← Alle artikelen

Titel 7. Fusie en splitsing · Afdeling 2. Algemene bepalingen omtrent fusies

Artikel 2:320 BW

In deze vorm in werking sinds 1 januari 2002, laatst gewijzigd bij Stb. 2001, 584

(Bijna) gelijk aan art. 2:320 BWC (Curaçao)

1

Hij die, anders dan als lid of aandeelhouder, een bijzonder recht jegens een verdwijnende rechtspersoon heeft, zoals een recht op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen, moet een gelijkwaardig recht in de verkrijgende rechtspersoon krijgen, of schadeloosstelling.

2

De schadeloosstelling wordt bij gebreke van overeenstemming bepaald door een of meer onafhankelijke deskundigen, ten verzoeke van de meest gerede partij te benoemen door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de woonplaats van de verkrijgende rechtspersoon is gelegen.

3

Artikel 319 is van overeenkomstige toepassing op pandrecht of vruchtgebruik dat op de bijzondere rechten was gevestigd.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:320 BW (4)

Hoge Raad (2)

  • Hoge Raad · 10 januari 1990

    OGEM Holding

    Enquête Ogem: ontvankelijkheid cassatie, doeleinden enquête en begrip wanbeleid

    “[…] hetwelk Ogem, nu het risico van waardedaling van de 7% aandelen BuM die zij in bruikleen had verstrekt aan de Westdeutsche Landesbank Girozentrale (WDL), op haar rustte, haar totale belang aan BuM-aandelen — dat met inbegrip van vorenbedoelde 7% meer dan 50% bedroeg — in de consolidatie had moeten opnemen. Het onderdeel betoogt dat ingevolge de toentertijd toepasselijke artikelen 2:319 en 2:320 BW, mede in het licht van de ontstaansgeschiedenis van die artikelen, consolidatie slechts verplicht was, indien Ogem aan haar belang in BuM rechtstreekse of middellijke zeggenschap in BuM kon ontlenen, zodat het Hof een met de wet strijdig criterium voor de consolidatieplicht heeft gebezigd, althans geen consolidatieplicht had mogen aannemen, zonder te hebben onderzocht of Ogem aan haar belang zeggenschap in BuM kon ontlenen. Deze klacht faalt, aangezien, naar volgt uit de toelichting van de Regering op de voorgestelde artikelen 12 tot en met 15 van de Wet op de jaarrekening van ondernemingen van 10 september 1970, Stb. 414 — welke bepalingen, voor zover te dezen van belang, in 1976 nagenoeg woordelijk zijn overgenomen in het Burgerlijk Wetboek (de artikelen 2:318 tot en met 2:321 […]”

    r.o. 8.4

    ECLI:NL:HR:1990:AC1234

  • Hoge Raad · 10 oktober 2025

    Fusie Optas Pensioenen en Aegon niet vernietigbaar na herroeping instemming DNB

    “[…] miljard (althans de individuele aandelen daarin) toebehoren aan [eisers] en de overige Optas-verzekerden en dat [eisers] en de overige Optas-verzekerden recht hebben op aanwending van deze € 2,5 miljard (althans hun individuele aandelen daarin) voor indexering van hun pensioenrechten; (iii) dat Aegon zich in strijd met de rechten en belangen van [eisers] en de overige Optas-verzekerden en art. 2:320 BW deze € 2,5 miljard en de individuele aandelen daarin van [eisers] en de overige Optas-verzekerden onrechtmatig heeft toegeëigend; II Aegon te veroordelen: (i) om de door Optas Pensioenen gemaakte winst van circa € 2,5 miljard per eind 2018 in de jaarrekeningen van Aegon vanaf datum fusie aan te merken als schuld aan [eisers] en de overige Optas-verzekerden, althans als een technische voorziening voor indexering van de pensioenaanspraken van [eisers] en de overige Optas-verzekerden; (ii) om in haar statuten bepalingen op te nemen inzake de aanwending van het bedrag van € 2,5 miljard en de aangroei daarvan, en daarbij in de statuten vast te leggen dat deze bepalingen niet gewijzigd kunnen worden zolang niet alle Optas-verzekerden en hun nagelaten betrekkingen zijn overleden, […]”

    r.o. 2.4

    ECLI:NL:HR:2025:1544

Conclusies van de A-G (2)

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 mei 2025

    Conclusie A-G: geldigheid juridische fusie pensioenverzekeraar en Aegon, artikel 2:323 BW

