Titel 6. Stichtingen
Artikel 2:298 BW
In deze vorm in werking sinds 1 juli 2021, laatst gewijzigd bij Stb. 2020, 507
Een bestuurder kan op verzoek van een belanghebbende of van het openbaar ministerie door de rechtbank worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen, wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld of wegens het niet of niet behoorlijk voldoen aan een door de voorzieningenrechter van de rechtbank ingevolge artikel 297 gegeven bevel.
De rechtbank kan, hangende het onderzoek, voorlopige voorzieningen in het bestuur treffen en de bestuurder schorsen.
Een door de rechtbank ontslagen bestuurder kan gedurende vijf jaar na het ontslag geen bestuurder of commissaris van een stichting worden, tenzij de bestuurder mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Het in de voorgaande leden bepaalde is van overeenkomstige toepassing op commissarissen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:298 BW (43)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (7)
Belanghebbende bij verzoek tot ontslag stichtingsbestuur en ontbinding stichting
“[…] van het ANV; b. het besteden van die fondsen of de revenuen daarvan in overleg met het ANV; c. het financieel ondersteunen van de werkzaamheden van het ANV, alles in de ruimste zin.” ( v) Op aandringen van [verzoeker] is art. 3, onder c, bij een statutenwijziging in 2008 geschrapt. 3.2.1 [verzoeker] verzoekt in deze zaak primair alle bestuurders van de Stichting te ontslaan op grond van art. 2:298 BW en nieuwe bestuurders bij de Stichting te benoemen op grond van art. 2:299 BW, en subsidiair de Stichting op grond van art. 2:21 BW met onmiddellijke ingang te ontbinden en een onafhankelijke vereffenaar bij de Stichting te benoemen. Hij legt daaraan ten grondslag, kort samengevat, dat de Stichting met haar bestedingsbeleid in strijd handelt met de verplichtingen die uit het testament van [betrokkene 1] en de statuten van de Stichting voortvloeien. 3.2.2 De rechtbank heeft geoordeeld dat [verzoeker] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 2:298 lid 1 BW, respectievelijk art. 2:21 lid 4 BW, en heeft hem niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken. 3.2.3 Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft daartoe, voor zover in cassatie […]”
r.o. 3.1 · lid 1“[verzoeker] verzoekt in deze zaak primair alle bestuurders van de Stichting te ontslaan op grond van art. 2:298 BW en nieuwe bestuurders bij de Stichting te benoemen op grond van art. 2:299 BW, en subsidiair de Stichting op grond van art. 2:21 BW met onmiddellijke ingang te ontbinden en een onafhankelijke vereffenaar bij de Stichting te benoemen. Hij legt daaraan ten grondslag, kort samengevat, dat de Stichting met haar bestedingsbeleid in strijd handelt met de verplichtingen die uit het testament van [betrokkene 1] en de statuten van de Stichting voortvloeien.”
r.o. 3.2.1“De rechtbank heeft geoordeeld dat [verzoeker] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 2:298 lid 1 BW, respectievelijk art. 2:21 lid 4 BW, en heeft hem niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken.”
r.o. 3.2.2 · lid 1“[…] ondanks het schrappen van het desbetreffende onderdeel van het statutaire doel, (te veel) kosten van het ANV voor rekening van het [A]-fonds bracht. Naar het oordeel van het hof is het feit dat [verzoeker] zich (blijvend) betrokken heeft gevoeld bij deze kwestie en geregeld kritiek heeft geuit op het uitgavenbeleid van de Stichting, onvoldoende om hem als belanghebbende in de zin van art. 2:298 BW of art. 2:21 BW aan te merken. Ook in zoverre is [verzoeker] dus geen belanghebbende. Daarbij acht het hof mede van belang dat de in deze wetsbepalingen genoemde voorzieningen buitengewoon zwaar ingrijpen in (de governance van) de Stichting. Om dergelijke verzoeken te kunnen instellen, is een nauwere betrokkenheid bij de Stichting noodzakelijk dan de betrokkenheid die [verzoeker] bij het bestedingsbeleid van de Stichting heeft getoond. Dit geldt te meer daar (a) het ANV op grond van (i) de statutaire inrichting van zowel de Stichting als het ANV zelf en (ii) de verwevenheid van het vermogen van het ANV en de Stichting, een nauwere betrokkenheid dan [verzoeker] heeft bij het bestedingsbeleid van de Stichting en (b) [verzoeker] binnen het ANV onvoldoende gehoor heeft gevonden voor […]”
r.o. 3.2.3Bevoegdheden van door de rechter benoemde tijdelijk bestuurder van stichting
“Bij de beoordeling van onderdeel 1 is, in cassatie onbestreden, uitgangspunt dat een op de voet van art. 2:298 lid 2 BW door de rechter te treffen voorlopige voorziening kan inhouden dat een tijdelijke bestuurder van de stichting wordt benoemd. Bij de uitleg van deze bepaling kan aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in art. 2:22 BW en de regeling van een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a BW dan wel die van de voorzieningen van art. 2:356 BW in verbinding met art. 2:357 lid 2 en 3 BW.”
r.o. 3.5.1 · lid 2“Onderdeel 2 strekt ten betoge dat het hof heeft miskend dat het benoemen van nieuwe bestuurders door een tijdelijke bestuurder in strijd is met (de strekking en systematiek van) art. 2:298 BW en art. 2:8 BW, met welke strekking niet verenigbaar is dat een tijdelijke bestuurder besluiten neemt waardoor de door de rechter getroffen voorlopige voorziening wordt doorkruist of kan worden doorkruist, dan wel waardoor het (eind)oordeel over het ontslag van de desbetreffende bestuurder niet meer aan de rechter is. Ook dit onderdeel gaat uit van de onjuiste rechtsopvatting dat een tijdelijke bestuurder in beginsel niet bevoegd is een of meer nieuwe bestuurders te benoemen. Als de rechter, zoals in dit geval, aan de tijdelijke bestuurder alle wettelijke en statutaire bevoegdheden heeft gegeven, behoort daartoe mede de bevoegdheid tot de benoeming en het ontslag van bestuurders overeenkomstig de daaromtrent volgens de wet en de statuten geldende regels. Blijkens de hiervoor in 3.3 onder a) en e) vermelde, in cassatie niet bestreden oordelen van het hof voldoen de besluiten aan voormelde regels en moet worden aangenomen dat [betrokkene 1] ook overigens niet heeft gehandeld in strijd met art. […]”
r.o. 3.7Ontslag en schorsing stichtingsbestuurder ex artikel 2:298 BW wegens ongeoorloofde uitkeringen
“Het openbaar ministerie heeft in een op 19 november 2004 ter griffie van de rechtbank te Almelo ingediend verzoekschrift verzocht op grond van art. 2:298 BW de bestuurders van de Stichting, onder wie [verzoeker] en [betrokkene 1], te ontslaan, hen in afwachting van de uitspraak van de rechtbank als zodanig te schorsen en [betrokkene 2] tot nieuw bestuurslid te benoemen. Bij tussenbeschikking van 24 november 2004 heeft de rechtbank [verzoeker] en [betrokkene 1] in afwachting van de uitspraak op het verzoek tot hun ontslag als bestuurders van de Stichting, dan wel het tijdstip waarop de uitspraak in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, als bestuurders geschorst en [betrokkene 2] voorlopig, tot aan het tijdstip dat de beschikking met betrekking tot het verzoek om ontslag onherroepelijk zal zijn geworden, dan wel dat het ontslag zal zijn ingegaan, tot nieuw bestuurslid benoemd. De rechtbank heeft bij eindbeschikking van 24 februari 2005 [verzoeker] en [betrokkene 1] als bestuurders van de Stichting ontslagen en [betrokkene 2] benoemd tot nieuw bestuurslid van de Stichting. In het door [verzoeker] ingestelde hoger beroep heeft het hof bij de bestreden beschikking beide beschikkingen […]”
r.o. 3.2“Onderdeel I.2 wordt eveneens tevergeefs voorgesteld. Voorzover het onderdeel berust op de opvatting dat een verzoek ingevolge art. 2:298 lid 2 BW tot het treffen van voorlopige voorzieningen als de onderhavige nimmer kan worden toegewezen zonder dat de betrokken bestuurder vooraf is gehoord, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is. In het algemeen dient de rechter niet te beslissen zonder een dergelijk verhoor vooraf. Het bepaalde in art. 19 Rv. of art. 6 EVRM staat echter niet eraan in de weg dat de rechter met het oog op de ernst van de aan het verzoek tot schorsing van een bestuurder en benoeming van een tijdelijk bestuurder ten grondslag gelegde feiten of de spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen, tot het treffen daarvan overgaat zonder de betrokken bestuurder vooraf te horen. Bij de verdere behandeling van het verzoek tot ontslag van de voorlopig geschorste bestuurder dient de rechter dan, eventueel na een verzoek tot vervroegde mondelinge behandeling, te beoordelen of de gronden tot het treffen van de voorlopige voorzieningen en de noodzaak tot het handhaven daarvan nog steeds bestaan, en zijn oordeel dienaangaande, indien hetgeen de geschorste […]”
r.o. 3.3.3 · lid 2“[…] een zelfstandig en voldoende ernstig verwijt schuilt om het ontslagverzoek toe te wijzen. Het middel voert aan dat het hof zijn oordeel niet (of niet voldoende duidelijk) heeft gebaseerd op de maatstaf die blijkt uit HR 3 januari 1975, NJ 1975, 222, met betrekking tot de toepassing van het destijds geldende art. 12 Wet op Stichtingen, welke maatstaf evenzeer geldt voor de toepassing van art. 2:298 lid 1, onder a, BW. Deze houdt in dat een doen of nalaten in strijd met de statuten slechts een grond voor ontslag oplevert, indien op het moment van het handelen in strijd met de statuten redelijkerwijs geen verschil van mening over de onrechtmatigheid hiervan mogelijk was, althans indien dit doen of nalaten kennelijk in strijd met de bepalingen van de statuten was. In dit verband doet het middel onder meer een beroep op in onderdeel II.6 gedeeltelijk aangehaalde, aan de Stichting uitgebrachte fiscale adviezen van Ernst & Young en Ruitenbeek.”
r.o. 3.4.1 · lid 1“Het middel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het hof in rov. 3.12 komt erop neer dat door bestuursleden zeer substantiële, als schenkingen aangeduide uitkeringen van de Stichting zijn ontvangen waar, anders dan bij de in het verleden betaalde en destijds kostendekkende vergoedingen, geen reële onkosten tegenover stonden. Dergelijke (op de periode tot 19 december 2000 betrekking hebbende) uitkeringen zijn volgens het hof in strijd met de expliciete uitsluiting van geldelijk voordeel voor de bestuursleden in de tot 19 september 2000 geldende statuten. Voorts overwoog het hof dat zelfs in het geval dat moet worden aangenomen dat deze uitkeringen, waaronder de als schenking aangeduide betaling aan [verzoeker] van ƒ 105.000,-- op 19 december 2000, betrekking hadden op de periode na de statutenwijziging van 19 september 2000, die uitkeringen moeten worden gezien als vergoedingen die losstaan van enige activiteit als bestuurder. Gelet op de omvang daarvan kan voor deze vergoedingen evenmin enige rechtvaardiging worden gevonden, mede gezien het feit dat de Stichting noch op dat moment, noch nadien, over een reglement beschikte waarin […]”
r.o. 3.4.2Ontslag stichtingsbestuurders ex artikel 2:298 BW: belanghebbende en uitvoerbaarverklaring bij voorraad
“[…] Kort samengevat gaat het om het volgende. De Stichting is in 1993 opgericht door [verzoeker 1]. Ten tijde van de oprichting van de Stichting waren [verzoeker 1] en [verzoeker 2] bestuurders. Sinds 1 januari 1997 was [verweerder 1] het derde bestuurslid. Na enige verwikkelingen heeft [verweerder 1] op 12 januari 2004 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank, waarin hij op grond van art. 2:298 BW heeft verzocht om [verzoeker 1] en [verzoeker 2] te ontslaan als bestuurders van de Stichting en bij wege van voorlopige voorziening, hangende het onderzoek, [verzoeker 1] en [verzoeker 2] te schorsen als bestuurders van de Stichting met benoeming van een derde tot bestuurder. Eveneens op 12 januari 2004 is [verweerder 1], met onmiddellijke ingang, door [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ontslagen als bestuurder van de Stichting. De rechtbank heeft in haar eindbeschikking geoordeeld dat [verzoeker 2] en [verzoeker 1] in strijd met de statuten (art. 8 lid 6 en art. 9 lid 1) en de wet (art. 2:9 BW) hebben gehandeld en dat zij zich tevens hebben schuldig gemaakt aan wanbeheer. Op deze gronden heeft de rechtbank [verzoeker 1] en [verzoeker 2] als bestuurders van de Stichting ontslagen. […]”
r.o. 3.1“Onderdeel 2, in het aanvullend cassatierekest aangevuld naar aanleiding van het ter beschikking komen van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, is gericht tegen het oordeel van het hof (rov. 7-9) dat [verweerder 1] als belanghebbende in de zin van art. 2:298 BW is aan te merken.”
r.o. 3.4.1“Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat in art. 2:298 BW niet in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, en dat dit uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Vgl. HR 6 juni 2003, nr. R02/078, NJ 2003, 486.”
r.o. 3.4.2“Onderdeel 4 is, naar de kern genomen, gericht tegen de verwerping door het hof (rov. 27) van het betoog van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] dat een beschikking op grond van art. 2:298 BW waarbij bestuurders worden ontslagen, naar haar aard niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard kan worden.”
r.o. 3.6.1Verzoek tot ontslag stichtingsbestuurder; cassatieberoep verworpen op grond van artikel 81 RO
In deze zaak ging het om een verzoek tot ontslag van een bestuurder van een stichting op grond van de artikelen 2:298 en 2:299 BW. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep tegen de bekrachtigende beschikking van het hof met een verwijzing naar artikel 81 RO, omdat de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Ontslag en schorsing stichtingsbestuurders ex artikel 2:298 BW; cassatie verworpen (81 RO)
Bestuurders van een stichting verzoeken ontslag en schorsing van twee mede-bestuurders op grond van artikel 2:298 BW; in reconventie wordt het ontslag van een van hen verzocht. Het hof bekrachtigt het ontslag van die bestuurder en schorst hem. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met artikel 81 RO.
