Titel 2. Verenigingen
Artikel 2:30 BW
In deze vorm in werking sinds 17 februari 1999, laatst gewijzigd bij Stb. 1999, 30
(Bijna) gelijk aan art. 2:73 BWC (Curaçao)
Een vereniging waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, kan geen registergoederen verkrijgen en kan geen erfgenaam zijn.
De bestuurders zijn hoofdelijk naast de vereniging verbonden voor schulden uit een rechtshandeling die tijdens hun bestuur opeisbaar worden. Na hun aftreden zijn zij voorts hoofdelijk verbonden voor schulden, voortspruitend uit een tijdens hun bestuur verrichte rechtshandeling, voor zover daarvoor niemand ingevolge de vorige zin naast de vereniging is verbonden. Aansprakelijkheid ingevolge een der voorgaande zinnen rust niet op degene die niet tevoren over de rechtshandeling is geraadpleegd en die heeft geweigerd haar, toen zij hem bekend werd, als bestuurder voor zijn verantwoording te nemen. Ontbreken personen die ingevolge de eerste of tweede zin naast de vereniging zijn verbonden, dan zijn degenen die handelden, hoofdelijk verbonden.
De bestuurders van een zodanige vereniging kunnen haar doen inschrijven in het handelsregister. Indien de statuten op schrift zijn gesteld, leggen zij alsdan een afschrift daarvan ten kantore van dat register neer.
Heeft de inschrijving, bedoeld in het vorige lid, plaatsgevonden, dan is degene die uit hoofde van lid 2 wordt verbonden slechts aansprakelijk, voor zover de wederpartij aannemelijk maakt dat de vereniging niet aan de verbintenis zal voldoen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:30 BW (4)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (1)
Verbod Bandidos-motorclub: corporatiebegrip en reikwijdte verbod voor zelfstandige chapters
Het openbaar ministerie vroeg verbod en ontbinding van de Nederlandse afdeling van een internationale motorclub wegens strijd met de openbare orde, en een verklaring voor recht over de internationale organisatie. De Hoge Raad bevestigt dat hoge eisen gelden voor een verzoek op grond van artikel 10:122 BW en dat het hof het corporatiebegrip juist toepaste. Een verbod op grond van artikel 2:20 BW treft alleen de rechtspersoon tegen wie het verzoek is gedaan, en dus niet lokale afdelingen die zelf informele vereniging en rechtspersoon zijn.
Conclusies van de A-G (3)
Verbodenverklaring en ontbinding informele vereniging (motorclub) op grond van artikel 2:20 BW
“Het thans geldende art. 2:20 lid 1 BW luidt als volgt: “Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.” In cassatie staat vast dat Satudarah een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid als bedoeld in art. 2:26 lid 1 jo. 2:30 lid 1 BW is (zie ook onder 1.1). Een dergelijke zogenoemde ‘informele vereniging’ bezit rechtspersoonlijkheid (zie ook art. 2:3 BW) en valt in zoverre onder de reikwijdte van art. 2:20 lid 1 BW.”
r.o. 2.2 · lid 1Verbod Bandidos: corporatiebegrip, informele vereniging en reikwijdte verbod ten aanzien van chapters
“[…] stelsel van rechtspersonen. Art. 2:3 BW vermeldt een aantal privaatrechtelijke rechtsvormen die rechtspersoonlijkheid bezitten, waaronder verenigingen. Een rechtspersoon is zelfstandig rechtssubject en drager van rechten en verplichtingen (vgl. art. 2:5 BW). Onder de rechtsvorm van de vereniging valt ook de informele vereniging, waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte (art. 2:30 lid 1 BW). Een informele vereniging heeft rechtspersoonlijkheid, maar haar rechtsbevoegdheid is beperkt: zij kan geen registergoederen verkrijgen en evenmin erfgenaam zijn (art. 2:30 lid 1 BW). Bij de vraag of een rechtspersoon is ontstaan, dient de rechtszekerheid voorop te staan. Voor de meeste privaatrechtelijke rechtspersonen is het bestaan eenvoudig vast te stellen, omdat zij bij notariële akte zijn opgericht, terwijl bovendien hun bestaan zal blijken uit een inschrijving in het handelsregister, hoewel dit laatste geen constitutief vereiste is. Daarentegen wordt een informele vereniging niet bij notariële akte opgericht. Het is uiteindelijk aan de rechter om vast te stellen dat sprake is van een informele vereniging. De vraag welke maatstaf de rechter hiervoor moet hanteren is […]”
r.o. 2.4 · lid 1“Art. 2:26 lid 2 BW vereist voor de oprichting van een vereniging een meerzijdige rechtshandeling. Ook voor het bestaan van een informele vereniging is een dergelijke oprichtingshandeling vereist. Bij gebreke daarvan kan de rechter de vereniging ontbinden, omdat aan haar totstandkoming gebreken kleven (art. 2:21 lid 1, onder a, BW). De oprichting van een informele vereniging is vormvrij, zodat voor een ‘club’ die zich als vereniging (rechtspersoon) is gaan gedragen moet worden aangenomen dat er een oprichtingshandeling is geweest. De oprichtingshandeling biedt dus weinig houvast voor het vaststellen dat een informele vereniging is ontstaan. De bestuurders van een informele vereniging kunnen haar doen inschrijven in het handelsregister (art. 2:30 lid 3 BW). Als inschrijving achterwege blijft, wat in de praktijk meestal het geval zal zijn, moet mede aan de hand van andere omstandigheden worden vastgesteld of een informele vereniging is ontstaan. De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgelaten over de vraag aan de hand van welke criteria moet worden vastgesteld dat sprake is van een informele vereniging.”
r.o. 3.29 · lid 3Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig
“[…] blijkt deze onderliggende trend mede uit het volgende. - Herziening art. 2:4 BW. Artikel 2:4 lid 1 BW bepaalt onder meer dat een rechtspersoon niet ontstaat bij het ontbreken van een door een notaris ondertekende akte voor zover door de wet voor de totstandkoming vereist. Dit laatste geldt voor alle privaatrechtelijke rechtspersonen in Boek 2 BW, behoudens de ‘informele’ vereniging (art. 2:30 BW). Is art. 2:4 lid 1 BW van toepassing, dan ontstaat de rechtspersoon niet omdat dat essentiële vereiste niet is vervuld, of anders gezegd: dan is de oprichtingshandeling nietig. Tot 1 juli 2011 behoorde ook de verklaring van geen bezwaar tot de essentiële vereisten, waarvan het ontbreken in art. 2:4 BW met nietigheid bedreigd was. Ontbrak die verklaring, of was op het moment van oprichting een termijn verstreken van drie maanden na dagtekening van die verklaring en was deze termijn niet verlengd (zie art. 2:64/175 lid 3 BW (oud)), dan ontstond de rechtspersoon niet. Met ingang van 1 juli 2011 is dat tweede essentiële vereiste dus komen te vervallen, waardoor de nietigheidsgrond van art. 2:4 lid 1 BW is versmald tot nog maar één essentieel vereiste en niet-naleving daarvan: het […]”
r.o. 4.40