← Alle artikelen

Titel 7. Fusie en splitsing · Afdeling 2. Algemene bepalingen omtrent fusies

Artikel 2:316 BW

In deze vorm in werking sinds 1 september 2017, laatst gewijzigd bij Stb. 2016, 290

1

Ten minste een van de te fuseren rechtspersonen moet, op straffe van gegrondverklaring van een verzet als bedoeld in het volgende lid, voor iedere schuldeiser van deze rechtspersonen die dit verlangt zekerheid stellen of hem een andere waarborg geven voor de voldoening van zijn vordering. Dit geldt niet, indien de schuldeiser voldoende waarborgen heeft of de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de fusie niet minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, dan er voordien is.

2

Tot een maand nadat alle te fuseren rechtspersonen de nederlegging of openbaarmaking van het voorstel tot fusie hebben aangekondigd kan iedere schuldeiser door het indienen van een verzoek bij de rechtbank tegen het voorstel tot fusie in verzet komen met vermelding van de waarborg die wordt verlangd. De rechtbank wijst het verzoek af, indien de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de fusie minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, en dat van de rechtspersoon niet voldoende waarborgen zijn verkregen.

3

Voordat de rechter beslist, kan hij de rechtspersonen in de gelegenheid stellen binnen een door hem gestelde termijn een door hem omschreven waarborg te geven.

4

Indien tijdig verzet is gedaan, mag de akte van fusie eerst worden verleden, zodra het verzet is ingetrokken of de opheffing van het verzet uitvoerbaar is.

5

Indien de akte van fusie al is verleden, kan de rechter op een ingesteld rechtsmiddel het stellen van een door hem omschreven waarborg bevelen en daaraan een dwangsom verbinden.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:316 BW (5)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Hoge Raad (1)

  • Hoge Raad · 10 oktober 2025

    Fusie Optas Pensioenen en Aegon niet vernietigbaar na herroeping instemming DNB

    “[…] van de Verkrijgende Vennootschap (…) De waarde van het vermogen van de Verdwijnende Vennootschap zal worden verwerkt in de vrij uitkeerbare reserves van de Verkrijgende Vennootschap (behalve dat eventuele wettelijke reserves van de Verdwijnende Vennootschap zo nodig door de Verkrijgende Vennootschap zullen worden overgenomen). (…)” (x) [eiseres 1] heeft in 2018 verzet op de voet van art. 2:316 BW aangetekend tegen de fusie van Optas Pensioenen met Aegon. De rechtbank Den Haag heeft dit verzet op 21 februari 2019 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat er geen reëel risico bestaat dat Aegon na de fusie haar verplichtingen niet zal kunnen nakomen en dat overtuigend aannemelijk is gemaakt dat de solvabiliteitspositie van Aegon gezond is. [eiseres 1] heeft tegen deze beschikking geen hoger beroep ingesteld. (xi) Bij beschikking van 26 februari 2019 heeft DNB ingestemd met de fusie. Tegen deze instemming hebben [eiser (zaak 24/02593)] en [eiseres 1] bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld. Ook vakbond FNV Havens en een aantal havenwerknemers en -werkgevers hebben bezwaar gemaakt tegen deze instemming en beroep ingesteld. (xii) Op 31 maart 2019 zijn Aegon […]”

    r.o. 2.9

    ECLI:NL:HR:2025:1544

Conclusies van de A-G (3)

  • Parket bij de Hoge Raad · 17 april 2026

    Nauwkeurigheid splitsingsbeschrijving bij afsplitsing en overgang vordering in renvooiprocedure

    “[…] bij de splitsing de mogelijkheid biedt verzet aan te tekenen tegen het splitsingsvoorstel wanneer het splitsingsvoorstel ten aanzien van zijn rechtsverhouding strijdt met art. 2:334j BW of dat een krachtens art. 2:334k BW verlangde waarborg niet is gegeven. Art. 2:334l BW spreekt van 'wederpartijen van de partijen bij de splitsing' en niet van 'schuldeisers' (anders dan art. 2:334k BW en art. 2:316 BW). De reden hiervoor is dat ook partijen ten aanzien van wie art. 2:334j BW niet juist is toegepast, op grond van art. 2:334l BW in verzet kunnen komen. Verzetrecht komt dus toe aan zowel wederpartijen van de splitsende rechtspersoon als wederpartijen van (bestaande) verkrijgende rechtspersonen die ter gelegenheid van de splitsing lidmaatschapsrechten of aandelen toekennen aan de leden respectievelijk aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon. Anders dan het hof dus overweegt heeft de wetgever dus niet uitsluitend een verzetsrecht gegeven aan schuldeisers, aandeelhouders en werknemers en niet aan schuldenaren zodat de overwegingen sub f, g, h en j (zie de weergave van rov. 3.18 in het vorige randnummer) niet relevant zijn, aldus het subonderdeel.”