Ontbinding van drie stichtingen wegens onvoldoende vermogen; cassatieberoep verworpen (artikel 101a RO)
Een stichting en een gemeente verzochten drie stichtingen te ontbinden op grond van artikel 2:301 BW, omdat zij onvoldoende vermogen hadden en hun statutaire doel niet meer konden bereiken. Rechtbank en hof wezen dit toe. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een van de bestuurders met een korte motivering op grond van artikel 101a RO.
Conclusies van de A-G (16)
Enquête Nexperia: ex parte onmiddellijke voorzieningen en hoor en wederhoor (artikel 2:349a BW)
“[…] uit te laten, de omstandigheden van het concrete geval zodanig bijzonder kunnen zijn dat de rechter met spoed voorlopig op dat verzoek beslist zonder de belanghebbende(n) te horen. Geen wet van Meden en Perzen derhalve. 4.18.4 Illustratief is de volgende passage uit een Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007: “(…) Voorzover het onderdeel berust op de opvatting dat een verzoek ingevolge art. 2:298 lid 2 BW tot het treffen van voorlopige voorzieningen als de onderhavige nimmer kan worden toegewezen zonder dat de betrokken bestuurder vooraf is gehoord, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is. In het algemeen dient de rechter niet te beslissen zonder een dergelijk verhoor vooraf. Het bepaalde in art. 19 Rv. of art. 6 EVRM staat echter niet eraan in de weg dat de rechter met het oog op de ernst van de aan het verzoek tot schorsing van een bestuurder en benoeming van een tijdelijk bestuurder ten grondslag gelegde feiten of de spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen, tot het treffen daarvan overgaat zonder de betrokken bestuurder vooraf te horen. Bij de verdere behandeling van het verzoek tot ontslag van de voorlopig geschorste bestuurder dient de […]”
r.o. 4.18 · lid 2“Illustratief is de volgende passage uit een Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007: “(…) Voorzover het onderdeel berust op de opvatting dat een verzoek ingevolge art. 2:298 lid 2 BW tot het treffen van voorlopige voorzieningen als de onderhavige nimmer kan worden toegewezen zonder dat de betrokken bestuurder vooraf is gehoord, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is. In het algemeen dient de rechter niet te beslissen zonder een dergelijk verhoor vooraf. Het bepaalde in art. 19 Rv. of art. 6 EVRM staat echter niet eraan in de weg dat de rechter met het oog op de ernst van de aan het verzoek tot schorsing van een bestuurder en benoeming van een tijdelijk bestuurder ten grondslag gelegde feiten of de spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen, tot het treffen daarvan overgaat zonder de betrokken bestuurder vooraf te horen. Bij de verdere behandeling van het verzoek tot ontslag van de voorlopig geschorste bestuurder dient de rechter dan, eventueel na een verzoek tot vervroegde mondelinge behandeling, te beoordelen of de gronden tot het treffen van de voorlopige voorzieningen en de noodzaak tot het handhaven daarvan nog steeds bestaan, en zijn oordeel […]”
r.o. 4.18.4 · lid 2“Waar de omstandigheden van het concrete geval de rechter aanleiding geven met spoed voorlopig op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te beslissen zonder de belanghebbende(n) te horen, kan, voor zover dan nodig, de wettelijke basis voor een uitzondering in de zin van art. 19 lid 1 Rv gevonden worden: in de algemene regeling inzake voorlopige voorzieningen van art. 223 Rv, waar deze zich leent voor overeenkomstige toepassing in de desbetreffende verzoekschriftprocedure; of in een bijzondere regeling inzake voorlopige voorzieningen, zoals in Boek 2 BW te vinden is in het stichtingenrecht (art. 2:298 lid 2 BW), en in het enquêterecht (art. 2:349a lid 2-3 BW), waarbij aan overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv niet wordt toegekomen. Ik schrijf “voor zover dan nodig”, nu in de literatuur wel lijkt te worden aangenomen dat een dergelijk spoedeisend geval een afzonderlijke categorie betreft, naast het geval waarin een (uitdrukkelijke) wettelijke basis voor een uitzondering in zin van art. 19 lid 1 Rv is vereist en bestaat, zoals het reeds genoemde art. 700 Rv. De rechtspraak van het EHRM biedt hiertoe trouwens ook een aanknopingspunt.”
r.o. 4.18.6 · lid 2“Bezien tegen deze achtergrond voert het subonderdeel m.i. geen overtuigende redenen aan waarom hetgeen in het kader van het treffen van voorlopige voorzieningen als bijvoorbeeld bedoeld in art. 223 Rv en art. 2:298 lid 2 BW door de Hoge Raad is goedgekeurd, en mogelijk wordt geacht als freezing order op de voet van art. 254 Rv in een kort geding, en bovendien uitdrukkelijk in uitzonderlijke (spoedeisende) gevallen is toegelaten door het EHRM, niet mogelijk zou (moeten) zijn in het kader van het treffen van onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a lid 2-3 BW. Kort en goed, voor zover al een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is vereist voor ex parte onmiddellijke voorzieningen is die er hier, te weten art. 2:349a lid 2-3 BW. Daarop stuit de rechtsklacht in het subonderdeel af. Ik licht dit hierna verder toe voor zover nodig, onder verwijzing naar relevante randnummers in de PI. 4.19.1 In PI 45 wordt de onder 4.18.4 hiervoor bedoelde Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007 verkeerd gelezen, voor zover tot uitgangspunt wordt genomen dat de Hoge Raad in die uitspraak geen wettelijke basis als bedoeld in art. 19 lid 1 Rv heeft aangewezen. De wettelijke basis die in die […]”
r.o. 4.19 · lid 2Belanghebbende bij herroeping van beschikking tot wijziging stichtingsdoel (artikel 2:294 BW)
“[…] stichting slechts één orgaan: het bestuur (zie mede art. 2:291 BW). In de praktijk is dit laatste het normaaltype. Nu in het wettelijke systeem een intern toezichthoudend orgaan ontbreekt, en collegiaal bestuurlijk toezicht - een vorm van intern toezicht - niet altijd mogelijk of afdoende is, vertrouwt de wet het toezicht op het bestuur van een stichting toe aan de rechter (zie bijvoorbeeld art. 2:298 BW).”
r.o. 3.6“Uit art. 2:294 lid 1 BW volgt dat het hier gaat om een verzoekschriftprocedure die kan worden ingeleid door “een oprichter, het bestuur of het openbaar ministerie”. Een belanghebbende kan aldus niet een dergelijke procedure entameren, anders dan in het stichtingenrecht wel het geval is in procedures op de voet van bijvoorbeeld art. 2:295, 2:298, 2:299 of 2:301 BW. Dit betekent evenwel niet dat belanghebbenden in een art. 2:294 BW-procedure niet gehoord kunnen worden. In de parlementaire geschiedenis wordt hierover opgemerkt dat de rechter een belanghebbende kan horen en dat een belanghebbende bovendien van de beschikking in hoger beroep of cassatie kan komen. Wat betreft de huidige mogelijkheid om een rechtsmiddel in te stellen tegen een beschikking op grond van art. 2:294 BW geldt een van art. 358 Rv afwijkende lex specialis in art. 996, aanhef en onder d Rv. Dit laatste artikel bepaalt dat in zaken met betrekking tot wijziging van de statuten van een stichting hoger beroep moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van de eindbeschikking.”
r.o. 3.16“[…] beschikking overwoog de Hoge Raad - na vooropstelling van de relevante maatstaf - onder meer dat een bepaald onderdeel slaagt, nu zonder nadere motivering niet valt in te zien dat de verzoeker niet als belanghebbende in de tweede kring kan worden aangemerkt: 4.1.3 Het oordeel van het hof in rov. 2.9 en rov. 2.11 [dat [verzoeker] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 2:298 BW, art. 2:299 BW en art. 2:21 BW, A-G] moet aldus worden begrepen dat [verzoeker] niet zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, te weten het bestedingsbeleid van de Stichting, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. 4.1.4 Het onderdeel [onderdeel 1.5, dat klaagt dat voornoemde oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, A-G] slaagt. Vast staat dat [verzoeker] (a) van 2004 tot 2012 bestuurder van het ANV is geweest, dus in een periode dat de Stichting de fondsen van haar oprichtster, het ANV, beheerde en administreerde, (b) sinds 2009 bestuurslid is van de ANV-afdeling Nederland, (c) zich in het verleden ervoor heeft sterk gemaakt dat de hiervoor in 3.1 onder (iv) bedoelde […]”
r.o. 3.21“Het oordeel van het hof in rov. 2.9 en rov. 2.11 [dat [verzoeker] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 2:298 BW, art. 2:299 BW en art. 2:21 BW, A-G] moet aldus worden begrepen dat [verzoeker] niet zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, te weten het bestedingsbeleid van de Stichting, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.”
r.o. 4.1.3Gezag van gewijsde van beschikking ex artikel 2:298 BW over ontslag stichtingbestuurder
“Op 23 november 2017 heeft [verweerder 2] de rechtbank Den Haag op de voet van art. 2:298 BW verzocht [eiser] (ook) als bestuurder van De Drie Geuzen te ontslaan, “voor zover uw Rechtbank mocht besluiten dat [eiser] niet reeds bij ontslagbesluit [de onder 1.3 hiervoor genoemde brief van 26 april 2017, A-G] rechtsgeldig als bestuurder van de Stichting [De Drie Geuzen, A-G] is ontslagen” (hierna: de verzoekschriftprocedure).”
r.o. 1.6“Bij beschikking van 3 mei 2018 (hierna: de beschikking) heeft de rechtbank (hierna: de rekestenrechter) op dat verzoek beslist. De rekestenrechter heeft overwogen dat het verzoek is gebaseerd op art. 2:298 BW, op grond waarvan een bestuurder in de daar genoemde omstandigheden door de rekestenrechter kan worden ontslagen. Vervolgens heeft de rekestenrechter overwogen dat deze, om te kunnen beslissen op het verzoek, eerst moest vaststellen of [eiser] op dat moment nog bestuurder van De Drie Geuzen was. De rekestenrechter heeft daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. De rekestenrechter heeft bij dat oordeel onder meer de statutaire bepalingen voor een besluit buiten vergadering van het bestuur van De Drie Geuzen betrokken, en ook de statutaire bepalingen omtrent het ontslag van een bestuurder. De rekestenrechter is tot de slotsom gekomen dat [eiser] op 25 april 2017 overeenkomstig de daarvoor geldende statutaire bepalingen rechtsgeldig is ontslagen als bestuurder van De Drie Geuzen. In het verlengde daarvan heeft de rekestenrechter geoordeeld dat het verzoek tot ontslag van [eiser] moest worden afgewezen, omdat hij al vanaf de datum van zijn ontslag geen bestuurder van De Drie […]”
r.o. 1.7“Omdat de klachten in onderdelen 1 en 2 voornamelijk betrekking hebben op het leerstuk van het gezag van gewijsde stel ik ten aanzien daarvan, voor zover relevant voor het onderhavige geval, enkele zaken voorop voordat ik tot behandeling van de (sub)onderdelen overga. Ik zal daarbij eerst en voornamelijk ingaan (onder a) op hetgeen wordt aangeduid als de objectieve omvang van het gezag van gewijsde. Geen klachten zijn namelijk gericht tegen rov. 3.8 en 3.14 van het arrest, waarin het hof oordeelt over het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking respectievelijk de subjectieve omvang van het gezag van gewijsde. Daarna zal ik stilstaan (onder b) bij de vraag in hoeverre art. 236 Rv, dat spreekt van vonnissen, ook op een beschikking ex art. 2:298 BW kan worden toegepast. Ik kies hier voor deze volgorde, nu genoemde vraag zich m.i. beter laat uitwerken wanneer het relevante kader van het gezag van gewijsde-leerstuk, zoals neergelegd in art. 236 Rv, reeds is gegeven.”
