← Alle artikelen

Titel 2. Verenigingen

Artikel 2:34a BW

In werking getreden op 1 januari 1992 (Stb. 1989, 541)

(Bijna) gelijk aan art. 2:77 BWC (Curaçao)

Verbintenissen kunnen slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap worden verbonden.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:34a BW (8)

Hoge Raad (3)

  • Hoge Raad · 16 februari 2024

    Coöperatie: terugbetalingsverplichting transactiesom in huishoudelijk reglement is uittredingsvoorwaarde zonder statutaire basis

    “[…] vorderingen onder B. en de vorderingen onder C., vermeerderd met de wettelijke (handels)rente. Het hof heeft daartoe – voor zover in cassatie van belang – als volgt overwogen. De melkveehouders voeren aan dat de bepaling in art. 11 lid 4 Hr (‘de terugbetalingsverplichting’) een statutaire basis mist en om die reden nietig is. Het hof is het daarmee eens. Uit art. 2:27 lid 4, onder c, BW en art. 2:34a BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW in verbinding met art. 2:60 BW volgt dat de uit het lidmaatschap van een coöperatie voortvloeiende verplichtingen en verbintenissen bij of krachtens de statuten aan de leden kunnen worden opgelegd. Deze bepalingen brengen mee dat een statutaire basis is vereist voor de verplichtingen en verbintenissen die aan het lidmaatschap worden gekoppeld. De statuten kunnen weliswaar bepalen dat een orgaan van de coöperatie bij besluit verbintenissen kan opleggen aan de leden of dat een verbintenis nader wordt uitgewerkt in een huishoudelijk reglement, maar de aard van de desbetreffende verbintenis moet steeds uit de statuten kenbaar zijn. Is een besluit van een orgaan van de coöperatie waarbij een verbintenis aan de leden wordt opgelegd niet op de […]”

    r.o. 2.4

    ECLI:NL:HR:2024:241

  • Hoge Raad · 16 februari 2024

    Uitleg van vorderingen bij opzegging coöperatielidmaatschap en nietig huishoudelijk reglement

    “[…] als volgt overwogen. DOC Kaas heeft in redelijkheid kunnen besluiten het lidmaatschap van [eiser] met onmiddellijke ingang te beëindigen. De grieven 2 tot en met 7 van [eiser] falen derhalve. Om die reden zijn de daarmee verband houdende vorderingen van [eiser] niet toewijsbaar. (rov. 5.18) Art. 11 lid 4 Hr mist een statutaire basis en is derhalve nietig. Uit art. 2:27 lid 4, onder c, BW en art. 2:34a BW in verbinding met art. 2:53a BW volgt dat de uit het lidmaatschap van een coöperatie voortvloeiende verplichtingen en verbintenissen bij of krachtens de statuten aan de leden kunnen worden opgelegd. Deze bepalingen brengen mee dat een statutaire basis is vereist voor de verplichtingen en verbintenissen die aan het lidmaatschap worden gekoppeld. De statuten kunnen weliswaar bepalen dat een orgaan van de vereniging bij besluit verbintenissen kan opleggen aan de leden of dat een verbintenis nader wordt uitgewerkt in een huishoudelijk reglement, maar de aard van de desbetreffende verbintenis moet steeds uit de statuten kenbaar zijn. Is een besluit van een orgaan van de vereniging waarbij een verbintenis aan de leden wordt opgelegd niet op de statuten gegrond, dan is het nietig en […]”

    r.o. 2.4

    “De onderdelen 1 en 2 van het middel richten zich tegen rov. 5.18, waarin het hof oordeelt dat DOC Kaas in redelijkheid heeft kunnen besluiten het lidmaatschap van [eiser] met onmiddellijke ingang te beëindigen en dat de vorderingen I en V niet toewijsbaar zijn, en tegen rov. 5.22, waarin het hof overweegt dat het DOC Kaas zal veroordelen tot betaling van wat ten onrechte is verrekend, zij het binnen de grenzen van wat in hoger beroep met vordering II is gevorderd. Onderdeel 1.2 klaagt dat het hof met zijn oordeel in rov. 5.18 miskent dat ook vordering II niet toewijsbaar is. Het onderdeel voert hiertoe aan dat bij het slagen van zijn stellingen (grieven 2 tot en met 7) dat het opzeggingsbesluit wegens strijd met de statuten nietig is, dan wel vernietigbaar wegens strijd met de in art. 2:8 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid, [eiser] geacht moet worden lid van DOC Kaas te zijn gebleven. In dat geval is [eiser] volgens het onderdeel noch een uittredingsvergoeding noch de transactievergoeding verschuldigd, heeft DOC Kaas die vergoedingen ten onrechte verrekend met zijn melkgeld en heeft [eiser] alleen aanspraak op het per die datum opeisbare melkgeld, derhalve het bedrag dat is […]”

