← Alle artikelen

Titel 6. Stichtingen

Artikel 2:302 BW

In deze vorm in werking sinds 1 januari 1992, laatst gewijzigd bij Stb. 1989, 541

In kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken, inhoudende:

doorhaling, aanvulling of wijziging van het in het register ingeschrevene,

wijziging van de statuten van de stichting,

wijziging van of voorziening in het bestuur, of

vernietiging van een besluit tot wijziging van de statuten,

worden door de zorg van de griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was ingeschreven in het in artikel 289 van dit Boek genoemde register.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:302 BW (14)

Hoge Raad (1)

  • Hoge Raad · 20 april 2007

    Ontslag en schorsing stichtingsbestuurder ex artikel 2:298 BW wegens ongeoorloofde uitkeringen

    “[…] voorafgaand aan haar tussenbeschikking, waarin bij wijze van voorlopige voorziening [verzoeker] werd geschorst en [betrokkene 2] tot bestuurder werd benoemd. Onderdeel I.3 stelt zich op het standpunt dat het hof bij zijn oordeel in rov. 3.6 dat de inschrijving van de eindbeschikking van de rechtbank in het handelsregister een logisch uitvloeisel van die beschikking is, heeft miskend dat art. 2:302 BW aan de inschrijving van een dergelijke beschikking de eis stelt dat deze in kracht van gewijsde is gegaan, en dat deze inschrijving dient te geschieden door de zorg van de griffier.”

    r.o. 3.3.1

    ECLI:NL:HR:2007:AZ9324

Conclusies van de A-G (1)

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 april 2007

    Ontslag en schorsing stichtingsbestuurder wegens betalingen in strijd met statuten

    “In grief A7 heeft [verzoeker] gesteld dat de rechtbank in haar tussenbeschikking ten onrechte aan (de tijdelijk bestuurder) [betrokkene 2] heeft opgedragen opgaaf te doen van de (tussen)beschikking en van zijn gegevens in de daartoe bestemde registers. Aan het slot van r.o. 3.6 heeft het hof geoordeeld dat deze overweging van de rechtbank een logisch uitvloeisel is van haar (tussen)beschikking. Onderdeel I.3 acht dit oordeel van het hof onjuist. Gesteld wordt dat het hof daarmee heeft miskend dat op grond van art. 2:302 BW de beschikking van de rechtbank eerst in kracht van gewijsde moet zijn gegaan alvorens mag worden overgegaan tot het inschrijven van deze beschikking en van de gegevens van [betrokkene 2] in de daartoe bestemde registers en dat deze inschrijving dient te geschieden door de zorg van de griffier.”

    r.o. 2.15

    “Het onderdeel faalt, omdat de bestreden overweging de beslissing van het hof dat de rechtbank terecht [verzoeker] heeft geschorst en [betrokkene 2] tot voorlopig bestuurslid heeft benoemd, niet draagt. Dit betekent dat het onderdeel, ook al is zij gegrond, niet tot een voor [verzoeker] andere, gunstigere beslissing kan leiden zodat het wegens gemis aan belang dient te worden verworpen. Terzijde merk ik op dat het mij, met het oog op het belang van de Stichting en de belangen van derden, wenselijk lijkt dat opgaaf kan worden gedaan van de beslissing waarbij een bestuurder is geschorst in het register waar de betreffende stichting is ingeschreven. 3. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieverzoek. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Het gaat hier om de feiten zoals deze zijn vastgesteld door de rechtbank in haar (eind)beschikking van 24 februari 2005 en welke door het hof - kennelijk - evenzeer tot uitgangspunt zijn genomen. 2 'Toenmalig' omdat het bestuur op het moment van de betalingen bestond uit [verzoeker], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ([betrokkene 1] is op 12 juni 2001 als bestuurder aangetreden). 3 Ook [betrokkene 1] heeft […]”

    r.o. 2.16

    ECLI:NL:PHR:2007:AZ9324

Hoven en Ondernemingskamer (1)

Rechtbanken (11)