overwogen, mogelijk is dat schending van de in art. 2:394 BW neergelegde voorschriften op het punt van de openbaarmaking van de jaarrekening onder omstandigheden als een onbelangrijk verzuim moet worden beschouwd. De wetgever heeft weliswaar willen voorkomen dat de curator telkens moet nagaan of de gepubliceerde stukken wat betreft hun inhoud kloppen voordat hij zich op art. 2:248 lid 2 BW zou kunnen beroepen, maar dat neemt niet weg dat wanneer is komen vast te staan dat de gepubliceerde gegevens correct zijn, het enkele verzuim de accountantsverklaring (of een mededeling waarom deze ontbreekt) te publiceren onder omstandigheden als een onbelangrijk verzuim kan gelden. Uit de parlementaire geschiedenis is niet af te leiden dat de wetgever dit categorisch heeft willen uitsluiten, hetgeen erop zou neerkomen dat de aangesproken bestuurder ook indien hem van het bedoelde verzuim slechts een gering verwijt treft, zou zijn aangewezen op de mogelijkheid het in art. 2:248 lid 2 BW geëiste - ook bij aanwezigheid van een deugdelijke boekhouding niet steeds eenvoudig te leveren - tegenbewijs bij te brengen, of erop zou moeten vertrouwen […]”

    r.o. 4.4.3

    ECLI:NL:HR:2006:AY7916

  • Hoge Raad · 23 november 2001

    Mefigro

    Artikel 2:248 BW: feitelijk bestuurder, driejaarstermijn en bewijsvermoeden bij onbehoorlijk bestuur

    “[…] in het Handelsregister, dat [eiser 2] sinds 8 februari 1990 enig bestuurder is van Vlimeta en dat Mefigro, gelet op de managementovereenkomst en de hoogte van de overeengekomen managementfee, moet worden gezien als bestuurder van Vlimeta in de zin van art. 2:248 lid 7 BW. [Eiser 2] en Mefigro hebben, aldus de curator, niet voldaan aan de verplichtingen voortvloeiende uit de art. 2:10 BW en 2:394 BW, zodat zij hun taak als bestuur van Vlimeta onbehoorlijk hebben vervuld en wordt vermoed dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Zij zijn daarom aansprakelijk voor het bedrag van de schulden van Vlimeta voor zover die niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. De hoogte van dit bedrag kan volgens de curator nog niet worden vastgesteld. Bij tussenvonnis heeft de Rechtbank zowel de stelling van [eiser 2] dat hij geen bestuurder is van Vlimeta als de stelling van Mefigro dat zij niet kan worden beschouwd als beleidsbepaler in de zin van art. 2:248 lid 7 verworpen. In aanmerking nemende dat niet is voldaan aan de verplichtingen, voortvloeiend uit de art. 2:10 en 2:394, heeft de Rechtbank [eiser 2] en Mefigro in de […]”

    r.o. 3.2

    ECLI:NL:HR:2001:AD4508

  • Hoge Raad · 21 december 2018

    Bestuurdersaansprakelijkheid: te late openbaarmaking jaarrekening en onbelangrijk verzuim, artikel 81 RO

    Curatoren in een faillissement hebben een bestuurder aansprakelijk gehouden op grond van artikel 2:248 BW. De zaak gaat om de vraag of het te laat openbaar maken van de jaarrekening een onbelangrijk verzuim is. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de bestuurder met toepassing van artikel 81 RO, zodat het oordeel van het hof blijft staan.

    ECLI:NL:HR:2018:2366

  • Hoge Raad · 21 december 2018

    Bestuurdersaansprakelijkheid; te late openbaarmaking jaarrekening; cassatieberoep verworpen

    Curatoren hebben de bestuurder van een failliete bv aansprakelijk gesteld op grond van artikel 2:248 BW, mede wegens te late openbaarmaking van de jaarrekening. Rechtbank en hof wezen de vordering toe. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met een artikel 81 RO-motivering, zodat de aansprakelijkheid van de bestuurder in stand blijft.

    ECLI:NL:HR:2018:2367

  • Hoge Raad · 11 november 2016

    Faillissement: bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW, cassatieberoep verworpen (artikel 81 RO)

    De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep in een zaak over bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement, waarin volgens de inhoudsindicatie artikel 2:248 BW en de te late deponering van de jaarrekening een rol spelen. De afdoening is kort en zonder nadere motivering op grond van artikel 81 lid 1 RO. Daarmee blijft het oordeel van het hof in stand.

    ECLI:NL:HR:2016:2575

  • Hoge Raad · 5 september 2003

    Cassatie tegen bestuurdersaansprakelijkheid faillissementstekort; artikel 81 RO

    Een curator spreekt een bestuurder aan voor het tekort in twee faillissementen op grond van artikel 2:248 BW. De rechtbank en het hof wijzen de vordering toe. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO, zonder inhoudelijke motivering. De aansprakelijkheid van de bestuurder blijft daarmee in stand.

    ECLI:NL:HR:2003:AF7852

  • Hoge Raad · 11 juni 1993

    Brens q.q./Sarper

    Bestuurdersaansprakelijkheid: te late publicatie jaarrekening onbelangrijk verzuim; administratieplicht

    De curator in een faillissement vorderde op grond van artikel 2:248 BW dat twee bestuurders hoofdelijk het tekort in het faillissement zouden bijdragen, omdat de jaarrekeningen te laat waren gedeponeerd en de administratie ontoereikend zou zijn. De Hoge Raad oordeelt dat een overschrijding van de publicatietermijn die het gevolg is van het ontbreken van een geldig besluit tot verlenging van de opmaaktermijn, buiten beschouwing blijft bij de beoordeling van een onbelangrijk verzuim. Ook de administratie voldeed aan de wettelijke eis. Het cassatieberoep wordt verworpen.

    ECLI:NL:HR:1993:ZC0994

Conclusies van de A-G (34)

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 september 2023

    Bestuurdersaansprakelijkheid: ontzenuwing causaliteitsvermoeden en stelplicht curator bij dubieuze transacties

    “[…] de verklaring van [verweerder 1] onderbouwen, zonder dit nader toe te lichten”). Wat het onderdeel daartoe aanvoert sub a-b komt neer op het volgende. a. De bestreden oordelen, te weten dat de betwisting slechts algemeen zou zijn en niet toegelicht, zijn in het licht van de processtukken onbegrijpelijk. De vorderingen van de curator zijn gegrond op schending door [verweerder] van art. 2:10 en 2:394 BW. En op vier dubieuze transacties, samengevat in rov. 9.4.7. Die transacties waren volgens de curator dubieus (paulianeus/frauduleus), omdat er activa uit MAC’s vermogen verdwenen zonder dat aan de hand van de boekhouding of administratie (die door [verweerder] als bestuurder ter beschikking van de curator hadden moeten worden gesteld) kon worden vastgesteld dat de (overeengekomen) tegenprestaties in MAC’s vermogen waren terechtgekomen. Het onderdeel wijst op zes stellingen waarmee de curator dit heeft onderbouwd. Hij mocht derhalve het hof bekend veronderstellen met de “op tientallen plaatsen” in de processtukken opgenomen onderbouwing van zijn standpunt dat MAC’s boekhouding en administratie op essentiële onderdelen incompleet waren en daaruit dus niets kon worden afgeleid van […]”

    r.o. 3.3

    “Het onderdeel faalt, gelet op het volgende. 3.4.1 Naar het hof onderkent in rov. 9.4.4 van het arrest is [verweerder] in de onderhavige procedure eerst in hoger beroep ingegaan op ontzenuwing van het in art. 2:248 lid 2 BW neergelegde causaliteitsvermoeden. In het bijzonder in [verweerder 1] als productie 3 bij de memorie van grieven overgelegde verklaring, waarin hij ter onderbouwing concreet heeft verwezen naar diverse stukken die zich in de administratie bevinden en in het bezit zijn van de curator. In rov. 9.4.5, eerste alinea vat het hof deze toelichting van [verweerder 1] samen. Over genoemde verwijzingen en stukken valt het volgende te lezen in [verweerder 1] verklaring: “In 2002 Startte MAC met een 4-tal straattaxi’s die uitsluitend vervoer tegen contante betaling deden. In 2002 nam MAC alle activiteiten over van Parktax BV (activa/passiva overeenkomst). Met deze overname nam MAC ook veel verplichtingen over (goodwill € 47.500, [huurovereenkomst] -duur: 5 jaren € 180.000), huur materieel (duur: 5 jaren € 63.040, leasecontracten € 36.000 ), ca 10 arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd, inventaris, etc. Al deze facturen zijn in het bezit van de curator. (…)Het wagenpark […]”

    r.o. 3.4

    “Het onderdeel faalt, gelet op het volgende. 3.10.1 Vooropgesteld: ook in rov. 9.4.7-9.4.8 van het arrest heeft het hof het onder 3.7.1 hiervoor weergegeven juridische kader voor ogen. In het bijzonder dat waar [verweerder 1] erin is geslaagd het in art. 2:248 lid 2 BW neergelegde causaliteitsvermoeden te ontzenuwen niettegenstaande de vastgestelde schending van art. 2:394 BW (zie rov. 9.4.2-9.4.6), in verband met art. 2:248 lid 1 BW de vraag aan de orde komt of de curator op zijn beurt heeft laten zien dat niettemin [verweerder 1] kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak is van MAC’s faillissement. Stelplicht en bewijslast ter zake rusten dus op de curator. 3.10.2 Daarbij zij bedacht dat volgens art. 2:248 lid 1 BW volstaat dat de curator aannemelijk maakt dat die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling (mede) een belangrijke oorzaak is van dit faillissement, zoals ook volgt uit genoemd juridisch kader. Daarbij zij verder bedacht dat dan weliswaar - gezien die schending van art. 2:394 BW in verbinding met art. 2:248 lid 2 BW - die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in algemene zin vaststaat, maar dit laatste goeddeels een abstract karakter heeft en […]”

    r.o. 3.10

    “Vooropgesteld: ook in rov. 9.4.7-9.4.8 van het arrest heeft het hof het onder 3.7.1 hiervoor weergegeven juridische kader voor ogen. In het bijzonder dat waar [verweerder 1] erin is geslaagd het in art. 2:248 lid 2 BW neergelegde causaliteitsvermoeden te ontzenuwen niettegenstaande de vastgestelde schending van art. 2:394 BW (zie rov. 9.4.2-9.4.6), in verband met art. 2:248 lid 1 BW de vraag aan de orde komt of de curator op zijn beurt heeft laten zien dat niettemin [verweerder 1] kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak is van MAC’s faillissement. Stelplicht en bewijslast ter zake rusten dus op de curator.”

    r.o. 3.10.1

    ECLI:NL:PHR:2023:760

  • Parket bij de Hoge Raad · 2 december 2022

    Matiging bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 lid 4 BW: limitatieve gronden

    “Het hof heeft in dit tussenarrest vooropgesteld dat geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat vanwege het niet voldoen aan de verplichting ex art. 2:394 BW tot tijdige publicatie van de jaarrekeningen vast staat dat zowel [bestuurders] hun taak als bestuurder onbehoorlijk hebben vervuld. Het hof stelt verder vast dat evenmin een grief is gericht tegen de overwegingen dat de onbehoorlijke taakvervulling wordt vermoed een belangrijke oorzaak te zijn van de faillissementen. Grief I richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [bestuurders] er niet in zijn geslaagd dit vermoeden te weerleggen (rov. 3).”

    r.o. 3.7

    “Op grond van art. 2:248 lid 1 BW kan de curator iedere bestuurder van een gefailleerde vennootschap jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk houden voor het boedeltekort indien het bestuur zijn taak kennelijk niet behoorlijk heeft vervuld én aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Art. 2:248 lid 2 bepaalt dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichting uit art. 2:10 BW (boekhoudplicht) of art. 2:394 BW (tijdige publicatie van de jaarrekening), het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en tevens wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het niet voldoen aan deze verplichtingen wijst erop dat het bestuur zijn taak ook voor het overige niet behoorlijk vervult. Het doel van deze regeling is de bewijslast van de curator te verlichten: hij hoeft niet langer aan te tonen wat voor de boedel de schade is die het gevolg is van onbehoorlijk bestuur, maar kan daarbij uitgaan van het boedeltekort.”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:PHR:2022:1136

  • Parket bij de Hoge Raad · 4 november 2022

    Conclusie: (mede)beleidsbepaler ex artikel 2:248 lid 7 BW en feitelijke terzijdestelling

    “[…] taakvervulling door het bestuur. Blijkens art. 2:248 lid 6, eerste zin BW kan de vordering door de curator slechts worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement. Art. 2:248 lid 2 BW voegt aan art. 2:248 lid 1 BW onder meer toe dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit art. 2:10 BW of art. 2:394 BW, het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Bij dit laatste wordt een onbelangrijk verzuim niet in aanmerking genomen. 3.6.2 Bij kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1-2 BW gaat het om de taakvervulling door het bestuur van de vennootschap, te onderscheiden van een individuele bestuurder (die deel uitmaakt van het bestuur). Zie ook onder 3.6.1 hiervoor. Bij de toepassing van het artikel dient dan ook eerst te worden onderzocht of sprake is geweest van zo’n onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, binnen die in art. 2:248 lid 6, eerste zin BW genoemde driejaarsperiode. Is dat het geval, en wordt op basis van art. 2:248 lid 1 BW of art. 2:248 lid 2 […]”

    r.o. 3.6

    “[…] taakvervulling door het bestuur. Blijkens art. 2:248 lid 6, eerste zin BW kan de vordering door de curator slechts worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement. Art. 2:248 lid 2 BW voegt aan art. 2:248 lid 1 BW onder meer toe dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit art. 2:10 BW of art. 2:394 BW, het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Bij dit laatste wordt een onbelangrijk verzuim niet in aanmerking genomen.”

    r.o. 3.6.1

    ECLI:NL:PHR:2022:1023

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 januari 2022

    Matiging boedeltekort bij bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 lid 4 BW; limitatieve matigingsgronden

    “[…] schade in dit stelsel van art. 2:248 BW bij wege van uitgangspunt gelijkgesteld wordt met het boedeltekort, waarvoor in beginsel iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is indien aan de genoemde voorwaarden onder 1 en 2 is voldaan. Uit art. 2:248 lid 2 BW blijkt bovendien onder meer dat, indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit art. 2:10 BW en/of art. 2:394 BW, behoudens een onbelangrijk verzuim ter zake (want dit wordt niet in aanmerking genomen): - het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld; en - vermoed wordt dat onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement van de vennootschap.”