r.o. 3.2“Daarbij wijs ik verder erop dat, voor zover in cassatie relevant, de achtergrond van de beschikking mede gelegen is in (de beoordeling van) een verzoekschrift op de voet van art. 2:298 BW en de achtergrond van het arrest, evenals het daaraan voorafgaande vonnis, mede gelegen is in (de beoordeling van) een vordering op de voet van art. 2:15 BW. Op grond van art. 2:298 BW kan de rechtbank, kort gezegd, desverzocht een bestuurder van een stichting ontslaan als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Op grond van art. 2:15 BW kan de rechtbank, kort gezegd, desgevorderd een besluit van een rechtspersoon vernietigen als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. a. Objectieve omvang van het gezag van gewijsde”
r.o. 3.4Concernenquête SNS Reaal en SNS Bank; obligatiehouders als belanghebbenden
“Dat de kring van belanghebbenden ruimer wordt getrokken dan de rechtstreeks betrokkenen bij de rechtspersoon is recent nog eens bevestigd door de Hoge Raad in de Stichting ANV Fondsen-zaak. In die zaak ging het om een belanghebbende in de zin van art. 2:298 BW, 2:299 BW en 2:21 lid 4 BW bij een stichting. Voor de vraag wie in de zin van deze bepalingen kwalificeert als belanghebbende geldt ook de maatstaf uit de Scheipar-beschikking. In mijn conclusie voor de Stichting ANV Fondsen-beschikking merkte ik op dat bij de toepassing van het belanghebbende-begrip enerzijds moet worden voorkomen dat door een te beperkte uitleg van het belanghebbende-begrip de desbetreffende bepaling een “papieren tijger” wordt en anderzijds door een te ruime uitleg de bepaling een actio popularis wordt. Bij het belanghebbende-begrip in het enquêterecht bestaat mijns inziens ook een dergelijk spanningsveld. Enerzijds kan het, mede gelet op het bereiken van de doelstellingen van het enquêterecht, waarnaar in de Scheipar-beschikking (rov. 3.3.3, weergeven onder 3.12 hiervoor) wordt verwezen, aangewezen zijn dat een belanghebbende in de enquêteprocedure kan verschijnen. Anderzijds wordt in het enquêterecht […]”
r.o. 3.18Belanghebbende bij ontslag stichtingsbestuur en ontbinding stichting; tweekringenleer
“[verzoeker] (hierna: [verzoeker] ) heeft bij de rechtbank Den Haag op 18 januari 2016 een verzoekschrift ingediend op grond van art. 2:298 BW, 2:299 BW en 2:21 BW. [verzoeker] heeft de rechtbank primair verzocht alle bestuurders van de Stichting met onmiddellijke ingang te ontslaan en een nieuw, onafhankelijk, bestuur bij de Stichting te benoemen. Subsidiair heeft hij verzocht de Stichting te ontbinden met onmiddellijke ingang en een onafhankelijke vereffenaar bij de Stichting te benoemen.”
r.o. 2.1“De Stichting heeft het verzoek van [verzoeker] zowel op formele als op inhoudelijke gronden bestreden. Als meest verstrekkende verweer voert de Stichting aan dat [verzoeker] geen belanghebbende is in de zin van de art. 2:298 lid 1 BW en 2:21 lid 4 BW en daarom niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken.”
r.o. 2.3 · lid 1“[verzoeker] is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank. [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij wel belanghebbende is. Het hof Den Haag heeft de uitspraak van de rechtbank bij beschikking van 25 april 2017 bekrachtigd en overweegt daartoe als volgt: “2.8.1 Ter zake van het begrip “belanghebbende” in artikel 2:298 BW heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007, 45, het volgende overwogen: “3.4.2 Bij de beoordeling (…) moet worden vooropgesteld dat in art. 2:298 BW niet in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, en dat dit uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te […]”
r.o. 2.5“[…] binnen het bestuur of als gewoon lid via de afdeling Nederland in de algemene ledenvergadering) aan de orde kon respectievelijk kan stellen, hetgeen hij overigens ook – zonder succes – heeft gedaan. De tussenconclusie is dat [verzoeker] ’ (bestuurs)lidmaatschap van het ANV onvoldoende grond is om hem in deze procedure met betrekking tot de Stichting als belanghebbende in de zin van artikel 2:298 BW BW dan wel artikel 2:21 BW aan te merken.”
r.o. 2.9Ontslag stichtingsbestuurder: belanghebbendheid en wanbeheer, artikel 2:298/299 BW (conclusie A-G: verwerping)
“[Verweerster] heeft tot haar verweer onder meer aangevoerd dat [verzoeker] c.s. geen belanghebbenden zijn in de zin van de artikelen 2:298 en 299 BW. Voorts heeft [verweerster] zich erop beroepen dat zij eigenares van de boedel is geworden en dat [verzoeker] c.s. slechts een vordering ter grootte van hun legitieme portie op haar hebben. [Verweerster] heeft aangevoerd dat zij op het vermogen mag interen en dat zij niet gehouden is zekerheid te stellen.”
r.o. 3.3“Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat [verzoeker] c.s. geen belanghebbenden zijn in de zin van de artikelen 2:298 en 299 BW, zodat hun verzoek wordt afgewezen. [Verzoeker] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld."”
r.o. 5.2“Bij beschikking(4) van 20 april 2010 heeft het Hof geoordeeld dat de rechtbank [verzoeker 2] en [verzoekster 3] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. [Verzoeker 1] kan (in hoger beroep) wel worden ontvangen, maar het Hof oordeelt dat het hoger beroep faalt. Het oordeel van het Hof luidt, voor zover hier van belang, met betrekking tot de vraag of [verzoeker] c.s. belanghebbenden zijn: "2.12 Het hof zal allereerst beoordelen of [verzoeker] c.s. als belanghebbenden in de zin van de artikelen 2:298 en 299 BW kunnen worden aangemerkt. Per 1 oktober 2008 is appellant sub 1 [verzoeker 1], zoals [verzoeker] c.s. onweersproken hebben gesteld, houder geworden van een twaalfde deel van de certificaten uitgegeven door de Stichting. Daarmee staat genoegzaam vast dat [verzoeker 1] in ieder geval thans belanghebbende is zodat het verzoek, voor zover door hem gedaan, kan worden ontvangen. In zoverre slaagt grief 2.”
r.o. 3.6“[…] van hun vorderingen op [verweerster] niet aantast. [Verweerster] is bovendien gerechtigd om op het vermogen van de nalatenschap in te teren en is niet gehouden zekerheid te stellen voor de vorderingen van [verzoeker 2] en [verzoekster 3]. Onder deze omstandigheden hebben [verzoeker 2] en [verzoekster 3] onvoldoende redelijk en direct belang om hen als belanghebbende in de zin van de artikelen 2:298 en 2:299 BW aan te merken. Grief 2 faalt daarom voor het overige." Het Hof beoordeelt vervolgens het verzoek, voor zover namens [verzoeker 1] ingediend, inhoudelijk. De relevante overwegingen zijn: "2.15 Ontslag van een bestuurder van een stichting door de rechter kan op de voet van artikel 2:98 BW [hier is kennelijk bedoeld 2:298 BW, LT] plaatsvinden indien de bestuurder heeft gehandeld in strijd met de wet of de statuten dan wel indien sprake is van wanbeheer. Voor ontslag op grond van strijd met de wet of de statuten bestaat aanleiding indien sprake is van uitgesproken onrechtmatigheid van handelen of nalaten; van wanbeheer is sprake bij tekortkomingen ten aanzien van het beheer over het vermogen of de zorg voor het verkrijgen van inkomsten van de stichting (HR 3 januari 1975, NJ […]”
r.o. 2.13Bevoegdheden van door rechter benoemde tijdelijk bestuurder van stichting; benoeming en ontslag bestuurders
“Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 24 november 2004 is [eiseres], samen met haar toenmalige medebestuurders van de [A]-stichting (hierna: de Stichting), op verzoek van het Openbaar Ministerie geschorst als bestuurder met benoeming van [betrokkene 1] tot tijdelijk bestuurder. Bij beschikking van dezelfde rechtbank van 24 februari 2005 is [eiseres] ontslagen als bestuurder van de Stichting wegens wanbeheer als bedoeld in art. 2:298 BW en is [betrokkene 1] benoemd tot permanent bestuurder van de Stichting. Nadien heeft [betrokkene 1] [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3] benoemd tot bestuurder van de Stichting. In die hoedanigheid zijn zij allen ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. [Verweerder 1] is met ingang van 8 maart 2005 in functie getreden als bestuurslid van de Stichting, [verweerder 2] per 9 mei 2005 en [verweerder 3] per 18 juli 2005.”
r.o. 1.1“Onderdeel 1 klaagt dat het hof heeft miskend: (i) dat [betrokkene 1] als op grond van art. 2:298 lid 2 benoemde voorlopig bestuurder van de Stichting niet de bevoegdheid had aangelegenheden (waaronder (mede) begrepen besluitvorming en uitvoering daarvan) aan zich te trekken die uitstel konden verdragen, althans dat de omstandigheid dat [betrokkene 1] als voorlopig bestuurder van de Stichting (krachtens de beschikking van de Rechtbank Almelo d.d. 24 november 2004) (in beginsel) de bevoegdheden had die de wet en de statuten van de Stichting aan de bestuurder(s) c.q. het bestuur van de Stichting toekenden, niet wegnam dat deze bevoegdheden moesten worden aangewend voor die aangelegenheden die geen uitstel konden verdragen; en/of (ii) dat tot vorenbedoelde aangelegenheden niet, althans niet zonder meer, behoorde de benoeming van drie nieuwe bestuurders door de voorlopige bestuurder, althans niet (zonder meer) behoorde de benoeming door de voorlopige bestuurder van drie nieuwe bestuurders met benoemingstermijnen die niet overeenkwamen met de benoemingstermijn van de voorlopige bestuurder, te weten tot aan het tijdstip dat de beschikking met betrekking tot het verzoek om ontslag van […]”
r.o. 3.2 · lid 2“De klachten in subonderdeel (i) kunnen naar mijn mening niet tot cassatie leiden. De Rechtbank Almelo heeft [betrokkene 1] bij beschikking van 24 november 2004(3) bij wijze van voorlopige voorziening krachtens art. 2:298 lid 2 BW tot voorlopig bestuurder benoemd en bepaald dat zijn bevoegdheden bestaan uit hetgeen daartoe bij wet en krachtens de statuten van de Stichting is bepaald. Deze beschikking is door het hof Arnhem op 10 oktober 2005(4) bekrachtigd. Met de beschikking van Uw Raad van 8 juni 2007(5) stond in rechte vast dat [betrokkene 1] de door de rechtbank Almelo op 24 november 2004 toegekende bevoegdheden tot 8 juni 2007 had. Het hof neemt het bestaan van deze bevoegdheden in het bestreden arrest dan ook terecht tot uitgangspunt. Het middel gaat m.i. uit van de onjuiste rechtsopvatting dat een krachtens art. 2:298 lid 2 BW benoemde voorlopig bestuurder slechts bevoegd is te handelen in zaken die geen uitstel kunnen verdragen. Art. 2:298 BW inzake ontslag en schorsing van bestuurders van een stichting luidt: "1. Een bestuurder die: a. iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten, dan wel zich schuldig maakt aan wanbeheer, of b. niet of […]”
r.o. 3.3 · lid 2“Onderdeel 2 klaagt dat het hof miskend heeft dat het in strijd is met (de strekking en/of systematiek van) art. 2:298 BW (en/of art. 2:8 BW) indien de krachtens art. 2:298 BW bij wege van voorlopige voorziening benoemde bestuurder ([betrokkene 1]) vervolgens definitieve voorzieningen in het bestuur zou kunnen treffen (i.c. de benoeming van drie nieuwe bestuurders, althans de benoeming van drie nieuwe bestuurders voor termijnen die niet overeenkomen met de benoemingstermijn van de voorlopig benoemde bestuurder, waarmee immers de door de rechter getroffen voorlopige voorziening wordt doorkruist of kan worden doorkruist) en/of (samen met de door hem benoemde nieuwe bestuurders ) de bestuurder wiens ontslag op grond van art. 2:298 BW is verzocht, zou kunnen ontslaan (waarmee immers het (eind)oordeel over het ontslag van de desbetreffende bestuurder (uiteindelijk) niet aan de rechter maar aan een door deze rechter voorlopig benoemd bestuurder zou (kunnen) zijn). Het onderdeel voert aan dat vorenstaande (wellicht) anders zou kunnen zijn onder bijzondere, door het hof in het onderhavige geval niet vastgestelde(13), omstandigheden zoals nieuwe en/of andere omstandigheden die bij de […]”
r.o. 3.9Ontslag en schorsing stichtingsbestuurders artikel 2:298 BW; maatstaf wanbeheer en statutenschending
“Op 16 december 2004 hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] een verzoekschrift ingediend bij de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht, waarin zij op grond van art. 2:298 lid 1 onder a BW de rechtbank hebben verzocht om [verweerder 1] en [verweerder 2] te ontslaan als bestuurders van de Stichting en hen, hangende het onderzoek, te schorsen conform art. 2:298 lid 2 BW. Daartoe hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] aangevoerd dat [verweerder 1] en [verweerder 2] handelen in strijd met de bepalingen van de wet of de statuten dan wel dat zij zich schuldig maken aan wanbeheer, nu zij (i) de (voortgezette) samenwerkingsovereenkomst met Consortium hebben geblokkeerd en daardoor de doelverwezenlijking en de continuïteit van de Stichting op het spel hebben gezet; (ii) buiten medeweten en buiten betrokkenheid van de andere stichtingsbestuurders regelmatig extern overleg gepleegd hebben over het HSW-concept of vergelijkbare projecten, waarbij zij zouden hebben geweigerd om een interne richtlijn te accepteren die zulk eigenzinnig en eigenmachtig optreden zou voorkomen; (iii) de besluitvorming binnen de Stichting hebben geblokkeerd en (iv) voorts zou het gedrag van [verweerder 1] en [verweerder […]”
r.o. 1.2 · leden 1, 2“[…] in dat verband wordt verwacht. Volgens het hof leveren die gedragingen tezamen en in onderling verband bezien voldoende grond op om [verzoeker 2] als bestuurder te ontslaan. Het onderdeel klaagt erover dat het hof - zonder een concrete statutaire bepaling aan te wijzen - is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip handelen in strijd met de statuten in de zin van art. 2:298 lid 1 onder a BW, althans dat het hof zijn oordeel dat [verzoeker 2] in strijd met de statuten van de Stichting heeft gehandeld, ontoereikend heeft gemotiveerd. Daartoe voert het onderdeel aan dat het hof bij zijn oordeel de maatstaf heeft miskend die blijkt uit HR 3 januari 1975, NJ 1975, 222 m.nt. GJS. Deze houdt in dat een handelen in strijd met de wet pas het ontslag van een stichtingsbestuurder kan rechtvaardigen, indien sprake is van uitgesproken onrechtmatig handelen resp. van evident althans kennelijk onrechtmatig handelen, waarbij bovendien op het moment van handelen redelijkerwijs geen verschil van mening over de onrechtmatigheid mogelijk was. Deze maatstaf zou volgens het onderdeel ook gelden voor de categorie van handelen in strijd met de statuten. Gesteld wordt dat in […]”
r.o. 2.3 · lid 1Lidmaatschap gewone vereniging zonder toelatingsbesluit; belanghebbende artikel 23 Handelsregisterwet
“[…] is in de wet niet in het algemeen aangegeven, maar moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid" In een beschikking van 10 november 2006, RvdW 2006, 105(22) heeft de Hoge Raad zijn benadering nog enigszins uitgewerkt in rov. 3.4.2: "Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat in art. 2:298 BW niet in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, en dat dit uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang [cursivering van mij, LT] kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest [idem, LT] bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang [idem, LT] is gelegen om in de procedure te verschijnen. [idem, LT]"”
r.o. 3.6Ontslag en schorsing stichtingsbestuurder wegens betalingen in strijd met statuten
“Op 19 november 2004 heeft de Officier van Justitie (verweerder in cassatie) bij de Arrondissementsrechtbank te Almelo een verzoekschrift ingediend. Daarin heeft hij de rechtbank verzocht om op grond van art. 2:298 BW de bestuurders van de Stichting: [verzoeker], [betrokkene 3] en [betrokkene 1] te ontslaan en hen in afwachting van de uitspraak als zodanig te schorsen en tot nieuw bestuurslid te benoemen [betrokkene 2].”