    “[…] miljard (althans de individuele aandelen daarin) en - dat deze € 2,5 miljard (althans de individuele aandelen daarin) toebehoren aan [eiser] en de overige Optas-verzekerden en dat [eiser] en de overige Optas-verzekerden (op grond van deze eigendomsrechten, de statuten van Optas Pensioenen zoals die bij de fusie luidden, de fiscale vereisten voor vrijstelling van de vennootschapsbelasting en art. 2:320 BW) recht hebben op aanwending van deze € 2,5 miljard (althans hun individuele aandelen daarin) voor indexering van hun pensioenafspraken en -rechten; (ii) dat Aegon zich in strijd met de rechten en belangen van [eiser] en de overige Optas-verzekerden en art. 2:320 BW deze € 2,5 miljard en de individuele aandelen daarin van [eiser] en de overige Optas-verzekerden onrechtmatig heeft toegeëigend; II bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad: a. Aegon te veroordelen om de door Optas Pensioenen gemaakte winst van circa € 2,5 miljard per eind 2018 in de jaarrekeningen van Aegon vanaf datum fusie aan te merken als schuld aan [eiser] en de overige Optas-verzekerden, althans als een technische voorziening voor indexering van de pensioenaanspraken en -rechten van [eiser] en de overige […]”

    r.o. 2.10

    “Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 3.8.1 Eerst klacht a. In rov. 5.3.3 vat het hof grieven III, V, VI, VII en VIII samen, in rov. 5.3.6 grieven IX, X en XI. Het hof besteedt daarbij kenbaar aandacht aan de door [eiser] gestelde fouten in het fusievoorstel en de door [eiser] gestelde schending van de rechten van de Optas-verzekerden uit art. 2:320 BW als grondslag voor nietigheid althans vernietigbaarheid van de fusie(besluiten). Uit rov. 6.17-6.17.4 volgt kenbaar dat en waarom ook dit naar ’s hofs oordeel niet tot nietigheid of vernietigbaarheid van de fusie(besluiten) kan leiden. Kortom, anders dan de klacht veronderstelt, laat het hof de in de klacht bedoelde stellingen van [eiser] niet onbesproken. Dit wordt uiteraard niet anders doordat het hof in rov. 3.14 deels citeert uit het op 13 november 2018 door Optas Pensioenen en Aegon bij het handelsregister gedeponeerde fusievoorstel. 3.8.2 Tot slot klacht b. [eiser] heeft eerst ter mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld, op p. 9 van diens spreekaantekeningen: “De toe-eigening van de € 2,5 miljard is in strijd met het concept fusievoorstel (4 september 2018) dat aan DNB is overgelegd, omdat hierin staat dat […]”

    r.o. 3.8

    “Eerst klacht a. In rov. 5.3.3 vat het hof grieven III, V, VI, VII en VIII samen, in rov. 5.3.6 grieven IX, X en XI. Het hof besteedt daarbij kenbaar aandacht aan de door [eiser] gestelde fouten in het fusievoorstel en de door [eiser] gestelde schending van de rechten van de Optas-verzekerden uit art. 2:320 BW als grondslag voor nietigheid althans vernietigbaarheid van de fusie(besluiten). Uit rov. 6.17-6.17.4 volgt kenbaar dat en waarom ook dit naar ’s hofs oordeel niet tot nietigheid of vernietigbaarheid van de fusie(besluiten) kan leiden. Kortom, anders dan de klacht veronderstelt, laat het hof de in de klacht bedoelde stellingen van [eiser] niet onbesproken. Dit wordt uiteraard niet anders doordat het hof in rov. 3.14 deels citeert uit het op 13 november 2018 door Optas Pensioenen en Aegon bij het handelsregister gedeponeerde fusievoorstel.”

    r.o. 3.8.1

    “[…] als weergegeven achter IV.0 onder b sub 1-14, de wetsgeschiedenis genoemd achter IV.0 onder a en de omstandigheid genoemd achter IV.0 onder c alsmede het door [eiser] expliciet ingeroepen recht op effectieve toegang tot de rechter en rechtsbescherming, [eiser] hetzij een beroep op de nietigheid op grond van art. 3:40 lid 1 BW toekomt hetzij een vordering uit onrechtmatige daad en/of art. 2:320 BW, waardoor de subsidiaire grondslag toewijsbaar is (anders dan het hof overweegt in rov. 6.20-6.21). “Concreet betekent dit”: (1) dat aan de bijkomende omstandigheden (zie rov. 6.17) gelet op het gestelde achter IV.0 onder b sub 1-14 is voldaan, welke stellingen door het hof in het midden zijn gelaten en in cassatie dus hypothetisch feitelijke grondslag hebben; (2) dat ook het oordeel dat [eiser] de hoge lat niet zou hebben gehaald en dat de strijd met art. 3:40 lid 1 BW niet concreet zou zijn toegelicht, gelet op voornoemde stellingen rechtens onjuist en onbegrijpelijk is; (3) dat het dus niet alleen gaat om een foutieve oproeping maar dat, zoals achter IV.0 onder b sub 9 is gesteld, er ernstige fouten zijn gemaakt terwijl, zoals daar sub 8 is aangegeven, aan de verzekerden juist […]”