    r.o. 3.4

    “[…] wat betreft de aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur in de zin van art. 2:248 lid 4, eerste zin BW kenbaar van oordeel is dat, niettegenstaande die conclusie inzake de niet-schending (naleving) van de administratieplicht van art. 2:10 BW, gegeven de in rov. 3.25 van het arrest bedoelde herhaalde schending over de jaren 2014 en 2015 van de publicatieplicht van art. 2:394 BW (“er is geen sprake van een onbelangrijk verzuim”) en de daaruit voortvloeiende onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur (dus [eisers] ) (in cassatie onbestreden), welke herhaalde schending bovendien ziet op een volgens de wetgever “zeer fundamentele”, “elementaire” verplichting van het bestuur en erop wijst dat het bestuur zijn taak ‘ook voor het overige’ niet behoorlijk vervult, die matigingsgrond in art. 2:248 lid 4, eerste zin BW als zodanig hier geen aanleiding geeft tot matiging op de voet van art. 2:248 lid 4 BW, anders dan door [eisers] is betoogd in dat nr. 8.77 van de memorie van grieven. Zie ook onder 3.17 sub a hiervoor. Niet valt in te zien, en het subonderdeel legt verder ook niet uit, waarom het hof door te overwegen in rov. 3.27 van het arrest zoals het doet […]”

    r.o. 3.18

    “De subonderdelen 1.3 en 1.4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij falen, gelet op het volgende.De vraag of er een of meer andere belangrijke oorzaken zijn van het faillissement van de vennootschap dan onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur komt aan bod in het kader van art. 2:248 lid 2 BW als, kort gezegd, sprake is van schending van de verplichtingen in art. 2:10 BW en/of art. 2:394 BW (behoudens een onbelangrijk verzuim) en door de aangesproken bestuurder(s) wordt getracht het alsdan geactiveerde vermoeden in art. 2:248 lid 2 BW (dat onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement) te ontzenuwen. Zie onder 3.4 hiervoor. Dit laatste is ook in de onderhavige zaak het geval, mede gelet op rov. 3.25-3.27 (onbestreden) van het arrest, waaruit reeds volgt dat [eisers] er volgens het hof niet in zijn geslaagd dat hier geactiveerde vermoeden van art. 2:248 lid 2 BW te ontzenuwen. Zie onder 3.17 sub b en 3.18 sub (i) hiervoor. De matigingsgrond “de andere oorzaken van het faillissement” in art. 2:248 lid 4, eerste zin BW maakt het mogelijk dat de rechter bij de collectieve matigingsvariant van art. 2:248 lid 4 BW rekening […]”

    r.o. 3.22

    ECLI:NL:PHR:2022:47

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 oktober 2020

    Artikel 2:248 BW: ontzenuwing bewijsvermoeden door niet-kennelijk onbehoorlijke bestuursdaden als andere oorzaak

    “[…] van [A] B.V. en haar dochtervennootschappen vanaf juni 2010, althans gedurende een periode van enkele maanden voorafgaand aan het faillissement, niet voldeed aan de eisen voortvloeiend uit art. 2:10 BW; - B. voor recht verklaart dat het bestuur niet heeft voldaan aan de verplichting om (tijdig) de jaarstukken te deponeren en mitsdien niet heeft voldaan aan de eisen voortvloeiend uit art. 2:394 BW; - C. voor recht verklaart dat de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag van de schulden van [A] B.V. en haar dochtervennootschappen, voor zover deze schulden - met inachtneming van het sub F., G. en H. gevorderde - niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan; - D. de bestuurders veroordeelt tot betaling van het bedrag van de schulden van [A] B.V. en haar dochtervennootschappen, hoofdelijk des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, voor zover deze schulden - met inachtneming van het hierna gevorderde - niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan; - E. ieder van de bestuurders, althans de bestuurders die daarvoor in aanmerking komen, hoofdelijk des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, […]”

    r.o. 2.1

    “[…] C. en D. (en, in het verlengde daarvan: F.), in het petitum van de inleidende dagvaarding zoals weergegeven onder 2.1 hiervoor) “zich uitdrukkelijk niet beperken tot de periode van na 1 juni 2010” (zie nr. 56), wat direct volgt op de stelling dat de rechtbank (tevens) heeft vastgesteld dat in de periode na 1 juni 2010 niet is voldaan aan de verplichtingen voortvloeiend uit art. 2:10 BW en art. 2:394 BW (zie nr. 55); - in algemene zin dat de “verwijten van de curator ter zake de administratie zien op een periode dat geïntimeerden het bestuur voerden over de gefailleerde ondernemingen” (zie nr. 59), wat mede teruggrijpt op de stelling dat vaststaat, nu de rechtbank dit heeft vastgesteld (zie rov. 2.1 van het eindvonnis), dat [eiseressen 2 + 4 + 6] “vanaf de oprichting van [A] als (middellijk) bestuurder(s) in functie zijn geweest en dat (tot op heden, althans tot datum faillissement) zijn gebleven” (zie nr. 55); - dat “[i]n algemene zin geldt dat van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 BW sprake is als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld”, waarbij blijkens de wetgeschiedenis “meer in het bijzonder […]”

    r.o. 3.4

    “[…] effect werd verwacht; - dat schending van de in art. 2:248 lid 2 BW - door middel van het daarin neergelegde vermoeden - gesanctioneerde boekhoudplicht van art. 2:10 BW van een andere en, omdat een behoorlijk bestuur zonder een deugdelijke boekhouding veelal niet goed mogelijk is, ernstiger orde is dan schending van de eveneens in dat artikellid gesanctioneerde publicatieplicht van art. 2:394 BW (wat onverlet laat dat niet blijkt dat de wetgever met het oog op de ingevoerde verscherpte aansprakelijkheid van art. 2:248 BW schending van de publicatieplicht van art. 2:394 BW van minder belang heeft geacht dan schending van de boekhoudplicht van art. 2:10 BW); - dat in art. 2:248 lid 2 BW is bepaald dat het niet voldoen aan de boekhoudplicht van art. 2:10 BW en/of aan de plicht van art. 2:394 BW tot het tijdig openbaar maken van de jaarrekening onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur ex art. 2:248 BW oplevert, omdat het niet voldoen aan deze verplichting(en), gelet op het gewicht dat aan de nakoming daarvan toekomt, erop wijst dat het bestuur zijn taak ‘ook voor het overige’ niet behoorlijk vervult; - dat de vraag of de boekhoudplicht van art. 2:10 BW is geschonden […]”

    r.o. 3.6

    “[…] C. en D. (en, in het verlengde daarvan: F.), in het petitum van de inleidende dagvaarding zoals weergegeven onder 2.1 hiervoor) “zich uitdrukkelijk niet beperken tot de periode van na 1 juni 2010” (zie nr. 56), wat direct volgt op de stelling dat de rechtbank (tevens) heeft vastgesteld dat in de periode na 1 juni 2010 niet is voldaan aan de verplichtingen voortvloeiend uit art. 2:10 BW en art. 2:394 BW (zie nr. 55); - in algemene zin dat de “verwijten van de curator ter zake de administratie zien op een periode dat geïntimeerden het bestuur voerden over de gefailleerde ondernemingen” (zie nr. 59), wat mede teruggrijpt op de stelling dat vaststaat, nu de rechtbank dit heeft vastgesteld (zie rov. 2.1 van het eindvonnis), dat [eiseressen 2 + 4 + 6] “vanaf de oprichting van [A] als (middellijk) bestuurder(s) in functie zijn geweest en dat (tot op heden, althans tot datum faillissement) zijn gebleven” (zie nr. 55); - dat “[i]n algemene zin geldt dat van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 BW sprake is als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld”, waarbij blijkens de wetgeschiedenis “meer in het bijzonder […]”

    r.o. 3.12

    ECLI:NL:PHR:2020:1012

  • Parket bij de Hoge Raad · 25 september 2020

    Artikel 2:248 BW: ontzenuwing causaliteitsvermoeden bij omzetdaling en nalaten maatregelen

    “Bij eindvonnis van 10 mei 2017 (hierna: het eindvonnis) heeft de rechtbank Oost-Brabant [eiseres 1], [C] en [eiser 2] hoofdelijk veroordeeld om aan de curator een bedrag ter hoogte van het tekort in het faillissement te voldoen, nader op te maken bij staat. Zij zijn tevens veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft daartoe in het geschil tussen de curator enerzijds en [eisers] anderzijds, zakelijk weergegeven, het volgende overwogen. Het bestuur van [A] heeft niet voldaan aan de boekhoudplicht ex art. 2:10 BW en aan de deponeringplicht ex art. 2:394 BW. Ingevolge art. 2:248 lid 2 BW is sprake van onbehoorlijke taakvervulling en wordt vermoed dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. [eisers] is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement van [A] zijn geweest. Op grond van art. 2:248 lid 1 BW is [eisers] dan ook aansprakelijk voor het tekort in het faillissement van [A]. In hoger beroep”

    r.o. 2.2

    “[…] 5.16-5.18) van het hof, waarin het hof zich buigt over de vraag, vermeld als kopje boven rov. 5.14: “Andere oorzaak dan onbehoorlijke taakvervulling voor het faillissement aannemelijk gemaakt?”. In cassatie richt [eisers] (dus) géén pijlen op: de door het hof geformuleerde uitgangspunten inzake art. 2:248 BW (rov. 5.4); zijn overwegingen inzake de niet-naleving van de deponeringsplicht ex art. 2:394 BW (rov. 5.5-5.8); zijn overwegingen inzake de niet-naleving van de boekhoudplicht ex art. 2:10 BW (rov. 5.9-5.13); zijn vooropstellingen bij de (ontkennende) beantwoording van de genoemde vraag in rov. 5.14-5.15 of het in rov. 5.16-5.18 overwogene als zodanig; zijn overwegingen inzake het (afgewezen) beroep op matiging van [eisers] (rov. 5.20-5.21); zijn slotsom dat alle grieven falen (rov. 5.22); en het dictum (onder 6). In rov. 5.14-5.19 overweegt het hof als volgt: “Andere oorzaak dan onbehoorlijke taakvervulling voor het faillissement aannemelijk gemaakt?”

    r.o. 2.4

    “[…] van het in art. 2:248 lid 2 BW neergelegde causaliteitsvermoeden (reeds) vast. Deze benadering van het hof acht ik weinig verrassend en alleszins gerechtvaardigd. In de door de wetgever en de Hoge Raad ontwikkelde systematiek van art. 2:248 lid 2 BW wordt de bij activering van die bepaling (wegens schending door het bestuur van de boekhoudplicht ex art. 2:10 BW en/of de deponeringsplicht ex art. 2:394 BW) in beginsel voor het boedeltekort (hoofdelijk) aansprakelijke bestuurder(s) een mogelijke uitweg geboden via ontzenuwing van het in die bepaling neergelegde causaliteitsvermoeden. Slaagt de bestuurder daarin, dan ligt het op de weg van de curator om op de voet van art. 2:248 lid 1 BW aannemelijk te maken dat nochtans de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling (die met toepassing van art. 2:248 lid 2 BW is komen vast te staan) mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. In dat kader van die mogelijke uitweg strekt evident ten voordele voor de bestuurder dat hij de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden zo nodig slechts ‘aannemelijk’ hoeft te maken (hier geldt dus een verlichte bewijslast) en dat uit die feiten en omstandigheden slechts hoeft te blijken dat […]”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:PHR:2020:848

  • Parket bij de Hoge Raad · 31 januari 2020

    Conclusie: opheffing faillissement bij gebrek aan baten en vordering ex artikel 2:248 BW

    “Het hof heeft deze mogelijke in 3.2 bedoelde lijn naar mij voorkomt evenwel niet gevolgd, maar overwogen, kort samengevat, dat - de jaarstukken over 2006, 2008 en latere jaren niet zijn gedeponeerd, aan de curator een gebrekkige administratie is overgelegd en sprake is van het in art. 2:248 jo. 2:10 jo. 2:394 BW genoemde bewijsvermoeden (rov. 3.9.3 van de bestreden beschikking) - de bestuurders van gefailleerde in dat geval aannemelijk moeten maken dat niet het onbehoorlijk bestuur maar een andere oorzaak tot het faillissement heeft geleid en dat de bestuurders daarvan geen verwijt te maken valt (rov. 3.9.4), - het enkele noemen van een andere oorzaak door de bestuurders volstrekt onvoldoende is om als weerlegging in dit kader aan te merken (rov. 3.9.4), - [ondanks de verzoeken ex art. 69 Fw van [verzoekers] , mijn toevoeging, vgl. 1.6 en 1.7 hiervoor, A-G], de rechter-commissaris dit punt heeft laten passeren (rov. 3.9.4), - (ook) de door [verzoekers] overgelegde informatie in de richting wijst van mogelijk wanbeheer door de bestuurders voor en tijdens de economische crisis en daarmee op bestuurdersaansprakelijkheid (rov. 3.9.5), - niet bij voorbaat onaannemelijk is dat er […]”

    r.o. 3.6

    ECLI:NL:PHR:2020:103

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 oktober 2018

    Conclusie: te late openbaarmaking jaarrekening geen onbelangrijk verzuim; bestuurder aansprakelijk voor boedeldeficit

    “Met betrekking tot grief III, over de termijnoverschrijding van de publicatie van de jaarrekening van [A] over 2007 en de vraag of die overschrijding een onbelangrijk verzuim oplevert als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW, heeft het hof het volgende overwogen: “3.4.1. De termijn voor de openbaarmaking van de jaarrekening van [A] over 2007 is in strijd met artikel 2:394 lid 3 BW met 2 maanden en 3 dagen overschreden. De vraag is of deze termijnoverschrijding een onbelangrijk verzuim oplevert als bedoeld in de slotzin van artikel 2:248 lid 2 BW. Van een onbelangrijk verzuim is sprake indien het niet voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in genoemd artikellid in de omstandigheden van het geval niet erop wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. Indien het, zoals in dit geval, gaat om een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening, geldt dat het antwoord op de vraag of een overschrijding als een onbelangrijk verzuim kan gelden, afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de […]”

    r.o. 2.6 · lid 3

    “De klacht faalt, omdat het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Het antwoord op de vraag of sprake is van een onbelangrijk verzuim in de zin van art. 2:248 lid 2 BW (in het voldoen aan de verplichtingen uit art. 2:10 (de administratieplicht) of art. 2:394 BW (de publicatieplicht)), hangt, indien het gaat om een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening, naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad af van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder rusten. Het hof heeft dit expliciet als juridisch uitgangspunt genomen (zie rov. 3.4.1. van het bestreden arrest). De afweging die het hof vervolgens heeft gemaakt, geeft geen blijk van miskenning van dit uitgangspunt.”

    r.o. 3.7 · lid 3

    “[…] tenzij sprake is van een onbelangrijk verzuim (zie de slotzin van lid 2). De in art. 2:248 lid 2 BW opgenomen regel dat (vaststaat dat) het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat vermoed wordt dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is in het faillissement van de vennootschap, indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit art. 2:10 of art. 2:394 BW, is niet slechts dan van toepassing indien het niet tijdig deponeren van de jaarrekening veroorzaakt is door of te maken heeft met ‘malafiditeit van het bestuur’, zoals het subonderdeel het uitdrukt. Evenmin is voor toepassing van die regel vereist dat komt vast te staan dat het bestuur misbruik heeft gemaakt van de besloten vennootschap (als rechtspersoon en ondernemingsvehikel). Uit zowel de tekst van art. 2:248 lid 2 BW als uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de voornoemde regel van toepassing is in elk geval waarin in strijd met de wettelijke voorschriften ter zake, een behoorlijk bijgehouden boekhouding of een tijdig gepubliceerde jaarrekening die de curator inzicht kunnen geven in het door het bestuur gevoerde beheer, ontbreekt (tenzij sprake is van een onbelangrijk […]”

    r.o. 3.8

    “De tweede klacht faalt ook, nu noch de overweging van het hof aan het slot van rov. 3.4.7., noch de overweging van het hof in rov. 3.5. onbegrijpelijk is. Aan het slot van rov. 3.4.7. overweegt het hof dat de jaarrekening tijdig had moeten worden gepubliceerd en dat hieraan niet afdoet dat de administratie intern op orde zou zijn. Deze overweging acht ik juist, omdat, zoals ook het hof overweegt, het gegeven dat de administratie intern op orde is, niets van doen heeft met de wettelijke verplichting tot tijdige deponering van de jaarrekening. In rov. 3.5 laat het hof grief IV falen. Deze grief had betrekking op het oordeel van de rechtbank in rov. 3.36. van het vonnis. Mijns inziens heeft het hof de grief op goede gronden laten falen. Immers, indien, zoals in deze zaak, eenmaal geoordeeld is dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 lid 2 BW omdat art. 2:394 BW niet is nageleefd, is het niet nodig om ook te beoordelen of art. 2:10 (wel) is nageleefd. Rechtbank en hof hebben dit goed gezien. Het hof is niet uitgegaan van een verkeerde lezing van grief IV.”