r.o. 1.2“[…] onjuiste rechtsopvatting, althans heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Deze klacht wordt uitgewerkt in onderdeel II.1 tot en met onderdeel II.8. Onderdeel II.1 tot en met onderdeel II.4 en onderdeel II.6 voeren aan dat het hof de vraag of het in strijd met de statuten doen van betalingen door de Stichting aan de bestuursleden (voldoende) grond oplevert om [verzoeker] op grond van art. 2:298 BW te ontslaan, ten onrechte niet heeft beoordeeld aan de hand van de door de Hoge Raad in zijn beschikking van 3 januari 1975, NJ 1975, 222 m.nt. GJS geformuleerde maatstaf, althans daarvan geen blijk heeft gegeven, en, voor zover het die maatstaf wel in acht heeft genomen zijn beslissing dat het ontslagverzoek van het openbaar ministerie voor toewijzing in aanmerking komt, onvoldoende heeft gemotiveerd.”
r.o. 2.2“Ter inleiding op de beoordeling van deze klachten merk ik het volgende op. Volgens art. 2:298 lid 1 onder a BW kan een bestuurder die iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten dan wel zich schuldig maakt aan wanbeheer, door de rechtbank worden ontslagen. In zijn beschikking van 3 januari 1975, NJ 1975, 222 m.nt. GJS heeft de Hoge Raad, ten aanzien van de vrijwel gelijkluidende voorloper van art. 2:298 BW (art. 12 Wet op de Stichtingen), overwogen dat de wetgever met deze ontslagbevoegdheid van de rechter niet heeft bedoeld het invoeren van een algemene controle op het beleid van de bestuurders van stichtingen, doch slechts een controle op de rechtmatigheid van dat beleid op het oog heeft gehad; het zou uitsluitend gaan om gevallen van een "uitgesproken onrechtmatig handelen". In lijn hiermee heeft de Hoge Raad met betrekking tot de ontslaggrond 'wanbeheer' overwogen dat dit niet moet worden verstaan in de ruime betekenis van wanbestuur nu de wetgever hiermee niet heeft gedacht aan bestuurlijk wanbeleid in het algemeen, maar aan tekortkomingen ten aanzien van het beheer over het vermogen van de stichting of van de zorg voor de verkrijging van de […]”
r.o. 2.3 · lid 1“[…] en in appèl in de gelegenheid is geweest zijn standpunt met betrekking tot de voorlopige voorziening kenbaar te maken. Onderdeel I.2 bestrijdt deze overwegingen van het hof. Daartoe voert subonderdeel I.2.a aan dat het hof heeft miskend dat er wel degelijk een rechtsregel bestaat op grond waarvan de rechter gehouden is om alvorens over te gaan tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex art. 2:298 lid 2 BW, partijen over en weer in de gelegenheid te stellen hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht. Daartoe wordt gewezen op art. 19 Rv en art. 6 EVRM.”
r.o. 2.11 · lid 2Ontslag stichtingsbestuurders wegens wanbeheer; belanghebbende en uitvoerbaarheid bij voorraad (artikel 2:298 BW)
“[…] aangevoerd dat [verweerder 1] geen belang bij zijn verzoek heeft aangezien hij is ontslagen op de dag waarop hij zijn verzoekschrift heeft ingediend en hij geen aanspraak heeft gemaakt op vernietiging van het ontslagbesluit en/of op terugkeer als bestuurder. Daarmee is [verweerder 1] volgens [verzoekers] direct noch indirect financieel betrokken bij de Stichting. Nu de rechtsgang van art. 2:298 geen actio popularis is voor iedereen die zich voor de gang van zaken in de Stichting interesseert, dient [verweerder 1] niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek. In r.o. 7 heeft het hof hieromtrent het volgende overwogen: 'Na 12 januari 2004 was [verweerder 1] geen bestuurder van De Stichting meer, doch daarmee is nog niet gezegd dat hij geen belanghebbende kan zijn. Of iemand als belanghebbende is aan te merken moet namelijk worden afgeleid uit de aard van de procedure in kwestie en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Zo heeft blijkens HR 25 oktober 1991 (NJ 1992, 149) in beginsel als belanghebbende bij een beschikking tot goedkeuring van een besluit tot fusie van een stichting als bedoeld in artikel 2:317 lid 5 BW te gelden een persoon die behoort tot de […]”
r.o. 3.3“Ter inleiding op de behandeling van klacht 2 merk ik het volgende op. Nu de stichting geen toezichtmogelijkheid door leden of aandeelhouders kent, wordt door art. 2:298 BW het toezicht op het bestuur van een stichting aan de rechtbank toevertrouwd. Daartoe bepaalt het eerste lid van art. 2:298 BW dat een bestuurder die: a. iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten, dan wel zich schuldig maakt aan wanbeheer, of b. niet of niet behoorlijk voldoet aan een door de voorzieningenrechter van de rechtbank, ingevolge het vorige artikel, gegeven bevel, door de rechtbank kan worden ontslagen. Dit kan geschieden op verzoek van het openbaar ministerie of iedere belanghebbende. Krachtens het tweede lid van art. 2:298 BW kan de rechtbank verder, hangende het onderzoek (naar de noodzaak van het ontslag, toevoeging LT), voorlopige voorzieningen in het bestuur treffen en de bestuurder schorsen. Wie nu precies tot de groep van belanghebbenden in de zin van art. 2:298 BW behoort en daarmee een verzoek tot ontslag bij de rechtbank kan indienen, wordt in de wet niet nader aangegeven. Lezing van de literatuur leert dat in de eerste plaats algemeen wordt aangenomen dat […]”
r.o. 3.4 · leden 1, 2“Klacht 4 is gericht tegen r.o. 27 waarin het hof ingaat op het betoog van [verzoekers] dat een beschikking ex art. 2:298 BW naar haar aard niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard kan worden, zoals de rechtbank heeft geoordeeld. Door het hof is dit betoog verworpen. Daartoe heeft het hof in r.o. 27 het volgende overwogen: 'Krachtens artikel 288 Rv kan de rechter een beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zij het dat op deze regel een uitzondering geldt voor het geval dat de beschikking in kwestie zich daar naar haar aard niet voor leent. Anders dan [verzoekers] lijken te menen, brengt het enkele feit dat het hier een beslissing van constitutieve aard betreft nog niet met zich dat er sprake is van een geval waarin "de aard der zaak" uitvoerbaarheid bij voorraad uitsluit (vergelijk HR 20 januari 1995, NJ 1995, 413). Uit artikel 2:356 onder b BW in verbinding met artikel 2:358 lid 1 BW, gevende de regel dat de ondernemingskamer de voorlopige tenuitvoerlegging kan bevelen van de voorziening om een bestuurder te ontslaan, is voorts af te leiden dat er geen fundamenteel beletsel bestaat om de beslissing tot ontslag van een bestuurder uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. […]”
r.o. 3.7“Het antwoord op de vraag of de beschikking waarbij een (of meer) stichtingsbestuurder(s) wordt (worden) ontslagen uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard, valt niet in art. 2:298 BW te vinden. Zoals klacht 4 terecht stelt, geldt als uitgangspunt dat de bestuurder(s) is (zijn) ontslagen als de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Daarmee is evenwel niet gezegd dat de beschikking niet direct na het wijzen ervan werking kan verkrijgen door haar uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zoals het hof terecht heeft vooropgesteld, geldt op grond van art. 288 Rv als hoofdregel dat de rechter (en jo. art. 362 Rv ook de appèlrechter) een eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren, met of zonder zekerheidstelling. De uitvoerbaar bij voorraad-verklaring kan worden verzocht maar de rechter kan deze ook ambtshalve uitspreken, zie met verwijzingen naar de wetsgeschiedenis: Burgerlijke Rechtsvordering, art. 288 (Schaafsma-Beversluis), aant. 6 alsmede Snijders en Wendels, Civiel appèl 2003, nr. 382. Hoewel dit niet expliciet uit art. 288 Rv volgt, wordt algemeen aangenomen dat (in lijn met hetgeen in art. 233 Rv voor de dagvaardingsprocedure is neergelegd) op de […]”
r.o. 3.8Ontbinding van stichtingen wegens ontbrekend vermogen en doel; belang van bestuurder in cassatie
“Subsidiair hebben de Gemeente en SSCW de Rechtbank verzocht [verzoeker] alsmede zekere [betrokkene D] als bestuurder van de drie stichtingen te ontslaan uit hoofde van art. 2:298 BW op de gronden dat zij in strijd met de wet en statuten van deze stichtingen hebben gehandeld, dan wel dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan wanbeleid door handelingen te verrichten te nadele van de drie stichtingen.”
r.o. 1.2Ex parte onmiddellijke voorzieningen in enquête (Nexperia): eerlijk proces, artikel 2:349a BW
“[…] uit te laten, de omstandigheden van het concrete geval zodanig bijzonder kunnen zijn dat de rechter met spoed voorlopig op dat verzoek beslist zonder de belanghebbende(n) te horen. Geen wet van Meden en Perzen derhalve. 4.18.4 Illustratief is de volgende passage uit een Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007: “(…) Voorzover het onderdeel berust op de opvatting dat een verzoek ingevolge art. 2:298 lid 2 BW tot het treffen van voorlopige voorzieningen als de onderhavige nimmer kan worden toegewezen zonder dat de betrokken bestuurder vooraf is gehoord, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is. In het algemeen dient de rechter niet te beslissen zonder een dergelijk verhoor vooraf. Het bepaalde in art. 19 Rv. of art. 6 EVRM staat echter niet eraan in de weg dat de rechter met het oog op de ernst van de aan het verzoek tot schorsing van een bestuurder en benoeming van een tijdelijk bestuurder ten grondslag gelegde feiten of de spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen, tot het treffen daarvan overgaat zonder de betrokken bestuurder vooraf te horen. Bij de verdere behandeling van het verzoek tot ontslag van de voorlopig geschorste bestuurder dient de […]”
r.o. 4.18 · lid 2“Illustratief is de volgende passage uit een Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007: “(…) Voorzover het onderdeel berust op de opvatting dat een verzoek ingevolge art. 2:298 lid 2 BW tot het treffen van voorlopige voorzieningen als de onderhavige nimmer kan worden toegewezen zonder dat de betrokken bestuurder vooraf is gehoord, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is. In het algemeen dient de rechter niet te beslissen zonder een dergelijk verhoor vooraf. Het bepaalde in art. 19 Rv. of art. 6 EVRM staat echter niet eraan in de weg dat de rechter met het oog op de ernst van de aan het verzoek tot schorsing van een bestuurder en benoeming van een tijdelijk bestuurder ten grondslag gelegde feiten of de spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen, tot het treffen daarvan overgaat zonder de betrokken bestuurder vooraf te horen. Bij de verdere behandeling van het verzoek tot ontslag van de voorlopig geschorste bestuurder dient de rechter dan, eventueel na een verzoek tot vervroegde mondelinge behandeling, te beoordelen of de gronden tot het treffen van de voorlopige voorzieningen en de noodzaak tot het handhaven daarvan nog steeds bestaan, en zijn oordeel […]”
r.o. 4.18.4 · lid 2“Waar de omstandigheden van het concrete geval de rechter aanleiding geven met spoed voorlopig op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te beslissen zonder de belanghebbende(n) te horen, kan, voor zover dan nodig, de wettelijke basis voor een uitzondering in de zin van art. 19 lid 1 Rv gevonden worden: in de algemene regeling inzake voorlopige voorzieningen van art. 223 Rv, waar deze zich leent voor overeenkomstige toepassing in de desbetreffende verzoekschriftprocedure; of in een bijzondere regeling inzake voorlopige voorzieningen, zoals in Boek 2 BW te vinden is in het stichtingenrecht (art. 2:298 lid 2 BW), en in het enquêterecht (art. 2:349a lid 2-3 BW), waarbij aan overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv niet wordt toegekomen. Ik schrijf “voor zover dan nodig”, nu in de literatuur wel lijkt te worden aangenomen dat een dergelijk spoedeisend geval een afzonderlijke categorie betreft, naast het geval waarin een (uitdrukkelijke) wettelijke basis voor een uitzondering in zin van art. 19 lid 1 Rv is vereist en bestaat, zoals het reeds genoemde art. 700 Rv. De rechtspraak van het EHRM biedt hiertoe trouwens ook een aanknopingspunt.”
