Titel 7. Fusie en splitsing · Afdeling 2. Algemene bepalingen omtrent fusies
Artikel 2:317 BW
In deze vorm in werking sinds 1 september 2023, laatst gewijzigd bij Stb. 2023, 252
(Bijna) gelijk aan art. 2:317 BWC (Curaçao)
Het besluit tot fusie wordt genomen door de algemene vergadering; in een stichting wordt het besluit genomen door degene die de statuten mag wijzigen of, als geen ander dat mag, door het bestuur. Het besluit mag niet afwijken van het voorstel tot fusie.
Een besluit tot fusie kan eerst worden genomen na verloop van een maand na de dag waarop alle fuserende rechtspersonen de nederlegging of openbaarmaking van het voorstel tot fusie hebben aangekondigd.
Een besluit tot fusie wordt genomen op dezelfde wijze als een besluit tot wijziging van de statuten. Vereist de wet voor een besluit tot statutenwijziging de instemming van alle aandeelhouders of bepaalde aandeelhouders, dan geldt dit ook voor het besluit tot fusie. Vereisen de statuten hiervoor goedkeuring, dan geldt dit ook voor het besluit tot fusie. Vereisen de statuten voor de wijziging van afzonderlijke bepalingen verschillende meerderheden, dan is voor een besluit tot fusie de grootste daarvan vereist, en sluiten de statuten wijziging van bepalingen uit, dan zijn de stemmen van alle stemgerechtigde leden of aandeelhouders vereist; een en ander tenzij die bepalingen na de fusie onverminderd zullen gelden.
Lid 3 geldt niet, voor zover de statuten een andere regeling voor besluiten tot fusie geven.
Een besluit tot fusie van een stichting behoeft de goedkeuring van de rechtbank, tenzij de statuten het mogelijk maken alle bepalingen daarvan te wijzigen. De rechtbank wijst het verzoek af, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de fusie strijdig is met het belang van de stichting.
Indien het een fusie van een rechtspersoon betreft die icbe is als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht, mogen de statuten voor het besluit tot fusie niet meer dan drie vierden van de uitgebrachte stemmen vereisen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:317 BW (7)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (1)
Fusie coöperaties: afstand van recht door goedkeuring fusievoorwaarden door leden; procesvolmacht
“Onderdeel 2.d klaagt dat het hof met zijn hiervoor in 4.4.2 vermelde oordeel heeft miskend, dat de goedkeuring van de fusie(voorwaarden) is geschied door de algemene ledenvergadering van Heino Krause en dat die goedkeuring door een orgaan van deze coöperatie niet gelijkgesteld kan worden met een die is verleend door de individuele (ex-)leden zelf, althans dat het hof dat oordeel nader had dienen te motiveren. Ook dit onderdeel faalt. Het hof heeft vastgesteld dat de fusie en de fusievoorwaarden door de leden van Heino Krause met vrijwel algemene stemmen (slechts twee tegenstemmers) zijn goedgekeurd. Uitgaande van die vaststelling valt niet in te zien dat, en wordt door het onderdeel ook niet toegelicht waarom, het enkele feit dat de goedkeuring van de fusievoorwaarden - in overeenstemming met het bepaalde in art. 2:317 BW - is geschied door de algemene vergadering, zou meebrengen dat de daarin naar het oordeel van het hof gelegen afstand van recht de individuele leden van Heino Krause jegens Coberco niet bindt.”
r.o. 4.4.3
Conclusies van de A-G (5)
Artikel 2:86d BW: belanghebbenden bij verzet tegen duplicaten van toonderaandeelbewijzen
“In HR 25 oktober 1991, LJN: ZC0387, NJ 1992, 149 m.nt. Ma verzocht de Stichting Nederlands Instituut voor het Arabische Cultuurgebied (NIAC) de rechtbank goedkeuring te verlenen als bedoeld in art. 2:317 lid 5 BW voor een fusie met De stichting Leonhard Woltjer Stichting. Nadat de rechtbank de gevraagde toestemming had verleend, kwam Veldhof daarvan in hoger beroep. Het Hof verklaarde Veldhof niet-ontvankelijk om reden dat hij geen belanghebbende zou zijn. In het hiertegen gerichte cassatieberoep overwoog de Hoge Raad in rov. 4.2 dat het antwoord op de vraag wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, in de wet niet in het algemeen is aangegeven, maar voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid.”