    r.o. 3.20

    ECLI:NL:PHR:2018:1184

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 oktober 2018

    Conclusie: kennelijk onbehoorlijk bestuur en belangrijke oorzaak faillissement, artikel 2:248 BW

    “[…] na 1 oktober 2006 nog bestuurshandelingen heeft verricht, zodat hij vanaf die datum ook geen feitelijk bestuurder van [A] was. De rechtbank is er daarom van uitgegaan dat [eiser] slechts (formeel) bestuurder was van 20 mei 2006 (drie jaar voorafgaande aan het faillissement) tot 1 oktober 2006. Nu de door de curatoren gestelde te late publicatie van de jaarrekening 2007 als bedoeld in artikel 2:394 BW niet de bestuursperiode van [eiser] betreft, kan hij hiervoor niet aansprakelijk worden gehouden, aldus de rechtbank. De stellingen van de curatoren dat [eiser] aansprakelijk is op grond van artikel 2:10 BW en/of dat het bestuur in de periode van 20 mei 2006 tot 1 oktober 2006 onrechtmatig dan wel onbehoorlijk heeft gehandeld zijn als onvoldoende feitelijk onderbouwd gepasseerd. 3.2.6. In reconventie zijn de vorderingen van [eiser] afgewezen omdat de rechtbank van oordeel was dat de opgelegde dwangsommen niet zijn verjaard en de rechtbank verder om in het vonnis uiteengezette redenen van oordeel was dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat ten aanzien van de opgelegde geboden geen dwangsommen zijn verbeurd, dient te [worden] worden afgewezen.””

    r.o. 2.5

    ECLI:NL:PHR:2018:1275

  • Parket bij de Hoge Raad · 19 oktober 2018

    Artikel 2:248 lid 2 BW: te late openbaarmaking jaarrekening geen onbelangrijk verzuim

    “Met betrekking tot grief III, over de termijnoverschrijding van de publicatie van de jaarrekening van [A] over 2007 en de vraag of die overschrijding een onbelangrijk verzuim oplevert als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW, heeft het hof het volgende overwogen: “3.4.1. De termijn voor de openbaarmaking van de jaarrekening van [A] over 2007 is in strijd met artikel 2:394 lid 3 BW met 2 maanden en 3 dagen overschreden. De vraag is of deze termijnoverschrijding een onbelangrijk verzuim oplevert als bedoeld in de slotzin van artikel 2:248 lid 2 BW. Van een onbelangrijk verzuim is sprake indien het niet voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in genoemd artikellid in de omstandigheden van het geval niet erop wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. Indien het, zoals in dit geval, gaat om een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening, geldt dat het antwoord op de vraag of een overschrijding als een onbelangrijk verzuim kan gelden, afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de […]”

    r.o. 2.6 · lid 3

    “De klacht faalt, omdat het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Het antwoord op de vraag of sprake is van een onbelangrijk verzuim in de zin van art. 2:248 lid 2 BW (in het voldoen aan de verplichtingen uit art. 2:10 (de administratieplicht) of art. 2:394 BW (de publicatieplicht)), hangt, indien het gaat om een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening, naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad af van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder rusten. Het hof heeft dit expliciet als juridisch uitgangspunt genomen (zie rov. 3.4.1. van het bestreden arrest). De afweging die het hof vervolgens heeft gemaakt, geeft geen blijk van miskenning van dit uitgangspunt.”

    r.o. 3.7 · lid 3

    “[…] tenzij sprake is van een onbelangrijk verzuim (zie de slotzin van lid 2). De in art. 2:248 lid 2 BW opgenomen regel dat (vaststaat dat) het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat vermoed wordt dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is in het faillissement van de vennootschap, indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit art. 2:10 of art. 2:394 BW, is niet slechts dan van toepassing indien het niet tijdig deponeren van de jaarrekening veroorzaakt is door of te maken heeft met ‘malafiditeit van het bestuur’, zoals het subonderdeel het uitdrukt. Evenmin is voor toepassing van die regel vereist dat komt vast te staan dat het bestuur misbruik heeft gemaakt van de besloten vennootschap (als rechtspersoon en ondernemingsvehikel). Uit zowel de tekst van art. 2:248 lid 2 BW als uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de voornoemde regel van toepassing is in elk geval waarin in strijd met de wettelijke voorschriften ter zake, een behoorlijk bijgehouden boekhouding of een tijdig gepubliceerde jaarrekening die de curator inzicht kunnen geven in het door het bestuur gevoerde beheer, ontbreekt (tenzij sprake is van een onbelangrijk […]”

    r.o. 3.8

    “De klacht faalt, nu noch de overweging van het hof aan het slot van rov. 3.4.7., noch de overweging van het hof in rov. 3.5. onbegrijpelijk is. Aan het slot van rov. 3.4.7. overweegt het hof dat de jaarrekening tijdig had moeten worden gepubliceerd en dat hieraan niet afdoet dat de administratie intern op orde zou zijn. Deze overweging acht ik juist, omdat, zoals ook het hof overweegt, het gegeven dat de administratie intern op orde is, niets van doen heeft met de wettelijke verplichting tot tijdige deponering van de jaarrekening. In rov. 3.5 laat het hof grief IV falen. Deze grief had betrekking op het oordeel van de rechtbank in rov. 3.36. van het vonnis. Mijns inziens heeft het hof de grief op goede gronden laten falen. Immers, indien, zoals in deze zaak, eenmaal geoordeeld is dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 lid 2 BW omdat art. 2:394 BW niet is nageleefd, is het niet nodig om ook te beoordelen of art. 2:10 (wel) is nageleefd. Rechtbank en hof hebben dit goed gezien. Het hof is niet uitgegaan van een verkeerde lezing van grief IV.”

    r.o. 3.17

    ECLI:NL:PHR:2018:1428

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 december 2016

    Conclusie A-G: weerlegging bewijsvermoeden artikel 2:248 lid 2 BW bij niet-tijdige publicatie jaarrekening

    “[…] van € 220.000,—. Exiton Holding is niet verschenen, [eiser] wel. In cassatie is uitsluitend de primaire grondslag van de vorderingen van de curator nog van belang, namelijk kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. (2:11 BW jo.) 2:248 lid 1 BW. In dat verband heeft de curator aangevoerd: a. Wat betreft de jaarrekening over 2009 is niet tijdig voldaan aan de publicatieplicht van artikel 2:394 BW, zodat ex art. 2:248 lid 2 BW het bewijsvermoeden geldt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. b. Op instigatie van Exiton Holding en [eiser] heeft Exiton op 19 december 2011 een agiouitkering van € 220.000,— aan Exiton Holding gedaan. Deze agiouitkering was niet verantwoord in het licht van de slechte financiële staat waarin Exiton op dat moment verkeerde en heeft de vennootschap ernstig benadeeld. De vordering uit rekening-courant van Exiton op Exiton Holding is immers tenietgegaan door verrekening met de agiouitkering. In plaats daarvan is een vordering van Exiton Holding op Exiton ontstaan.”

    r.o. 1.2

    “Onder meer indien het bestuur niet heeft voldaan aan de verplichting tot tijdige publicatie van de jaarrekening (art. 2:394 BW) geldt volgens art. 2:248 lid 2 BW dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Men spreekt in dit verband wel van een ‘onweerlegbaar vermoeden’, maar in eigenlijke zin betreft het geen bewijsvermoeden, maar een regel van materieelrechtelijke aard. De regel van lid 2 geldt volgens het slot van de bepaling niet in geval van een onbelangrijk verzuim. Deze uitzondering speelt in de onderhavige zaak in ieder geval in cassatie geen rol (meer).”

    r.o. 2.3

    ECLI:NL:PHR:2016:1266

  • Parket bij de Hoge Raad · 2 december 2016

    Artikel 2:248 BW: kennelijk onbehoorlijke taakvervulling bij fietsverzekeringen via Antilliaanse verzekeraar

    “Enkel de curator kan een vordering ex art. 2:248 lid 1 BW instellen; zijn bevoegdheid is exclusief. De curator wordt in de uitoefening ervan in zekere zin door de wetgever tegemoetgekomen. Zo hoeft hij niet te bewijzen dat het faillissement is veroorzaakt door de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling, maar kan hij ermee volstaan aannemelijk te maken dat zij een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Wanneer het bestuur niet heeft voldaan aan de boekhoud- en publicatieverplichtingen van art. 2:10 of 2:394 BW, wordt daaraan niet alleen de consequentie verbonden dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, maar wordt bovendien vermoed dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement (art. 2:248 lid 2).”

    r.o. 4.9

    ECLI:NL:PHR:2016:1232

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 september 2016

    Artikel 2:248 BW: te late deponering jaarrekening, onbelangrijk verzuim, tegenbewijs en matiging

    “De curatoren hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat sprake is van onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 BW, omdat het bestuur van [A] voor de boekjaren 2002 en 2003 niet heeft voldaan aan de publicatieplicht van art. 2:394 BW en aan de administratieplicht van art. 2:10 BW. In cassatie gaat het alleen nog om het verwijt dat over het boekjaar 2003 niet is voldaan aan de publicatieplicht. Derhalve zal in het navolgende buiten beschouwing worden gelaten het geschil tussen partijen ten aanzien van de jaarrekening over 2002. De gestelde schending van art. 2:10 BW komt slechts in het kader van de matiging nog aan de orde.”

    r.o. 2.2

    “Bij vonnis van 30 juli 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestuur van [A] met betrekking tot de openbaarmaking van de jaarrekening over 2003 de publicatieplicht van art. 2:394 lid 3 BW heeft geschonden, nu de openbaarmaking van de jaarrekening pas op 23 maart 2005 heeft plaatsgevonden. Daarmee staat vast dat het bestuur van [A] zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. [eiseres] c.s. hebben niet aannemelijk gemaakt dat andere feiten en omstandigheden dan de onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur van [A] een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. De bestuurders van [A] zijn dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor het boedeltekort. De rechtbank heeft de aansprakelijkheid van [eiseres] c.s. gematigd tot 80% van het bedrag van het faillissementstekort, nu niet gesteld of gebleken is dat het bestuur van [A] misbruik van de rechtspersoon heeft gemaakt of dat sprake is geweest van grove en opzettelijke bevoordeling van het bestuur ten kosten van de crediteuren van de vennootschap. [eiseres] c.s. zijn vervolgens veroordeeld tot betaling van 80% van het […]”

    r.o. 2.3 · lid 3

    “[…] de handtekening van [eiseres 3] en de datum van de vaststelling ontbraken en dat de KvK de stukken om deze reden op 19 november 2004 aan [eiseres] c.s. heeft geretourneerd met het verzoek om de omissies te herstellen en de jaarrekening daarna zo spoedig mogelijk terug te sturen. Onder deze omstandigheden is geen sprake van een openbaarmaking van de jaarrekening over 2003 als bedoeld in art. 2:394 lid 1 BW. Weliswaar heeft een vennootschap in beginsel aan haar wettelijke verplichtingen voldaan op het tijdstip van toezending van de jaarrekening aan de KvK, maar in een geval als het onderhavige, waarin de KvK de stukken vanwege het niet voldoen aan alle vereisten van art. 2:394 lid 1 BW aan de vennootschap terugstuurt, heeft de toezending van de jaarstukken aan de KvK niet geleid tot openbaarmaking daarvan, zoals [eiseres] c.s. ook redelijkerwijs had dienen te begrijpen (rov. 14-15). Het hof heeft [eiseres] c.s. toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen feit dat [eiseres] c.s. de jaarrekening over 2003 pas op 23 maart 2005 of kort daarvoor de jaarrekening aan de KvK hebben toegezonden (rov. 17-18). Voor het geval [eiseres] c.s. niet in deze […]”

    r.o. 2.5 · lid 1

    “Ter inleiding volgt hier een beknopte weergave van het relevante wettelijk kader. De nadere uitwerking volgt, voor zover nodig, bij de bespreking van de onderdelen. Het bestuur van een rechtspersoon is op grond van art. 2:394 lid 3 BW gehouden om uiterlijk dertien maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening over dat boekjaar openbaar te maken. Openbaarmaking geschiedt door nederlegging van een exemplaar van de jaarrekening bij het handelsregister (onderdeel I). Indien het bestuur niet aan deze verplichting voldoet, staat op grond van art. 2:248 lid 2 BW in het geval van faillissement van de rechtspersoon vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt bovendien vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dit geldt niet als sprake is van een ‘onbelangrijk verzuim’ (onderdeel II). Het bestuur kan het vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement weerleggen door aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan het onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest (onderdeel III). Slaagt het bestuur er niet in het […]”

    r.o. 3.2 · lid 3

    ECLI:NL:PHR:2016:927

  • Parket bij de Hoge Raad · 27 mei 2016

    Bestuurdersaansprakelijkheid na faillissement thuiszorgbureau: dividendverrekening en rekening-courant bij kennelijk onbehoorlijk bestuur

    “HZT heeft niet voldaan aan haar publicatieplicht ex artikel 2:394 lid 3 BW. Met betrekking tot de jaarrekeningen over 2002, 2003 en 2004 heeft HZT niet voldaan aan de eis dat deze stukken (telkens) binnen acht dagen na vaststelling moesten worden gedeponeerd bij het handelsregister. HZT heeft met betrekking tot de jaarrekeningen over 2003 en 2004 ook niet voldaan aan de eis dat deze door deponering bij het handelsregister openbaar werden gemaakt binnen dertien maanden na het boekjaar. De jaarstukken over 2003 zijn gedeponeerd op 10 mei 2005, dus meer dan drie maanden te laat. De jaarstukken over 2004 zijn gedeponeerd op 12 april 2006, dus meer dan twee maanden te laat.”

    r.o. 1.21 · lid 3

    “Op vordering van de curator heeft de Rechtbank Overijssel in haar haar eindvonnis van 29 januari 2014, hersteld bij vonnis van 2 april 2014, voor recht verklaard dat ZBH haar taken ten behoeve van HZT kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld in de zin van art. 2:248 lid 1 en 2 BW jo. art. 2:10 BW en art. 2:394 lid 3 BW en dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van HZT. Verder heeft de Rechtbank Zorgbureau c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het tekort in het faillissement van HZT, te vermeerderen met de boedelvorderingen, nader op te maken bij staat.”

    r.o. 2.1.1 · lid 3

    “De Rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat het bestuur van HZT zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld omdat het op verschillende punten niet heeft voldaan aan zijn uit de art. 2:10 en 2:394 BW voortvloeiende administratie- en publicatieverplichtingen (rov. 5.3 - 5.11) én niet tijdig noch voldoende heeft gereserveerd voor de risico’s van wanbetaling door ZBH van haar aanzienlijke rekening-courant schuld aan HZT en voor de risico’s van de aanslagen loonheffing, maar wel in 2007 een dividend ten belope van € 335.989 over 2004 heeft uitgekeerd aan Zorgbureau c.s. (rov. 5.12 - 5.17). Verder heeft de Rechtbank (kennelijk) geoordeeld dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest en dat het HZT anders niet aan middelen zou hebben ontbroken om de onderneming (na beëindiging van de activiteiten) te liquideren buiten faillissement (rov. 5.18). Ten slotte heeft de Rechtbank het beroep van Zorgbureau c.s. op matiging verworpen (rov. 5.19).”