    r.o. 4.21

    “De klachten van het subonderdeel kunnen niet tot cassatie leiden, omdat ze overwegingen bestrijden die het hof ten overvloede heeft gegeven. Het oordeel van het hof dat de BCDB-nummers in de gegeven omstandigheden voldoende nauwkeurig zijn, kan namelijk zelfstandig het oordeel dragen dat Cumberland door afsplitsing (en vervolgens cessie) rechthebbende van de vordering in het faillissement van Triskalion is geworden. De daartegen gerichte klachten slagen niet.”

    r.o. 4.22

    ECLI:NL:PHR:2026:414

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 mei 2025

    Conclusie A-G: geldigheid juridische fusie pensioenverzekeraar en Aegon, artikel 2:323 BW

    “[…] tóch afhankelijk zou zijn van instemming van een toezichthouder. v. Zo’n fusie behoeft bovendien - dat is cruciaal - géén instemming van schuldeisers en/of schuldenaars van de fuserende rechtspersonen (zie onder 3.46.3 hiervoor). Iets anders is dat schuldeisers zich onder omstandigheden met vrucht tegen de fusie kunnen verzetten indien zij onvoldoende zekerheid of waarborg genieten (art. 2:316 BW). vi. Daar komt nog het argument bij dat een fusie slechts door de rechter kan worden vernietigd en dat de wet voorziet in de gronden waarop dat kan (art. 2:323 lid 1 BW), strokend met het belang van rechtszekerheid omtrent de rechtsgeldigheid van de fusie. Een en ander heeft mede een Unierechtelijke verankering. Dit is slecht te verenigen met de lezing die de klacht voorstaat. vii. Met de rechtsgeldigheid van een fusie moet de werkzaamheid van een portefeuilleoverdracht op basis van contractsoverneming (zie onder 3.46.2 hiervoor) worden gecontrasteerd. Aangenomen is dat die contractsoverneming wél afhankelijk is van de instemming van DNB. Dit heeft naar de dominante opvatting niet te maken met de slotzin van art. 3:119 lid 4 Wft, maar met het argument dat die instemming van DNB […]”

    r.o. 3.46

    “[…] tóch afhankelijk zou zijn van instemming van een toezichthouder. v. Zo’n fusie behoeft bovendien - dat is cruciaal - géén instemming van schuldeisers en/of schuldenaars van de fuserende rechtspersonen (zie onder 3.46.3 hiervoor). Iets anders is dat schuldeisers zich onder omstandigheden met vrucht tegen de fusie kunnen verzetten indien zij onvoldoende zekerheid of waarborg genieten (art. 2:316 BW). vi. Daar komt nog het argument bij dat een fusie slechts door de rechter kan worden vernietigd en dat de wet voorziet in de gronden waarop dat kan (art. 2:323 lid 1 BW), strokend met het belang van rechtszekerheid omtrent de rechtsgeldigheid van de fusie. Een en ander heeft mede een Unierechtelijke verankering. Dit is slecht te verenigen met de lezing die de klacht voorstaat. vii. Met de rechtsgeldigheid van een fusie moet de werkzaamheid van een portefeuilleoverdracht op basis van contractsoverneming (zie onder 3.46.2 hiervoor) worden gecontrasteerd. Aangenomen is dat die contractsoverneming wél afhankelijk is van de instemming van DNB. Dit heeft naar de dominante opvatting niet te maken met de slotzin van art. 3:119 lid 4 Wft, maar met het argument dat die instemming van DNB […]”