r.o. 3.33 · lid 5“In deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat waar het om een beschikking tot goedkeuring van een besluit tot fusie van een stichting als bedoeld in art. 2:317 lid 5 BW gaat, een persoon die behoort tot de kring van de bij de stichting betrokkenen, zoals een oprichter of iemand die ten tijde van de totstandkoming van het fusiebesluit deel uitmaakt van een van de organen van de stichting, in beginsel als belanghebbende moet worden aangemerkt. Buiten die kring kan iemand slechts dan als belanghebbende in de zin van art. 429n lid 2 Rv. hoger beroep tegen een zodanige beschikking instellen wanneer de goedkeuring van het fusiebesluit zou leiden tot een specifiek en concreet nadeel voor hem in zijn betrekkingen tot de stichting. Daar was ingeval van Veldhof geen sprake van: hij behoorde niet (meer) tot de kring van de bij de stichting betrokkenen en had zich evenmin op een specifiek en concreet nadeel beroepen.”
r.o. 3.34 · lid 5Jaarrekeningprocedure: ontvankelijkheid aandeelhouder en classificatie ingekochte aandelen als vreemd vermogen
“[…] [arts. 429n lid 2 Rv (oud), thans art. 358 lid 2 Rv, A-G] zijn te rekenen, is in de wet niet in het algemeen aangegeven, maar moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. In de onderhavige zaak gaat het om een beschikking tot goedkeuring van een besluit tot fusie van een stichting als bedoeld in art. 2:317 lid 5 BW. Een persoon die behoort tot de kring van de bij de stichting betrokkenen, zoals een oprichter of iemand die ten tijde van de totstandkoming van het fusiebesluit deel uitmaakt van een van de organen van de stichting, moet in beginsel als belanghebbende worden aangemerkt. Een niet tot deze kring behorende persoon kan slechts dan als belanghebbende in de zin van art. 429n lid 2 hoger beroep tegen een zodanige beschikking instellen wanneer de goedkeuring van het fusiebesluit zou leiden tot een specifiek en concreet nadeel voor hem in zijn betrekkingen tot de stichting. In dit geding heeft [verzoeker] zich niet op een zodanig nadeel beroepen noch is daarvan op andere wijze gebleken. Het hof heeft dus terecht [verzoeker] niet als belanghebbende in de zin van art. 429n lid 2 Rv […]”
r.o. 3.11 · lid 5Belanghebbende bij ontslag stichtingsbestuur en ontbinding stichting; tweekringenleer
“Uit HR 25 oktober 1991 (Leonhard Woltjer Stichting) volgt: “4.2 (…) Wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling [art. 429n lid 2 Rv (oud), thans 358 lid 2 Rv, A-G] zijn te rekenen, is in de wet niet in het algemeen aangegeven, maar moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. In de onderhavige zaak gaat het om een beschikking tot goedkeuring van een besluit tot fusie van een stichting als bedoeld in art. 2:317 lid 5 BW. Een persoon die behoort tot de kring van de bij de stichting betrokkenen, zoals een oprichter of iemand die ten tijde van de totstandkoming van het fusiebesluit deel uitmaakt van een van de organen van de stichting, moet in beginsel als belanghebbende worden aangemerkt. Een niet tot deze kring behorende persoon kan slechts dan als belanghebbende in de zin van art. 429n lid 2 hoger beroep tegen een zodanige beschikking instellen wanneer de goedkeuring van het fusiebesluit zou leiden tot een specifiek en concreet nadeel voor hem in zijn betrekkingen tot de stichting.””