    r.o. 2.1.2

    ECLI:NL:PHR:2016:453

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 november 2015

    Artikel 2:248 BW: te late jaarrekening en weerlegging causaliteitsvermoeden

    “Heeft het bestuur de boekhoudverplichtingen uit artikel 2:10 BW en/of de verplichtingen inzake de publicatie van de jaarrekening als bedoeld in artikel 2:394 BW, waaronder de verplichting om de jaarrekening binnen dertien maanden na afloop van het boekjaar op de in lid 1 beschreven wijze openbaar te maken, dan dient ingevolge artikel 2:248 lid 2 BW er van te worden uitgegaan dat het bestuur zijn bestuurstaak ook voor het overige niet behoorlijk heeft vervuld. Vanwege het verband met lid 1 mag worden aangenomen dat ook in lid 2 bedoeld wordt een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Dit uitgangspunt is als zodanig niet voor weerlegging vatbaar. Verder wordt de tot uitgangspunt te nemen niet behoorlijke vervulling van de bestuurstaak vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Dat vermoeden is wel voor weerlegging vatbaar. Deze bepalingen strekken tot bescherming van de belangen van de crediteuren van de vennootschap en tot versterking van de bewijspositie van de curator.()”

    r.o. 2.3

    “Vormt de niet-naleving van een verplichting uit de artikelen 2:10 of 2:394 BW een ‘onbelangrijk verzuim’ dan, zo volgt uit de slotzin van artikel 248 lid 2 BW, wordt die niet-naleving niet in aanmerking genomen. Met dit laatste wordt bedoeld dat, wanneer de niet-naleving van een verplichting uit de artikelen 2:10 of 2:394 BW niet meer dan een onbelangrijk verzuim oplevert, dan treden de in lid 2 aan die niet-naleving verbonden rechtsgevolgen – het niet weerlegbare uitgangspunt en het weerlegbare vermoeden - niet in. 2.4.1 Het er aan verbonden gevolg doet van belang zijn wat onder een ‘onbelangrijk verzuim’ is te verstaan. In zijn Verify-arrest van 1 november 2013 overweegt de Hoge Raad daarover in rov. 3.6.2 het volgende: “Van een onbelangrijk verzuim als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW is sprake indien het niet voldoen aan de verplichtingen bedoeld in dat artikellid in de omstandigheden van het geval niet erop wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. Indien het, zoals in dit geval, gaat om een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW voor […]”

    r.o. 2.4 · lid 3

    “Het er aan verbonden gevolg doet van belang zijn wat onder een ‘onbelangrijk verzuim’ is te verstaan. In zijn Verify-arrest van 1 november 2013 overweegt de Hoge Raad daarover in rov. 3.6.2 het volgende: “Van een onbelangrijk verzuim als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW is sprake indien het niet voldoen aan de verplichtingen bedoeld in dat artikellid in de omstandigheden van het geval niet erop wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. Indien het, zoals in dit geval, gaat om een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening, geldt dat het antwoord op de vraag of een overschrijding als een onbelangrijk verzuim kan gelden, afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder rusten (HR 12 juli 2013, ECL:NL:HR:2013:BZ7189).” ( )”

    r.o. 2.4.1 · lid 3

    “[…] beroept ten betoge dat deze een belangrijke oorzaak van het faillissement vormen, aannemelijk heeft te maken dat het feit dat niet is voorkomen dat die feiten en omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geworden, geen onbehoorlijke taakvervulling vormt, indien de curator het tegendeel stelt. Dit impliceert dat het vanwege de niet-naleving van verplichtingen uit artikel 2:394 BW aan te houden uitgangspunt dat er gedurende drie jaren voorafgaande aan het faillissement ook voor het overige sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling binnen het kader van de vraag van de oorzaak van het faillissement toch vatbaar is voor weerlegging. De bestuurder mag immers ten aanzien van de feiten en omstandigheden die volgens hem een belangrijke oorzaak van het faillissement vormen, aannemelijk maken dat er geen sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling ten aanzien van het feit dat niet is voorkomen dat die feiten en omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geworden. 2.5.2 Zoals blijkt uit het hiervoor in 2.5 vermelde citaat, overweegt de Hoge Raad in het Blue Tomato-arrest dat, indien de bestuurder door de […]”

    r.o. 2.5

    ECLI:NL:PHR:2015:2290

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 oktober 2015

    Conclusie A-G: bestuurdersaansprakelijkheid, ontzenuwing vermoeden artikel 2:248 lid 2 BW en stelplicht

    “De curator heeft aan de primaire vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] op grond van meerdere feiten en omstandigheden, waaronder het niet voldoen aan de verplichtingen van art. 2:10 BW (boekhoud- en bewaarplicht) en art. 2:394 BW (publicatieplicht), zijn taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.”

    r.o. 2.2

    “De Rechtbank heeft op grond van een structurele schending van de publicatieplicht van artikel 2:394 BW op de voet van artikel 2:248 lid 2 BW tot uitgangspunt genomen dat (onweerlegbaar) wordt vermoed dat [eiser] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en (weerlegbaar) wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Het verwijt dat tevens sprake is geweest van een schending van de boekhoud- en bewaarplicht van artikel 2:10 BW heeft de Rechtbank in dit verband bij gebrek aan belang onbesproken gelaten (rov. 4.3). De Rechtbank heeft zich daarna gebogen over de vraag of [eiser] erin is geslaagd aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest en heeft die vraag bevestigend beantwoord (rov. 4.7) en heeft voorts geoordeeld - samengevat - dat [eiser] evenmin een onbehoorlijk taakvervulling kan worden verweten bij het inspelen op die feiten en omstandigheden (rov. 4.9). Vervolgens heeft de Rechtbank zich de vraag gesteld of de curator erin is geslaagd om aannemelijk te maken dat een kennelijk onbehoorlijke […]”

    r.o. 2.5

    ECLI:NL:PHR:2015:2221

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 juni 2014

    Conclusie: bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW, te late publicatie jaarrekening, vermoedens

    “Onderdeel 4 richt zich tegen de rov. 2.5 en 2.6 en betoogt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de publicatieplicht in art. 2:394 BW en de administratieplicht van art. 2:248 zijn geschonden door het bestuur van [A] B.V. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft verzuimd in zijn oordeelsvorming te betrekken dat [A] B.V. in de ava van 27 januari 2004 is opgehouden te bestaan. Voorts klaagt het onderdeel dat het hof ten onrechte de essentiële stelling van [eiser] dat er geen causaal verband tussen het schenden van de publicatieplicht en het vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Het onderdeel richt zich voorts met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.5 dat het niet publiceren van de jaarrekeningen over 2001 en 2002 niet kan worden aangemerkt als een onbelangrijk verzuim in de zin van art. 2:248 lid 2 BW.”

    r.o. 2.11

    “[…] maar van de omstandigheden van het geval af, in het bijzonder de redenen voor de overschrijding. Aan deze – door de bestuurder te stellen en zo nodig te bewijzen – omstandigheden moeten hogere eisen worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is. In rov. 2.5 van het bestreden arrest heeft het hof de grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de publicatieplicht ex art. 2:394 BW door het bestuur van [A] B.V. is geschonden beoordeeld. Hierbij heeft het hof voorop gesteld dat in hoger beroep onbestreden vaststaat dat de jaarrekeningen over 2001 en 2002 niet tijdig zijn opgemaakt en gepubliceerd. Hiermee ontvalt de grond aan middelonderdeel 4.2. Het hof buigt zich vervolgens over de vraag of er sprake was van een gering verzuim in de zin van art. 2:248 lid 2 BW. Deze vraag heeft het hof ontkennend beantwoord met inachtneming van de omstandigheden van het geval waaronder de stelling van [eiser] dat hij niet beschikte over de administratie van de vennootschap omdat deze in het bezit was van [betrokkene 1]. Nu het hof tot het oordeel is gekomen dat er geen sprake was van een gering verzuim in de zin van art. 2:248 lid BW, stond onweerlegbaar vast dat er sprake […]”

    r.o. 2.13

    ECLI:NL:PHR:2014:707

  • Parket bij de Hoge Raad · 28 juni 2013

    Artikel 2:248 BW: onbelangrijk verzuim bij termijnoverschrijding openbaarmaking jaarrekening

    “Indien de verplichtingen tot openbaarmaking van de jaarrekening als omschreven in artikel 2:394 BW niet zijn nagekomen, brengt dat ingevolge lid 2 mee dat het er onweerlegbaar voor moet worden gehouden dat het bestuur in algemene zin zijn bestuurstaak onbehoorlijk heeft vervuld. Eén van die verplichtingen uit artikel 2:394 BW is de verplichting dat het openbaar maken van de jaarrekening uiterlijk dertien maanden na afloop van het betreffende jaar op de voorgeschreven wijze dient plaats te vinden (lid 3 van artikel 2:394 BW). De onbehoorlijke taakvervulling die met het niet-naleven van de verplichtingen uit artikel 2:394 BW is gegeven, wordt in lid 2 verder vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Dit vermoeden kan worden weerlegd.() Achter deze strenge regeling steekt de overweging dat crediteuren van de vennootschap belang hebben bij de naleving van onder meer artikel 2:394 BW(), alsook het oogmerk om de bewijspositie van de curator te versterken.()”

    r.o. 2.3 · lid 3

    “In de slotzin van lid 2 is echter bepaald: “Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen.” Het niet in aanmerking nemen van een onbelangrijk verzuim is te verstaan als dat er in dat geval geen sprake is van onbehoorlijke taakververvulling van het bestuur wegens niet nakoming van de verplichtingen uit onder meer artikel 2:394 BW. De slotzin is tijdens de parlementaire behandeling van artikel 2:248 BW alsnog aan lid 2 toegevoegd ter verzachting van de strenge regeling in de eerste volzin.()”

    r.o. 2.4

    ECLI:NL:PHR:2013:108

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 mei 2013

    Faillissementsaansprakelijkheid bestuurder wegens 28 dagen te late publicatie jaarrekening; kredietkwestie

    “Deze cassatie betreft het arrest van het hof Arnhem van 29 november 2011, LJN BU6901, JOR 2012/38, JONDR 2012/170. Het hof heeft [eiseres 1] en diens bestuurder ([eiser 2]) aansprakelijkheid gehouden voor het tekort in het faillissement van de Apeldoornse Asbestsanering B.V. op grond van artikel 2:248 lid 2 jo. artikel 2:394 lid 3 BW (jo. artikel 2:11 BW voor wat betreft [eiser 2]) nu de jaarrekening over 2003 van de in 2005 failliet verklaarde vennootschap 28 dagen te laat is gepubliceerd. Hierop ziet het principale beroep. Het hof heeft geen aansprakelijkheid aangenomen omdat onrechtmatig zou zijn gehandeld doordat de activiteiten van de thans failliete vennootschap vanaf 2003 in een andere vennootschap zouden zijn voortgezet zonder dat daarvoor een reële vergoeding is betaald. Hierop ziet het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep. Eisers tot cassatie worden hierna ook aangeduid als [eisers] (al dan niet in combinatie met de hierna te vermelden [A] B.V., die in feitelijke instanties ook in de procedure betrokken was).”

    r.o. 1.1 · lid 3

    “[…] verzuim (rov. 4.8) en zijn [eisers] er niet in geslaagd het wettelijk vermoeden te weerleggen dat de te late publicatie van de jaarrekening een belangrijke oorzaak is van het faillissement (rov. 4.9): "4.8 Vast staat dat de jaarrekening van Apeldoornse Asbestsanering over 2003 op 28 februari 2005 openbaar is gemaakt en dat hiermee de termijn voor openbaarmaking voorgeschreven in artikel 2:394, derde lid, BW met 28 dagen is overschreden. Uit het bepaalde in artikel 2:248, tweede lid, BW volgt dat dit verzuim doet vaststaan dat [eiseres 1] haar taak als bestuurder van Apeldoornse Asbestsanering onbehoorlijk heeft vervuld, tenzij de genoemde termijnoverschrijding moet worden aangemerkt als een - buiten beschouwing te laten - onbelangrijk verzuim. Of een termijnoverschrijding zoals hier aan de orde als een onbelangrijk verzuim heeft te gelden, hangt af van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de overschrijding hebben geleid. Gelet op het belang van de schuldeisers van een besloten vennootschap om kennis te nemen van de financiële toestand van die vennootschap door kennisneming van de jaarrekening daarvan, nadat deze binnen de wettelijk […]”

    r.o. 1.6.2

    “[…] Het eerste lid van het artikel bepaalt dat bestuurders in geval van faillissement van de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort als sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het tweede lid komt erop neer dat het schenden van de verplichting (tijdig) een jaarrekening te publiceren (op grond van artikel 2:394 BW) of goed de boekhouding bij te houden (artikel 2:10 BW) meebrengt dat onweerlegbaar vaststaat dat sprake is van onbehoorlijk bestuur en dat voorts (weerlegbaar) wordt vermoed dat het onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Het eerste vermoeden houdt in dat wordt aangenomen dat de bestuurders niet alleen wat betreft de schending van de boekhoud- of publicatieplicht hun taak onbehoorlijk hebben vervuld, maar ook voor het overige. Het tweede vermoeden is dat niet de specifieke schending, maar het onbehoorlijke bestuur in het algemeen een belangrijke oorzaak voor het faillissement is geweest.(1)”

    r.o. 2.2.1

    “Aan het slot van artikel 2:248 lid 2 BW wordt bepaald dat een onbelangrijk verzuim niet in aanmerking wordt genomen. Deze toevoeging is bedoeld om te voorkomen dat de ingrijpende gevolgen van het wetsartikel ook gelden als slechts sprake is van een kleine, onbelangrijke schending. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een beperkte termijnoverschrijding.(6) Het derde lid van artikel 2:394 BW schrijft voor dat publicatie uiterlijk dertien maanden na afloop van het boekjaar moet gebeuren en daar komt het bij de toepassing van artikel 2:248 lid 2 BW op aan.(7) In het arrest Brens q.q/Sarper uit 1993 is ten aanzien van een termijnoverschrijding van 12 en 11 dagen gesproken van een overschrijding met 'slechts enkele dagen'. (8) Van deze situatie werd in het arrest Pfennings/Niederer q.q. uit 1996 onderscheiden het geval van overschrijding van de termijn van artikel 2:394 lid 3 BW met 17 dagen. Dat was niet een termijnoverschrijding met slechts enkele dagen: (9) "Of een overschrijding van beperkte duur als hier wèl aan de orde is, als een onbelangrijk verzuim in voormelde zin kan gelden, hangt af van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de […]”

    r.o. 2.2.3 · lid 3

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ7189

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 maart 2011

    Artikel 2:11 en 2:248 BW: Belgische rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk voor faillissementen

