← Alle artikelen

Titel 2. Verenigingen

Artikel 2:35 BW

In deze vorm in werking sinds 1 december 2011, laatst gewijzigd bij Stb. 2010, 789

(Bijna) gelijk aan art. 2:78 BWC (Curaçao)

1

Het lidmaatschap eindigt:

a.door de dood van het lid, tenzij de statuten overgang krachtens erfrecht toelaten;

b.door opzegging door het lid;

c.door opzegging door de vereniging;

d.door ontzetting.

2

De vereniging kan het lidmaatschap opzeggen in de gevallen in de statuten genoemd, voorts wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten door de statuten voor het lidmaatschap gesteld, te voldoen, alsook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. Tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, geschiedt de opzegging door het bestuur.

3

Ontzetting kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

4

Tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, geschiedt de ontzetting door het bestuur. Het lid wordt ten spoedigste schriftelijk van het besluit, met opgave van redenen, in kennis gesteld. Hem staat, behalve wanneer krachtens de statuten het besluit door de algemene vergadering is genomen, binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit, beroep op de algemene vergadering of een daartoe bij de statuten aangewezen orgaan of derde open. De statuten kunnen een andere regeling van het beroep bevatten, doch de termijn kan niet korter dan op één maand worden gesteld. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.

5

Wanneer het lidmaatschap in de loop van een boekjaar eindigt, blijft, tenzij de statuten anders bepalen, desniettemin de jaarlijkse bijdrage voor het geheel verschuldigd.

6

De vereniging draagt er zorg voor dat leden de voor opzegging van het lidmaatschap noodzakelijke informatie eenvoudig kunnen raadplegen. De informatie wordt in ieder geval opvallend vermeld op de hoofdpagina van de website en op bladzijde 1, 2 of 3 van het ledenblad, indien een vereniging gebruik maakt van deze communicatiemiddelen.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:35 BW (8)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Conclusies van de A-G (2)

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 november 2024

    Uittreedvergoeding coöperatie zonder statutaire grondslag: artikel 2:60 BW

    “Desondanks is de notie van een relatief gemakkelijke uittreding, anders dan een wettelijk vereiste mogelijkheid van toetreding, bij de coöperatie naar huidig recht niet verdwenen. De door art. 2:60 BW bedoelde “vrijheid van uittreding” staat onmiskenbaar in het teken dáárvan. Dit blijkt ook wel uit het feit dat “uittreding” niet een term is die voorkomt in Titel 2.2 BW met betrekking tot de vereniging. Gedacht vanuit art. 2:35 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW zou de passage “met behoud der vrijheid van uittreding uit de coöperatie” in art. 2:60 BW wetstechnisch overbodig zijn als zij slechts een uitgangspunt van de ‘gewone’ vereniging zou uitdrukken. Die passage drukt, gezien de historische antecedenten, kennelijk méér uit. Dit strookt ook met de herkomst van de redactie van art. 2:60 BW, kort gezegd: art. 12 lid 1 van de wet uit 1925. Zie onder 3.7-3.8 en 3.14 hiervoor.”

    r.o. 3.17 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2024:1156

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 oktober 2023

    Conclusie: terugbetaling transactiesom coöperatie als uittredingsvoorwaarde zonder statutaire basis (artikel 2:60 BW)

    “[…] tweede zin BW). In de systematiek van Boek 2 BW is de coöperatie geen gewone vereniging in de zin van Titel 2, maar een eigenstandige privaatrechtelijke rechtspersoon als geregeld in Titel 3. Wel zijn op de coöperatie bepaalde bepalingen uit die Titel 2 van toepassing, via schakelbepaling (art. 2:53a lid 1 BW). De vrijheid van uittreding wordt voor leden van de gewone vereniging geregeld in art. 2:35 lid 1 sub b en 2:36 BW. De eerste bepaling brengt mee dat het lidmaatschap eindigt door opzegging door het lid. De tweede bepaling bevat nadere regels over opzegging van het lidmaatschap. Deze bepalingen gelden krachtens genoemde schakelbepaling ook voor de coöperatie, met dien verstande dat daarbij art. 2:60 BW in acht moet worden genomen. 3.7.4 Art. 2:60 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij de statuten van de coöperatie voorwaarden kunnen worden verbonden aan de uittreding van een lid. Die voorwaarden moeten volgens de bepaling in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Voorts moet de vrijheid van uittreding daarbij behouden blijven. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden. In de […]”

    r.o. 3.7 · lid 1

    “Een coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging (art. 2:53 lid 1, eerste zin BW). Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen (art. 2:53 lid 1, tweede zin BW). In de systematiek van Boek 2 BW is de coöperatie geen gewone vereniging in de zin van Titel 2, maar een eigenstandige privaatrechtelijke rechtspersoon als geregeld in Titel 3. Wel zijn op de coöperatie bepaalde bepalingen uit die Titel 2 van toepassing, via schakelbepaling (art. 2:53a lid 1 BW). De vrijheid van uittreding wordt voor leden van de gewone vereniging geregeld in art. 2:35 lid 1 sub b en 2:36 BW. De eerste bepaling brengt mee dat het lidmaatschap eindigt door opzegging door het lid. De tweede bepaling bevat nadere regels over opzegging van het lidmaatschap. Deze bepalingen gelden krachtens genoemde schakelbepaling ook voor de coöperatie, met dien verstande dat daarbij art. 2:60 BW in acht moet worden genomen.”

