Titel 6. Stichtingen
Artikel 2:285 BW
In werking getreden op 26 juli 1976 (Stb. 1976, 395)
Een stichting is een door een rechtshandeling in het leven geroepen rechtspersoon, welke geen leden kent en beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken.
Indien de statuten een of meer personen de bevoegdheid geven in de vervulling van ledige plaatsen in organen van de stichting te voorzien, wordt zij niet uit dien hoofde aangemerkt leden te kennen.
Het doel van de stichting mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:285 BW (14)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Hoge Raad (3)
Omzetting kerkgenootschap in stichting en omgekeerd: overeenkomstige toepassing artikel 2:18 BW
“NIISA heeft de rechtbank verzocht om een rechterlijke machtiging in de zin van art. 2:18 lid 4 BW teneinde zich te kunnen omzetten in een stichting in de zin van art. 2:285 BW. In overeenstemming met art. 2:18 lid 5 BW heeft NIISA bij dat verzoek een notarieel ontwerp overgelegd van de akte van omzetting die de nieuwe statuten bevat. In verband met dit verzoek heeft de rechtbank de hiervoor in 2 vermelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. De aanduiding ‘kerkgenootschappen’ omvat in het hiernavolgende ook hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd (vgl. art. 2:2 lid 1 BW). Vragen a en b: overeenkomstige toepassing van art. 2:18 BW op omzetting van of in een kerkgenootschap 3.3.1 Art. 2:18 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon zich kan omzetten in een andere rechtsvorm. Na een dergelijke omzetting bestaat de rechtspersoon voort in die andere rechtsvorm. Voor omzetting moet worden voldaan aan de vereisten van art. 2:18 BW. Art. 2:18 BW maakt deel uit van Titel 1 (Algemene bepalingen) van Boek 2 BW en is als zodanig van toepassing op privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in art. 2:3 BW. Kerkgenootschappen behoren niet tot deze categorie […]”
r.o. 3.2Stichting particulier fonds: vereenzelviging, misbruik identiteitsverschil en toerekening kennis aan rechtspersoon
“Alvorens de klachten van het middel te behandelen, wordt het volgende overwogen. Maple Leaf is een stichting particulier fonds, als bedoeld in art. 2:50 en 50a BW Sint Maarten (BWSM). Deze rechtsvorm, geïntroduceerd in de toenmalige Nederlandse Antillen bij de Landsverordening van 19 oktober 1998, Pb. 1998, nr. 209, tot wijziging van (onder meer) de Landsverordening op de Stichtingen, onderscheidt zich van de reguliere stichting slechts hierin dat voor deze stichtingsvorm niet geldt het – overeenkomstig het Nederlandse recht (art. 2:285 lid 3 BW) – voor stichtingen in het algemeen bestaande verbod uitkeringen te doen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen of ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben (art. 2:50 lid 4 BWSM).”
r.o. 3.4.1 · lid 3Ontslag en schorsing stichtingsbestuurder ex artikel 2:298 BW wegens ongeoorloofde uitkeringen
“[…] het hof bij de bestreden beschikking beide beschikkingen van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof onder meer geoordeeld, dat (i) gelet op de door partijen overgelegde stukken het ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift voldoende aannemelijk was dat er zwaarwegende gronden aanwezig waren om op voorhand aan te nemen dat [verzoeker] in strijd met het bepaalde in art. 2:285 lid 3 BW had gehandeld en dat ook anderszins sprake was van wanbeheer (rov. 3.4), (ii) [verzoeker] in strijd met de statuten van de Stichting heeft gehandeld door als bestuurder in te stemmen met het op 19 december 2000 doen van betalingen door de Stichting aan hemzelf en de toenmalige andere bestuursleden en dat hierin een zelfstandig en voldoende ernstig verwijt schuilt om het ontslagverzoek toe te wijzen (rov. 3.12), en (iii) [verzoeker] gelet op de beslissing van het hof in het door [betrokkene 1] tegen de eindbeschikking van de rechtbank ingestelde hoger beroep geen belang had bij de behandeling van grief B12, waarmee [verzoeker] opkwam tegen de benoeming van [betrokkene 2] als bestuurslid van de Stichting (rov. 3.13). Hiertegen keren zich de drie cassatiemiddelen. In het […]”
r.o. 3.2 · lid 3
Conclusies van de A-G (9)
Belanghebbende bij herroeping van beschikking tot wijziging stichtingsdoel (artikel 2:294 BW)