    r.o. 3.46.6

    ECLI:NL:PHR:2025:556

  • Parket bij de Hoge Raad · 16 mei 2025

    Conclusie: geldigheid juridische fusie pensioenverzekeraar en instemming DNB

    “[…] tóch afhankelijk zou zijn van instemming van een toezichthouder. v. Zo’n fusie behoeft bovendien - dat is cruciaal - géén instemming van schuldeisers en/of schuldenaars van de fuserende rechtspersonen (zie onder 3.46.3 hiervoor). Iets anders is dat schuldeisers zich onder omstandigheden met vrucht tegen de fusie kunnen verzetten indien zij onvoldoende zekerheid of waarborg genieten (art. 2:316 BW). vi. Daar komt nog het argument bij dat een fusie slechts door de rechter kan worden vernietigd en dat de wet voorziet in de gronden waarop dat kan (art. 2:323 lid 1 BW), strokend met het belang van rechtszekerheid omtrent de rechtsgeldigheid van de fusie. Een en ander heeft mede een Unierechtelijke verankering. Dit is slecht te verenigen met de lezing die de klacht voorstaat. vii. Met de rechtsgeldigheid van een fusie moet de werkzaamheid van een portefeuilleoverdracht op basis van contractsoverneming (zie onder 3.46.2 hiervoor) worden gecontrasteerd. Aangenomen is dat die contractsoverneming wél afhankelijk is van de instemming van DNB. Dit heeft naar de dominante opvatting niet te maken met de slotzin van art. 3:119 lid 4 Wft, maar met het argument dat die instemming van DNB […]”

    r.o. 3.46

    “[…] tóch afhankelijk zou zijn van instemming van een toezichthouder. v. Zo’n fusie behoeft bovendien - dat is cruciaal - géén instemming van schuldeisers en/of schuldenaars van de fuserende rechtspersonen (zie onder 3.46.3 hiervoor). Iets anders is dat schuldeisers zich onder omstandigheden met vrucht tegen de fusie kunnen verzetten indien zij onvoldoende zekerheid of waarborg genieten (art. 2:316 BW). vi. Daar komt nog het argument bij dat een fusie slechts door de rechter kan worden vernietigd en dat de wet voorziet in de gronden waarop dat kan (art. 2:323 lid 1 BW), strokend met het belang van rechtszekerheid omtrent de rechtsgeldigheid van de fusie. Een en ander heeft mede een Unierechtelijke verankering. Dit is slecht te verenigen met de lezing die de klacht voorstaat. vii. Met de rechtsgeldigheid van een fusie moet de werkzaamheid van een portefeuilleoverdracht op basis van contractsoverneming (zie onder 3.46.2 hiervoor) worden gecontrasteerd. Aangenomen is dat die contractsoverneming wél afhankelijk is van de instemming van DNB. Dit heeft naar de dominante opvatting niet te maken met de slotzin van art. 3:119 lid 4 Wft, maar met het argument dat die instemming van DNB […]”

    r.o. 3.46.6

    ECLI:NL:PHR:2025:557

Rechtbanken (1)

  • Rechtbank Amsterdam · 11 juni 2026

    Verzet schuldeisers tegen juridische fusie ongegrond: vermogenstoestand in artikel 2:316 lid 2 BW

    “SBK c.s. wenst met haar verzoek gebruik te maken van de bevoegdheid tot het instellen van verzet op grond van artikel 2:316 lid 2 BW. Volgens 2:316 lid 2 BW kan iedere schuldeiser van bij de fusie betrokken vennootschappen tegen het voorstel tot fusie in verzet komen door een verzoek aan de rechtbank in te dienen tot één maand nadat alle te fuseren rechtspersonen de nederlegging of openbaarmaking van het voorstel tot fusie hebben aangekondigd.”

    r.o. 4.1 · lid 2

    “Vervolgens is de vraag of SBK c.s. als schuldeiser van Bidco heeft te gelden in de zin van artikel 2:316 lid 2 BW. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.”

    r.o. 4.3 · lid 2

    “Het verweer van Fortenova c.s. dat de door SBK c.s. gestelde vorderingen te vaag en niet voldoende uitgewerkt zijn slaagt ook niet. Van een schuldeiser in een verzetsprocedure op grond van artikel 2:316 lid 2 BW kan niet worden verlangd dat deze een gestelde vordering in de verzetsprocedure al volledig uitwerkt en onderbouwt. Van belang is dat voldoende duidelijk is welke vordering de schuldeiser op de fuserende vennootschap stelt te hebben en waar deze op gebaseerd is, zodat kan worden beoordeeld of de gestelde vordering onmiskenbaar ongegrond is of niet. Voldoende duidelijk is dat de door SBK c.s. gestelde vorderingen in de kern zien op ongedaanmaking van de Midco Sale dan wel aansprakelijkheid van de bij de Midco Sale betrokken partijen, waaronder Bidco, zoals aan de orde zal komen in de Bodemzaak.”

    r.o. 4.6 · lid 2

    “Volgens artikel 2:316 lid 2 BW wijst de rechtbank het verzoek af, indien de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de fusie minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, en dat van de rechtspersoon niet voldoende waarborgen zijn verkregen. De stelplicht en zo nodig de bewijslast hiervan rusten op de verzoeker.”

    r.o. 4.9 · lid 2

    ECLI:NL:RBAMS:2026:5779