Titel 2. Verenigingen
Artikel 2:36 BW
In deze vorm in werking sinds 1 oktober 2022, laatst gewijzigd bij Stb. 2022, 345
(Bijna) gelijk aan art. 2:79 BWC (Curaçao)
Tenzij de statuten anders bepalen, kan opzegging van het lidmaatschap slechts geschieden tegen het einde van een boekjaar en met inachtneming van een opzeggingstermijn van vier weken; op deze termijn is de Algemene termijnenwet niet van toepassing. In ieder geval kan het lidmaatschap worden beëindigd tegen het eind van het boekjaar, volgend op dat waarin wordt opgezegd, of onmiddellijk, indien redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
Een opzegging in strijd met het in het vorige lid bepaalde, doet het lidmaatschap eindigen op het vroegst toegelaten tijdstip volgende op de datum waartegen was opgezegd.
Een lid kan voorts zijn lidmaatschap met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een maand nadat een besluit waarbij zijn rechten zijn beperkt of zijn verplichtingen zijn verzwaard, hem is bekend geworden of medegedeeld; het besluit is alsdan niet op hem van toepassing. Deze bevoegdheid tot opzegging kan de leden bij de statuten worden ontzegd voor het geval van wijziging van de daar nauwkeurig omschreven rechten en verplichtingen en voorts in het algemeen voor het geval van wijziging van geldelijke rechten en verplichtingen.
Een lid kan zijn lidmaatschap ook met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een maand nadat hem een besluit is meegedeeld tot omzetting van de vereniging in een andere rechtsvorm, tot fusie of tot splitsing.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:36 BW (5)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Conclusies van de A-G (3)
Uittreedvergoeding coöperatie zonder statutaire grondslag: artikel 2:60 BW
“[…] kunnen worden opgelegd, in.Art. 2:27 lid 4, aanhef en onder c BW wordt in de literatuur wat betreft de vereiste statutaire grondslag eveneens strikt begrepen, bijvoorbeeld (en wederom) door Rensen. En - toegegeven - ook wel ietsje minder strikt, maar genuanceerd en dan nog steeds niet (ook) redenerend vanuit een zuiver contractuele basis.Er zijn nog andere voorbeelden te geven, zoals art. 2:36 BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW, al genoemd onder 3.6 hiervoor., f. Verder verdient opmerking dat iedere rechtspersoon (dus ook een coöperatie) een georganiseerd geheel is, waarvan de organisatie mede wordt bepaald door diens statuten, naast wet, gewoonte, reglementen en besluiten (zie bijvoorbeeld de verwijzingen in art. 2:8 BW). Samen bepalen zij de interne structuur van de rechtspersoon en de interne bevoegdheidsverdeling in de rechtspersoon.Door toetreding tot de rechtspersoon als lid (of aandeelhouder), bij oprichting of nadien door toelating als lid (of verwerving van een of meer aandelen), ontstaat een verhouding tussen het lid (of de aandeelhouder) enerzijds en de rechtspersoon anderzijds die wordt beheerst en bepaald door de wet, de gewoonte, de statuten, […]”
r.o. 3.30Conclusie: terugbetaling transactiesom coöperatie als uittredingsvoorwaarde zonder statutaire basis (artikel 2:60 BW)
“[…] systematiek van Boek 2 BW is de coöperatie geen gewone vereniging in de zin van Titel 2, maar een eigenstandige privaatrechtelijke rechtspersoon als geregeld in Titel 3. Wel zijn op de coöperatie bepaalde bepalingen uit die Titel 2 van toepassing, via schakelbepaling (art. 2:53a lid 1 BW). De vrijheid van uittreding wordt voor leden van de gewone vereniging geregeld in art. 2:35 lid 1 sub b en 2:36 BW. De eerste bepaling brengt mee dat het lidmaatschap eindigt door opzegging door het lid. De tweede bepaling bevat nadere regels over opzegging van het lidmaatschap. Deze bepalingen gelden krachtens genoemde schakelbepaling ook voor de coöperatie, met dien verstande dat daarbij art. 2:60 BW in acht moet worden genomen. 3.7.4 Art. 2:60 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij de statuten van de coöperatie voorwaarden kunnen worden verbonden aan de uittreding van een lid. Die voorwaarden moeten volgens de bepaling in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Voorts moet de vrijheid van uittreding daarbij behouden blijven. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden. In de Asser/Kroeze wordt art. […]”