    r.o. 3.7.3 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2023:910

Hoven en Ondernemingskamer (1)

  • Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 14 juli 2026

    Opzegging lidmaatschap zweefvliegclub door bestuur; marginale toetsing artikel 2:35 lid 2 BW

    “Grieven 3 tot en met 7 zien op de inhoudelijke toetsing van het opzeggingsbesluit. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen. 4.7.1. De Vereniging heeft in eerste aanleg betoogd dat van haar redelijkerwijs niet kan worden gevergd om het lidmaatschap van [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] te laten voortduren. Op grond van artikel 2:35 lid 2 BW geldt dat een vereniging het lidmaatschap kan opzeggen onder meer op de grond dat redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. In artikel 6 lid 1 sub c van de statuten van de Vereniging is deze opzeggingsgrond eveneens opgenomen. Hiervan zal onder meer sprake kunnen zijn als een lid in aanmerkelijke mate niet handelt zoals van een redelijk handelend lid mag worden verwacht. 4.7.2. Bij de rechterlijke toetsing of het opzeggingsbesluit van de Vereniging inhoudelijk in stand kan blijven, geldt verder het uitgangspunt dat het bestuur van een vereniging, binnen de grenzen van wetsbepalingen zoals artikel 2:35 BW en van de statuten, beleidsvrijheid toekomt, waarbij de rechter slechts marginaal kan toetsen. Deze beleidsvrijheid brengt mee dat de beëindiging van een […]”

    r.o. 4.7 · lid 2

    “De Vereniging heeft in eerste aanleg betoogd dat van haar redelijkerwijs niet kan worden gevergd om het lidmaatschap van [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] te laten voortduren. Op grond van artikel 2:35 lid 2 BW geldt dat een vereniging het lidmaatschap kan opzeggen onder meer op de grond dat redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. In artikel 6 lid 1 sub c van de statuten van de Vereniging is deze opzeggingsgrond eveneens opgenomen. Hiervan zal onder meer sprake kunnen zijn als een lid in aanmerkelijke mate niet handelt zoals van een redelijk handelend lid mag worden verwacht.”

    r.o. 4.7.1 · lid 2

    “Bij de rechterlijke toetsing of het opzeggingsbesluit van de Vereniging inhoudelijk in stand kan blijven, geldt verder het uitgangspunt dat het bestuur van een vereniging, binnen de grenzen van wetsbepalingen zoals artikel 2:35 BW en van de statuten, beleidsvrijheid toekomt, waarbij de rechter slechts marginaal kan toetsen. Deze beleidsvrijheid brengt mee dat de beëindiging van een lidmaatschap slechts ontoelaatbaar is, indien de vereniging in de gegeven omstandigheden, waaronder de door haar behartigde belangen, tegenover het betrokken lid in redelijkheid niet tot een zodanige maatregel had kunnen komen (HR 2 december 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4702, NJ 1984, 583). Dit betekent dat de lat hoog ligt en de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of de Vereniging alle bij het besluit in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.”

    r.o. 4.7.2

    ECLI:NL:GHSHE:2026:1878

Rechtbanken (5)

  • Rechtbank Noord-Nederland · 17 juli 2026

    Opschorting besluit tot ontzetting uit lidmaatschap skûtsjesilvereniging

    “Kern van het geschil is of het besluit van 20 mei 2026 van IFKS om [eiser] te ontzetten uit zijn lidmaatschap in stand kan blijven dan wel dat dit besluit nietig of vernietigbaar is. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de ontzetting een zwaar middel is om een lidmaatschap van een vereniging te beëindigen. Ontzetting uit het lidmaatschap is een bestraffende vorm van opzegging en kan volgens artikel 2:35 lid 3 BW alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt, of wanneer een lid de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.”

    r.o. 5.6 · lid 3

    ECLI:NL:RBNNE:2026:2934

  • Rechtbank Oost-Brabant · 26 maart 2026

    Royement minderjarige leden handbalvereniging: eerst intern beroep vereist (artikel 2:35 BW)