    “Het derde middel heeft betrekking op verwijten van de curator aan VIT en Techno D met betrekking tot de publicatie en deponering van hun jaarrekeningen (art. 2:248 lid 2 BW jo. 2:394 BW). Het hof heeft hierover het volgende overwogen: '11.23. Publicatie”

    r.o. 3.15

    “Op grond van de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW wordt een onbelangrijk verzuim ten aanzien van de administratie- en publicatieplicht niet in aanmerking genomen. De ratio hiervan is dat een gering verzuim niet te zwaar moet worden bestraft. Het 'onbelangrijk verzuim'-verweer kan niet alleen worden gevoerd bij overschrijdingen van de publicatietermijn, maar ook bij schending van andere in art. 2:394 BW opgenomen voorschriften (waarbij mede moet worden gelet op de aard van het overtreden voorschrift).(29) Of een verzuim vervolgens als een onbelangrijk verzuim kan worden aangemerkt, hangt af van de door de aangesproken bestuurder te stellen en zo nodig te bewijzen verdere omstandigheden van het geval.(30) Daarbij moet, aldus de Hoge Raad, in aanmerking worden genomen dat 'de ingrijpende bepaling van art. 2:248 lid 2 eerste zin haar rechtvaardiging vindt in het belang dat crediteuren van de vennootschap hebben bij naleving van de daar vermelde voorschriften'.(31) Dat het hof de omstandigheden dat de bedrijven nog geen jaar oud waren - waardoor het boekjaar P minder dan drie maanden omvatte - en dat de statuten waren gewijzigd - waardoor het boekjaar Q niet op 31 december 1997 afliep […]”

    r.o. 3.17

    “[…] de stukken kwijtgemaakt. Anders dan het onderdeel lijkt te veronderstellen, heeft het hof zijn oordeel dus niet gegrond op de 'verzend-theorie' (de tweede grond). Het oordeel van het hof dat bij deze stand van zaken aan D Group niet valt te verwijten dat zij de jaarstukken niet zou hebben gepubliceerd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Een vennootschap heeft aan haar in art. 2:394 BW omschreven wettelijke verplichtingen voldaan op het tijdstip van toezending van de jaarrekening aan de Kamer van Koophandel.(32) Derhalve kan niet worden aangenomen dat onder de bedoelde verplichtingen valt een verplichting om de werkzaamheden van de Kamer van Koophandel te controleren (hoe eenvoudig een dergelijk onderzoek wellicht kan zijn). Het onderdeel - dat kennelijk uitgaat van een andere (onjuiste) rechtsopvatting - faalt mitsdien.”

    r.o. 3.19

    ECLI:NL:PHR:2011:BP1408

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 april 2010

    Middellijk bestuurder aansprakelijk voor faillissementstekort ex artikel 2:248 en 2:11 BW

    “Aan deze vordering heeft de curator ten grondslag gelegd, enerzijds dat sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 lid 2 BW omdat [eiser] als bestuurder van [A] B.V. niet heeft voldaan aan de op hem rustende boekhoudplicht van art. 2:10 BW respectievelijk dat hij heeft verzuimd de jaarstukken over 2002 van [A] B.V. tijdig te deponeren (art. 2:394 BW), en anderzijds dat [eiser] zich als bestuurder van [A] B.V. heeft schuldig gemaakt aan kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW en dat aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Voorts heeft de curator zich in dit verband beroepen op art. 2:9 BW.”

    r.o. 1.4

    ECLI:NL:PHR:2010:BL3290

  • Parket bij de Hoge Raad · 30 november 2007

    Conclusie A-G: ontzenuwing causaliteitsvermoeden en matiging bij artikel 2:248 BW

    “[…] tot bespreking van de cassatieklachten. In de onderhavige zaak is bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:248 lid 2 BW aan de orde. Dit wetsartikel doet een hoofdelijke aansprakelijkheid voor bestuurders ontstaan voor het tekort na het faillissement van de vennootschap, indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit art. 2:10 BW (de boekhoudverplichting) of art. 2:394 BW (de -tijdige- publicatie van de jaarstukken). Het niet voldoen aan deze wettelijke verplichtingen heeft tot gevolg dat het bestuur onweerlegbaar wordt vermoed zijn taken onbehoorlijk te hebben vervuld. Hieruit volgt dat niet de mogelijkheid bestaat dat de aangesproken bestuurder stelt en aannemelijk maakt dat hij weliswaar in gebreke is gebleven bij de naleving van zijn boekhoud- en publicatieplicht, maar dat hem voor het overige geen onbehoorlijk bestuur kan worden verweten(4). Het heeft tevens tot gevolg dat deze onbehoorlijke taakvervulling weerlegbaar wordt vermoed een belangrijke oorzaak te zijn geweest van het faillissement van de vennootschap. Als de bestuurder dit vermoeden ontzenuwt, is het vermoeden uitgewerkt en heeft de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van lid 2 […]”

    r.o. 2.1

    ECLI:NL:PHR:2007:BA6773

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 november 2006

    Feitelijk bestuurder aansprakelijk voor faillissementstekort ex artikel 2:248 BW

    “Op 3 april 1996 is Bonbosch B.V. in staat van faillissement verklaard. Door Bonbosch B.V. is -op dat moment- niet voldaan aan de verplichtingen ex artikel 2:394 BW tot (tijdige) publicatie van de jaarstukken over de drie voorafgaande jaren.”

    r.o. 1.5

    “De rechtbank oordeelt dat uit de vaststaande feiten dat [eiser] zich als feitelijk bestuurder van Bonbosch B.V. heeft gedragen en niet is voldaan aan het bepaalde bij artikel 2:394 BW het (onweerlegbare) vermoeden van onbehoorlijk bestuur van Bonbosch B.V. door [eiser] volgt en het (weerlegbare) vermoeden dat dit een belangrijke oorzaak van haar faillissement is geweest.”

    r.o. 1.12

    “Cassatiemiddel V klaagt over onjuiste toepassing van art. 2:248 lid 6 jo. lid 2 BW omdat het hof zou zijn uitgegaan van een feitelijk onjuiste vaststelling dat het bestuur, althans [eiser] niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichtingen van art. 2:10 of art. 2:394 BW.”

    r.o. 2.9

    “Het middel voert een aantal feitelijke stellingen aan die in cassatie niet beoordeeld kunnen worden zonder miskenning van de aard van de (cassatie-)procedure. Bovendien is het onderliggende oordeel, zoals hiervoor aan de orde gekomen, een in hoger beroep niet bestreden oordeel van de rechtbank (zie rov. 4.5 tussenarrest hof). Om deze redenen kan het oordeel van de rechtbank niet meer worden aangetast en dient dit als vaststaand te worden aangenomen. Het middel dient m.i. te falen en behoeft geen nadere inhoudelijke behandeling. Ten overvloede merk ik op dat de klacht dat de wettelijke bepalingen zouden vereisen dat -wil sprake kunnen zijn van omdraaiing van de bewijslast- drie jaarrekeningen ongedeponeerd dienen te zijn gebleven, n.m.m. onjuist is. Uit het wettelijk systeem volgt m.i. omkering van de bewijslast maar het ontstaan van (on-)weerlegbare vermoedens. N.m.m. kan het niet deponeren van één jaarrekening voldoende aanleiding zijn om lid 2 van art. 2:248 BW toe te passen.”

    r.o. 2.10

    ECLI:NL:PHR:2006:AY9710

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 oktober 2006

    Artikel 2:248 lid 2 BW: ontbrekende accountantsverklaring en weerlegging van het causaliteitsvermoeden

    “De curator heeft, daartoe gemachtigd door de rechter-commissaris, in dit geding gevorderd om [eiser] op de grondslag van art. 2:248 BW te veroordelen tot betaling van het tekort van de gefailleerde vennootschap, namelijk f1 2.160.966,80 (met rente en kosten), nu [eiser], als (feitelijk) bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld, door niet te voldoen aan de publicatieplicht ex art. 2:394 jo. art. 2:392 BW.”

    r.o. 2.1

    “Art. 2:248 lid 2 BW introduceert een dubbel vermoeden indien het bestuur niet voldaan heeft aan de verplichtingen uit 2:10 BW (boekhoudplicht) of 2:394 BW (publicatieplicht). Ten eerste staat in dat geval (onweerlegbaar) vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Ten tweede wordt (weerlegbaar) vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. In het verleden is wel betoogd dat dit vermoeden beperkt dient te worden opgevat en wel in die zin dat dit enkele wettelijke vermoeden onvoldoende is om aannemelijk te maken dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van faillissement. Een cassatieklacht van deze strekking heeft uw Raad in HR 20 mei 1988, NJ 1989, 676 (Koster / Van Nie) met een beroep op de wetsgeschiedenis verworpen: "3.4 Als tweede klacht voert onderdeel 1 aan dat het ontbreken van een balans per 31 dec. 1986 en van een boekhouding over 1987 wel een vermoeden oplevert dat onbehoorlijke taakvervulling "een belangrijke oorzaak is van het faillissement", maar zulks nog niet - zoals ingevolge het eerste lid van art. 2:248 tevens is vereist - aannemelijk maakt. Het miskent daarmede dat - zoals […]”

    r.o. 3.5

    “Het eerste onderdeel keert zich tegen 's hofs oordeel in rechtsoverweging 4.5 dat, nu ten onrechte geen accountantsverklaring is gedeponeerd bij het openbaar maken van de jaarrekening, vaststaat dat [eiser] als bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Het hof overweegt dienaangaande: "4.4. Art. 2:394 BW verplicht de rechtspersoon tot openbaarmaking van de jaarrekening (2:394 lid 1 BW) en van de in art. 2:392 BW genoemde gegevens (2:394 lid 4 BW). Tot de openbaar te maken gegevens behoort bij een onderneming van een omvang als die van [eiser] een accountantsverklaring als bedoeld in art 392 lid 5 BW of een mededeling waarom deze ontbreekt (art. 2:392 lid 1 jo. art. 397 BW). Deze verklaring en mededeling ontbreken bij de door [A] BV over 1995 en 1996 openbaargemaakte gegevens.”

    r.o. 3.7 · leden 1, 4

    “Art 248 lid 2 BW houdt in dat het bestuur van de vennootschap dat niet aan de verplichting uit art. 2:394 BW heeft voldaan zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Daarmee staat vast dat [eiser], die enig (feitelijk) bestuurder was van [A] BV, zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Naar het oordeel van het hof kan het geheel ontbreken van een accountantsverklaring (of de mededeling waarom deze ontbreekt) niet worden aangemerkt als een onbelangrijk verzuim, ook niet als vast zou staan dat de gepubliceerde gegevens correct zijn."”

    r.o. 4.5

    ECLI:NL:PHR:2006:AY7916

  • Parket bij de Hoge Raad · 24 februari 2006

    Groepsvrijstelling artikel 2:403 BW en jaarstukken bij beursgenoteerde obligaties concerndochter

    “Het bestuur van de n.v. dient op grond van art. 2:101 lid 1 BW jaarlijks, in beginsel, binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar van de vennootschap een jaarrekening op te maken en deze voor de aandeelhouders ter inzage te leggen ten kantore van de vennootschap. Ingevolge art. 2:394 lid 1 BW is de rechtspersoon verplicht binnen 8 dagen na de vaststelling de jaarrekening openbaar te maken. Onder openbaar maken (of publiceren) wordt in dit verband verstaan dat de jaarrekening moet worden gedeponeerd ten kantore van het handelsregister.”

    r.o. 2.28 · lid 1

    “De klacht faalt, wat er zij van de juistheid van de stelling. Zoals hiervoor uiteengezet impliceert de groepsvrijstelling zoals neergelegd in de artikelen 2:403 lid 3 en 2:394 BW dat AH is vrijgesteld van de verplichting tot publicatie van een vennootschappelijke jaarrekening. De omstandigheid dat de concerndochter een eigen (vennootschappelijke) jaarrekening zou hebben opgesteld, leidt er niet toe dat de groepsvrijstelling in dit geval toepassing mist(63).”

    r.o. 3.19

    “[…] jaarrekening die betrekking heeft op één enkele maatschappij wordt, ter onderscheiding van de geconsolideerde jaarrekening, die de cijfers van verschillende maatschappijen samenvat, ook wel "vennootschappelijke jaarrekening" genoemd. 39 Kroeze/Timmerman/Wezeman, a.w., p. 182. 40 Kroeze/Timmerman/Wezeman, a.w., p. 183. 41 M.i. volgt dit uit artikel 2:403 lid 3 BW in combinatie met artikel 2:394 BW. Ook Maeijer lijkt deze mening toegedaan. Asser-Maeijer 2-III, 2000, nr. 438. Ook Koning lijkt van mening dat de op de vrijgestelde groepsdochter geen publicatieplicht rust. S.C.H. Koning, T & C Ondernemingsrecht, aantekening 1 bij artikel 2:404 BW. IJsselmuiden lijkt daar evenwel anders over te denken. Th. S. IJsselmuiden, rechtspersonenrecht, Losbladige uitgave, aantekening 2 bij artikel 2:403 BW. 42 Asser-Maeijer 2-III, 2000, nr. 438. 43 Rechtspersonenrecht, Losbladige uitgave, aantekening 3 bij artikel 2:403 BW. 44 Asser-Maeijer 2-III, 2000, nr. 438. 45 Aan art. 38a WJO ging art. 13 lid 3 WJO vooraf, maar dit artikel is, zo schrijft Beckman, nooit operationeel geworden. H. Beckman, De jaarrekeningvrijstelling voor afhankelijke groepsmaatschappijen, diss., 1995, p. 1. 46 […]”

    r.o. 3.44

    ECLI:NL:PHR:2006:AV0046

  • Parket bij de Hoge Raad · 6 februari 2004

    Boedeltekort: kennelijk onbehoorlijk bestuur door dividenduitkering met verrekening; artikel 2:248 en 2:11 BW

    “De curator heeft aan de primaire vordering ten grondslag gelegd dat LIR de jaarrekening over het jaar 1994 op 1 maart 1996 heeft gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Arnhem. Daarmee is de termijn van art. 2:394 lid 3 BW ruimschoots overschreden. De curator verbindt hieraan de conclusie dat de bestuurder van LIR haar taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Hij beroept zich op het bewijsvermoeden van art. 2:248 lid 2 BW. Als bestuurder kan volgens de curator worden aangesproken RDB en - mede op grond van art. 2:11 BW- [eiser 2] in privé.”

    r.o. 1.8 · lid 3

    “RDB en [eiser 2] hebben de vorderingen weersproken. Zij hebben ten aanzien van het door de curator gestelde omtrent het deponeren van de jaarrekening aangevoerd dat RDB pas op 6 februari 1996 van haar accountant de voor openbaarmaking bestemde jaarrekening heeft ontvangen. Zij heeft deze stukken nog dezelfde dag aan de KvK verzonden. Het tijdstip van toezending van de jaarrekening aan de Kamer van Koophandel is bepalend voor de vraag of voldaan is aan de eisen van art. 2:394 BW. Bovendien is een overschrijding van 6 dagen aan te merken als onbelangrijk verzuim, zoals bedoeld in art. 2:248 lid 2 BW. Het ligt niet in hun risicosfeer dat de Kamer pas op 1 maart 1996 tot publicatie van de jaarrekening is overgegaan, aldus RDB en [eiser 2].”

    r.o. 1.10

    ECLI:NL:PHR:2004:AO3045

  • Parket bij de Hoge Raad · 5 september 2003

    Artikel 2:248 BW: omkering bewijslast bij boekhoud- en publicatieplicht, conclusie tot verwerping

