Titel 7. Fusie en splitsing · Afdeling 2. Algemene bepalingen omtrent fusies
Artikel 2:309 BW
In werking getreden op 8 juni 1987 (Stb. 1987, 209)
(Bijna) gelijk aan art. 2:309 BWC (Curaçao)
Fusie is de rechtshandeling van twee of meer rechtspersonen waarbij een van deze het vermogen van de andere onder algemene titel verkrijgt of waarbij een nieuwe rechtspersoon die bij deze rechtshandeling door hen samen wordt opgericht, hun vermogen onder algemene titel verkrijgt.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:309 BW (9)
Hoge Raad (5)
Fusie Optas Pensioenen en Aegon niet vernietigbaar na herroeping instemming DNB
“Voorgesteld wordt om tussen de Fuserende Vennootschappen een juridische fusie in de zin van artikel 2:309 BW tot stand te brengen (de Fusie) als gevolg waarvan: a. De Verdwijnende Vennootschap ophoudt te bestaan; en b. Het vermogen van de Verdwijnende Vennootschap onder algemene titel wordt verkregen door de Verkrijgende Vennootschap.”
r.o. 1.1Vesteda c.s./Rabobank
Aansprakelijkheid bij juridische splitsing: verbintenis niet contractueel ondeelbaar te maken (artikel 2:334t BW)
“[…] waaronder dus de verplichting tot zekerheidstelling, tot een ondeelbare verbintenis gemaakt in de art. 11 respectievelijk 13 van de toepasselijke Algemene voorwaarden voor zakelijke geldleningen van de Rabobank (AVZG) en de Algemene voorwaarden voor rekening-courant van de Rabobank (AVRC). (rov. 5.4) Als gevolg van de afsplitsingen (en de fusie) zijn op grond van art. 2:334t lid 2 BW (en art. 2:309 BW) ook – onder andere – Megahome.nl Grond, Megahome.nl Beheer en Megahome.nl onder de financieringsovereenkomst uit 2007 voor het geheel aansprakelijk geworden. Rabobank had de verbintenissen van de afsplitsende Mega Projecten/NPB Beheer namelijk ondeelbaar gemaakt en kon deze ook ondeelbaar maken. Uit art. 6:6 lid 2 BW volgt dat een prestatie dan wel schuld bij rechtshandeling ondeelbaar kan worden gemaakt. Megahome.nl Grond, Megahome.nl Beheer en Megahome.nl zijn dan ook, in afwijking van art. 2:334t lid 3 BW, gebonden aan het desbetreffende verbod. Op hen rustte dus ook de ondeelbare, hoofdelijke verplichting tot zekerheidstelling. (rov. 5.7) Anders dan Vesteda c.s. menen, houden de nieuwe financieringsovereenkomst van 2010 en de hypotheekvestigingen van 15 april 2010 geen […]”
r.o. 2.5Fusie en overgang executiebevoegdheid: betekening ex artikel 431a Rv
“De prejudiciële vragen stellen aan de orde (i) of art. 431a Rv van toepassing is op het geval waarin de bevoegdheid van een rechtspersoon tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel door een fusie als bedoeld in art. 2:309 BW op een andere rechtspersoon is overgegaan, en (ii) zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan het niet naleven van art. 431a Rv door een verkrijgende rechtspersoon. 3.4.1 Met betrekking tot de hiervoor in 3.3 onder (i) aangeduide vraag is het volgende van belang. 3.4.2 Een executoriale titel als bedoeld in art. 430 lid 1 Rv kan in Nederland worden ten uitvoer gelegd na betekening ervan aan de partij tegen wie de executie zich zal richten (art. 430 lid 3 Rv). Indien de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel op een ander overgaat, kan volgens art. 431a Rv de executie eerst worden aangevangen of voortgezet na betekening van deze overgang aan de geëxecuteerde. 3.4.3 Blijkens de parlementaire geschiedenis van art. 431a Rv is met deze bepaling beoogd een uitwerking te geven van de in art. 6:142 lid 1 BW neergelegde regel dat overgang van een vordering ook de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel doet […]”
r.o. 3.3“Bij een fusie als bedoeld in Titel 7 van Boek 2 van het BW gaan de vorderingen van de verdwijnende rechtspersonen onder algemene titel over op de overnemende of de bij de fusie nieuw opgerichte rechtspersoon, hierna samen aan te duiden als de verkrijgende rechtspersoon (art. 2:309 BW; art. 3:80 lid 2 BW). Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.3 is vermeld, gaat op de verkrijgende rechtspersoon de bevoegdheid over tot tenuitvoerlegging van aan die vorderingen verbonden executoriale titels. In het algemeen zullen die titels daadwerkelijk aan hem worden afgegeven (vgl. art. 6:143 lid 2 BW).”