    r.o. 3.1

    ECLI:NL:HR:2024:242

  • Hoge Raad · 12 juni 2015

    Uittreedvergoeding coöperatie: kenbaarheid en bepaalbaarheid in statuten (artikel 2:60 BW)

    “[…] melkveehouder in de vijf jaren voorafgaand aan de opzegging of, zo van toepassing, een kortere periode heeft ontvangen. 3.3.2 Hiertoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, bij tussenarrest als volgt overwogen. Art. 2:60 BW bepaalt niet op welke wijze in de statuten van de coöperatie een verplichting tot betaling van een vergoeding bij uittreding moet worden vastgelegd. Gelet op art. 2:34a BW in verband met artikel 2:27 lid 4, onder c, BW, geldt voor het opleggen van die verplichting dat deze uit de statuten (voldoende) kenbaar moet zijn. Voor deze kenbaarheid is het van belang dat tenminste de aard van de verplichting wordt vermeld. (rov. 22) De onderhavige schadevergoedingsverplichting is voldoende kenbaar uit de statuten van DOC. Uit art. 13 lid 1 is immers direct duidelijk dat het gaat om een verplichting tot vergoeding van de schade die DOC lijdt ten gevolge van de beëindiging van het lidmaatschap.Dat de grondslagen, op basis waarvan de deskundige de omvang van de schade dient te bepalen, niet in het huishoudelijk reglement van 2007 waren opgenomen, doet aan de kenbaarheid van die verplichting als zodanig niet af. (rov. 23) Deze schadevergoedingsverplichting is […]”

    r.o. 3.2

    “Hiertoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, bij tussenarrest als volgt overwogen. Art. 2:60 BW bepaalt niet op welke wijze in de statuten van de coöperatie een verplichting tot betaling van een vergoeding bij uittreding moet worden vastgelegd. Gelet op art. 2:34a BW in verband met artikel 2:27 lid 4, onder c, BW, geldt voor het opleggen van die verplichting dat deze uit de statuten (voldoende) kenbaar moet zijn. Voor deze kenbaarheid is het van belang dat tenminste de aard van de verplichting wordt vermeld. (rov. 22) De onderhavige schadevergoedingsverplichting is voldoende kenbaar uit de statuten van DOC. Uit art. 13 lid 1 is immers direct duidelijk dat het gaat om een verplichting tot vergoeding van de schade die DOC lijdt ten gevolge van de beëindiging van het lidmaatschap.Dat de grondslagen, op basis waarvan de deskundige de omvang van de schade dient te bepalen, niet in het huishoudelijk reglement van 2007 waren opgenomen, doet aan de kenbaarheid van die verplichting als zodanig niet af. (rov. 23) Deze schadevergoedingsverplichting is ook voldoende bepaalbaar, in de zin dat het de leden voldoende houvast geeft ten aanzien van de omvang van die verplichting. Art. […]”

    r.o. 3.3.2

    ECLI:NL:HR:2015:1601

Conclusies van de A-G (4)

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 november 2024

    Uittreedvergoeding coöperatie zonder statutaire grondslag: artikel 2:60 BW

    “[…] zijn, nu statuten, anders dan overeenkomsten, openbaar dienen te worden gemaakt. Zie ook onder 3.20 hiervoor. Daarvan gaat, wat betreft de inhoudelijke toelaatbaarheid van dergelijke uittreedvoorwaarden, ook een zekere preventieve en in die zin beschermende werking uit. Dit komt mij wenselijk voor, passend ook bij de portee van art. 2:60 BW. e. Er is tevens een stelselargument voorhanden. Art. 2:34a BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW onderstreept de noodzaak van een statutaire grondslag van uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW, want bepaalt ook voor de coöperatie dat “verbintenissen (…) slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap [kunnen] worden verbonden.”Art. 2:34a BW wordt in de literatuur wat betreft de vereiste statutaire grondslag strikt begrepen, bijvoorbeeld door Rensen.En naar luid van art. 2:27 lid 4, aanhef en onder c BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW houden de statuten van de coöperatie de verplichtingen die de leden tegenover de coöperatie hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd, in.Art. 2:27 lid 4, aanhef en onder c BW wordt in de literatuur wat betreft de vereiste statutaire grondslag eveneens […]”

    r.o. 3.30

    ECLI:NL:PHR:2024:1156

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 oktober 2023

    Conclusie: terugbetaling transactiesom coöperatie als uittredingsvoorwaarde zonder statutaire basis (artikel 2:60 BW)