“Een stichting is een door een rechtshandeling in het leven geroepen rechtspersoon, die geen leden kent en beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken (zie art. 2:285 lid 1 BW). Het doel van een stichting moet (dus) worden opgenomen in haar statuten (zie art. 2:286 lid 4, aanhef en onder b BW). Daarbij zij bedacht dat het doel van een stichting niet mag inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben (zie art. 2:285 lid 3 BW). De doelomschrijving wordt wel gezien als een essentieel onderdeel van de statuten van een stichting, zelfs “[m]et stip op één”. Tenzij de statuten anders bepalen, heeft een stichting slechts één orgaan: het bestuur (zie mede art. 2:291 BW). In de praktijk is dit laatste het normaaltype. Nu in het wettelijke systeem een intern toezichthoudend orgaan ontbreekt, en collegiaal bestuurlijk toezicht - een vorm van intern toezicht - niet altijd mogelijk of afdoende is, vertrouwt de wet het toezicht op het bestuur van een stichting toe aan de rechter (zie […]”
r.o. 3.6 · leden 1, 3“Er bestaat een zeker verband tussen het vermogen van een stichting en haar statutaire doel. Zij is immers - ik noemde het al onder 3.6 hiervoor - een door een rechtshandeling in het leven geroepen rechtspersoon, die geen leden kent en beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken (zie art. 2:285 lid 1 BW). Zo bezien is dit vermogen “het karakteristieke hulpmiddel” voor een stichting bij de verwerkelijking van haar statutaire doel, welk doel kan worden gezien als “het wezen van de stichting”. Anders uitgedrukt: dit vermogen heeft een “doelbestemming”, het is “doelgebonden”. Daarbij past het om te zeggen dat “door de wijziging van de doelstelling het zich in de stichting bevindende vermogen opeens anders gericht wordt”. Aangenomen wordt - het strookt met het voorgaande - dat het belang van een stichting met een overwegend doelvermogenkarakter ermee is gediend dat haar vermogen, voor zover aanwezig, op dusdanige wijze wordt aangewend dat haar doel daarmee zo veel mogelijk wordt verwezenlijkt. En dat dit doorwerkt in de opdracht aan haar bestuurders, die zich immers - zie ook art. 2:291 lid 3 BW - bij de vervulling van hun taak […]”
r.o. 3.10 · lid 1“Timmerman verwoordt het treffend zo (zonder verwijzingen in het origineel): Artikel [2:]285 lid 1 BW bepaalt dat de stichting dient te beogen haar statutaire doel te verwezenlijken. Daarbovenop schrijft artikel 2:285 lid 1 BW voor dat het vermogen van een stichting slechts mag worden besteed overeenkomstig de in het statutaire doel aangeduide bestemming. Voor het vermogen van een stichting geldt dus een bestedingsbeperking die het gevolg is van de normerende werking van het statutaire doel.Daarbij is van belang dat het statutaire doel van een stichting meestal concreet en precies door de oprichter(s) is omschreven. Het statutaire stichtingsdoel is doorgaans scherper geformuleerd dan de vage statutaire doelen van een nv of bv. Het statutaire doel van een stichting bestaat vaak uit het bevorderen van een zwaarwegend extern belang, zoals het betrachten van liefdadigheid jegens behoeftige personen, het beschermen van een vennootschap tegen een vijandelijke overname, het beheren van aandelen ten behoeve van anderen enzovoort. Als gevolg hiervan geeft het statutaire doel van een stichting vaak een gerichte taakopdracht aan de functionarissen van de stichting. Ook is het statutaire doel […]”
r.o. 3.11 · lid 1“Blanco Fernández is kritisch over deze hofbeschikking en sluit zich aan bij het rechtbankoordeel, omdat het statutaire doel van deze stichting alternatieve bestedingsdoeleinden bevatte en wijziging dus niet noodzakelijk was. Bovendien is in zijn optiek het nieuwe doel niet verwant aan het oude, zodat geen recht wordt gedaan aan het doel dat de oprichter voor ogen had. Van Uchelen-Schipper, Overes, Rensen, Quist én Overes, Van der Ploeg & Van Veen hebben zich aangesloten bij deze kritiek. Zo schreef Quist dat met een ‘losse’ rechterlijke toetsing zonder inachtneming van de wettelijk voorgeschreven terughoudendheid, die moeilijk verenigbaar is met de autonomie van de oprichter van de stichting in kwestie, geen recht wordt gedaan aan “de stichting en daarmee de bescherming van het doelvermogen” zoals bedoeld door de wetgever. In zijn visie: is art. 2:285 lid 1 BW een bepaling die ten doel heeft het stichtingsvermogen te beschermen, net als bijvoorbeeld art. 2:291 lid 2 BW en art. 2:291 lid 3 BW. En: geldt dit eveneens voor art. 2:294 BW, daarbij weer aantekenend - zie ook onder 3.7-3.11 hiervoor - dat het belang van de stichting in directe relatie staat tot haar statutaire doel.”