r.o. 3.4.4“Indien een fusie als bedoeld in art. 2:309 BW van kracht wordt voordat een door een verdwenen rechtspersoon verkregen executoriale titel is betekend aan degene tegen wie de executie zich zal richten, kan volgens art. 430 lid 3 Rv de executie nog niet zijn aangevangen. In dat geval kan de verkrijgende rechtspersoon die de executie wil aanvangen, desgewenst toepassing geven aan art. 431a Rv door één exploot te doen uitbrengen, waarin de executoriale titel (art. 430 lid 3 Rv) en de overgang van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging daarvan (art. 431a Rv) tezamen worden betekend aan degene tegen wie de executie zich zal richten. Indien betekening op de voet van art. 430 lid 3 Rv heeft plaatsgevonden voordat de fusie van kracht wordt, dient daarentegen de verkrijgende rechtspersoon die de executie wil aanvangen of voortzetten, ter voldoening aan art. 431a Rv nog een exploot te doen uitbrengen, waarin aan de geëxecuteerde mededeling wordt gedaan van de overgang van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging.”
r.o. 3.5.2Fusie coöperaties: afstand van recht door goedkeuring fusievoorwaarden door leden; procesvolmacht
“[…] het bestuur en de raad van commissarissen. Hierna is het dienstverband tussen [betrokkene 1] en Heino Krause geëindigd door ontbinding van de arbeidsovereenkomst. (iii) Bij notariële akte van 30 augustus 1991 zijn Heino Krause als verdwijnende rechtspersoon en de coöperatieve vereniging Verenigde Coöperatieve Melkindustrie Coberco B.A. als verkrijgende rechtspersoon een fusie in de zin van art. 2:309 BW aangegaan. (iv) De 212 lastgevers van Sobi in deze procedure waren als leden van Heino Krause bij die fusie betrokken en vertegenwoordigden op 30 augustus 1991 omstreeks 80% van het ledenbestand. (v) De tekst van de door die 212 lastgevers aan Sobi verstrekte procesvolmacht luidt onder meer: "Stichting Onderzoek Bedrijfs Informatie SOBI, gevestigd te Amsterdam (hierna aangeduid als Sobi) en X die tot de fusie van de Coöperatieve Melkproductenfabriek "Heino Krause" BA (hierna aangeduid als Heino Krause) met de Verenigde Coöperatieve Melkindustrie Coberco BA (hierna aangeduid als Coberco) lid was van Heino Krause (hierna aangeduid als lid) overwegende, dat de resultaten van Heino Krause in de jaren 1985 t/m 1990 mogelijkerwijs door wanbeleid en het onvoldoende zichtbaar maken […]”
r.o. 3.1Hoger beroep ingesteld door na fusie verdwenen rechtspersoon: niet-ontvankelijk
“Hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen kan als volgt worden weergegeven. Met ingang van 16 augustus 2001, de dag nadat de kantonrechter zijn eindvonnis wees, heeft een fusie als bedoeld in art. 2:309 BW plaatsgevonden tussen MIM als verkrijgende rechtspersoon en onder andere Chesprop als verdwijnende rechtspersoon. Vanaf het moment van de fusie hield Chesprop op te bestaan en kon het hoger beroep uitsluitend door MIM worden ingesteld. Het verweer dat er bij [verweerder] geen twijfel over kan hebben bestaan dat niet Chesprop maar MIM hoger beroep heeft ingesteld faalt: uit de eigen stellingen van MIM volgt dat zij, na bij exploot van 27 september 2001 hoger beroep te hebben ingesteld, eerst bij schrijven van 10 december 2001 [verweerder] van de fusie op de hoogte heeft gebracht. Deze heeft in dit verband verklaard dat hij eerst nadat zijn procureur zich ter rolle van 20 november 2001 voor hem had gesteld, van de fusie op de hoogte is geraakt (rov. 4). Nu er vanwege de niet-ontvankelijkverklaring van Chesprop geen geding in de hoofdzaak meer aanhangig zal zijn, zal MIM niet kunnen tussenkomen (rov. 7).”