    “Eén van de andere door de melkveehouders aangevoerde verweren is dat de bepaling in artikel 11 lid 4 van het huishoudelijk reglement ('de terugbetalingsverplichting’) een statutaire basis mist en om die reden nietig is. Het hof is het daarmee eens. Uit de artikelen 2:27 lid 4 sub c. en 2:34a jo. artikel 2:53a lid 1 jo artikel 2:60 BW volgt dat de uit het lidmaatschap van een coöperatie voortvloeiende verplichtingen en verbintenissen bij of krachtens de statuten aan de leden kunnen worden opgelegd. Deze bepalingen brengen mee dat een statutaire basis is vereist voor de verplichtingen en verbintenissen die aan het lidmaatschap worden gekoppeld. De statuten kunnen weliswaar bepalen dat een orgaan van de coöperatie bij besluit verbintenissen kan opleggen aan de leden of dat een verbintenis nader wordt uitgewerkt in een huishoudelijk reglement, doch de aard van de treffende verbintenis moet steeds uit de statuten kenbaar zijn. Is een besluit van een orgaan van de coöperatie waarbij een verbintenis aan de leden wordt opgelegd niet op de statuten gegrond, dan is het nietig en bindt het de leden niet. De verbintenis om een van de coöperatie ontvangen bedrag terug te betalen indien een lid […]”

    r.o. 7.11

    “Onderdeel 1 valt uiteen in een inleiding (nr. 1.0) en vier subonderdelen met klachten (nrs. 1.1-1.4). Deze komen neer op het volgende. 3.5.1 Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 7.11-7.13 van het arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dit omdat het hof daarmee heeft miskend dat op grond van art. 2:27 lid 4 sub c en 2:34a jo. 2:53a lid 1 jo. 2:60 BW (i) een statutaire basis alleen is vereist voor het opleggen van (daadwerkelijke) (additionele) ‘verplichtingen’ aan de leden. En/althans (ii) als zodanig niet kan dienen het in isolatie bezien van de terugbetalingsverbintenis die ontstaat als een lid na ontvangst van zijn (voorschot op de) aanblijfbonus toch niet aanblijft. En/althans (iii) geen statutaire basis is vereist voor het vaststellen dan wel nader uitwerken van voorwaarden voor de toekenning van een (eenmalige) (onverplichte) extra aanblijfbonus aan de leden. Ik citeer het vervolg: “De artikelen 2:27 lid 4 sub c. en 2:34a jo. 2:53a lid 1 jo. 2:60 BW beogen de leden te beschermen tegen het opleggen van verplichtingen die een verzwaring van hun lasten meebrengen, waarop de leden - gelet op de statuten - ten tijde van het aangaan van het […]”

    r.o. 3.5

    “Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 7.11-7.13 van het arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dit omdat het hof daarmee heeft miskend dat op grond van art. 2:27 lid 4 sub c en 2:34a jo. 2:53a lid 1 jo. 2:60 BW (i) een statutaire basis alleen is vereist voor het opleggen van (daadwerkelijke) (additionele) ‘verplichtingen’ aan de leden. En/althans (ii) als zodanig niet kan dienen het in isolatie bezien van de terugbetalingsverbintenis die ontstaat als een lid na ontvangst van zijn (voorschot op de) aanblijfbonus toch niet aanblijft. En/althans (iii) geen statutaire basis is vereist voor het vaststellen dan wel nader uitwerken van voorwaarden voor de toekenning van een (eenmalige) (onverplichte) extra aanblijfbonus aan de leden. Ik citeer het vervolg: “De artikelen 2:27 lid 4 sub c. en 2:34a jo. 2:53a lid 1 jo. 2:60 BW beogen de leden te beschermen tegen het opleggen van verplichtingen die een verzwaring van hun lasten meebrengen, waarop de leden - gelet op de statuten - ten tijde van het aangaan van het lidmaatschap niet bedacht hadden hoeven te zijn. Onder het begrip 'verplichtingen' die een statutaire basis behoeven in deze artikelen vallen niet - […]”