r.o. 3.7“Een coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging (art. 2:53 lid 1, eerste zin BW). Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen (art. 2:53 lid 1, tweede zin BW). In de systematiek van Boek 2 BW is de coöperatie geen gewone vereniging in de zin van Titel 2, maar een eigenstandige privaatrechtelijke rechtspersoon als geregeld in Titel 3. Wel zijn op de coöperatie bepaalde bepalingen uit die Titel 2 van toepassing, via schakelbepaling (art. 2:53a lid 1 BW). De vrijheid van uittreding wordt voor leden van de gewone vereniging geregeld in art. 2:35 lid 1 sub b en 2:36 BW. De eerste bepaling brengt mee dat het lidmaatschap eindigt door opzegging door het lid. De tweede bepaling bevat nadere regels over opzegging van het lidmaatschap. Deze bepalingen gelden krachtens genoemde schakelbepaling ook voor de coöperatie, met dien verstande dat daarbij art. 2:60 BW in acht moet worden genomen.”
r.o. 3.7.3Statutaire uittreedvergoeding coöperatie: kenbaarheid en bepaalbaarheid onder artikel 2:60 BW
“[…] Volgens Rensen is de strekking van uittreedvoorwaarden om een zekere ledenbinding te creëren. Argument daarvoor is dat de coöperatie haar bedrijfsvoering instelt op een bepaald ledenbestand. Leegloop kan die bedrijfsvoering schaden en dus de belangen van de overgebleven leden. Jarenlange opzegtermijnen zijn niet mogelijk door de dwingendrechtelijke “einde (volgend) boekjaar”-bepaling uit art 2:36 lid 1 (jo. art. 2:53a) BW. Uittredingsvrijheid staat voorop bij de coöperatie en wordt door art. 2:60 BW vanuit coöperatieperspectief verzacht. Een uittreedvoorwaarde is daarom vaak betaling van een bedrag gerelateerd aan het zakelijk verkeer dat in een bepaalde periode door het lid met de coöperatie is onderhouden, zoals ook in ons geval. Rensen schetst dat de statuten bijvoorbeeld kunnen bepalen dat een uittredend lid uittreedgeld is verschuldigd en dat het lid geen aanspraak kan maken op het bedrag dat de coöperatie volgens de ledenrekening aan het lid is verschuldigd. Een uittreedvoorwaarde neergelegd in een huishoudelijk reglement acht hij nietig; maar dat is anders als de statutaire bepaling de uittreedvoorwaarde vermeldt en aangeeft naar welke maatstaf deze wordt bepaald, […]”
r.o. 2.1 · lid 1“[…] Volgens Rensen is de strekking van uittreedvoorwaarden om een zekere ledenbinding te creëren. Argument daarvoor is dat de coöperatie haar bedrijfsvoering instelt op een bepaald ledenbestand. Leegloop kan die bedrijfsvoering schaden en dus de belangen van de overgebleven leden. Jarenlange opzegtermijnen zijn niet mogelijk door de dwingendrechtelijke “einde (volgend) boekjaar”-bepaling uit art 2:36 lid 1 (jo. art. 2:53a) BW. Uittredingsvrijheid staat voorop bij de coöperatie en wordt door art. 2:60 BW vanuit coöperatieperspectief verzacht. Een uittreedvoorwaarde is daarom vaak betaling van een bedrag gerelateerd aan het zakelijk verkeer dat in een bepaalde periode door het lid met de coöperatie is onderhouden, zoals ook in ons geval. Rensen schetst dat de statuten bijvoorbeeld kunnen bepalen dat een uittredend lid uittreedgeld is verschuldigd en dat het lid geen aanspraak kan maken op het bedrag dat de coöperatie volgens de ledenrekening aan het lid is verschuldigd. Een uittreedvoorwaarde neergelegd in een huishoudelijk reglement acht hij nietig; maar dat is anders als de statutaire bepaling de uittreedvoorwaarde vermeldt en aangeeft naar welke maatstaf deze wordt bepaald, […]”