r.o. 3.2“Een rechtsmiddel kan in beginsel alleen worden aangewend door een ten tijde van die handeling (nog) bestaande procespartij. Een tweede uitgangspunt moet hier zijn dat het doen uitbrengen van een dagvaarding in hoger beroep door een in eerste aanleg als partij opgetreden rechtspersoon die ten gevolge van een fusie als bedoeld in art. 2:309 BW inmiddels heeft opgehouden te bestaan, zoals in dit geval Chesprop, niet kan worden aangemerkt als een niet ter zake doende, zich steeds voor verbetering lenende, fout in de aanduiding van een procespartij.”
r.o. 3.4.1
Conclusies van de A-G (4)
Afsplitsing stichting naar NV: vermogensklem artikel 2:18 lid 6 BW niet omzeild
“[…] omzetting van een stichting in een andere rechtsvorm heeft plaatsgevonden, waarna deze omzetting wordt gevolgd door een fusie of splitsing. Uitgaande van de tekst van art. 2:18 lid 6 BW is de vermogensklem niet van toepassing op situaties waarin geen omvorming van een stichting door middel van omzetting ex art. 2:18 BW plaatsvindt, dus in geval van omvorming van een stichting door fusie ex art. 2:309 BW of splitsing ex. art. 2:334a BW. Het vermogen waarnaar in de tweede volzin wordt terugverwezen is het vermogen zoals bedoeld in de eerste volzin, waarmee het vermogen na omzetting van de stichting wordt bedoeld. Het bereik van de tweede volzin van art. 2:18 lid 6 BW strekt zich dus niet uit tot situaties buiten de omzetting van art. 2:18 BW, zoals de onderhavige situatie, waarbij het vermogen van de stichting ex art. 2:334a BW eerst wordt afgesplitst naar een nieuw opgerichte naamloze vennootschap waarvan de stichting aandeelhouder wordt, waarna de stichting vervolgens zal worden geliquideerd en de aandelen, het liquidatiesaldo, aan een derde zullen worden uitgekeerd. Het voorgaande leidt ertoe dat de klacht van onderdeel 3A faalt omdat deze uitgaat van de onjuiste […]”
r.o. 4.18“De onderdelen 3B t/m 3F nemen gezamenlijk tot uitgangspunt dat het oordeel (rov. 3.10), dat het besluit niet strekt tot een ongeoorloofde omzeiling van het bepaalde in art. 2:18 BW, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, op grond van hetgeen in die onderdelen is aangevoerd.”
r.o. 4.19Uitstoting minderheid via driehoeksfusie en uitkoop; artikel 1 Eerste Protocol
“De onderdelen voeren aan dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat de voorgenomen wijze van uitstoting door Tele2 van de minderheidsaandeelhouders, zoals uiteengezet in het biedingsbericht na gestanddoening van het bod indien minder dan 95% van het geplaatste kapitaal is aangeboden - zie hetgeen de Ondernemingskamer daarover heeft vastgesteld (26)- onrechtmatig is jegens de minderheidsaandeelhouders. Door deze voorgenomen rechtshandelingen aan het bod te koppelen, komt dat bod volgens Centaurus c.s. in strijd met de inhoud en de strekking van de kapitaalsbeschermingsregel van art. 2:98c BW, met de uitkoopregeling (art. 2:92a BW dan wel met art. 2:201a BW), de regeling met betrekking tot juridische fusie (art. 2:309 en volgende BW), de noteringsovereenkomst tussen Versatel en Euronext, het Fondsenreglement en de redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW).”