    r.o. 3.5.1

    “Subonderdeel 1.2 klaagt dat voor zover het hof dit niet heeft miskend, diens oordeel dat art. 11 lid 4 HR kwalificeert als een verplichting waarvoor op grond van art. 2:27 lid 4 sub c en 2:34a jo. 2:53a lid 1 jo. 2:60 BW een statutaire basis is vereist onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Dit omdat niet valt in te zien dat de eenmalige extra aanblijfbonus, of het voldoen aan de voor ontvangst daarvan geldende aanblijfvoorwaarde, als een dergelijke verplichting zou kwalificeren. Althans omdat hetgeen het hof in dit kader heeft vastgesteld die conclusie niet kan dragen, zeker niet als voor de vaststelling redengevend is geweest de terugbetalingsverbintenis in isolatie bezien. Het voorgaande geldt te meer in het licht van de essentiële en ten onrechte door het hof bij zijn oordeel niet betrokken stelling van DOC Kaas dat art. 11 lid 4 HR geen zelfstandige of additionele verplichting (in de zin van art. 2:27 lid 4 sub c en 2:34a jo. 2:53a lid 1 jo. 2:60 BW) voor de leden bevat, maar slechts een voorwaarde stelt voor de (definitieve) toekenning van een eenmalige, extra aanblijfbonus. Het hof is in rov. 7.11-7.13 in het geheel niet ingegaan op dit betoog, en heeft slechts […]”

    r.o. 3.5.2

    ECLI:NL:PHR:2023:910

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 oktober 2023

    Coöperatie: terugbetaling transactiesom vereist statutaire basis; handelsrente over melkgeld

    “Een van de door [eiser] (in eerste aanleg) aangevoerde gronden is dat de bepaling in artikel 11 lid 4 van het huishoudelijk reglement een statutaire basis mist en derhalve nietig is. Het hof is het daarmee eens. Uit de artikelen 2:27 lid 4 sub c. en 2:34a BW jo. artikel 2:53a BW volgt dat de uit het lidmaatschap van een coöperatie voortvloeiende verplichtingen en verbintenissen bij of krachtens de statuten aan de leden kunnen worden opgelegd. Deze bepalingen brengen mee dat een statutaire basis is vereist voor de verplichtingen en verbintenissen die aan het lidmaatschap worden gekoppeld. De statuten kunnen weliswaar bepalen dat een orgaan van de vereniging bij besluit verbintenissen kan opleggen aan de leden of dat een verbintenis nader wordt uitgewerkt in een huishoudelijk reglement, doch de aard van de desbetreffende verbintenis moet steeds uit de statuten kenbaar zijn. Is een besluit van een orgaan van de vereniging waarbij een verbintenis aan de leden wordt opgelegd niet op de statuten gegrond, dan is het nietig en bindt het de leden niet. De verbintenis om de ontvangen transactiesom terug te betalen indien een lid stopt met het leveren van melk aan de coöperatie vloeit uit […]”

    r.o. 5.21

    “[…] uit een inleiding (nr. 1.0) en twee subonderdelen met klachten (nrs. 1.1-1.2). Het onderdeel richt zich tegen rov. 5.21 van het arrest, dat ik citeerde onder 3.3 hiervoor. Ik geef de subonderdelen weer. 4.3.1 Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 5.21 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dit omdat het hof daarmee heeft miskend dat op grond van art. 2:27 lid 4 sub c en 2:34a jo. 2:53a BW (i) een statutaire basis alleen is vereist voor het opleggen van (daadwerkelijke) (additionele) ‘verplichtingen’ aan de leden. En/althans (ii) als zodanig niet kan dienen het in isolatie bezien van de terugbetalingsverbintenis die ontstaat als een lid na ontvangst van zijn (voorschot op de) aanblijfbonus ophoudt melk te leveren aan de coöperatie. En/althans (iii) geen statutaire basis is vereist voor het vaststellen dan wel nader uitwerken van voorwaarden voor de toekenning van een (eenmalige) (onverplichte) extra aanblijfbonus aan de leden. Ik citeer het vervolg: “De artikelen 2:27 lid 4 sub c. en 2:34a jo. 2:53a beogen de leden te beschermen tegen het opleggen van verplichtingen die een verzwaring van hun lasten meebrengen, waarop de leden - gelet op de statuten - ten […]”

