Titel 9. De jaarrekening en het bestuursverslag · Afdeling 6. Voorschriften omtrent de grondslagen van waardering en van bepaling van het resultaat
Artikel 2:384 BW
In deze vorm in werking sinds 27 juli 2005, laatst gewijzigd bij Stb. 2005, 377
Bij de keuze van een grondslag voor de waardering van een actief en van een passief en voor de bepaling van het resultaat laat de rechtspersoon zich leiden door de voorschriften van artikel 362 leden 1-4. Als grondslag komen in aanmerking de verkrijgings- of vervaardigingsprijs en de actuele waarde.
Bij de toepassing van de grondslagen wordt voorzichtigheid betracht. Winsten worden slechts opgenomen, voor zover zij op de balansdatum zijn verwezenlijkt. Verplichtingen die hun oorsprong vinden vóór het einde van het boekjaar, worden in acht genomen, indien zij vóór het opmaken van de jaarrekening zijn bekend geworden. Voorzienbare verplichtingen en mogelijke verliezen die hun oorsprong vinden vóór het einde van het boekjaar kunnen in acht worden genomen indien zij vóór het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden.
Bij de waardering van activa en passiva wordt uitgegaan van de veronderstelling dat het geheel der werkzaamheden van de rechtspersoon waaraan die activa en passiva dienstbaar zijn, wordt voortgezet, tenzij die veronderstelling onjuist is of haar juistheid aan gerede twijfel onderhevig is; alsdan wordt dit onder mededeling van de invloed op vermogen en resultaat in de toelichting uiteengezet.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud, de grenzen en de wijze van toepassing van waardering tegen actuele waarden.
De grondslagen van de waardering van de activa en de passiva en de bepaling van het resultaat worden met betrekking tot elk der posten uiteengezet. De grondslagen voor de omrekening van in vreemde valuta luidende bedragen worden uiteengezet; tevens wordt vermeld op welke wijze koersverschillen zijn verwerkt.
Slechts wegens gegronde redenen mogen de waardering van activa en passiva en de bepaling van het resultaat geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande boekjaar zijn toegepast. De reden der verandering wordt in de toelichting uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor vermogen en resultaat, aan de hand van aangepaste cijfers voor het boekjaar of voor het voorafgaande boekjaar.
Waardeveranderingen van:
a.financiële instrumenten;
b.andere beleggingen; en
c.agrarische voorraden waarvoor frequente marktnoteringen bestaan die op grond van lid 1 tegen de actuele waarde worden gewaardeerd, kunnen in afwijking van de tweede zin van lid 2 onmiddellijk in het resultaat worden opgenomen, tenzij in deze afdeling anders is bepaald. Waardeveranderingen van afgeleide financiële instrumenten, voorzover niet bedoeld in lid 8, worden, zo nodig in afwijking van lid 2, onmiddellijk ten gunste of ten laste van het resultaat gebracht.
Waardeveranderingen van financiële instrumenten die dienen en effectief zijn ter dekking van risico’s inzake activa, activa in bestelling en andere nog niet op de balans opgenomen verplichtingen, dan wel inzake voorgenomen transacties worden rechtstreeks ten gunste dan wel ten laste van de herwaarderingsreserve gebracht, voor zover dat noodzakelijk is om te bereiken dat deze waardeveranderingen in dezelfde periode in het resultaat worden verwerkt als de waardeveranderingen die zij beogen af te dekken.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:384 BW (6)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (2)
Afwaardering vordering op failliete debiteur in jaarrekening; artikel 2:362 lid 6 en 2:384 lid 2 BW
“Middel 2 bestrijdt het oordeel van de ondernemingskamer dat niet is komen vast te staan dat verhaal van de vordering van [verweerster] op [A] in redelijkheid is uitgesloten. Daartoe wordt aangevoerd dat dit oordeel in strijd is met het, in het bijzonder in art. 2:384 lid 2 BW neergelegde, voorzichtigheidsbeginsel. Dit beginsel houdt volgens het middel in dat een rechtspersoon als een besloten vennootschap "bij de waardering van haar vordering(en) op balansdatum moet beoordelen of er objectieve aanwijzingen zijn voor bijzondere waardeverminderingen van haar vordering(en) en bij aanwezigheid van objectieve aanwijzingen voor bijzondere waardeverminderingen de omvang van het verlies uit hoofde van de bijzondere waardevermindering moet bepalen en in de winst- en verliesrekening moet verwerken". Dit betekent, aldus het middel, dat een rechtspersoon verplicht is op een vordering een verlies te nemen ingeval ernstig rekening moet worden gehouden met de kans dat verhaal van deze vordering geheel of gedeeltelijk onmogelijk zal blijken te zijn, ook al staat niet vast dat verhaal van deze vordering in redelijkheid is uitgesloten.”