    “De feiten zijn, betrekkelijk summier, weergegeven in het in eerste aanleg gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 2 september 1992, rechtsoverweging 1.(1) Het hof heeft daar in rechtsoverweging 1 van het in cassatie bestreden vonnis naar verwezen. Die feiten zijn als volgt:(2) - Zowel [A] als [B] zijn bij vonnis van 1 november 1989 van de rechtbank Den Haag failliet verklaard; - [Betrokkene 1] stond in het handelsregister als directeur ingeschreven van 15 oktober 1987 tot en met 3 juni 1988; - De gepubliceerde jaarrekening over 1986 geeft een onjuist beeld van de financiële situatie van de vennootschappen; - De jaarrekening over 1987 van beide vennootschappen is niet gepubliceerd op de in art. 2:394 BW voorgeschreven wijze. Tegen de feitelijke vaststelling door de rechtbank dat eiser tot cassatie, verder te noemen [eiser], tenminste drie jaren voorafgaande aan de faillissementsdatum (1 november 1989) statutair directeur is geweest van [A], die op haar beurt directrice was van [B], is in appel een grief aangevoerd.(3)”

    r.o. 2.1

    ECLI:NL:PHR:2003:AF7852

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 november 2001

    Conclusie: bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW, feitelijk beleidsbepaler en bewijsvermoeden

    “[Eiser 2] en Mefigro hebben volgens de curator niet voldaan aan de verplichtingen voortvloeiende uit de art. 2:10 BW (boekhoudverplichting) en 2:394 BW (publicatie van de jaarrekening), zodat zij hun taak onbehoorlijk hebben vervuld en vermoed wordt dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dientengevolge zouden zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van Vlimeta, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, waarbij de hoogte van het bedrag nog niet kon worden vastgesteld.”

    r.o. 2.1.2

    “De rechtbank te Middelburg heeft bij tussenvonnis van 3 juli 1996 de stelling van [eiser 2] dat hij geen bestuurder is van Vlimeta en de stelling van Mefigro dat zij niet kan worden beschouwd als beleidsbepaler in de zin van art. 2:248, lid 7, BW verworpen. In aanmerking nemende dat niet is voldaan aan de verplichtingen uit de art. 2:10 en 2:394 BW heeft de rechtbank [eiser 2] en Mefigro in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag op welke wijze zij het bewijs wilden leveren dat het faillissement van Vlimeta niet in belangrijke mate is veroorzaakt door hun onbehoorlijke taakvervulling.”

    r.o. 2.3.1

    “Het slagen van onderdeel 1 brengt mede dat [eiser 2] voorshands niet als bestuurder mag worden aangemerkt. Het onderdeel betoogt dat op de feitelijke bestuurder in de zin van art. 2:248, lid 7, BW niet de verplichtingen uit de art. 2:10 BW of 2:394 BW rusten en dat het hof heeft miskend dat deze artikelen hun relevantie verliezen als enkel sprake zou zijn geweest van een beleidsbepaler in de zin van art. 2:248, lid 7, BW.”

    r.o. 3.4.2

    ECLI:NL:PHR:2001:AD4508

  • Parket bij de Hoge Raad · 7 september 1990

    Overdraagbaarheid curatorvordering ex artikel 2:248 BW aan concurrent schuldeiser

    “Bij brief van 1 december 1987 van haar advocaat aan de curator heeft verzoekster van cassatie, hierna: [verzoekster], haar vordering ingediend.Daarbij heeft de raadsman van [verzoekster], verwijzend naar art. 2:248, lid 2, io. 2:394, lid 2, BW de curator verzocht gebruik te maken van diens bevoegdheden om de bestuurder/directeur van [A] b.v., [betrokkene 1], in privé aansprakelijk te stellen voor de schulden van de vennootschap, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. De genoemde raadsman heeft daarbij naar voren gebracht dat, volgens zijn informatie, [betrokkene 1] zou beschikken over vermogensbestanddelen in de besloten vennootschap [B].”

    r.o. 1.2 · lid 2

    ECLI:NL:PHR:1990:AB9949

  • Parket bij de Hoge Raad · 23 juni 2006

    Enquête: schending statuten en wet niet per se gegronde redenen voor twijfel aan beleid

    Een minderheidsaandeelhouder verzocht om een enquête, onder meer omdat jaarrekeningen niet waren vastgesteld en een statutair goedkeuringsvereiste was genegeerd. De OK wees het verzoek af. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieverzoek. Schending van statutaire of wettelijke voorschriften moet worden meegewogen, maar levert niet op voorhand gegronde redenen op om aan een juist beleid te twijfelen. Gezien het discretionaire karakter van artikel 2:350 BW heeft de OK haar oordeel voldoende gemotiveerd.

    ECLI:NL:PHR:2006:AX6615

  • Parket bij de Hoge Raad · 18 oktober 2002

    Doorwerking van artikel 2:248 BW-vermoedens in bestuurdersaansprakelijkheid voor premies en loonheffing

    Aannemers die als ketenaansprakelijken loonheffing en premies van een gefailleerde onderaannemer hadden betaald, verhaalden dit op de bestuurder van de onderaannemer. Het hof wees dit toe door de vermoedens van artikel 2:248 BW toe te passen vanwege de niet gepubliceerde jaarrekening. De A-G concludeert dat verhaal geen voorafgaande beschikking aan de bestuurder vereist, maar dat de wetgever geen aansluiting bij artikel 2:248 BW heeft beoogd bij artikel 16d CSV en artikel 36 Invorderingswet. Hij concludeert daarom tot vernietiging en verwijzing.

    ECLI:NL:PHR:2002:AE5152

  • Parket bij de Hoge Raad · 29 maart 1988

    Artikel 2:248 BW: vermoeden onbehoorlijke taakvervulling en faillissement van beleidsbepaler

    De curator in het faillissement van een besloten vennootschap vraagt het faillissement aan van de feitelijk leidinggevende, op grond van de bestuurdersaansprakelijkheid van artikel 2:248 BW. Het ontbreken van een boekhouding en een balans levert onbehoorlijke taakvervulling op, en het causaal verband met het faillissement wordt vermoed. De A-G stelt dat dit vermoeden de bewijslast omkeert, zodat de bestuurder tegenbewijs moet leveren. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

    ECLI:NL:PHR:1988:AD0329

  • Parket bij de Hoge Raad · 6 augustus 2021

    Bestuurders-, commissaris- en aandeelhoudersaansprakelijkheid na dividenduitkeringen ondanks bodemverontreinigingsclaim

    “[…] bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement”. Schending van de boekhoudplicht ex art. 2:10 BW en/of de deponeringsplicht ex art. 2:394 BW is in deze zaak niet aan de orde, zodat de bewijsvermoedens van art. 2:248 lid 2 BW in deze zaak niet van toepassing zijn. Wat betreft de in art. 2:248 lid 1 BW vervatte elementen (i) of het bestuur zijn taak (in de drie jaar voorafgaand aan het faillissement, zie art. 2:248 lid 6 BW) kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en (ii) of aannemelijk is dat dit kennelijk onbehoorlijke bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement, ligt de bal bij de curator; ingevolge art. 150 Rv rusten op hem de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden.Aan het door art. 2:248 lid 1 BW vereiste causale verband tussen de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement van de vennootschap, waarop dit (sub)onderdeel is […]”

    r.o. 3.4

    ECLI:NL:PHR:2021:739

  • Parket bij de Hoge Raad · 10 januari 1990

    Enquête: cassatiebevoegdheid, doelen enquêterecht en begrip wanbeleid

    “[…] en 9596), p. 2 r.k. Zie voorts rapport Commissie-Verdam, p. 66, m.v.a. II, p. 13 r.k., Handelingen II, 8 april 1970, p. 2908/2909 (minister Polak, waar o.m. verwezen wordt naar HR 20 september 1957, NJ 1957, 568), p. 2921 l.k. en 14 april 1970, p. 2958 r.k., Handelingen I, 8 september 1970, p. 1094 r.k./1095 l.k. Die regeling is thans — in beginsel voor alle rechtspersonen — opgenomen in art. 2:394 BW. Opgenomen in Rechtspersonen (losbl.) onder Effectenverkeer. Kamerst. 9596, nr. 3, p. 6 r.k. Vgl. ook SER-advies, 1967, nr. 5, p. 5–6. Kamerst. 9595, 9596, nr. 5, p. 16 r.k. Kamerst. 9595, 9596, nr. 6, p. 14 l.k. Thans art. 2:355 BW. De tussen haakjes geplaatste woorden ontbreken in het kamerstuk, maar moeten wel zijn bedoeld. Handelingen II, 8 april 1970, p. 2910 r.k. F.J.W. Löwensteyn in De vernieuwingen in de ondernemingsvormen, 1968, p. 71; zie ook: De vernieuwingen in de ondernemingsvormen, 1568, p. 67–70. P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 1988, p. 264. W.J. Slagter, Compendium van het ondernemingsrecht, 1985, p. 390/391. T.a.p. (noot 10), nr. 367, p. 699/700. C.A. Boukema in Rechtspersonen (losbl.), aant. 2 op art. 355. T.a.p. (noot 10), nr. 231, p. 444–445. […]”

    r.o. 7.3.5

    ECLI:NL:PHR:1990:AC1234

Hoven en Ondernemingskamer (3)

  • Gerechtshof Amsterdam · 28 juli 2026

    Faillietverklaring ontbonden vennootschap; vordering ex artikel 2:248 BW als potentiële bate

    “[…] grieven - verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en UBC alsnog in staat van faillissement te verklaren. Daartoe heeft Carelease - samengevat en voor zover voor de beslissing van belang - het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW miskend. Dit artikel bepaalt immers dat indien niet is voldaan aan de verplichtingen van artikel 2:394 BW, het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld (grief 1). Daarnaast heeft de rechtbank het begrip “bate” te eng uitgelegd gezien de geldende jurisprudentie. Een potentiële vordering op grond van artikel 2:248 BW vormt een bate en aan de stelplicht van Carelease worden in dit verband geen hoge eisen gesteld (grief 2). Voorts heeft de rechtbank bij de overwegingen ten aanzien van het ‘belang’ een onjuiste maatstaf gehanteerd. Voor afwijzing van een faillissementsaanvraag is vereist dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Daarvan kan slechts sprake zijn indien de aanvrager op het moment van de aanvraag weet dan wel behoort te weten dat de boedel op het moment van de aanvraag leeg is en geen voldoende gerechtvaardigd belang heeft bij de aanvraag. Daarvan is in het onderhavige […]”

    r.o. 2.3

    “Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog een bate is. Daartoe is het volgende redengevend. Vaststaat dat UBC sinds haar oprichting geen jaarrekeningen heeft gedeponeerd en daarmee de publicatieplicht van artikel 2:394 BW heeft geschonden. Ingevolge artikel 2:248 lid 2 BW betekent deze schending dat het bestuur van de vennootschap zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Behoudens tegenbewijs is de bestuurder in dat geval aansprakelijk voor het boedeltekort. Reeds hierom valt niet uit te sluiten dat een curator een mogelijke (kansrijke) vordering op grond van artikel 2:248 BW jegens Uiterloo zal kunnen instellen. In dit kader merkt het hof op dat een vordering op grond van artikel 2:248 BW - hoewel deze vordering dogmatisch gezien van de gezamenlijke schuldeisers (de boedel) is en niet van de vennootschap - mede gelet op de toegelaten ruime uitleg van het begrip ‘bate’ en ook op het belang van het voorkomen van misbruik van de […]”

    r.o. 2.6

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2168

  • Gerechtshof Den Haag · 14 april 2026

    Artikel 2:248 BW: onbehoorlijk bestuur door niet-publicatie jaarrekeningen; matiging tot nihil

    “In hoger beroep staat niet ter discussie dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan de publicatieplicht uit artikel 2:394 BW, dit tot gevolg heeft dat op grond van artikel 2:248 lid 2 BW vast staat dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het hof neemt verder tot uitgangspunt dat voor de weerlegging van dit vermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest (HR 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7916). Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak, en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder (tevens) feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van het eerste lid van artikel 2:248 aannemelijk te maken dat nochtans de kennelijk onbehoorlijke […]”

    r.o. 6.5

    “Onbestreden is dat de jaarrekening van Dudok Groep over 2016 te laat en de jaarrekeningen over 2017 en 2018 niet zijn gedeponeerd. Daarmee staat vast dat niet is voldaan aan de verplichtingen uit artikel 2:394 BW. Dit betekent dat de onbehoorlijke taakvervulling van de bestuurders van Dudok Groep op grond van artikel 2:248 lid 2 BW vast staat en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Bewijsvermoeden niet ontzenuwd”

    r.o. 6.6

    ECLI:NL:GHDHA:2026:562

  • Gerechtshof Amsterdam · 6 januari 2026

    Executoriale verkoop beslagen aandeel bv; buitentoepassingverklaring aanbiedingsregeling artikel 2:195 lid 7 BW

    “[…] geen openheid van zaken hebben willen geven over de financiële- en vermogenstoestand van [naam 1] . Het in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank opgenomen relaas van de deurwaarder duidt daarop. Verder hebben - onbestreden – veel van de vennootschappen die behoren tot de [groep] niet voldaan aan de wettelijke verplichting hun jaarrekening tijdig te deponeren (art. 2:394 lid 2 BW) (bijlage 1 bij productie 69 van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ). De jaarrekening 2023 van [appellant 1] is weliswaar in hoger beroep als productie 47 van [appellant 2] en [appellant 1] overgelegd, maar grote delen daaruit zijn weggelakt. Datzelfde geldt voor het uiteindelijk pas in hoger beroep overgelegde, maar grotendeels weggelakte, aandeelhoudersregister van [appellant 1] , terwijl art. 474c lid 5 Rv duidelijk is over de plicht de deurwaarder behulpzaam te zijn bij de hem krachtens art. 474c lid 4 Rv opgedragen taak het beslag aan te tekenen in het aandeelhoudersregister.”

    r.o. 3.24 · lid 2

    ECLI:NL:GHAMS:2026:16

Rechtbanken (19)

  • Rechtbank Overijssel · 14 oktober 2026

    Artikel 2:248 BW: formeel bestuurder aansprakelijk voor gehele faillissementstekort, geen matiging

    “[…] van een vennootschap tegenover de boedel (hoofdelijk) aansprakelijk voor het boedeltekort is, als het zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat, als het bestuur niet heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 2:10 BW of de publicatieplicht van artikel 2:394 BW, vaststaat dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat wordt vermoed dat deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Volgens het zesde lid van dat artikel kan deze vordering slechts worden ingesteld op grond van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaar voorafgaand aan het faillissement. Uitgaande van de faillissementsdatum van 25 juni 2025 van [bedrijf 1], moet de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in dit geval hebben plaatsgevonden op of na 25 juni 2022. [gedaagde 1] bestuurder van [bedrijf 1]?”

    r.o. 5.2

    ECLI:NL:RBOVE:2026:6318

  • Rechtbank Rotterdam · 30 september 2026

    Curator faalt: bestuurders ontzenuwen bewijsvermoeden onbehoorlijk bestuur; rekening-courantschuld wel toegewezen

    “Op grond van artikel 2:394 BW moet de jaarrekening binnen acht dagen na vaststelling en binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar worden openbaar gemaakt.”

    r.o. 6.6

    ECLI:NL:RBROT:2026:13956

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 9 september 2026

    Curator stelt bestuurder aansprakelijk ex 2:248 en 2:9 BW; afgewezen ondanks schending 2:10 en 2:394

    “De curator zal moeten stellen en, zo nodig, bewijzen dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Wanneer het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:10 BW (boekhoudplicht) of artikel 2:394 BW (publicatieplicht), dan wordt op grond van artikel 2:248 lid 2 BW onweerlegbaar vermoed dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en weerlegbaar vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.”