r.o. 2.1.14 · lid 1“Ten slotte is art. (2:53a jo) 2:36 lid 3 BW van belang. Daarin is bepaald dat een lid van een coöperatie zijn lidmaatschap met onmiddellijke ingang kan opzeggen binnen een maand nadat een besluit waarbij zijn rechten zijn beperkt of zijn verplichtingen zijn verzwaard, hem is bekend geworden of medegedeeld. Het besluit is dan niet op hem van toepassing. Deze bevoegdheid tot opzegging kan de leden bij de statuten worden ontzegd voor het geval van wijziging van de daar nauwkeurig omschreven rechten en verplichtingen en in het algemeen voor het geval van wijziging van geldelijke rechten en verplichtingen. de klachten van onderdeel 1”
r.o. 2.1.18 · lid 3
Rechtbanken (2)
Onmiddellijke opzegging lidmaatschap coöperatie winkelcentrum; bijdrageplicht via derdenbeding eindigt
“Met betrekking tot de te hanteren opzegtermijn van het lidmaatschap staat onweersproken vast dat via artikel 5, vijfde lid, van de statuten van de coöperatie (hierna: de statuten) rechtsgeldig de toepasselijkheid van artikel 2:36, eerste lid, eerste volzin, en artikel 2:36, derde lid, BW is uitgesloten. In de statuten is niets opgenomen over de opzegging van het lidmaatschap door een lid van de coöperatie en de statuten voorzien (dus) ook niet in een opzegtermijn daarvoor. Dat betekent dat de opzegtermijn wordt bepaald door artikel 2:36, eerste lid, tweede volzin, BW. Het lidmaatschap kan door [gedaagde partij] worden opgezegd tegen het einde van het boekjaar, volgend op dat waarin wordt opgezegd, of onmiddellijk, als redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. De onmiddellijke opzegging is rechtsgeldig.”
r.o. 5.3“Gezien het voorgaande mocht [gedaagde partij] op grond van artikel 2:36, eerste lid, tweede volzin, BW zijn lidmaatschap van de coöperatie bij brief van 19 juli 2024 met onmiddellijke ingang opzeggen omdat van hem in redelijkheid niet gevergd kon worden zijn lidmaatschap van de coöperatie (in het bijzonder de (te) hoge financiële bijdragen) langer te laten voortduren. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [gedaagde partij] voorafgaand aan die opzegging meermaals tevergeefs heeft getracht op andere wijze tot een oplossing te komen. Geen contractuele bijdrageplicht na beëindiging van het lidmaatschap”
r.o. 5.10Royement minderjarige leden handbalvereniging: eerst intern beroep vereist (artikel 2:35 BW)
“Mr. Van Leuken heeft tijdens de mondelinge behandeling ter zitting namens PSV het standpunt ingenomen dat het bestuur niet de bedoeling heeft gehad eiseressen als lid te royeren, maar om de lidmaatschappen op te zeggen op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 3 van de statuten. Op grond van artikel 2:36 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan opzegging van het lidmaatschap van de vereniging slechts geschieden tegen het einde van een boekjaar en met inachtneming van een opzegtermijn van vier weken. Nu in de statuten niet anders is bepaald, geldt ook in dit geval die wettelijke regeling. Niet gesteld of gebleken is dat opzegging heeft plaatsgevonden met inachtneming van de wettelijke bepaling. Dat maakt dat de voorzieningenrechter het niet aannemelijk acht dat de beëindiging in deze zaak als een opzegging zal worden gekwalificeerd. Daar komt nog bij dat in de verschillende brieven van PSV aan de ouders van eiseressen telkens wordt gesproken over beëindiging van het lidmaatschap op grond van artikel 7 van de statuten (in welk artikel aan het bestuur de mogelijkheid wordt geboden een straf op te leggen in de vorm van royement/ontzetting uit het lidmaatschap), en over ‘royement’. Het is […]”
r.o. 4.4