r.o. 3.5.1 · lid 2“Het middel berust op een opvatting omtrent de betekenis van het voorzichtigheidsbeginsel voor gevallen als de onderhavige die in haar algemeenheid niet juist is. Dat, zoals in art. 2:384 lid 2 BW is bepaald, mogelijke verliezen die hun oorsprong vinden vóór het einde van het boekjaar in acht genomen kunnen worden indien zij vóór het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden, brengt nog niet mee dat een vordering dient te worden afgewaardeerd als ernstig rekening moet worden gehouden met de kans dat verhaal geheel of gedeeltelijk onmogelijk zal blijken te zijn. Door te onderzoeken of in de gegeven omstandigheden is komen vast te staan dat verhaal van de vordering in redelijkheid al of niet is uitgesloten, heeft de ondernemingskamer het voorzichtigheidsbeginsel niet miskend. Op het voorgaande stuiten de klachten van het middel af.”
r.o. 3.5.2 · lid 2KPN/SOBI
Jaarrekening KPN: maatstaf inzicht artikel 2:362 BW, Richtlijnen en impairment
“KPN heeft ten aanzien van haar keuze van de wijze van waardering van de warrant en het conversierecht en de weergave van de algemene methodiek van het gehanteerde waarderingsmodel in de toelichting op de jaarrekening - hiervoor weergegeven in 3.1 onder (x) en (xi) - in feitelijke aanleg aangevoerd dat zij heeft voldaan aan de daaromtrent in art. 2:384 lid 5 BW gestelde vereisten. Zij heeft voorts betoogd dat deze weergave (ook overigens) voldoet aan de normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd in de zin van art. 2:362 lid 1 BW en in dat verband gesteld dat de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, de International Accounting Standards (IAS) en de US Generally Accepted Accounting Principles (US GAAP) niet voorschrijven dat bij een waardering als de onderhavige het model van de investment banker of enig ander model moet worden vermeld, terwijl het in de praktijk geen gebruik is dat een toelichting als in het tussenarrest van 7 november 2002 bedoeld wordt gegeven en zodanige toelichting in de bedrijfseconomische literatuur niet wordt vereist. Voorts heeft KPN betoogd dat de enkele vermelding van een waarderingsmodel van de betrokken investment banker […]”
r.o. 5.6 · lid 5
Conclusies van de A-G (4)
Aansprakelijkheid bestuurder bij verhuur eigen perceel aan vennootschap; tegenstrijdig belang
“[…] Volgens de deskundige heeft [eiseres] “alsnog voldoende onderbouwde argumenten [aangevoerd] om te veronderstellen dat [verweerder] op 30 januari 2009 op de hoogte moet zijn geweest van het onvermogen van [eiseres] Inc. om de facturen aan [eiseres] te betalen”. Volgens de deskundige volgt uit de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving, jaareditie 2006, richtlijnen 222.201 en 160.102 en art. 2:384 lid 2 BW dat in geval van een vordering op een groepsmaatschappij alle informatie die bekend was tot aan het moment van het opmaken van de jaarrekening in de jaarrekening 2007 dient te worden verwerkt. (rov. 2.8) - In rov. 2.9 en 2.10 overweegt het hof, tegen die achtergrond bezien, als volgt: “2.9. [eiseres] heeft in genoemde bijlage 7 gedocumenteerd gesteld dat [verweerder] voor 30 januari 2009 wist dat [A] Inc. de facturen van [eiseres] niet kon betalen. Zij verwijst onder meer naar een e-mail van Martin Diederichs, advocaat van [eiseres] , aan de belastingadviseur van [A] Inc., die in cc aan [verweerder] is verzonden, van 15 september 2008, inhoudende, voor zover van belang: “(...) The Department of the Treasury had “adjusted” the balance due to pay by [eiseres] to an amount of […]”