    r.o. 4.3

    “Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 5.21 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dit omdat het hof daarmee heeft miskend dat op grond van art. 2:27 lid 4 sub c en 2:34a jo. 2:53a BW (i) een statutaire basis alleen is vereist voor het opleggen van (daadwerkelijke) (additionele) ‘verplichtingen’ aan de leden. En/althans (ii) als zodanig niet kan dienen het in isolatie bezien van de terugbetalingsverbintenis die ontstaat als een lid na ontvangst van zijn (voorschot op de) aanblijfbonus ophoudt melk te leveren aan de coöperatie. En/althans (iii) geen statutaire basis is vereist voor het vaststellen dan wel nader uitwerken van voorwaarden voor de toekenning van een (eenmalige) (onverplichte) extra aanblijfbonus aan de leden. Ik citeer het vervolg: “De artikelen 2:27 lid 4 sub c. en 2:34a jo. 2:53a beogen de leden te beschermen tegen het opleggen van verplichtingen die een verzwaring van hun lasten meebrengen, waarop de leden - gelet op de statuten - ten tijde van het aangaan van het lidmaatschap niet bedacht hadden hoeven te zijn. Onder het begrip 'verplichtingen' die een statutaire basis behoeven in deze artikelen vallen niet - hetgeen wordt miskend door het hof […]”

    r.o. 4.3.1

    “Subonderdeel 1.2 klaagt dat voor zover het hof dit niet heeft miskend, diens oordeel dat art. 11 lid 4 HR kwalificeert als een verplichting waarvoor op grond van art. 2:27 lid 4 sub c en 2:34a jo. 2:53a BW een statutaire basis is vereist onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Dit omdat niet valt in te zien dat de eenmalige extra aanblijfbonus, of het voldoen aan de voor ontvangst daarvan geldende voorwaarde dat leden voor een bepaalde periode melk aan de coöperatie moeten blijven leveren, als een dergelijke verplichting zou kwalificeren. Althans omdat hetgeen het hof in dit kader heeft vastgesteld die conclusie niet kan dragen, zeker niet als voor de vaststelling redengevend is geweest de terugbetalingsverbintenis in isolatie bezien. Het voorgaande geldt te meer in het licht van de essentiële en ten onrechte door het hof bij zijn oordeel niet betrokken stelling van DOC Kaas dat art. 11 lid 4 HR geen zelfstandige of additionele verplichting (in de zin van art. 2:27 lid 4 sub c en 2:34a jo. 2:53a BW) voor de leden bevat, maar slechts een voorwaarde stelt voor de (definitieve) toekenning van een eenmalige, extra aanblijfbonus. Het hof is in rov. 5.19-5.22 in het geheel niet […]”

    r.o. 4.3.2

    ECLI:NL:PHR:2023:911

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 maart 2015

    Statutaire uittreedvergoeding coöperatie: kenbaarheid en bepaalbaarheid onder artikel 2:60 BW

    “[…] de verplichting om uittreedgeld te betalen zijn grondslag moet vinden in de statuten zelf, dan wel uit de statuten zelf moet blijken dat er uittreedgeld verschuldigd is, waarvan de hoogte en de maatstaf kunnen worden vastgesteld in een reglement. Deze uitspraak is volgens hem in overeenstemming met de huidige uitleg in zowel jurisprudentie als de literatuur van art. 2:27 lid 4 onder c BW en art. 2:34a BW. Zie ook de “wenk” bij hof Leeuwarden 20 november 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BY3630, RN 2013/18, waarin de (onbekende) wenkschrijver die uitspraak vergelijkt met het in onze zaak in cassatie bestreden tussenarrest: “Recentelijk heeft ook het Hof Leeuwarden zich over een soortgelijke kwestie uitgelaten (Hof Leeuwarden 16 oktober 2012, RN 2013/8). Hier kwam het hof wél tot het oordeel dat de boeteverplichting voldoende kenbaar was, zelfs nu in het huishoudelijk reglement daaromtrent geen nadere regeling was opgenomen. Een belangrijk verschil met onderhavig geval is dat de uittreedverplichting duidelijk statutair was vastgelegd. Bovendien waren de kaders voor de vaststelling van de hoogte van de boete eveneens in de statuten vastgelegd. Leden konden derhalve voor hun toetreding als […]”