r.o. 4.18.6 · lid 2“Bezien tegen deze achtergrond voert het subonderdeel m.i. geen overtuigende redenen aan waarom hetgeen in het kader van het treffen van voorlopige voorzieningen als bijvoorbeeld bedoeld in art. 223 Rv en art. 2:298 lid 2 BW door de Hoge Raad is goedgekeurd, en mogelijk wordt geacht als freezing order op de voet van art. 254 Rv in een kort geding, en bovendien uitdrukkelijk in uitzonderlijke (spoedeisende) gevallen is toegelaten door het EHRM, niet mogelijk zou (moeten) zijn in het kader van het treffen van onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a lid 2-3 BW. Daarop stuit de rechtsklacht in het subonderdeel af. Kort en goed, voor zover al een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is vereist voor ex parte onmiddellijke voorzieningen is die er hier, te weten art. 2:349a lid 2-3 BW. Ik licht dit hierna verder toe voor zover nodig, onder verwijzing naar relevante randnummers in de PI. 4.19.1 Het betoog in PI 6 dat de uitdrukkelijke wettelijke grondslag niet kan worden gevonden in art. 279 Rv kan [bestuurder/CEO] niet baten, nu, voor zover nodig, in dit geval art. 2:349a BW een toereikende wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv biedt, zoals overigens uitdrukkelijk […]”
r.o. 4.19 · lid 2Enquête Funda: handelen van middellijk meerderheidsaandeelhouder en artikel 2:8 BW
“Onverminderd het bepaalde in artikel 2:298 Burgerlijk Wetboek kunnen de bestuurders worden ontslagen door de door de Ondernemingskamer aangestelde onafhankelijk beheerder” althans het recht van het algemeen bestuur van NVM om bestuurders van STAK Funda te benoemen en te ontslaan, op te schorten; c. Funda en NVM Holding c.s. te gebieden om onderzoek te doen naar investeringen in Funda door derde partijen als GA waarbij NVM Holding de meerderheid van aandelen in het kapitaal van Funda zal behouden en indien mogelijk met een dergelijke partij of dergelijke partijen onderhandelingen te voeren, welk onderzoek en welke onderhandelingen namens NVM Holding zal/zullen worden verricht door of onder leiding van de te benoemen onafhankelijk beheerder van aandelen; 3. NVM Holding te veroordelen in de kosten van de procedure.”
r.o. 4.2Verbodenverklaring en ontbinding informele vereniging (motorclub) op grond van artikel 2:20 BW
“[…] (per definitie contentieuze) dagvaardingsprocedures. Ik noem twee voorbeelden uit Boek 2 BW van rechtspraak over art. 284 Rv. De aard van de tweede fase van de enquêteprocedure (2:355 BW), waarin de wetgever spoed geboden acht, brengt mee dat de ondernemingskamer niet gehouden is in te gaan op een aanbod tot bewijslevering. De aard van de procedure tot ontslag van een stichtingsbestuurder (art. 2:298 BW) verzet zich niet tegen toepassing van de algemene regels van bewijsrecht. In 1965 oordeelde de Hoge Raad nog dat het ‘vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen’ in de zin van art 6 lid 1 EVRM slechts betrekking heeft op (contentieuze) twistgedingen. Inmiddels wordt ervan uitgegaan dat ook voluntaire civiele procedures onder het bereik van art. 6 EVRM vallen.”
r.o. 2.25“Onderdeel A faalt. In het onderdeel wordt niet geklaagd over art. 6 EVRM ten aanzien van het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen. Volgens het onderdeel is onmiskenbaar sprake van vervolging (‘criminal charge’, of ‘accusation en matière pénale’) in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. Laatstgenoemd begrip wordt door het EHRM autonoom uitgelegd. Ook rechtspersonen kunnen zich beroepen op art. 6 EVRM. Alvorens in Straatsburg geklaagd kan worden over schending van een verdragsbepaling, geldt dat ten minste in substantie (‘in substance’) voor de nationale rechter een beroep op die verdragsbepaling moet zijn gedaan (art. 35 EVRM). In de onderhavige zaak wordt in het onderdeel niet verwezen naar vindplaatsen in feitelijke instanties waar uitdrukkelijk dan wel ‘in substance’ een beroep wordt gedaan op het ‘criminal charge’-karakter van verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW en schending van uit het EVRM voortvloeiende waarborgen die verband houden met het gestelde ‘criminal charge’-karakter. Wanneer aangenomen moet worden dat sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, gelden in beginsel de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 […]”
r.o. 2.26Jaarrekeningprocedure: ontvankelijkheid aandeelhouder en classificatie ingekochte aandelen als vreemd vermogen
“[…] met enige modulaties al naar gelang het betreffende geval, zich er voor leent gehanteerd te worden ter bepaling van het begrip belanghebbende in procedures waarbij een onderneming of rechtspersoon is betrokken.” Deze verwachting is uitgekomen. In de recente Stichting ANV Fondsen-beschikking bijvoorbeeld overweegt de Hoge Raad dat bij de vraag of iemand belanghebbende in de zin van art. 2:298 lid 1 BW, art. 2:299 BW en art. 2:21 lid 4 BW is: “een rol [zal] spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.” Met Maeijer kan worden geconcludeerd dat ook hier “op de keper beschouwd (wederom) twee kringen van belanghebbenden [worden] onderscheiden: degenen die bij de uitkomst van de procedure een (te stellen en aan te tonen) eigen beschermenswaardig belang hebben, en degenen die (anderszins) zo nauw betrokken zijn of zijn geweest bij het […]”
r.o. 3.11 · lid 1“Het is vaste rechtspraak dat de vraag wie tot belanghebbende is te rekenen in een procedure waarbij een rechtspersoon is betrokken moet worden afgeleid uit de “aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen”. De aard van de procedures in de zin van art. 2:298 lid 1 BW, art. 2:299 BW en art. 2:21 lid 4 BW verschilt van de jaarrekeningprocedure. De genoemde wetsbepalingen zien op ontslag respectievelijk benoeming van een stichtingsbestuur(der) en ontbinding van een rechtspersoon. Over de aard van de jaarrekeningprocedure merk ik het volgende op. De jaarrekeningprocedure is een civielrechtelijke procedure. Vanzelfsprekend is dat niet. In het rapport van de Commissie Verdam uit 1965 dat aan de basis heeft gestaan van de WJO wordt over deze keuze onder meer het volgende opgemerkt: “De commissie heeft zich afgevraagd, op welke wijze de nakoming van de door haar voorgestelde materiële bepalingen [met betrekking tot de inrichting van de jaarrekening, A-G] het best kan worden gesanctioneerd. Zij had daarbij de keus uit een drietal mogelijkheden, namelijk handhaving hetzij door de strafrechter, hetzij door een administratief overheidsorgaan, hetzij door de burgerlijke […]”
r.o. 3.12 · lid 1
Hoven en Ondernemingskamer (3)
Ontslag stichtingsbestuurder wegens impasse in bestuur en verstoorde verhoudingen
“De rechtbank overwoog, kort samengevat, dat onvoldoende is gebleken dat [appellant] zijn taak als bestuurder heeft verwaarloosd. Wel oordeelde de rechtbank dat er andere gewichtige redenen zijn om tot ontslag van [appellant] over te gaan, te weten een ontstane impasse in het bestuur die in overwegende mate aan [appellant] te wijten is. De rechtbank overwoog daarbij dat het aan [appellant] te maken verwijt niet dusdanig ernstig is dat dit rechtvaardigt dat voor hem (op grond van het bepaalde in artikel 2:298 lid 3 BW) een bestuursverbod geldt. Ten aanzien van de verzochte statutenwijziging overwoog de rechtbank dat [geïntimeerde 1] qq c.s. niet tot de in artikel 2:294 lid 1 BW genoemde entiteiten behoren die een verzoek tot wijziging van de statuten kunnen doen.”
r.o. 4.3 · lid 3“Bij de beoordeling van het hoger beroep stelt het hof het volgende voorop. Artikel 2:298 lid 1 BW noemt vier gronden voor ontslag van bestuurders door de rechtbank, waaronder “andere gewichtige redenen”. Deze laatste grond is onder meer aan de orde wanneer sprake is van een disfunctioneren van een stichting met schade voor die stichting en de met haar verbonden organisatie als gevolg, bijvoorbeeld doordat binnen het bestuur een ernstige impasse is ontstaan die de besluitvorming verlamt als gevolg van een diepgaand verschil van inzicht.”
r.o. 6.1 · lid 1Collectief ontslag stichtingsbestuur wegens impasse; afwijzing statutenwijziging artikel 2:294 BW
“In artikel 2:298 lid 1 BW is (onder meer) bepaald dat een bestuurder op verzoek van een belanghebbende door de rechtbank kan worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen of wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekers 1] , [verzoekers 2] en [verweerster 1] als bestuurders van [verzoekers 3] over en weer als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.”
r.o. 5.6 · lid 1“Anders dan [verzoeksters] betogen, kan ook een collectief falen als bestuur grond opleveren voor het ontslag van alle bestuurders. Dat in de parlementaire geschiedenis niet met zoveel woorden wordt gesproken over het ontslag van het bestuur als geheel, zoals [verzoeksters] aanvoeren, betekent niet dat een collectief ontslag op grond van artikel 2:298 BW niet mogelijk is. Een disfunctioneel bestuur en het bestaan van een blijvende impasse, kan een gewichtige reden opleveren op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap van elk van de betrokken bestuurders in redelijkheid niet kan worden geduld. Dat is hier het geval. Vast staat dat de bestuurders er uiteindelijk niet in zijn geslaagd om het onderlinge wantrouwen en de als gevolg daarvan ontstane impasse te doorbreken. Dit collectieve falen van het bestuur van [verzoekers 3] is ook de individuele bestuurders aan te rekenen. Het beeld dat uit het dossier naar voren komt, is dat de bestuurders gericht zijn geweest en gebleven op het benadrukken van wat het andere kamp volgens hen valt te verwijten, en dat geen van hen blijk geeft van een voldoende zelfkritische houding om de – uiteindelijk in de kern toch beperkte – […]”
r.o. 5.11“In lid 3 van artikel 2:298 BW is bepaald dat een door de rechtbank ontslagen bestuurder gedurende vijf jaar na het ontslag geen bestuurder of commissaris van een stichting kan worden, tenzij de bestuurder geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het hof zal, in navolging van de rechtbank, niet overgaan tot het opleggen van dit bestuursverbod. Het bestuur van [verzoekers 3] is naar het oordeel van het hof weliswaar als collectief disfunctioneel gebleken en de bestuurders zijn daarvoor ook verantwoordelijk, maar hen treft niet een zodanig ernstig verwijt dat aanleiding bestaat een bestuursverbod uit te spreken.”
r.o. 5.13 · lid 3Schorsing stichtingsbestuurder als voorlopige voorziening tijdens ontslagprocedure ex artikel 2:298 BW
“[verzoekster] heeft haar grieven alleen gericht tegen de beslissing van de rechtbank in rechtsoverweging 5.5 van de beschikking om [verzoekster] te schorsen. Die beslissing betreft een voorlopige voorziening zoals bedoeld in artikel 2:298 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De door de rechtbank opgelegde schorsing duurt zolang het onderzoek loopt en heeft daarmee een tijdelijk karakter. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 3.11 staat tussentijds hoger beroep tegen een voorlopige voorziening open. [verzoekster] is dan ook ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep. Ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep van [verweerster]”
r.o. 3.12 · lid 2“Het hof begrijpt het incidenteel hoger beroep van [verweerster] zo dat zij niet opkomt tegen de door de rechtbank getroffen voorlopige voorzieningen en dat zij alleen een beslissing wenst te verkrijgen op haar verzoek tot ontslag van [verzoekster] als bestuurder. Over dat ontslagverzoek heeft de rechtbank in de bestreden tussenbeschikking niet definitief beslist. Zoals uiteengezet in rechtsoverweging 3.11 staat in beginsel alleen tussentijds hoger beroep open tegen een tussenbeschikking zodra de rechter daarvoor toestemming heeft gegeven. Die toestemming is in dit geval niet verleend. Dat maakt dat [verweerster] niet-ontvankelijk is in haar incidenteel hoger beroep. Beoordeling van het principaal hoger beroep Ontvankelijkheid van [verweerster] in de procedure op grond van artikel 2:298 BW”
r.o. 3.14“[verzoekster] heeft met grief V als meest verstrekkende aangevoerd dat [verweerster] in de procedure op grond van artikel 2:298 BW niet-ontvankelijk is omdat zij niet aangemerkt kan worden als belanghebbende in de zin van dat artikel. In deze procedure in hoger beroep ligt echter alleen de beslissing, als voorlopige voorziening, tot schorsing van [verzoekster] als bestuurder voor, die de rechtbank heeft genomen op grond van artikel 2:298 lid 2 BW. De (impliciete) beslissing van de rechtbank om [verweerster] in haar verzoek te ontvangen is een tussenbeschikking en daarvan staat, zonder verlof van de rechtbank, geen tussentijds hoger beroep van open. Het hof passeert daarom deze grief. Het juridische kader voor het treffen van een voorlopige voorziening tot schorsing van een bestuurder”
r.o. 3.15 · lid 2“Op grond van artikel 2:298 lid 1 BW kan een bestuurder op verzoek van een belanghebbende door de rechtbank worden ontslagen op grond van onder andere (a) verwaarlozing van zijn taak of (b) andere gewichtige redenen. Onder taakverwaarlozing kan bijvoorbeeld worden verstaan het verzaken van bestuurstaken, zoals het bijhouden van de administratie, het bewaken van de financiën en – waar vereist – het afleggen van verantwoording. Ook het handelen in strijd met de wet of de statuten zou een reden tot ontslag kunnen zijn op basis van taakverwaarlozing. Bij ontslag van een bestuurder op grond van andere gewichtige redenen kan gedacht worden aan een ontslag dat nodig is om een impasse te doorbreken die de besluitvorming verlamt of om een einde te maken aan ernstig verstoorde verhoudingen binnen het bestuur.”