r.o. 3.4 · lid 5Ontslag stichtingsbestuurders wegens wanbeheer; belanghebbende en uitvoerbaarheid bij voorraad (artikel 2:298 BW)
“[…] niet gezegd dat hij geen belanghebbende kan zijn. Of iemand als belanghebbende is aan te merken moet namelijk worden afgeleid uit de aard van de procedure in kwestie en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Zo heeft blijkens HR 25 oktober 1991 (NJ 1992, 149) in beginsel als belanghebbende bij een beschikking tot goedkeuring van een besluit tot fusie van een stichting als bedoeld in artikel 2:317 lid 5 BW te gelden een persoon die behoort tot de kring van de bij de stichting betrokkenen, zoals iemand die ten tijde van het totstandkomen van het fusiebesluit deel uitmaakt van een (van, toevoeging LT) de organen van de stichting, en is blijkens HR 6 juni 2003 (JOR 2003, 161), een voormalig bestuurder belanghebbende in een enquêteprocedure.' In r.o. 8 vervolgt het hof: 'Een stichting kent geen algemene vergadering en dikwijls ook geen toezichthoudend orgaan, dat een bestuurder kan ontslaan. Alsdan kan alleen het bestuur, dat wil zeggen de meerderheid van de bestuurders, een bestuurder ontslaan. Artikel 2:298 BW berust op de gedachte dat in sprekende gevallen ontslag van een bestuurder ook mogelijk moet zijn wanneer de meerderheid van het bestuur dat niet wil. Degene die […]”
r.o. 3.3 · lid 5Enquête: voormalig bestuurder belanghebbende, certificaathouder, onmiddellijke voorziening en machtiging onderzoeker
“De Hoge Raad heeft daarentegen wel in zijn beschikking van 25 oktober 1991, NJ 1992, 149 m.nt. Ma een overweging aan de kring van belanghebbenden gewijd en het volgende overwogen: "(...). Wie tot de belanghebbende in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, is in de wet niet in het algemeen aangegeven, maar moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. In de onderhavige zaak gaat het om een beschikking tot goedkeuring van een besluit tot fusie van een stichting als bedoeld in art. 2:317 lid 5 BW. Een persoon die behoort tot de kring van de bij de stichting betrokkenen, zoals een oprichter of iemand die ten tijde van de totstandkoming van het fusiebesluit deel uitmaakt van een van de organen van de stichting, moet in beginsel als belanghebbende worden aangemerkt. Een niet tot deze kring behorende persoon kan slechts dan als belanghebbende in de zin van art. 429n lid 2 hoger beroep tegen een zodanige beschikking instellen wanneer de goedkeuring van het fusiebesluit zou leiden tot een specifiek en concreet nadeel voor hem in zijn betrekkingen tot de stichting."”
r.o. 2.4 · lid 5
Rechtbanken (1)
Goedkeuring fusie tussen stichtingen met onwijzigbaar statutair doel
“Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank op grond van artikel 2:317 lid 5 Burgerlijk Wetboek (BW) goedkeuring verleent aan het bestuur van Stichting van Houten en het bestuur van SMK voor de besluiten tot fusie conform het voorstel tot fusie.”
r.o. 3.1 · lid 5“Verzoekers hebben aan het verzoek het volgende ten grondslag gelegd. Stichting van Houten is, als verkrijgende stichting, voornemens te fuseren met SMK en SVMK, als verdwijnende stichtingen. Aan de fusie ligt ten grondslag dat het Museum der Koninklijke Marechaussee (hierna: het Museum) wordt opgeheven, omdat SMK vrijwel haar volledige collectie heeft overgedragen aan de Staat der Nederlanden. Nu het Museum wordt opgeheven is het volgens verzoekers niet langer zinvol dat SMK en SVMK als zelfstandige rechtspersonen blijven voortbestaan. Aangezien in de statuten van verzoekers, in tegenstelling tot de statuten van SVMK, is opgenomen dat het statutaire doel van de stichting niet gewijzigd mag worden, behoeft het besluit tot fusie van Stichting Van Houten en SMK op grond van artikel 2:317 lid 5 BW de goedkeuring van de rechtbank.”
r.o. 3.2 · lid 5“De conceptbesluiten tot fusie zijn genomen in overeenstemming met artikel 2:317 lid 2 BW. De rechtbank constateert dat de in artikel 2:318 lid 2 BW bedoelde verklaring van de notaris is opgenomen aan de voet van de ontwerpakte van fusie.”
r.o. 3.4 · lid 2