    r.o. 2.1.14

    “We stuitten er net al even op. Art. 2:60 BW is een lex specialis van de verenigingsrechtelijke ook voor de coöperatie overigens ingeschakelde verenigingsrechtelijke bepalingen van art. 2:27 lid 4 onder c en art. 2:34a (jo. art. 2:53a) BW. Uit art. 2:27 lid 4 sub c BW volgt dat de statuten de “verplichtingen” moeten inhouden “die de leden tegenover de vereniging hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd”. Verplichtingen van leden of de wijze waarop die verplichtingen kunnen worden opgelegd moeten dus een statutaire grondslag hebben. Ontbreekt een dergelijke grondslag, dan is een besluit waarbij ze opgelegd worden nietig (art. 2:14 BW). In het Ontwerp-Meijers (2.2.1.4 (e)) was aan de huidige wettekst nog de volgende volzin toegevoegd: “De aard van de verplichtingen moet in ieder geval in de statuten zelf zijn vermeld”. Met “aard” wordt volgens de parlementaire geschiedenis gedoeld op: “de aard der prestatie: het geven van geld, of van andere goederen, het verrichten van bepaalde handelingen of van het nalaten van bepaalde handelingen.”. Na kritiek op deze volzin in de Tweede Kamer, is deze weer geschrapt, waarover de regering bij memorie van […]”

    r.o. 2.1.15

    “Art. (2:53a jo) 2:34a BW bepaalt: “verbintenissen kunnen slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap worden verbonden”. Verbintenissen kunnen dus nader worden uitgewerkt in een huishoudelijk reglement, als de statuten daarvoor een grondslag bieden.”

    r.o. 2.1.17

    “Een systematicus zal zeggen: tegenover elkaar staan het verenigingsrechtelijke regime van artt. 2:34a en 2:27 lid 4 sub c BW aan de ene kant en de lex specialis van art. 2:60 BW voor de coöperatie aan de andere kant. Dat laatste artikel leert dat een uittreedregeling “bij de statuten” – dus niet: “bij of krachtens de statuten” – moet zijn geregeld. In zoverre is dus afgeweken van de verenigingstitel (vgl. art. 2:53a BW: ingeschakeld “voor zover daarvan in deze titel niet wordt afgeweken”). Dat staat namelijk tegenover de verenigingsrechtelijke regeling die wel delegatie mogelijk maakt aan bijvoorbeeld bestuur of door het bestuur aan te wijzen deskundigen (bij of krachtens de statuten voor op te leggen verbintenissen, resp. de wijze waarop verplichtingen van leden t.o.v. de vereniging kunnen worden opgelegd). De coöperatieregeling is kennelijk strenger en dat brengt mee dat de uittreedvoorwaarden integraal en concreet in de statuten moeten staan en dat is hier niet zo. Dat is de benadering van de Assense rechtbank en dat bepleit principaal cassatiemiddelonderdeel 1.”

    r.o. 2.1.21

    ECLI:NL:PHR:2015:229

Rechtbanken (1)

  • Rechtbank Amsterdam · 17 juni 2026

    Coöperatie mocht lid geen boete opleggen: statutaire grondslag ontbreekt

    “Artikel 2:27 lid 4 aanhef en onder c Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt (via artikel 2:53a BW) dat de statuten de verplichtingen moeten bevatten die de leden tegenover de coöperatie hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd. Verder bepaalt artikel 2:34a BW dat voor verbintenissen die aan het lidmaatschap kunnen worden verbonden, een statutaire basis moet bestaan. Een vermogensrechtelijke verplichting moet dus teruggevoerd kunnen worden op een (specifieke) statutaire bepaling. Dat de boete ‘te laat’ is opgenomen in het sanctiebeleid van RFH maakt op zichzelf dus niet dat RFH bevoegd is tot het opleggen daarvan. De achtergrond daarvan is dat iemand die lid wordt van de coöperatie moet weten welke verplichtingen hij heeft of aan hem kunnen worden opgelegd. Dat betekent niet dat een op te leggen boete in de statuten al geheel uitgewerkt moet zijn. Aan de eis dat een verplichting van de leden is opgenomen in de statuten is voldaan als de verplichting voor de leden uit de statuten kenbaar is en de aard en omvang van de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor hen bepaalbaar zijn.”

    r.o. 4.2

    ECLI:NL:RBAMS:2026:8774