r.o. 3.16 · lid 1
Rechtbanken (17)
Ontslag stichtingsbestuurder artikel 2:298 BW afgewezen; ontslagen bestuurder blijft belanghebbende
“[verzoeker] heeft verzocht dat de rechtbank [verweerder] met onmiddellijke ingang als bestuurder van de stichting op de voet van artikel 2:298 BW ontslaat en haar beveelt om zich uit te schrijven uit het handelsregister.”
r.o. 4.1“Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] is als medeoprichter en bestuurder van de stichting belanghebbende voor de toepassing van artikel 2:298 lid 1 BW. [verweerder] heeft zich gedragen in strijd met de wet en de statuten. [verweerder] heeft in strijd met de statuten zelfstandig en zonder [verzoeker] daarin te betrekken meerdere bestuursvergaderingen bijeengeroepen, de samenstelling van het bestuur gewijzigd en een nieuwe voorzitter aangewezen. De besluiten hiertoe zijn nietig. [verweerder] heeft haar eigen belangen gediend. [verweerder] heeft tijdens een vergadering bestuursfuncties aangeboden aan derden die daarvoor een donatie aan de stichting moesten betalen. Het is onduidelijk of die donaties zijn gedaan en zo ja, aan wie. [verweerder] heeft iets dergelijks in het verleden ook bij een Chinese vereniging gedaan. [verweerder] heeft geprobeerd [verzoeker] zwart te maken en heeft een bestuursimpasse veroorzaakt. Tenslotte heeft [verweerder] het geld van de stichting niet goed beheerd. [verweerder] heeft uitgaven gedaan zonder rechtsgeldige besluitvorming. Zij heeft donaties toegezegd, terwijl de stichting niet door [verweerder] […]”
r.o. 4.2 · lid 1“De huidige tekst van artikel 2:298 BW is van 1 juli 2021. Artikel 2:298 lid 1 (oud) BW houdt in dat een bestuurder op verzoek van een belanghebbende door de rechtbank ontslagen kan worden als die bestuurder iets doet of nalaat in strijd met de wet of statuten of zich schuldig maakt aan wanbeheer. In de rechtspraak over artikel 2:298 lid 1 (oud) is geoordeeld dat van handelen of nalaten in strijd met de wet of statuten sprake is indien redelijkerwijs geen verschil van mening over de onrechtmatigheid ervan mogelijk is. Bij wanbeheer gaat het niet om bestuurlijk wanbeleid in het algemeen, maar om tekortkomingen ten aanzien van het beheer over het vermogen van de betrokken stichting of van de zorg voor het verkrijgen van de inkomsten waarover zij kon beschikken. Bij de door de Hoge Raad voorgestane uitleg van de ontslaggronden "handelen of nalaten in strijd met de wet of de statuten" sluit het aan om alleen in gevallen van evident, uitgesproken falend beleid ten aanzien van het beheer van het vermogen en de zorg van de geldmiddelen van wanbeheer te spreken.”
r.o. 5.3 · lid 1“Er is geen reden om aan te nemen dat met de huidige formulering van artikel 2:298 lid 1 BW is beoogd om een lichtere toets aan te leggen. Ook nu moet de voorgestelde ontslaggrond voldoende evident zijn om ontslag te rechtvaardigen. [verzoeker] is belanghebbende”
r.o. 5.4 · lid 1Kort geding: ontslag oprichter als STAK-bestuurder en geen herstel als bestuurder topholding
“Zoals [eiser] op zichzelf terecht heeft betoogd, kan hij op grond van de statuten van [gedaagde 1] slechts als bestuurder van [gedaagde 1] worden ontslagen indien daarvoor ‘gewichtige redenen’ bestaan. De andere in de statuten genoemde gevallen zijn hier niet aan de orde. Partijen verschillen van mening over de uitleg van die norm. Volgens [eiser] moet gelet op de toelichting van de notaris worden aangesloten bij de maatstaf die geldt voor een ontslag op staande voet van een werknemer (een dringende reden, artikel 7:677 en 7:678 BW). [gedaagden] weerspreken dat en stellen dat gelet op de aan te leggen uitlegmaatstaf (eerder) moet worden aangesloten bij de maatstaf die geldt voor het ontslag van een stichtingsbestuurder op verzoek van een belanghebbende door de rechter (artikel 2:298 BW). Volgens [gedaagden] heeft de notaris de vergelijking met een ontslag op staande voet gemaakt om aan leken als [eiser] , [gedaagde 3] en [gedaagde 2] een idee te geven bij deze ontslaggrond. Volgens [gedaagden] kan deze strenge arbeidsrechtelijke norm niet binnen het vennootschapsrecht worden toegepast.”
r.o. 4.12Ontslag bestuurder STAK wegens tegenstrijdig belang als privéschuldenaar van de B.V.
“[…] worden bestuurd. [verweerder] wijst er nog op dat de beslissingen in het vonnis van 19 november 2025 en het arrest van 24 februari 2026 geen gezag van gewijsde hebben, omdat daartegen rechtsmiddelen zijn ingesteld. Ten slotte verzoekt [verweerder] de rechtbank om te bepalen dat hem niet wordt verboden om na zijn ontslag bestuurder te worden van een stichting gedurende vijf jaar, zoals artikel 2:298 lid 3 BW voorschrijft, of anders de termijn van vijf jaar sterk in te korten. Hij betoogt dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat een dergelijk verbod in de gegeven omstandigheden disproportioneel zou zijn.”
r.o. 3.3 · lid 3“De rechtbank zal [verweerder] ontslaan als bestuurder van de STAK met ingang van de datum van deze beschikking, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten. De rechtbank zal niet bepalen dat het [verweerder] niet van rechtswege wordt verboden om gedurende vijf jaren na zijn ontslag bestuurder of commissaris van een stichting kan worden, zoals artikel 2:298 lid 3 BW mogelijk maakt. Hierna zal worden toegelicht op grond waarvan de rechtbank tot deze beslissingen komt.”
r.o. 4.3 · lid 3“Anders dan [verweerder] , ziet de rechtbank geen grond om een uitzondering te maken op het gevolg dat de wet in artikel 2:298 lid 3 BW aan dit ontslag verbindt, te weten dat [verweerder] gedurende vijf jaren na zijn ontslag niet opnieuw bestuurder of commissaris van een stichting mag worden. Dit is namelijk slechts mogelijk als [verweerder] , mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken, geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Naar oordeel van de rechtbank kan [verweerder] , gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, wel een ernstig verwijt worden gemaakt. De rechtbank acht dit wettelijk gevolg van het gegeven ontslag, gegeven dit ernstige verwijt, dan ook niet disproportioneel. Het verzoek van [verweerder] om te bepalen dat aan het ontslag niet het wettelijke gevolg verbonden zal zijn dat hij gedurende vijf jaar niet als bestuurder kan fungeren, wordt daarom afgewezen. De proceskosten”
r.o. 4.12 · lid 3Intrekking ontslagverzoek stichtingsbestuurders beëindigt procedure en voorlopige voorzieningen
“De erfgenamen hebben de rechtbank bij e-mail van 24 april 2026 bericht al hun verzoeken in te trekken. Zij verzoeken de rechtbank om een eindbeschikking te wijzen waarin wordt bepaald: dat, nu de erfgenamen hun verzoeken hebben ingetrokken, hun verzoeken niet langer een beslissing behoeven van de rechtbank en dat de erfgenamen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun verzoeken; dat de bij beschikkingen van 13 juni 2025, 12 januari 2026 en 6 februari 2026 uit hoofde van artikel 2:298 lid 2 BW getroffen voorlopige voorzieningen, bestaande uit: - de benoeming van mr. [belanghebbende 2] tot onafhankelijk bestuurder van de Stichting met onder meer beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid, - de schorsing van [verweerder 4] als commissaris van de Stichting, en - de bepaling dat de statutaire bepalingen over de taak en bevoegdheden van de raad van commissarissen van de Stichting buiten toepassing blijven; per datum eindbeschikking direct worden opgeheven; dat de procedure per datum eindbeschikking per direct wordt beëindigd.”
r.o. 3.1 · lid 2“Naar het oordeel van de rechtbank kunnen voorlopige voorzieningen die in het kader van een verzoek tot ontslag van stichtingsbestuurders (of -commissarissen, zie artikel 2:298 lid 4 BW) worden getroffen in hoofdzaak slechts maatregelen zijn die er op gericht zijn gedurende het geding orde of rust te creëren in (de governance van) de stichting, te voorkomen dat de stichting schade wordt berokkend gedurende het geding, en om de nodige informatie te vergaren opdat de rechtbank voldoende geïnformeerd raakt om een afgewogen oordeel over het ontslagverzoek te kunnen geven. Het fundament van te treffen voorzieningen wordt gevormd door het ontslagverzoek: zonder ontslagverzoek geen voorlopige voorzieningen. Voor zover om andere redenen dan in het kader van een ontslagverzoek (spoedeisende) maatregelen in de organisatie van de stichting gewenst zijn zal daarvoor doorgaans het kort geding de aangewezen route vormen.”
r.o. 3.8 · lid 4“De wettelijke regeling van het ontslag van stichtingsbestuurders, met inachtneming van de uitleg die daaraan is gegeven in de rechtspraak, laat de rechtbank geen ruimte om de door de tijdelijke bestuurder/onderzoeker bepleite koers te volgen. Zonder een ontslagverzoek – en de intrekking van het verzoek door de erfgenamen is nu eenmaal een feit – is er geen oordeel meer te vellen waaraan de voorlopige voorzieningen respectievelijk het bevolen onderzoek dienstig kunnen zijn. In dat kader moet bedacht worden dat de rechtbank niet de rol is toebedacht in het algemeen belang zelfstandig voorlopige voorzieningen te treffen respectievelijk bestuurders te ontslaan. Dat algemeen belang kan wel gediend worden door het openbaar ministerie (artikel 2:298 lid 1 BW), maar het openbaar ministerie is in dit geding niet betrokken.”
r.o. 3.12 · lid 1Ontslag bestuurder administratiekantoor wegens gebrek aan onafhankelijkheid, artikel 2:298 BW
“[…] zijn gebracht van (of feitelijk zijn voorgefinancierd door) deze personen en/of entiteiten; in de hoofdzaak: Primair 1. alle Stak-bestuurders te ontslaan (inclusief [verweerder 4] , voor zover hij Stak-bestuurder is); Subsidiair 2. bij tussenbeschikking alle Stak-bestuurders (inclusief [verweerder 4] , voor zover hij Stak-bestuurder is) als Stak-bestuurder te schorsen op grond van artikel 2:298 lid 2 BW totdat eindbeschikking is gegeven; 3. bij tussenbeschikking en bij wijze van voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 2:298 lid 2 BW, voor zover nodig in afwijking van de statuten, voor een termijn van twaalf maanden (behoudens verlenging door de rechtbank) een door de rechtbank aan te wijzen persoon te benoemen tot bestuurder van de Stak; 4. bij tussenbeschikking te bepalen welke beloning de onder 3 bedoelde persoon voor de vervulling van zijn bestuurstaak maximaal ten laste van de Stak mag brengen; 5. bij tussenbeschikking te bepalen dat het de onder 3 bedoelde persoon niet is toegestaan om (verdere) betalingen ten laste van de Stak te (laten) verrichten aan of ten gunste van de geschorste Stak-bestuurder(s); 6. bij tussenbeschikking de onder 3 bedoelde persoon […]”
r.o. 3.1 · lid 2“Tussen partijen is terecht niet in geschil dat de bewindvoerders als belanghebbenden in de zin van artikel 2:298 lid 1 BW kunnen worden aangemerkt. De vraag of een verzoeker belanghebbende is, moet worden beoordeeld aan de hand van de zogenaamde twee kringenleer. De twee kringenleer veronderstelt dat er twee categorieën van belanghebbenden bestaan, namelijk (i) degenen die bij de uitkomst van de procedure een eigen belang hebben, en (ii) degenen die op een andere wijze zo nauw zijn betrokken bij het onderwerp van de procedure dat zij op grond van die betrokkenheid een belang hebben om in de procedure te verschijnen.”
r.o. 4.5 · lid 1“Vervolgens moet worden beoordeeld of er gronden bestaan voor ontslag van [verweerder 4] . Uit artikel 2:298 lid 1 BW volgt dat de rechtbank een bestuurder op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie kan ontslaan wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen, wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld of wegens het niet of niet behoorlijk voldoen aan een door de voorzieningenrechter van de rechtbank ingevolge artikel 2:297 BW gegeven bevel.”