r.o. 2.16 · lid 2“[…] klachten in dit onderdeel. Voor zover het hof wel heeft bedoeld dat deze drie elementen vaststaan, blijkt uit het procesdossier niet dat bewijs voor deze drie elementen (of voor enige andere motivering dat de ene bewustheid gelijk is aan de andere) is geleverd, zodat art. 150 Rv is miskend.Het onderdeel klaagt voorts (onder 12) dat het hof met zijn oordeel in rov. 2.10 eindarrest art. 2:384 lid 2 BW heeft miskend. Volgens het onderdeel blijkt uit die bepaling niet een verplichting tot het opnemen van een voorziening en is “in acht nemen” als bedoeld in die bepaling ook mogelijk door een toelichting in de jaarrekening op te nemen. De keuzevrijheid die volgens het onderdeel sinds 2005 door de wet wordt geboden om al dan niet mogelijke verliezen in acht te nemen, brengt nog niet mee dat een vordering dient te worden afgewaardeerd als ernstig rekening moet worden gehouden met de kans dat verhaal geheel of gedeeltelijk onmogelijk zal zijn. Volgens het onderdeel blijkt uit de e-mail waar het hof in rov. 2.9 eindarrest naar verwijst enkel dat [A] Inc. geen liquide middelen (“no funds”) meer had en daarom (“therefore”) geen betalingen meer kon verrichten, maar niet dat [A] […]”
r.o. 3.23 · lid 2“[…] rechtsopvatting of ontoereikende motivering door het hof geen sprake. Op dit een en ander lopen de rechts- en motiveringsklachten in het onderdeel onder 10 t/m 18 vast, ook voor zover deze wel feitelijke grondslag hebben. Daarbij zij wat betreft het deels repeterende betoog in het onderdeel onder 12 t/m 17 omtrent - kort gezegd - de werking van RJ-richtlijnen (222.201 en 160.102) en art. 2:384 lid 2 BW in verbinding met de verwerking van een voorziening oninbaarheid in de jaarrekening nog aangetekend dat, waar in feitelijke instantie geen van partijen (ook [verweerder] niet) een daarop betrekking hebbend bezwaar heeft gericht tegen het deskundigenbericht of anderszins ter zake een contraire stelling heeft ingenomen/verweer heeft gevoerd, en partijen in zoverre dus ook niet kenbaar een andere opvatting waren toegedaan dan de deskundige in het deskundigenbericht, er reeds daarom geen basis aanwezig kan worden geacht voor enig mistasten door het hof in (rov. 3.13 eerste tussenarrest en) rov. 2.9 en 2.10 eindarrest zoals daar bedoeld in het onderdeel, wat geen verdere toelichting behoeft.Hierop stuit het onderdeel af. Onderdeel 5: “Het hof heeft miskend dat de lening in 2030 […]”
r.o. 3.24 · lid 2Jaarrekening: afwaardering vordering na faillissement debiteur en gebeurtenissen na vaststelling
“[…] perioden worden onderscheiden, waarin gebeurtenissen na de balansdatum zich kunnen voordoen:(15) a. balansdatum tot datum opmaken jaarrekening door het bestuur; b. datum opmaken jaarrekening tot datum vaststellen jaarrekening door algemene vergadering van aandeelhouders; c. periode na vaststelling. Met betrekking tot deze perioden bepaalt de wet (kort gezegd) als volgt:(16) periode a.:art. 2:384 lid 2 BW: Gebeurtenissen na balansdatum moeten in acht worden genomen tot de datum van het opmaken van de jaarrekening. periode b.:art. 2:362 lid 6, eerste zin BW: De jaarrekening wordt vastgesteld met inachtneming van hetgeen omtrent de financiële toestand op de balansdatum is gebleken tussen het opmaken van de jaarrekening en de algemene vergadering waarin zij wordt behandeld (vastgesteld), voor zover dat onontbeerlijk is voor het in art. 2:362 lid 1 BW bedoelde inzicht (zie voetnoot 12).(17) periode c.:art. 2:362 lid 6, tweede zin BW: Blijkt na de vaststelling van de jaarrekening dat de jaarrekening in ernstige mate tekortschiet in het geven van het in art. 2:362 lid 1 BW bedoelde inzicht, dan bericht het bestuur daaromtrent onverwijld aan de leden of aandeelhouders en aan het […]”