    r.o. 2.30

    “Vaststaat dat er nooit een jaarrekening van Sandwich III is gepubliceerd. Daarmee staat schending van artikel 2:394 BW vast. De curator stelt dat daarnaast ook de boekhoudplicht is geschonden, omdat uit de administratie van Sandwich III de verplichtingen van Sandwich III niet eenduidig zijn af te leiden, al was het maar omdat de omvang van de grootste verplichting, namelijk de vergoeding die over 32 maanden aan FSCP en haar rechtsopvolgers zou moeten worden betaald, daaruit niet is af te leiden. [partijen 1 en 2] betwist dat de boekhoudplicht is geschonden. Met betrekking tot de publicatieplicht stelt [partijen 1 en 2] dat er sprake is van een onbelangrijk verzuim.”

    r.o. 2.31

    “Of een schending van de in art. 2:394 BW opgenomen voorschriften als een onbelangrijk verzuim kan gelden, hangt af van de aard van het overtreden voorschrift en de, door de aangesproken bestuurder te stellen en zo nodig te bewijzen, verdere omstandigheden van het geval. In het onderhavige geval is van belang dat Sandwich III nooit een jaarrekening heeft gepubliceerd. De reden daarvoor was, zo stelt [partijen 1 en 2] , dat er in de loop van 2021 een discussie was ontstaan tussen [persoon 1] en [persoon 3] over de berekeningswijze van de overeengekomen vergoeding. De rechtbank is van oordeel dat deze reden niet de conclusie kan rechtvaardigen dat er sprake is van een onbelangrijk verzuim, zodat het beroep daarop wordt verworpen.”

    r.o. 2.32

    ECLI:NL:RBZWB:2026:8751

  • Rechtbank Overijssel · 19 augustus 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW toegewezen na schending administratie- en deponeringsplicht

    “Nu gelet op de te late deponering van de jaarrekening over 2019 niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 2:394, eerste lid BW en door de gebreken in de administratie niet is voldaan aan artikel 2:10, eerste lid BW, geldt rechtens dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun taak als bestuurder van Serenotex onbehoorlijk hebben vervuld en dat wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Zij zijn er niet in geslaagd dit vermoeden te ontzenuwen. Daarom zijn zij op grond van artikel 2:248 BW hoofdelijk aansprakelijk voor het boedeltekort. (Meer) subsidiair heeft de curator artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd.”

    r.o. 3.1.3

    “[…] worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Van kennelijk onbehoorlijk bestuur is sprake als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden op dezelfde wijze gehandeld zou hebben. Als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 en 2:394 BW heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld (een onweerlegbaar vermoeden) en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (een weerlegbaar vermoeden). Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen (tweede lid). Niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden (derde lid). Is de omvang van het tekort nog niet bekend, dan kan de rechter bepalen dat van het tekort tot betaling waarvan hij de bestuurders veroordeelt een staat wordt opgemaakt (vijfde lid). De vordering kan slechts worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode […]”

    r.o. 4.1

    “[…] worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Van kennelijk onbehoorlijk bestuur is sprake als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden op dezelfde wijze gehandeld zou hebben. Als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 en 2:394 BW heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld (een onweerlegbaar vermoeden) en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (een weerlegbaar vermoeden). Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen (tweede lid). Niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden (derde lid). Is de omvang van het tekort nog niet bekend, dan kan de rechter bepalen dat van het tekort tot betaling waarvan hij de bestuurders veroordeelt een staat wordt opgemaakt (vijfde lid). De vordering kan slechts worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode […]”

    r.o. 4.1.1

    “In geval van schending van artikel 2:10 en/of 2:394 BW dient de bestuurder aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement. Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak en wordt hem door de curator verweten dat hij heeft nagelaten om het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder tevens feiten en/of omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dat nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Naast van buiten komende oorzaken kan ook handelen of nalaten van een of meer bestuurders dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert - en waarvan dus niet gezegd kan worden dat een redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld - voldoende zijn voor ontzenuwing van het in artikel 2:248, tweede lid BW bedoelde vermoeden. Dat wordt niet anders doordat artikel 2:248, tweede lid BW bepaalt dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld als het niet heeft voldaan aan zijn verplichting uit artikel 2:10 BW en/of artikel 2:394 BW (Hoge Raad 9 september […]”

    r.o. 4.1.2

    ECLI:NL:RBOVE:2026:5191

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 12 augustus 2026

    Curator: aansprakelijkheid indirect bestuurder voor boedeltekort ex artikel 2:248 BW

    “De curator stelt dat [gedaagde 5] , als indirect bestuurder, in beide faillissementen de administratie niet heeft verstrekt en daarmee niet heeft voldaan aan de boekhoudplicht uit artikel 2:10 BW. Daarnaast zijn de jaarrekeningen niet (tijdig) gedeponeerd. De in artikel 2:394 BW neergelegde publicatieplicht van de jaarrekening is dus eveneens niet nageleefd. Daarmee staat op grond van artikel 2:248 lid 2 BW vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. [gedaagde 5] is aansprakelijk voor het boedeltekort.”

    r.o. 3.3

    “De curator heeft [gedaagde 5] als indirect bestuurder van [eiser 1] en [eiser 2] op grond van artikel 2:248 lid 2 BW aansprakelijk gesteld wegens schending van de boekhoudplicht (artikel 2:10 BW) en schending van de publicatieplicht (artikel 2:394 BW). De schending van de boekhoudplicht is gebaseerd op het feit dat de curator geen administratie heeft aangetroffen en [gedaagde 5] niet heeft voldaan aan zijn verzoeken om alsnog een administratie over te leggen. [gedaagde 5] heeft niet weersproken dat hij geen deugdelijke administratie heeft gevoerd. Daarnaast staat ook vast dat de jaarrekeningen niet (tijdig) zijn gedeponeerd.”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:RBZWB:2026:7674

  • Rechtbank Gelderland · 22 juli 2026

    Interne bestuurdersaansprakelijkheid bij toestemming schuldovername rekening-courantschuld; kennelijk onbehoorlijk bestuur afgewezen

    “De curator verwijt [de gedaagde in conventie] dat zij, toen zij nog bestuurder van TVK was, de publicatieplicht ex artikel 2:394 BW en administratieplicht ex artikel 2:10 BW heeft geschonden en dat zij voorafgaand aan de verkoop van de aandelen financiële middelen ‘naar boven’ heeft gebracht. In de jaarrekening van [holding gedaagde in conventie] van 2022 is te lezen dat TVK eind 2021 een vordering op [holding gedaagde in conventie] had van € 66.319 en dat deze vordering in 2022 naar € 147.545 is opgelopen. Uit de grootboekadministratie volgt dat [de gedaagde in conventie] bepaalde transacties niet in rekening-courant heeft geboekt, terwijl dat wel had gemoeten en uit de administratie van TVK blijkt dat [de gedaagde in conventie] in 2023 een schuld van € 36.491,11 aan TVK heeft laten ontstaan. Daarnaast verwijt de curator [de gedaagde in conventie] dat zij bij de totstandkoming van de aandelenoverdracht niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van haar als enig indirect aandeelhouder en bestuurder van TVK verwacht had mogen worden. [de gedaagde in conventie] heeft voorafgaand aan de aandelenoverdracht nimmer met [betrokkene] gesproken en heeft de achtergrond (kredietwaardigheid) […]”

    r.o. 3.3

    “[…] van een vennootschap in geval van faillissement van die vennootschap jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het faillissementstekort indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Als het bestuur niet heeft voldaan aan de administratieplicht ex artikel 2:10 BW of de publicatieplicht ex artikel 2:394 BW, dan wordt (onweerlegbaar) vermoed dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Deze onbehoorlijke taakvervulling wordt (weerlegbaar) vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Ter weerlegging van het bewijsvermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn of haar kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van art. 2:248 lid 1 BW aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest (Hoge Raad 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6773 (Blue Tomato). Naast van buiten komende oorzaken, kan ook […]”

    r.o. 5.2

    “De publicatieplicht van artikel 2:394 BW houdt (kort gezegd) in dat het de verantwoordelijkheid van het bestuur van een rechtspersoon is dat de jaarrekening tijdig wordt gedeponeerd bij het handelsregister. De curator voert aan dat [de gedaagde in conventie] als bestuurder van TVK deze plicht heeft geschonden, aangezien de jaarrekening over 2020 op 1 april 2022 is gedeponeerd, de jaarrekening over 2021 op 19 september 2023 en de jaarrekening over 2022 op 16 december 2024. Hoewel [de gedaagde in conventie] niet weerspreekt dat deze jaarrekening niet tijdig zijn gedeponeerd, overweegt de rechtbank dat de jaarrekening over 2022 pas behoefde te worden ingediend toen [de gedaagde in conventie] niet langer indirect bestuurder van TVK was. Dit betekent dat het schenden van de publicatieplicht over het jaar 2022 [de gedaagde in conventie] niet kan worden verweten. Dit is anders voor de te laat gedeponeerde jaarrekeningen over 2020 en 2021. Deze zijn immers te laat gepubliceerd en voor het schenden van die publicatieplichten wordt vermoed dat [de gedaagde in conventie] haar taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld.”

    r.o. 5.5

    ECLI:NL:RBGEL:2026:6044

  • Rechtbank Overijssel · 17 juni 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW zorgonderneming: administratieplicht geschonden, bestuursverbod

    “[…] oorzaak van het faillissement is. Op grond van artikel 2:11 BW rust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid (op zijn beurt) bestuurder is van deze rechtspersoon-bestuurder. In het tweede lid is bepaald dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 en 2:394 BW, het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld (een onweerlegbaar vermoeden) en dat wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (een weerlegbaar vermoeden). Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen (laatste zin tweede lid). Niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden (derde lid). De rechter kan het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze […]”

    r.o. 5.2

    “De curator stelt in deze procedure dat de bestuurders van [bedrijf] de verplichtingen uit artikel 2:10 BW (administratieplicht) en 2:394 BW (deponeren jaarrekening) hebben geschonden. Volgens artikel 2:248 BW hebben de bestuurders hun taak in dat geval onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Volgens de curator is onbehoorlijk bestuur van de bestuurders van [bedrijf] in dit geval, zelfs los van het bewijsvermoeden, aan te wijzen als een belangrijke oorzaak van het faillissement van [bedrijf] . De curator stelt dat dit volgt uit de feiten en omstandigheden die naar voren zijn gekomen in onder andere het rapport van de Zorgregio.”

    r.o. 5.3

    “Artikel 2:394 BW gaat over de verplichting van een rechtspersoon tot openbaarmaking van de jaarrekening door deponering bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Volgens de curator hebben de bestuurders niet aan die verplichting uit de wet voldaan, maar de bestuurders betwisten dat. Volgens de bestuurders is de jaarrekening over 2022 weliswaar niet gedeponeerd maar is dat aan te merken als een onbelangrijk verzuim. Volgens hen is het namelijk niet ongebruikelijk dat de jaarrekening over het oprichtingsjaar van de onderneming niet wordt gedeponeerd. Over het boekjaar 2023 voeren de bestuurders aan dat het faillissement is uitgesproken voorafgaand aan het verstrijken van de twaalfmaandentermijn zodat geen sprake is van schending van artikel 2:394 BW. Verder lichten zij toe dat die jaarrekening wel is bekendgemaakt op of omstreeks 4 augustus 2024 door publicatie op de website van het Ministerie van Welzijn en Sport.”

    r.o. 5.21

    “Ten aanzien van 2022 is niet voldaan aan de verplichting uit artikel 2:394 BW nu die jaarrekening in het geheel niet is gedeponeerd bij het handelsregister. Niet aangenomen kan worden dat dit een onbelangrijk verzuim betreft. De jaarrekening over 2023 moest gedeponeerd worden uiterlijk 31 december 2024. Dit was na de datum van het faillissement, zodat ten aanzien van de jaarrekening over 2023 niet kan worden vastgesteld dat de bestuurders de jaarrekening te laat hebben gedeponeerd. De rechtbank gaat er vanuit dat de bestuurders ten aanzien van de jaarrekening over 2022 niet hebben voldaan aan de verplichtingen uit artikel 2:394 BW. Onbehoorlijk bestuur en oorzaak faillissement”

    r.o. 5.22

    ECLI:NL:RBOVE:2026:3457

  • Rechtbank Oost-Brabant · 10 juni 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid boomkwekerij: B.V. wederpartij, geen persoonlijk ernstig verwijt

    “[…] en boekhoudkundige administratie : 5.4.1. Ter onderbouwing van het standpunt dat [gedaagde] als bestuurder van Boomkwekerij jegens [eiser] aansprakelijk is, heeft [eiser] het volgende gesteld: De jaarrekening van Boomkwekerij over 2022 is niet tijdig gepubliceerd; en De financiële huishouding en administratie van Boomkwekerij waren niet op orde; Wegens overtreding van de artikelen 2:10 lid 2 en 2:394 lid 3 BW staat aldus volgens [eiser] op grond van art. 2:248 BW [gedaagde] ’s onbehoorlijk bestuur vast en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Volgens [eiser] is sprake van een onweerlegbaar bewijsvermoeden van onbehoorlijke taakvervulling. 5.4.2. [gedaagde] voert op dit punt verweer en betoogt dat de wettelijke regeling van art. 2:248 BW alleen jegens de curator van Boomkwekerij geldt en dat [eiser] geen vorderingsrecht op grond van dat wetsartikel heeft. 5.4.3. De rechtbank oordeelt dat [eiser] als schuldeiser inderdaad geen rechten kan ontlenen aan of anderszins baat heeft bij deze wettelijke bepalingen. Hoewel juist is dat de jaarrekening 2022 van Boomkwekerij blijkens het faillissementsverslag van de curator te laat is gedeponeerd en hoewel […]”

    r.o. 5.4 · lid 3

    “Ter onderbouwing van het standpunt dat [gedaagde] als bestuurder van Boomkwekerij jegens [eiser] aansprakelijk is, heeft [eiser] het volgende gesteld: De jaarrekening van Boomkwekerij over 2022 is niet tijdig gepubliceerd; en De financiële huishouding en administratie van Boomkwekerij waren niet op orde; Wegens overtreding van de artikelen 2:10 lid 2 en 2:394 lid 3 BW staat aldus volgens [eiser] op grond van art. 2:248 BW [gedaagde] ’s onbehoorlijk bestuur vast en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Volgens [eiser] is sprake van een onweerlegbaar bewijsvermoeden van onbehoorlijke taakvervulling.”

    r.o. 5.4.1 · lid 3

    ECLI:NL:RBOBR:2026:4078

  • Rechtbank Oost-Brabant · 10 juni 2026

    Artikel 2:248 BW: ziekte bestuurder geen andere oorzaak; geen matiging; bestuursverbod

    “Dexters q.q. legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Er is bij [gefailleerde] sprake van onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:248 BW. Immers in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement: - is de boekhoudplicht vermeld in artikel 2:10 lid 1 BW geschonden; en - is de verplichting tot tijdige openbaarmaking van de jaarrekening vermeld in artikel 2:394 leden 1 en 3 BW geschonden. Schending boekhoudplicht Ten aanzien van de schending van de boekhoudplicht stelt Dexters q.q. dat de aan hem ter hand gestelde administratie (i) onvolledig en (ii) grotendeels ongesorteerd is en dat (iii) de overgelegde bescheiden niet geboekt of in overzichten verwerkt zijn. Het zijn enkel losse stukken en op basis hiervan is het onmogelijk om de rechten en verplichtingen van [gefailleerde] op eenvoudige wijze te kennen. Alleen over het boekjaar 2021 is een beperkt grootboek overgelegd. Over 2022 en 2023 zijn er geen althans nauwelijks debiteuren- of crediteurenlijsten, noch een kasboek of andere administratieve overzichten. Schending deponeringsplicht Ten aanzien van de schending van de deponeringsplicht stelt Dexters q.q.: - De jaarrekening van [gefailleerde] over 2020 is op […]”

    r.o. 4.2 · leden 1, 3

    ECLI:NL:RBOBR:2026:4089

  • Rechtbank Overijssel · 10 juni 2026

    Verstekvonnis: bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW voor faillissementstekort, ook middellijk bestuurder