    r.o. 3.54

    ECLI:NL:PHR:2025:556

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 mei 2025

    Conclusie: geldigheid juridische fusie pensioenverzekeraar en instemming DNB

    “[…] (althans de individuele aandelen daarin) en - dat deze € 2,5 miljard (althans de individuele aandelen daarin) toebehoren aan [eiseres] en de overige Optas-verzekerden en dat [eiseres] en de overige Optas-verzekerden (op grond van deze eigendomsrechten, de statuten van Optas Pensioenen zoals die bij de fusie luidden, de fiscale vereisten voor vrijstelling van de vennootschapsbelasting en art. 2:320 BW) recht hebben op aanwending van deze € 2,5 miljard (althans hun individuele aandelen daarin) voor indexering van hun pensioenafspraken en -rechten; (ii) dat Aegon zich in strijd met de rechten en belangen van [eiseres] en de overige Optas-verzekerden en art. 2:320 BW deze € 2,5 miljard en de individuele aandelen daarin van [eiseres] en de overige Optas-verzekerden onrechtmatig heeft toegeëigend; II bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad: a. Aegon te veroordelen om de door Optas Pensioenen gemaakte winst van circa € 2,5 miljard per eind 2018 in de jaarrekeningen van Aegon vanaf datum fusie aan te merken als schuld aan [eiseres] en de overige Optas-verzekerden, althans als een technische voorziening voor indexering van de pensioenaanspraken en -rechten van [eiseres] en de overige […]”

    r.o. 2.10

    “Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 3.8.1 Eerst klacht a. In rov. 5.3.3 vat het hof grieven III, V, VI, VII en VIII samen, in rov. 5.3.6 grieven IX, X en XI. Het hof besteedt daarbij kenbaar aandacht aan de door [eiseres] gestelde fouten in het fusievoorstel en de door [eiseres] gestelde schending van de rechten van de Optas-verzekerden uit art. 2:320 BW als grondslag voor nietigheid althans vernietigbaarheid van de fusie(besluiten). Uit rov. 6.17-6.17.4 volgt kenbaar dat en waarom ook dit naar ’s hofs oordeel niet tot nietigheid of vernietigbaarheid van de fusie(besluiten) kan leiden. Kortom, anders dan de klacht veronderstelt, laat het hof de in de klacht bedoelde stellingen van [eiseres] niet onbesproken. Dit wordt uiteraard niet anders doordat het hof in rov. 3.14 deels citeert uit het op 13 november 2018 door Optas Pensioenen en Aegon bij het handelsregister gedeponeerde fusievoorstel. 3.8.2 Tot slot klacht b. [eiseres] heeft eerst ter mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld, op p. 9 van haar spreekaantekeningen: “De toe-eigening van de € 2,5 miljard is in strijd met het concept fusievoorstel (4 september 2018) dat aan DNB is overgelegd, omdat hierin staat […]”

    r.o. 3.8

    “Eerst klacht a. In rov. 5.3.3 vat het hof grieven III, V, VI, VII en VIII samen, in rov. 5.3.6 grieven IX, X en XI. Het hof besteedt daarbij kenbaar aandacht aan de door [eiseres] gestelde fouten in het fusievoorstel en de door [eiseres] gestelde schending van de rechten van de Optas-verzekerden uit art. 2:320 BW als grondslag voor nietigheid althans vernietigbaarheid van de fusie(besluiten). Uit rov. 6.17-6.17.4 volgt kenbaar dat en waarom ook dit naar ’s hofs oordeel niet tot nietigheid of vernietigbaarheid van de fusie(besluiten) kan leiden. Kortom, anders dan de klacht veronderstelt, laat het hof de in de klacht bedoelde stellingen van [eiseres] niet onbesproken. Dit wordt uiteraard niet anders doordat het hof in rov. 3.14 deels citeert uit het op 13 november 2018 door Optas Pensioenen en Aegon bij het handelsregister gedeponeerde fusievoorstel.”

    r.o. 3.8.1

    “[…] als weergegeven achter IV.0 onder b sub 1-14, de wetsgeschiedenis genoemd achter IV.0 onder a en de omstandigheid genoemd achter IV.0 onder c alsmede het door [eiseres] expliciet ingeroepen recht op effectieve toegang tot de rechter en rechtsbescherming, [eiseres] hetzij een beroep op de nietigheid op grond van art. 3:40 lid 1 BW toekomt hetzij een vordering uit onrechtmatige daad en/of art. 2:320 BW, waardoor de subsidiaire grondslag toewijsbaar is (anders dan het hof overweegt in rov. 6.20-6.21). “Concreet betekent dit”: (1) dat aan de bijkomende omstandigheden (zie rov. 6.17) gelet op het gestelde achter IV.0 onder b sub 1-14 is voldaan, welke stellingen door het hof in het midden zijn gelaten en in cassatie dus hypothetisch feitelijke grondslag hebben; (2) dat ook het oordeel dat [eiseres] de hoge lat niet zou hebben gehaald en dat de strijd met art. 3:40 lid 1 BW niet concreet zou zijn toegelicht, gelet op voornoemde stellingen rechtens onjuist en onbegrijpelijk is; (3) dat het dus niet alleen gaat om een foutieve oproeping maar dat, zoals achter IV.0 onder b sub 9 is gesteld, er ernstige fouten zijn gemaakt terwijl, zoals daar sub 8 is aangegeven, aan de verzekerden […]”

    r.o. 3.54

    ECLI:NL:PHR:2025:557