r.o. 3.6 · lid 2“Met onderdeel 7 klaagt het middel dat de Ondernemingskamer het voorzichtigheidsbeginsel schendt, zoals (aldus het middel) onder andere neergelegd in art. 2:384 lid 2 BW en in de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving van de Raad voor de Jaarverslaggeving (Richtlijn 222: "Vorderingen", paragraaf 2: "Waardering en resultaatbepaling"). Dit voorzichtigheidsbeginsel houdt (aldus het middel) in dat een rechtspersoon als een besloten vennootschap bij de waardering van haar vordering(en) op balansdatum moet beoordelen of er objectieve aanwijzingen zijn voor bijzondere waardeverminderingen van haar vordering(en) en bij aanwezigheid van objectieve aanwijzingen voor bijzondere waardeverminderingen de omvang van het verlies uit hoofde van de bijzondere waardevermindering moet bepalen en in de winst- en verliesrekening moet verwerken. Volgens het middel betekent dit dat een rechtspersoon op een vordering ook een verlies zal moeten nemen in het geval waarin nog niet vaststaat dat verhaal van deze vordering in redelijkheid is uitgesloten (zoals volgens de Ondernemingskamer in casu het geval is), maar waarin wel ernstig rekening moet worden gehouden met de kans dat verhaal van deze vordering […]”
r.o. 3.14 · lid 2“Het voorzichtigheids(- en realisatie)beginsel, zoals opgenomen in art. 2:384 lid 2 BW, houdt in dat men te verwachten verliezen al moet nemen en te verwachten winsten nog niet mag nemen.(22) Art. 2:384 lid 2 BW luidt als volgt: "Bij de toepassing van de grondslagen [de waarderingsgrondslagen, LT] wordt voorzichtigheid betracht. Winsten worden slechts opgenomen, voor zover zij op de balansdatum zijn verwezenlijkt. Verplichtingen die hun oorsprong vinden vóór het einde van het boekjaar, worden in acht genomen, indien zij vóór het opmaken van de jaarrekening zijn bekend geworden. Voorzienbare verplichtingen en mogelijke verliezen die hun oorsprong vinden vóór het einde van het boekjaar kunnen in acht worden genomen indien zij vóór het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden." De definitie van het voorzichtigheidsbeginsel die het middel geeft (zie alinea 3.14 hierboven), luidt anders dan art. 2:384 lid 2 BW en ook Richtlijn 222 bevat niet een dergelijke definitie. Wel vertoont deze definitie gelijkenis met art. 2:387 lid 3 BW, dat bepaalt dat indien redelijkerwijs een buitengewone waardevermindering van vlottende activa op korte termijn valt te voorzien, bij de waardering […]”
r.o. 3.15 · lid 2“[…] vorderingen ter bepaling van de jaarlijkse winst heeft volgens goed koopmansgebruik te geschieden met inachtneming van alle omstandigheden waardoor de grootte of de waarde van de vordering op de balansdatum kan worden beïnvloed, zoals die omstandigheden aan de belastingplichtige ten tijde van het opmaken van de balans bekend zijn of na onderzoek bekend kunnen zijn. 22 Kiersch 2009 (T&C BW), art. 2:384 BW, aant. 2. 23 Het middel heeft het kennelijk abusievelijk over de fax van de advocaat van [eiseres] van 24 september 2004 in plaats van 28 september 2004, zie de betreffende fax die is overgelegd als productie 3, bijlage IV bij conclusie van antwoord in eerste aanleg van 13 oktober 2005. 24 Wederom heeft het middel het kennelijk abusievelijk over de fax van de advocaat van [eiseres] van 24 september 2004 in plaats van 28 september 2004. 25 De fax van de advocaat van [eiseres] van 28 september 2004 aan de accountant van [verweerster] is, zoals al eerder vermeld, overgelegd als productie 3, bijlage IV bij conclusie van antwoord van 13 oktober 2005.”