r.o. 4.12 · lid 1“Een door de rechtbank ontslagen bestuurder kan op grond van artikel 2:298 lid 3 BW gedurende vijf jaar na het ontslag geen bestuurder of commissaris van een stichting worden, tenzij de bestuurder mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven feiten en omstandigheden geen aanleiding bestaat om een bestuursverbod aan [verweerder 4] op te leggen. [verweerder 4] kan weliswaar niet gehandhaafd worden als bestuurder van de Stak, maar van een ernstig verwijt in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Stak is geen sprake. De rechtbank wijkt daarom af van het wettelijke uitgangspunt en legt geen bestuursverbod aan [verweerder 4] op. Subsidiair: schorsing en benoeming van een tijdelijke bestuurder”
r.o. 4.18 · lid 3Kort geding tegen voorgenomen ontslag stichtingsbestuurder door raad van toezicht afgewezen
“Het staat vast dat de raad van toezicht een (tweede) voorgenomen ontslagbesluit aan [eiseres] heeft bekendgemaakt. Gelet op de verschillende scenario’s die [eiseres] in het petitum van de dagvaarding heeft uitgewerkt, vordert [eiseres] - samengevat - dat de voorzieningenrechter gedaagden, ieder voor zich, verbiedt om: Het voorgenomen ontslagbesluit te agenderen, in of buiten vergadering ter stemming te brengen, te nemen of op enigerlei wijze te bewerkstelligen, totdat in de door [eiseres] aanhangig te maken verzoekschriftprocedure als bedoeld in artikel 2:298 BW op een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen is beslist, Gedurende de looptijd van voornoemde verzoekschriftprocedure, althans totdat op een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen is beslist, het voorgenomen ontslagbesluit te nemen, te bewerkstelligen of daaraan uitvoering te geven, alsmede tot de benoeming van een tijdelijke, waarnemend of opvolgend bestuurder over te gaan, behoudens nadere rechterlijke beslissing. en 3. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis tot de dag van algehele voldoening.”
r.o. 3.1“De vordering strekt ertoe op te komen tegen het voorgenomen ontslag door dat ontslag hangende een door eiseres op de voet van artikel 2:298 BW aanhangig te maken procedure te doen verbieden. Tussen partijen is niet in geschil dat de raad van toezicht op grond van de statuten van de stichting bevoegd is het bestuur van de stichting te benoemen en te ontslaan. De omstandigheid dat de raad van toezicht in een eerder stadium heeft besloten dat de spanningen in de relatie tussen de bestuurder en de raad van toezicht moesten worden opgelost door een gefaseerde vernieuwing van de raad van toezicht, doet aan deze bevoegdheid niet af. In het algemeen geldt dat de raad van toezicht, zolang deze bestaat, ongeacht of deze voltallig en ongeacht de mate waarin deze inmiddels is vernieuwd, bevoegd blijft de haar bij de statuten toegekende bevoegdheden in volle omvang uit te oefenen. Zoals uit het hiervoor weergegeven verloop van de gebeurtenissen blijkt, is de raad van toezicht geleidelijk tot een gewijzigd inzicht op dit punt gekomen. Uiteraard is het in zo’n geval aan hem om de op dat gewijzigde inzicht gebaseerde besluiten zodanig te motiveren dat de wijziging begrijpelijk is en dus kan […]”
r.o. 4.3“Het is aannemelijk, en door [eiseres] in wezen ook niet betwist, dat een procedure op de voet van artikel 2:298 BW dan wel artikel 2:298a BW, met daarin een incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen, al spoedig een aantal maanden in beslag zal nemen. Dat vormt, in de context van de situatie binnen HGH, een aanzienlijke beperking van de vrijheid van de raad van toezicht om te handelen overeenkomstig hetgeen zij noodzakelijk acht. Genoemde terughoudendheid geldt daarom evenzeer in de processuele constellatie die in dit kort geding aan de orde is.”
r.o. 4.5Belanghebbende bij ontslag en benoeming stichtingsbestuurders; verzoekers niet-ontvankelijk
“[…] concreet hebben gemaakt dat [vertegenwoordigend verweerder] , [belanghebbende] en stichting [verwerende stichting] hebben gehandeld in strijd met de wet of de statuten van stichting [verwerende stichting] en onvoldoende onderbouwd dat [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] zich schuldig hebben gemaakt aan wanbeheer, temeer nu ter onderbouwing stukken zijn gebruikt waarop het artikel 2:298 BW van toepassing is zoals dit geldt vanaf 1 juli 2021. Ten slotte betwisten [vertegenwoordigend verweerder] en stichting [verwerende stichting] dat de boerderij wordt verwaarloosd en dat het melkquotum is verduisterd, zoals stichting [verzoekers] kennelijk stellen. Het melkquotum is destijds verkocht door de pachter, aldus [vertegenwoordigend verweerder] en stichting [verwerende stichting] . 4. De beoordeling van het verzoek tot ontslag van [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] en tot benoeming van nieuwe bestuurders”
r.o. 3.3“Een bestuurder van een Stichting kan op verzoek van het openbaar ministerie (OM) of een belanghebbende door de rechtbank worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, andere gewichtige redenen, of ingrijpende wijzigingen van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (artikel 2:298 lid 1 BW). Wanneer door het ontslag van een bestuurder geen of te weinig bestuurders overblijven kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende of het OM één of meer nieuwe bestuurders benoemen (artikel 2:299 BW). De wet vermeldt niet in het algemeen wie tot de belanghebbenden zijn te rekenen bij een verzoek tot ontslag en benoeming van bestuurders van een Stichting op grond van dit artikel. Wie belanghebbende zijn moet uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is […]”
r.o. 4.2 · lid 1“Ten slotte merkt de rechtbank op dat de wens van stichting [verzoekers] dat op de locatie van de boerderij een zorgboerderij wordt gerealiseerd ook niet maakt dat zij als belanghebbenden moeten worden aangemerkt in de zin van de artikelen 2:298 lid 1 en 2:299 BW. Een louter emotioneel belang, hoe begrijpelijk ook, want ingegeven door familiebanden en betrokkenheid bij de boerderij en de plek waarop deze staat, zoals door [verzoeker 2] en [verzoeker 3] uiteengezet in het persoonlijk familieverhaal, volstaat daarvoor niet. Het zelf willen kunnen beschikken over een onroerende zaak die eigendom is van een stichting levert ook niet zonder meer het vereiste belang op bij het bepalen wie die stichting bestuurt, óók niet indien de verzoekers zich zorgen maken over het beheer van de betreffende stichting.”
r.o. 4.8 · leden 1, 2“De rechtbank merkt daarbij nog op dat voor het algemene toezicht op stichtingen (en het tegengaan van uitwassen) het OM door de wetgever als onafhankelijk toezichthouder is aangewezen. Mede daarom volgt uit het enkele feit dat er na het overlijden van [erflater] wellicht geen (andere) direct aanwijsbare belanghebbenden in de zin van de artikelen 2:298 lid 1 en 2:299 BW meer zijn, niet dat de nabestaanden van [erflater] wel als belanghebbenden bij het gedane ontslagverzoek moeten worden aangemerkt op de grond dat zij stellen dat de toestand van Stichting [verwerende stichting] zorgelijk is. Voor zover verzoekers hebben bedoeld te betogen “iemand moet toch iets doen, er zijn geen andere belanghebbenden en dus zijn wij belanghebbenden” kan de rechtbank daar dus niet in meegaan.”
r.o. 4.9 · leden 1, 2Ontslag bestuurders en ontbinding stichting zorgaanbieder op verzoek van het OM
“Het OM stelt zich op het standpunt dat [verweerder 1] en [verweerder 2] op de in artikel 2:298 lid 1 BW genoemde gronden moeten worden ontslagen. Daartoe voert het OM het volgende aan.”
r.o. 3.2 · lid 1“Al het voorgaande rechtvaardigt ruimschoots de conclusie dat [verweerder 1] zijn taak als bestuurder van ZVM heeft verwaarloosd en dat er gewichtige redenen bestaan op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap van [verweerder 1] redelijkerwijs niet langer kan worden geduld. De rechtbank wijst het verzoek van het OM tot ontslag van [verweerder 1] daarom toe. [verweerder 1] heeft niet gesteld dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt gelet op de aan anderen toebedeelde taken. De rechtbank legt daarom op grond van artikel 2:298 lid 3 BW [verweerder 1] een bestuursverbod op. Ontslag [verweerder 2]”
r.o. 3.17 · lid 3“Gezien de omvang van de onttrekkingen en het ontbreken van enige verantwoording daarvoor, is de rechtbank van oordeel dat de verwaarlozing van zijn taak zo ernstig is dat dit voldoende reden is voor ontslag van [verweerder 2] . De rechtbank wijst daarom dit verzoek van het OM ook toe. [verweerder 2] heeft niet gesteld dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt gelet op de aan anderen toebedeelde taken. De rechtbank legt ook hem daarom op grond van artikel 2:298 lid 3 BW een bestuursverbod op. Ontbinding ZVM en benoeming vereffenaar”
r.o. 3.19 · lid 3Ontslag stichtingsbestuurders afgewezen; belanghebbende, tegenstrijdig belang, artikel 2:298 BW
“De rechtbank kan, op grond van artikel 2:298 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), op verzoek van iedere belanghebbende of het Openbaar Ministerie een bestuurder van een stichting ontslaan op onderstaande gronden: - verwaarlozing van zijn taak; - andere gewichtige redenen; - ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld; - het niet of niet behoorlijk voldoen aan een door de voorzieningenrechter van de rechtbank ingevolge artikel 297 gegeven bevel. De rechtbank merkt hierbij op dat voor ontslag van bestuurders van een stichting een hoge drempel geldt. De rechtbank moet terughoudend toetsen, want ontslag is een middel dat zwaar ingrijpt in het bestuur van een stichting en verstrekkende gevolgen heeft voor de bestuurder(s), mede vanwege het aan het ontslag gekoppelde bestuursverbod. Kunnen verzoekers worden aangemerkt als belanghebbenden?”
r.o. 4.2 · lid 1“Verweerders stellen zich op het standpunt dat verzoekers geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 2:298 lid 1 BW. Verweerders voeren hiertoe aan dat de vraag of iemand belanghebbende is, moet worden beantwoord aan de hand van de zogenoemde tweekringenleer. Volgens deze leer zijn er twee categorieën van belanghebbenden, namelijk: degenen die bij de uitkomst van de procedure een eigen belang hebben, en degenen die op een andere wijze zo nauw betrokken zijn bij het onderwerp van de procedure dat ze op grond van die betrokkenheid een belang hebben om in de procedure te verschijnen. Volgens verweerders behoren tot de eerste kring uitsluitend personen van wie een concreet, individueel recht of belang rechtstreeks wordt geraakt door de verzochte beslissing, waarbij het gaat om een persoonlijk belang dat niet ideëel, niet afgeleid en niet algemeen van aard is. Met betrekking tot de tweede kring voeren verweerders aan dat de betrokkenheid objectief bepaalbaar, concreet en duurzaam moet zijn en dat sympathie voor de doelstelling van de Stichting, morele betrokkenheid of bijvoorbeeld een vriendschappelijke relatie met de oprichter volgens de rechtspraak nadrukkelijk onvoldoende is.”
r.o. 4.3 · lid 1“Gelet op het voorgaande is op grond van artikel 2:298 lid 1 BW geen grond gebleken voor het ontslag van [verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] . De rechtbank zal het verzochte dan ook afwijzen.”
r.o. 4.12 · lid 1Ontslag stichtingsbestuurder via verzoekschriftprocedure; geldigheid bestuursbesluiten en rectificatie
“Vordering I is gebaseerd op artikel 2:298 BW lid 1 BW, op grond waarvan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende of van het openbaar ministerie een bestuurder van een stichting kan ontslaan. Zoals al aangekondigd in de zittingsagenda, moet de rechtbank beoordelen of de procedure voor wat betreft deze vordering op grond van artikel 69 Rv moet worden voortgezet volgens de regels van de verzoekschriftprocedure. Artikel 69 Rv schrijft voor dat de rechter, indien een zaak bij verzoekschrift aanhangig is gemaakt, waar dat bij dagvaarding had moeten plaatsvinden, of omgekeerd, de zaak naar de juiste procedure dient te verwijzen. [gedaagde] meent dat dit het geval is. In geval van voortzetting volgens de regels van de verzoekschriftprocedure zijn er volgens haar nog 31 belanghebbenden die opgeroepen wensen te worden om verweer te voeren. Ook wil zij in dat geval een tegenverzoek indienen tot ontslag van [eiseres] als bestuurder. [eiseres] refereert zich voor wat betreft het spoor waarin de procedure over deze vorderingen zal worden voortgezet aan het oordeel van de rechtbank.”
r.o. 5.1“Uit artikel 2:298 BW volgt dat een verzoek tot ontslag van een bestuurder bij verzoekschrift moet worden ingeleid. Daarom verwijst de rechtbank de zaak voor wat betreft vordering I, die betrekking heeft op het verzoek tot ontslag van [gedaagde] , op de voet van artikel 69 Rv naar de verzoekschriftprocedure en bepaalt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.”