r.o. 4.3“De onderdelen betogen dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat de meerderheidsaandeelhouder die minder dan 95% van het geplaatste aandelenkapitaal heeft verworven, mede gelet op de in acht te nemen redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW) en de gelijkheid van aandeelhouders (art. 2:92 dan wel art. 2: 201 BW) een bijzondere zorgvuldigheid in acht dient te nemen jegens de minderheidsaandeelhouders(27) en met de gerechtvaardigde belangen van de minderheidsaandeelhouders bij zijn handelen en bepaling van het beleid rekening heeft te houden, alsmede tot uitgangspunt heeft te nemen de aanwezigheid van de minderheidsaandeelhouders te respecteren en te aanvaarden. De wens van Tele2 om niet bij voortduring belast te blijven met de aanwezigheid van de minderheid is dan ook op zichzelf niet legitiem, aldus het middel. De wetgever heeft alleen de meerderheidsaandeelhouder met ten minste een 95% belang het recht gegeven minderheidsaandeelhouders uit te kopen. Het kunstmatig beneden de 5% grens manoeuvreren van een belang, gevolgd door uitstoting van het minderheidsbelang door middel van de uitkoopprocedure moet in het algemeen - en ook hier - onrechtmatig worden geacht, mede in het licht […]”
r.o. 4.4“De klacht dat het oordeel van de Ondernemingskamer in strijd zou zijn met de regeling met betrekking tot juridische fusie (art. 2:309 en volgende BW), art. 2: 98c, met art. 14 EVRM, de noteringsovereenkomst tussen Versatel en Euronext en het fondsenreglement heeft in het middel geen zelfstandige betekenis. Daarbij komt dat deze klacht in het middel niet wordt uitgewerkt. Ik meen deze dan ook buiten bespreking te mogen laten (zie ook s.t. van verzoekers onder 2.1.1 en 2.1.2).”
r.o. 4.18Afstand van recht door leden coöperatie via goedkeuring fusievoorwaarden; volmacht lasthebber
“Bij notariële akte d.d. 30 augustus 1991 zijn Heino Krause en de coöperatieve vereniging Verenigde Coöperatieve Melkindustrie Coberco B.A. - hierna: Coberco - een juridische fusie aangegaan in de zin van art. 2:309 BW en wel zodanig dat: Coberco als verkrijgende coöperatie het gehele vermogen heeft verkregen van Heino Krause als verdwijnende coöperatie; Heino Krause is opgehouden te bestaan; de leden van Heino Krause lid zijn geworden van Coberco.”
r.o. 2.4Conclusie: ondeelbaarheid bij rechtshandeling en aansprakelijkheid bij splitsing ex artikel 2:334t BW
“Juridische fusie en splitsing zijn rechtspersonenrechtelijke rechtshandelingen van eigen aard, geregeld in Titel 7 van Boek 2 BW. Deze regeling kent een gelaagde opbouw met - per 1 september 2023 - de volgende afdelingen: Afdeling 1: Algemene bepaling (art. 2:308 BW) Afdeling 2 : Algemene bepalingen omtrent fusies (art. 2:309-323b BW) Afdeling 3: Bijzondere bepalingen voor fusies van naamloze en besloten vennootschappen (art. 2:324-333a BW) Afdeling 3A: Bijzondere bepalingen voor grensoverschrijdende fusies (art. 2:333b-333l BW) Afdeling 4: Algemene bepalingen omtrent splitsingen (art. 2:334a-334u BW) Afdeling 5: Bijzondere bepalingen voor splitsingen waarbij een naamloze of besloten vennootschap wordt gesplitst of wordt opgericht (art. 2:334v-334ii BW) Afdeling 6: Bijzondere bepalingen voor grensoverschrijdende splitsingen (art. 2:334jj-334yy BW) Ook hierop is van toepassing art. 2:25 BW, inzake het in beginsel (tenzij uit de wet anders blijkt) dwingendrechtelijke karakter van de regels die Boek 2 BW in het leven roept voor de daarin geregelde privaatrechtelijke rechtspersonen.”
r.o. 3.10