r.o. 3.26Conclusie A-G: jaarrekeningrecht KPN, RJ-richtlijnen, artikel 2:362 BW en impairment
“[…] te beantwoorden). Ik neem aan dat het geven van een dergelijke aanwijzing wel de bedoeling van de Ondernemingskamer is geweest. Mocht zo'n aanwijzing niet in de betrokken rechtsoverwegingen gelezen mogen worden, dan heeft KPN geen belang bij haar middelonderdeel. De betrokken rechtsoverwegingen over het al niet disconteren van kasstromen zijn dan niet meer dan overwegingen ten overvloede. Art. 2:384 lid 1 BW bepaalt dat "bij de keuze van een grondslag voor de waardering van een actief (...) de rechtspersoon zich laat leiden door de voorschriften van artikel 2:362 leden 1-4. Als grondslag komen in aanmerking de verkrijgings- of vervaardigingsprijs en, voor de materiële en financiële vaste activa en de voorraden, tevens de actuele waarde." De Memorie van Toelichting(66) bevat hierover de volgende passage: "Niettemin is het van belang dat waardering tegen de verkrijgingsprijs - of vervaardigingsprijs - of tegen een andere boekwaarde die bij voorbeeld berust op een taxatie in een ver verleden - op de balans niet tot een onzuiver beeld leidt. In overeenstemming met de beginselen van artikel 2 leden 4 en 5 van de richtlijn, en van artikel 362 lid 4 van het ontwerp regelt lid 5 van […]”
r.o. 6.8 · lid 1Enquête: wanbeleid door gebrekkige informatieverschaffing aan AVA en onvolledige jaarrekeningen
“[…] niet ingegaan op hetgeen in het cassatie-verweerschrift zijdens verweerster is betoogd omtrent de waarderingsgrondslag (opname van het hardamant-aandeel/certificaat tegen verkrijgingsprijs). Als in de s.t. terecht wordt opgemerkt, kan het inzichtvereiste dwingen tot waardering (van in dit geval het Hardamant-certificaat/aandeel) tegen actuelewaarde i.p.v. tegen de verkrijgingsprijs, zie art. 2:384 lid 1 BW, waarover Sanders/Westbroek/Buijn/Storm (1998), blz. 329; Asser-Maeijer 2-III (2000), nr. 421. Indien de boekwaarde aanmerkelijk lager is dan de actuele waarde, kan een aanvullende toelichting noodzakelijk zijn, zie HR 17 januari 1990, NJ 1990, 827; OK 26 januari 1978, NJ 1980, 109 (Eggerdink); Richtlijnen voor de jaarverslaggeving, Deventer 2001, blz. 123. Ik begrijp de overweging van de OK in een meer algemene zin, dat daarin de door de OK vastgestelde omstandigheid dat uit de jaarrekeningen onvoldoende van de Hardamant-constructie bleek (om welke jaarrekeningenrechtelijke reden dan ook) onvoldoende inzicht in de samenstelling (kwaliteit) van de winst werd gegeven. Voor het betoog van Recobel/VEB omtrent de waarderingsgrondslag, zie verweerschrift onder nr. 4.15 - 4.17.] […]”
r.o. 2.34 · lid 1