    “Bij brief van 12 december 2025 (productie 3 bij dagvaarding) heeft PSV aan de ouders van eiseressen een brief gezonden met – voor zover van de belang – de volgende inhoud: ‘(…) Op grond van artikel 7 van de statuten en artikel 2:35 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek is het bestuur voornemens het Lidmaatschap van uw kind te beëindigen. Het bestuur van PSV Handbal stelt vast dat er herhaaldelijk sprake is geweest van gedrag van u als ouder dat niet past binnen de normen en gedragsregels van onze vereniging. Dit heeft geleid tot meerdere meldingen van leden, trainers en vrijwilligers en heeft de veilige en respectvolle sportomgeving onder druk gezet. Ondanks eerdere communicatie is hierin geen structurele verbetering opgetreden. Het bestuur acht de situatie daarom zodanig ernstig dat voortzetting van het jeugdlidmaatschap van uw kind naar redelijkheid niet langer mogelijk is. Op grond van artikel 7 van de statuten is het bestuur derhalve voornemens het lidmaatschap met onmiddellijke ingang te beëindigen. (…)’.”

    r.o. 2.4 · lid 1

    “Bij brief van 12 januari 2026 (productie 9 bij dagvaarding) heeft het bestuur van PSV het definitief bestuursbesluit tot royement van het lidmaatschap aan de ouders van eiseressen bekend gemaakt. De inhoud van de brief luidt – voor zover van belang – als volgt: ‘(…) Het bestuur blijft bij het op 12-12-2025 genomen definitieve bestuursbesluit tot royement, welk besluit op zorgvuldige wijze en conform de statuten en artikel 2:35 BW tot stand is gekomen en onmiddellijke werking heeft. (…)’.”

    r.o. 2.11

    “Het recht van vereniging is geregeld in de artikelen 26 tot en met 52 van Boek 2 BW. De bepalingen van Boek 2 BW zijn dwingendrechtelijk van aard, er kan slechts van worden afgeweken voor zover de wet dit toestaat (artikel 2:25 BW). In artikel 2:35 lid 4 BW staat dat de ontzetting, tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, door het bestuur geschiedt, en dat het lid van het besluit zo spoedig mogelijk schriftelijk, met opgave van redenen, in kennis wordt gesteld. Verder bepaalt artikel 2:35 lid 4 BW dat, tenzij de statuten een andere regeling van beroep bevatten, aan het lid beroep op de algemene vergadering of een daartoe bij de statuten aangewezen orgaan of derde open staat binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit. De statuten van PSV bevatten in artikel 7, vierde lid van de statuten een bepaling waarin (in lijn met artikel 2:35 lid 4 BW) staat dat een lid van de vereniging aan wie een besluit tot royement / ontzetting uit het lidmaatschap is medegedeeld, het recht heeft om binnen een maand na ontvangst van dat besluit in beroep te gaan bij de algemene ledenvergadering. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet het ontzette lid […]”

    r.o. 4.5 · lid 4

    ECLI:NL:RBOBR:2026:1973

  • Rechtbank Midden-Nederland · 7 oktober 2026

    Opzegging verenigingslidmaatschap na geëscaleerd conflict niet vernietigbaar of nietig

    Een schaakvereniging zegt het lidmaatschap van een lid op na een langdurig, geëscaleerd conflict met het bestuur. Het lid vordert vernietiging van het opzeggingsbesluit, nietigverklaring van de besluiten, schadevergoeding en rectificatie. De rechtbank toetst terughoudend aan de redelijkheid en billijkheid en oordeelt dat het bestuur in redelijkheid kon opzeggen. Het besluit is ook niet nietig, omdat het lid geen strijd met wet of statuten heeft onderbouwd, en de overige vorderingen worden afgewezen.

    ECLI:NL:RBMNE:2026:7177

  • Rechtbank Den Haag · 16 september 2026

    Onmiddellijke opzegging lidmaatschap coöperatie winkelcentrum; bijdrageplicht via derdenbeding eindigt

    Een coöperatieve vereniging van eigenaren van een winkelcentrum vordert achterstallige bijdragen van een voormalig lid dat zijn lidmaatschap met onmiddellijke ingang had opgezegd. De rechtbank oordeelt dat de opzegging op grond van artikel 2:36 BW rechtsgeldig is, omdat de bijdragen na de renovatie onevenredig zijn geworden. De bijdrageplicht uit het derdenbeding eindigt daarmee. Wel moet het voormalig lid een beperkte vergoeding betalen wegens ongerechtvaardigde verrijking.

    ECLI:NL:RBDHA:2026:26862

  • Rechtbank Limburg · 18 februari 2026

    Nietig sanctiebesluit commissie van beroep golfvereniging; ontzetting en bestuursverkiezing

    Een lid van een golfvereniging werd door het bestuur ontzet; de commissie van beroep vernietigde dat besluit en legde in plaats daarvan een schorsing op. De rechtbank oordeelt dat de bestuursverkiezing rechtsgeldig was, onder meer omdat op een groep leden gestemd mocht worden. De commissie van beroep had volgens de statuten en het huishoudelijk reglement echter geen bevoegdheid om zelf een sanctie op te leggen. Dat deel van haar besluit is nietig op grond van artikel 2:14 lid 1 BW.

    ECLI:NL:RBLIM:2026:1540