    “[…] verantwoordelijk voor het gevoerde beleid van Ailant Bouwtech B.V. Eringa q.q. voert allereerst aan dat het bestuur van Ailant Bouwtech B.V. zijn taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld in de zin van artikel 2:248 lid 2 BW in samenhang met artikel 2:11 BW, omdat het bestuur niet heeft voldaan aan de administratie- en publicatieplicht (artikel 2:10 BW respectievelijk artikel 2:394 BW): er is geen bijgewerkte administratie beschikbaar, de jaarrekeningen over 2017 en 2018 zijn te laat gepubliceerd en de jaarrekeningen over de jaren 2020 en daarna zijn überhaupt niet opgemaakt en gepubliceerd. De onbehoorlijke taakvervulling wordt vermoed een belangrijke oorzaak te zijn in het faillissement van Ailant Bouwtech B.V. Eringa q.q. voert daarnaast aan dat het voorlopige faillissementstekort ten tijde van de aansprakelijkheidsstelling een bedrag van € 544.948,86 bedraagt, bestaande uit € 151.307,82 aan ingediende vorderingen van de concurrente crediteuren en € 379.523,58 aan ingediende vorderingen van preferente crediteuren. De voorzieningenrechter heeft op 12 februari 2026 verlof verleend voor het leggen van conservatoir beslag op het aandeel van [gedaagde 3] in de […]”

    r.o. 2.2

    ECLI:NL:RBOVE:2026:3481

  • Rechtbank Limburg · 29 april 2026

    Curator vs bestuurders: kennelijk onbehoorlijk bestuur, vermoeden ontzenuwd, Beklamel afgewezen

    “In deze procedure staat centraal de vraag of de bestuurders op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur aansprakelijk zijn voor het tekort in het faillissement van [eiseres] . De curator heeft de door hem gestelde aansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur gebaseerd op schending door de bestuurders van a) hun administratieplicht als bedoeld in artikel 2:10, b) de publicatieplicht als bedoeld in artikel 2:394 BW en c) de zogenaamde Beklamel norm door namens [eiseres] verplichtingen aan te gaan waarvan zij wisten of konden weten dat [eiseres] die niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden (6:162 BW).”

    r.o. 4.1

    “De rechtbank is van oordeel dat gezien het door de bestuurders gevoerde verweer, door de curator onvoldoende is gesteld en onderbouwd om de conclusie te rechtvaardigen dat de bestuurders op één van deze gronden aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen. De publicatieplicht (artikel 2:248 lid 2 in samenhang met 2:394 BW)”

    r.o. 4.2

    “De curator verwijt de bestuurders dat zij niet hebben voldaan aan de verplichtingen zoals vastgelegd in artikel 2:394 BW door de jaarrekening van 2022 noch die van 2023 op te maken, vast te stellen en te publiceren.”

    r.o. 4.3

    “De rechtbank volgt de curator niet in zijn stelling en is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verplichtingen die voorvloeien uit artikel 2:394 BW door de bestuurders niet zijn nageleefd.”

    r.o. 4.4

    ECLI:NL:RBLIM:2026:3810

  • Rechtbank Amsterdam · 15 april 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid: schending administratieplicht en onttrekkingen leiden tot boedeltekortaansprakelijkheid twee bestuurders

    “[…] is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van dit artikel kan alleen worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben. Artikel 2:248 lid 2 BW bepaalt dat als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:10 BW (de administratieplicht) of 2:394 BW (publicatieplicht), het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dit wettelijk vermoeden kan worden ontzenuwd door de bestuurder door aannemelijk te maken dat (ook) andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. De administratie voldoet niet aan de vereisten 4.1.2. De curator stelt allereerst dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur omdat niet is voldaan aan de administratieplicht. De administratie van [eiser 2] en [eiser 1] voldoet volgens de curator niet aan de vereisten van artikel 2:10 lid 1 BW, onder andere omdat: - in de administratie nauwelijks onderscheid is gemaakt tussen [eiser 2] en […]”

    r.o. 4.1

    “[…] is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van dit artikel kan alleen worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben. Artikel 2:248 lid 2 BW bepaalt dat als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:10 BW (de administratieplicht) of 2:394 BW (publicatieplicht), het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dit wettelijk vermoeden kan worden ontzenuwd door de bestuurder door aannemelijk te maken dat (ook) andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. De administratie voldoet niet aan de vereisten”

    r.o. 4.1.1

    ECLI:NL:RBAMS:2026:3787

  • Rechtbank Oost-Brabant · 18 maart 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW: onttrekkingen, onjuiste informatiememoranda, administratie en deponering

    “De curator stelt dat ook niet is voldaan aan de openbaarmakingsverplichting van artikel 2:394 BW, omdat de jaarrekening over boekjaar 2021 te laat is gedeponeerd en er voor het jaar 2022 alleen een voorlopige jaarrekening is gedeponeerd.”

    r.o. 4.12

    “In artikel 2:394 lid 4 BW is bepaald dat een rechtspersoon uiterlijk 12 maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening openbaar moet hebben gemaakt door deponering bij het handelsregister, met vermelding van de dag van vaststelling.”

    r.o. 4.14 · lid 4

    “In het overzicht van deponeringen voor [A] bij de KvK (productie 41 bij dagvaarding) is te zien dat de jaarrekening voor boekjaar 2021 is vastgesteld op 16 maart 2023 en is gedeponeerd op 23 maart 2023. Voor boekjaar 2022 is alleen een voorlopige jaarrekening gedeponeerd op 30 december 2023. De jaarrekening over boekjaar 2021 is dus twee maanden en 23 dagen te laat gedeponeerd en de jaarrekening over 2022 is onvolledig gedeponeerd, want deze is nog niet officieel vastgesteld. Dat betekent dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2:394 BW. Het ontbreken van een cijfermatig onderbouwd en zakelijk verantwoord businessplan”

    r.o. 4.15

    “Nu [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 BW en 2:394 BW heeft hij zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (lid 2 van artikel 2:248 BW). [gedaagde] heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld, die tot de conclusie leiden dat sprake is van een onbelangrijk verzuim. De oorzaak van het faillissement”

    r.o. 4.18

    ECLI:NL:RBOBR:2026:1772

  • Rechtbank Rotterdam · 18 maart 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid 2:248 BW: schending administratie- en publicatieplicht, disculpatie faalt

    “Als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 BW (administratieplicht) of 2:394 BW (publicatieplicht), staat vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:248 lid 2 BW). Een redelijke uitleg van art. 2:248 lid 2 BW brengt mee dat voor het ontzenuwen van het daarin neergelegde vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement, volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van artikel 2:248 lid 1 BW om aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling toch mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Publicatieplicht”

    r.o. 5.4

    “Op grond van artikel 2:394 BW moet de jaarrekening binnen acht dagen na vaststelling en binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar openbaar worden gemaakt.”

    r.o. 5.5

    “Vaststaat dat de jaarrekening over 2020 te laat is gedeponeerd. Daarmee staat vast dat niet is voldaan aan de verplichtingen uit artikel 2:394 BW. Aangezien de schending van de publicatieplicht heeft plaatsgevonden in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement wordt (onweerlegbaar) vermoed dat [gedaagde 3] zijn taak als bestuurder van [bedrijf 1] onbehoorlijk heeft vervuld en wordt (weerlegbaar) vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van [bedrijf 1] (zie 5.4). Administratieplicht”

    r.o. 5.6

    ECLI:NL:RBROT:2026:6388

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 18 maart 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW na Ponzi-achtige obligatiewerving; bestuursverbod opgelegd

    “Ter onderbouwing van zijn stelling dat gedaagden hun taak als bestuurders van MBMO Group onbehoorlijk hebben vervuld voert de curator allereerst aan, dat niet is voldaan aan de verplichtingen uit de artikelen 2:394 BW en 2:10 BW. De curator meent dat het bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW moet worden toegepast.”

    r.o. 4.6

    “Artikel 2:248 lid 2 BW bepaalt – voor zover van belang – dat als het bestuur van een vennootschap niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 BW (boekhoudplicht) of 2:394 BW (publicatieplicht), onweerlegbaar wordt vermoed dat het bestuur zijn taak over de gehele linie onbehoorlijk heeft vervuld. Ook hier geldt dat de stelplicht en bewijslast op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv in beginsel op de curator rusten.”

    r.o. 4.7

    “Op grond van artikel 2:394 lid 3 BW moet een jaarrekening uiterlijk twaalf maanden na afloop van het boekjaar worden gedeponeerd. [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] (hierna gezamenlijk aangeduid als gedaagden) hebben niet weersproken dat de jaarrekening van MBMO Group over 2019 bijna acht maanden te laat is gedeponeerd en de jaarrekening over 2020 vijf maanden te laat. Een overschrijding van de termijn van enkele maanden kan niet worden aangemerkt als een onbelangrijk verzuim. Dat, zoals gedaagden aanvoeren, de cijfers tijdig gereed waren, maar dat is vergeten om ze openbaar te maken, is geen aanvaardbare verklaring voor de termijnoverschrijding en leidt niet tot een ander oordeel.”

    r.o. 4.8 · lid 3

    “Omdat de publicatieplicht uit artikel 2:394 BW niet is nageleefd, heeft op grond van artikel 2:248 lid 2 BW als onweerlegbaar vermoeden te gelden dat de taakvervulling van het bestuur van MBMO Group over de gehele linie onbehoorlijk is geweest. Om die reden behoeft de vraag of er ook schending is van de uit artikel 2:10 BW voortvloeiende verplichtingen en of op grond daarvan sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling geen bespreking meer.”

    r.o. 4.9

    ECLI:NL:RBZWB:2026:1948

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 18 februari 2026

    Tussenvonnis: tegenstrijdig belang, pauliana en onrechtmatige daad bij doorstart modeketen

    “De curator legt aan haar vorderingen tegen Manfort als bestuurder en [persoon 1] als indirect bestuurder van Sandwich III ten grondslag dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur. Daardoor is het bestuur volgens de curator primair op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk voor het tekort van de boedel en subsidiair op grond van 6:162 BW aansprakelijk voor de door de gezamenlijke schuldeisers geleden schade, dan wel op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk voor de door Sandwich III geleden schade. Voor wat betreft de primaire grondslag doet de curator zowel een beroep op artikel 2:248 lid 2 BW vanwege schending van de publicatieplicht (artikel 2:394 BW) en boekhoudplicht (artikel 2:10 BW), als op artikel 2:248 lid 1 BW. De curator stelt dat de ernstige verwijten die [persoon 1] kunnen worden gemaakt een bestuursverbod rechtvaardigen.”

    r.o. 4.3

    ECLI:NL:RBZWB:2026:8750

  • Rechtbank Gelderland · 28 januari 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW toegewezen; indirect bestuurder en bestuursverbod

    “De curator houdt gedaagden primair verantwoordelijk voor het gehele faillissementstekort. Artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat in geval van faillissement van een vennootschap iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden, voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:10 BW (boekhoudplicht) of artikel 2:394 BW (tijdige publicatie van jaarrekening), dan wordt (onweerlegbaar) vermoed dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Deze onbehoorlijke taakvervulling wordt (weerlegbaar) vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Ter weerlegging van het bewijsvermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn of haar kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest (Hoge Raad 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6773).”

    r.o. 4.3

    “[gedaagde] erkent dat de jaarrekeningen vanaf 2022 niet meer tijdig zijn gedeponeerd. Volgens [gedaagde] komt dat doordat Adfizi haar werkzaamheden had opgeschort. Ook als een accountant is ingeschakeld, blijft het tijdig deponeren van de jaarrekening de verantwoordelijkheid van de vennootschap. [bedrijf] heeft dus niet voldaan aan de verplichtingen van artikel 2:394 BW.”

    r.o. 4.5

    “Nu de verplichtingen uit de artikelen 2:10 en 2:394 BW zijn geschonden, is sprake van een onbehoorlijke taakvervulling door [gedaagde] en Gewoon Doen ! Het is aan [gedaagde] en Gewoon Doen ! om voldoende onderbouwd te stellen dat andere feiten en omstandigheden dan de onbehoorlijke taakvervulling hebben geleid tot het faillissement van [bedrijf] . Volgens [gedaagde] is het faillissement veroorzaakt door een elkaar opvolgende combinatie van problemen met opdrachtgevers, niet kunnen werken door de coronapandemie en leegloop van gekwalificeerd personeel. Ook betwist [gedaagde] dat de onbehoorlijke taakvervulling, zoals hiervoor vastgesteld, de oorzaak is geweest van het faillissement. Hij stelt namelijk zelf steeds op detailniveau op de hoogte te zijn geweest van de rechten en plichten van [bedrijf] , ondanks problemen met accountants KAB en Adfizi.”

    r.o. 4.7

    ECLI:NL:RBGEL:2026:3389

  • Rechtbank Noord-Holland · 14 januari 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW wegens schending administratie- en publicatieplicht

    “In artikel 2:248 lid 2 BW is bepaald dat een bestuurder die niet voldoet aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 BW (administratieplicht) of 2:394 BW (publicatie jaarrekening) zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Vermoed wordt dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De bestuurder kan dit wettelijk vermoeden weerleggen door het leveren van tegenbewijs.”

    r.o. 4.4

    “Vast staat dus dat [gedaagde] artikel 2:10 BW niet heeft nageleefd. Bovendien is niet voldaan aan artikel 2:394 BW, omdat de jaarrekening niet tijdig is gepubliceerd. Op grond van art. 2:248 BW staat dan ook vast dat de bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Vermoed wordt dat de schending van deze verplichtingen een belangrijke oorzaak zijn geweest van het faillissement. [gedaagde] betoogt dat een combinatie van factoren hebben geleid tot het faillissement. Het faillissement zou volgens [gedaagde] zijn veroorzaakt door een cashflowtekort wat is ontstaan doordat gelijktijdig opdrachten terugvielen, opdrachtgevers te laat betaalden en de schulden bij de leveranciers van bouwmaterialen opliepen. De rechtbank gaat aan dit betoog voorbij omdat [gedaagde] zijn stellingen ten aanzien van voornoemde omstandigheden zonder concrete onderbouwing heeft gelaten. Het wettelijk vermoeden is dus niet ontzenuwd.”

    r.o. 4.8

    ECLI:NL:RBNHO:2026:792

  • Rechtbank Noord-Holland · 23 september 2026

    Bestuurdersaansprakelijkheid 2:248 BW; feitelijk beleidsbepaler niet gelijkgesteld met bestuurder

    De curator in het faillissement van een bv vordert op grond van artikel 2:248 BW dat de bestuurder en diens echtgenote (als vermeende feitelijk beleidsbepaler) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort. De rechtbank oordeelt dat de bestuurder zijn administratie- en publicatieplicht heeft geschonden, dat het wettelijke vermoeden van een belangrijke oorzaak van het faillissement niet is weerlegd en dat hij aansprakelijk is. De gelijkstelling van de echtgenote met een bestuurder wordt afgewezen, omdat haar werkzaamheden uitvoerend van aard waren en niet is gebleken dat zij bestuursmacht aan zich heeft getrokken.

    ECLI:NL:RBNHO:2026:13074