r.o. 5.2Ontslag stichtingsbestuurders; voorlopige voorziening en nader onderzoek door tijdelijke bestuurder
“Verzoekers hebben het ontslag van commissaris [naam 9] verzocht op de voet van het bepaalde in art. 2:298 lid 4 BW. Dat aanvullende verzoek hebben zij tot de rechtbank gericht kort voor de mondelinge behandeling, als gevolg waarvan [naam 9] niet meer tijdig voor de zitting opgeroepen kon worden. Dit verzoek zal in een later stadium behandeld worden, op een nader te bepalen datum. Hierna zal het dus gaan om het verzochte ontslag van de bestuurders.”
r.o. 4.2 · lid 4“Het verzoek van de erfgenamen tot ontslag van [verweerders] als bestuurders van de Stichting is gegrond op artikel 2:298 lid 1 BW. De rechtbank kan een bestuurder van een stichting ontslaan wegens (voor zover in dit geval relevant): verwaarlozing van zijn taak; andere gewichtige redenen; ingrijpende wijzigingen in de omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.”
r.o. 4.3 · lid 1Afwijzing ontslag bestuurders van twee stichtingen ex artikel 2:298 BW; inzageverzoek afgewezen
“Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties, ingediend op 17 oktober 2024; - de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van 11 maart 2025; - de beschikking in het (bevoegdheids)incident van 4 april 2025 waarbij de rechtbank Gelderland de procedure naar deze rechtbank heeft verwezen; - het verweerschrift in de vordering ex artikel 843a Rv met producties; - het verweerschrift tegen het verzoek tot ontslag ex artikel 2:298 BW; - de brief van de griffie van deze rechtbank waarin partijen is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de aanvullende producties die de Vereniging in het geding heeft gebracht (producties 24-62); - de aanvullende producties die [verweerders] in het geding hebben gebracht (producties 13-26); - de mondelinge behandeling van 4 november 2025, de pleitnotities van de advocaten van de Vereniging en [verweerders] en de aantekeningen van de griffier.”
r.o. 2.1“De Vereniging verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: I. [verweerder 1] en [verweerder 2] op grond van artikel 2:298 BW als bestuurder van SBK en SWBR te ontslaan; II. te bepalen dat binnen 4 weken na de te wijzen beschikking met inachtneming van het bepaalde in de statuten van SBK tot een nieuwe bestuurder van SBK dient te zijn overgegaan met toekenning van alle wettelijke en statutaire bevoegdheden aan deze bestuurder; III. te bepalen dat er binnen 4 weken na de te wijzen beschikking met inachtneming van het bepaalde in de statuten van SWBR tot een nieuwe bestuurder B van SWBR dient te zijn overgegaan met toekenning van alle wettelijke en statutaire bevoegdheden aan deze bestuurder; IV. Bodelaeke B.V., Beheermaatschappij Bodelaeke B.V. en Bodelaeke Verhuur B.V. te gebieden om binnen 14 dagen na betekening van de te wijzen beschikking inzage en/of afschriften te verstrekken van alle bescheiden als genoemd in randnummer 62 van het verzoekschrift, zulks op straffe van een dwangsom; V. [verweerders] te veroordelen in de proceskosten.”
r.o. 4.1“De Vereniging heeft herhaald dat zij wel belanghebbende is in de zin van de artikelen 2:298 BW en 843a Rv. Zij voert aan dat in de Vereniging 75 eigenaren (90 woningen) zijn verenigd.”
r.o. 5.2“De rechtbank stelt voorop dat in artikel 2:298 lid 1 BW niet in het algemeen is vermeld wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen. Dit moet uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.”
r.o. 5.3 · lid 1Ontslag en schorsing stichtingsbestuurder STAK wegens taakverwaarlozing ex artikel 2:298 BW
“In deze procedure staat vast dat de aandelen in Eukairos door [bedrijf] worden gehouden, zij het dat de aandelen door de Ondernemingskamer onder beheer zijn gesteld. De aandelen in [bedrijf] worden gehouden door de STAK. Deze vennootschapsrechtelijke verbondenheid levert op zichzelf een in het kader van artikel 2:298 BW rechtens relevant belang op. Daar komt bij dat, zoals Eukairos ook heeft toegelicht, (i) Eukairos na de verkoop van de Centric-onderneming al enige tijd poogt de verkoopopbrengst aan [naam 1 c.s.] te doen toekomen, en (ii) zij in het kader van verstrekte garanties over de fiscale toestand van de voormalige groep een belang heeft bij informatie daarover die enkel afkomstig kan zijn van de STAK. Ook deze omstandigheden maken dat Eukairos een eigen belang heeft en dus kan worden ontvangen in haar verzoeken.”
r.o. 4.10“De rechtbank merkt in dit kader nog op dat Eukairos voorafgaand aan deze procedure niet haar beklag heeft gedaan en tot actie heeft gemaand bij (het bestuur van) de STAK. Een bezwarenbrief zoals vereist in de enquêteprocedure (artikel 2:349 lid 1 BW) is niet een vereiste dat geldt voor de (ontvankelijkheid in de) ontslagprocedure op de voet van artikel 2:298 BW. Bovendien heeft Eukairos gesteld uitvoerige pogingen te hebben gedaan om in contact te komen met [naam 1] , maar dat die pogingen niet succesvol zijn gebleken. Ter zitting is toegelicht dat vertegenwoordigers van Eukairos zelfs zijn afgereisd naar het Duitse postadres van de STAK. Het beoordelingskader voor het ontslag van een bestuurder van een stichting”
r.o. 4.11“Artikel 2:298 BW bepaalt – voor zover relevant – dat een bestuurder kan worden ontslagen wegens (i) verwaarlozing van zijn taak, (ii) andere gewichtige redenen en (iii) ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.”
r.o. 4.13“De rechter moet bij de beoordeling van de in artikel 2:298 BW genoemde ontslaggronden terughoudendheid betrachten. Ontslag is immers een middel dat zwaar ingrijpt in het bestuur van de STAK. Bovendien heeft ontslag verstrekkende gevolgen voor de betreffende bestuurder, mede vanwege het daaraan (in beginsel) gekoppelde bestuursverbod. De in artikel 2:298 lid 1 BW genoemde grond van verwaarlozing van zijn taak moet worden bezien in het perspectief van de uit artikel 2:291 lid 3 BW volgende verplichting van bestuurders om zich te richten naar het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie. De taakverwaarlozing moet voldoende ernstig zijn om het ontslag te rechtvaardigen. Het verzoek tot ontslag van [naam 1]”
r.o. 4.14 · lid 1Ontslag stichtingsbestuurder wegens taakverwaarlozing en privé-uitgaven (artikel 2:298 BW)
“In deze zaak heeft [verzoeker] , die lang als beleidsmedewerker bij [verweerder 2] was betrokken en ook rekeninghouder is van een door [verweerder 2] beheerde Florijn-rekening, de rechtbank onder meer verzocht om [verweerder 1] als bestuurder van [verweerder 2] te ontslaan, op de grond dat hij zijn taak heeft verwaarloosd en om andere gewichtige redenen als bedoeld in artikel 2:298 BW, en in zijn plaats [verzoeker] en nieuwe bestuurders te benoemen (bij voorkeur [belangh 4] en [verzoeker] ). De overige belanghebbenden (allen houders van Florijnrekeningen) hebben door het afgeven van machtigingen het ontslagverzoek ondersteund. [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn niet verschenen in de procedure en hebben geen verweer gevoerd. De rechtbank wijst het verzoek tot ontslag van [verweerder 1] als bestuurder toe, omdat zij tot het oordeel komt dat hij, door niet goed te zorgen voor het vermogen van [verweerder 2] en er niet voor te zorgen dat de Florijn naar behoren kon blijven functioneren als betaalmiddel, inderdaad zijn taak als bestuurder van [verweerder 2] heeft verwaarloosd. Ook overigens oordeelt de rechtbank dat er gewichtige redenen zijn om hem als bestuurder te ontslaan, onder […]”
r.o. 2.2“De wet vermeldt niet in het algemeen wie tot de belanghebbenden zijn te rekenen bij een verzoek tot ontslag en benoeming van bestuurders van een Stichting op grond van artikel 2:298 lid 1 BW. Wie belanghebbende zijn moet uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.”
r.o. 5.1 · lid 1Ontslag stichtingsbestuurder wegens taakverwaarlozing en privé-uitgaven; benoeming twee nieuwe bestuurders
“In deze zaak heeft [verzoeker] , die lang als beleidsmedewerker bij de Stichting was betrokken en ook rekeninghouder is van een door de Stichting beheerde Florijn-rekening, de rechtbank onder meer verzocht om [gedaagde] als bestuurder van de Stichting te ontslaan, op de grond dat hij zijn taak heeft verwaarloosd en om andere gewichtige redenen als bedoeld in artikel 2:298 BW, en in zijn plaats [verzoeker] en nieuwe bestuurders te benoemen (bij voorkeur [belanghebbende 2] en [verzoeker] ). De overige belanghebbenden (allen houders van Florijnrekeningen) hebben door het afgeven van machtigingen het ontslagverzoek ondersteund. [gedaagde] en de Stichting zijn niet verschenen in de procedure en hebben geen verweer gevoerd. De rechtbank wijst het verzoek tot ontslag van [gedaagde] als bestuurder toe, omdat zij tot het oordeel komt dat hij, door niet goed te zorgen voor het vermogen van de Stichting en er niet voor te zorgen dat de Florijn naar behoren kon blijven functioneren als betaalmiddel, inderdaad zijn taak als bestuurder van de Stichting heeft verwaarloosd. Ook overigens oordeelt de rechtbank dat er gewichtige redenen zijn om hem als bestuurder te ontslaan, onder meer omdat […]”
r.o. 2.2“De wet vermeldt niet in het algemeen wie tot de belanghebbenden zijn te rekenen bij een verzoek tot ontslag en benoeming van bestuurders van een Stichting op grond van artikel 2:298 lid 1 BW. Wie belanghebbende zijn moet uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.”
r.o. 5.1 · lid 1Schorsing commissaris stichting bij voorlopige voorziening ex parte (artikel 2:298 BW)
“Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: het verzoekschrift van 15 mei 2025, met producties 1 tot en met 21; de beschikking van 13 juni 2025 van deze rechtbank waarin – kort samengevat – de tijdelijke bestuurder met onmiddellijke ingang is benoemd tot onafhankelijke bestuurder van de Stichting hangende het onderzoek en het [verweerders] is verboden (interne of externe) bestuurshandelingen te verrichten zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de tijdelijke bestuurder (art. 2:298 lid 2 BW); de aanvullende verzoekschriften van 16 oktober 2025 en 9 december 2025, met producties 22 tot en met 27; het verweerschrift van de Stichting c.s. van 2 december 2025, met producties 1 tot en met 4, op 16 december 2025 aangevuld met de producties 5 tot en met 6b; het verweerschrift van [verweerders] van 12 december 2025, met producties 1 tot en met 14.”
r.o. 1.1 · lid 2“De erfgenamen verzoeken [naam] te schorsen als commissaris op grond van artikel 2:298 lid 4 juncto lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna : BW). Zij leggen daar aan ten grondslag dat [naam] zijn taak als commissaris in het geheel niet uitvoert. Het gevaar bestaat dat [naam] besluiten neemt als (enig) commissaris die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de Stichting en niet eenvoudig zijn terug te draaien.”
r.o. 2.2 · lid 4Ontslag van het gehele stichtingsbestuur en benoeming bestuurder door rechtbank (moskeestichting)
“In deze zaak ligt een verzoek tot ontslag van de bestuurders voor en wordt verder gevraagd om een aantal voorlopige voorzieningen te treffen zolang nog niet op dat verzoek is beslist. Voordat de rechtbank inhoudelijk op de zaak kan ingaan, moet zij beoordelen of de verzoekers ontvankelijk zijn in hun ontslagverzoek. De bestuurders hebben namelijk als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat verzoekers hierin niet-ontvankelijk zijn, omdat zij geen belanghebbenden zouden zijn in de zin van artikel 2:298 Burgerlijk Wetboek (BW). Ontvankelijkheid verzoekers”
r.o. 4.1“De rechtbank kan dus overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de verzochte ontslagen. De mogelijkheid van ontslag en schorsing van een bestuurder van een stichting is bij de rechter neergelegd, omdat een toezichthoudend orgaan op het bestuur veelal ontbreekt en in ieder geval niet bij wet is voorzien. Een bestuurder van een stichting kan worden ontslagen (i) wegens verwaarlozing van zijn taak, (ii) wegens andere gewichtige redenen, (iii) wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld, of (iv) wegens het niet of niet behoorlijk vervullen aan een door de rechtbank of de voorzieningenrechter gegeven bevel (artikel 2:298 lid 1 BW). Bij de beoordeling van de verzoeken moet de rechtbank de nodige terughoudendheid in acht nemen, het is niet de bedoeling dat de rechter op de stoel van het bestuur plaatsneemt. Het ontslag van een bestuurder is een middel dat zwaar ingrijpt in de governance van de stichting en verstrekkende gevolgen heeft voor de bestuurder(s), mede gelet op het aan het ontslag verbonden bestuursverbod. Niet bijeenroepen van de donateursvergadering”
r.o. 4.6 · lid 1“Artikel 2:298 lid 3 BW bepaalt dat een door de rechtbank ontslagen bestuurder gedurende vijf jaar na het ontslag geen bestuurder of commissaris van een stichting kan worden, tenzij de bestuurder geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Niet gesteld of gebleken is dat een disculpatiegrond als bedoeld in dit artikel zich hier voordoet. De rechtbank zal dan ook het bestuursverbod voor de duur van vijf jaren opleggen aan ieder van de bestuurders. Benoeming nieuwe bestuurder”
r.o. 4.25 · lid 3