r.o. 3.13 · lid 1Overheidsstichting hoeft reserves niet af te dragen aan Land Curaçao
“Zo bezien is dit vermogen “het karakteristieke hulpmiddel” voor de stichting bij de verwerkelijking van haar doel. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Nederlandse pendant hiervan (art. 2:285 lid 1 BW) gaat het om “een vermogenseis van reële betekenis”, aldus Daaruit blijkt ook dat deze eis ”
r.o. 3.20 · lid 1“Wettelijk verankerde uitzonderingen voor bepaalde stichtingen op toepasselijkheid van de uitkeringsbeperking bij de stichting zijn zeldzaam. Een voorbeeld bij de Nederlandse regeling (dus: art. 2:285 lid 3 BW) betreft de Wet Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij. Op grond van art. 9 van die wet diende de (voormalige) Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij de netto-opbrengsten uit de staatsloterij af te dragen aan de Staat. Op grond van art. 7 van die wet was art. 2:285 lid 3 BW hierop niet van toepassing. Zoals ook zal blijken uit het navolgende, ben ik niet bekend met een voorbeeld van een dergelijke wettelijk verankerde algemene terzijdestelling van art. 2:50 lid 4 BWC voor een bepaalde stichting; ook Boek 2 BWC bevat zoiets niet. Op het bestaan van zo’n terzijdestelling is door partijen overigens ook niet gewezen.”
r.o. 3.29 · lid 3“Dat bepaalde stichtingen onder het bestuursrecht kunnen vallen, heeft in het land Nederland nog wat meer vlees op de botten dan in het Land. Zo kunnen dergelijke stichtingen kwalificeren als zelfstandige bestuursorganen, in welk geval zij bijvoorbeeld vallen binnen de reikwijdte van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. Die wet bevat (beperkte) voorschriften voor zelfstandige bestuursorganen die onderdeel zijn van een privaatrechtelijke rechtspersoon en die uitsluitend een bij wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling opgedragen taak en daaruit voortvloeiende werkzaamheden uitvoeren. Zoals de verplichting tot het vormen van een egalisatiereserve (art. 33) en het laten goedkeuren van een jaarrekening door de minister (art. 34). Over de afdracht van reserves aan de Staat bevat die wet niets, evenmin over een algemene terzijdestelling van art. 2:285 lid 3 BW.”
r.o. 3.38 · lid 3“[…] een ander en met een ideële of sociale strekking als bedoeld in deze bepaling. Illustratief is het onder 3.29 hiervoor gegeven voorbeeld: dat de ontvanger van de daar bedoelde afdrachten door de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij (de netto-opbrengsten uit de staatsloterij) de Staat was, liet onverlet dat een wettelijke bepaling nodig was (art. 7 van de desbetreffende wet) om art. 2:285 lid 3 BW hierop niet van toepassing te laten zijn. Zoals gezegd: een vergelijkbare wettelijke bepaling die in het onderhavige geval toepassing vindt, heb ik niet aangetroffen. Gelet op het voorgaande zie ik niet voor mij dat de in art. 2:50 lid 4 BWC vervatte uitkeringsbeperking, een bepaling van dwingend recht (zie ook art. 2:1 BWC) waarin bovendien al een belangenafweging is verdisconteerd, hier opzijgezet zou kunnen worden op de voet van art. 2:7 lid 2 BWC. Hieruit volgt dat ik ook voor het door het Land gedane beroep op laatstgenoemde bepaling ter ecartering van voornoemde uitkeringsbeperking eenvoudigweg géén basis zie. De klachten 3.115 Zet ik mij nu, in het licht van deze inleidende opmerkingen, aan de klachten van het Land. Onderdeel 1 ( ) 3.116 Onderdeel 1 begint met […]”
r.o. 3.99 · lid 3Verbod en ontbinding Hells Angels-organisaties wegens strijd met openbare orde (artikel 2:20 BW)
“Er zijn twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid (Westport en Nijmegen) en 16 stichtingen verbonden aan de Hells Angels charters in Nederland (zie rov. 3.1). Dit zijn zelfstandige rechtspersonen. De verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland strekt zich in elk geval niet over hen uit. Het hof gaat ervan uit dat de charters Westport en Nijmegen zijn georganiseerd in de formele verenigingen met hun naam. Dat betekent dat zij alleen al daarom niet vallen onder het verbod en de ontbinding van HAMC Holland. Voor de overige charters geldt dat niet. Zij zijn niet georganiseerd in formele verenigingen en vallen ook niet samen met de stichtingen, omdat de charters leden hebben terwijl een stichting een rechtspersoon is die geen leden kent (artikel 2:285 BW). Daarmee blijft de vraag over of deze charters wel informele verenigingen zijn.”
r.o. 5.64“[…] niet vallen onder het verbod en de ontbinding van HAMC Holland. Vervolgens onderkent het hof in rov. 5.64 (in cassatie evenmin bestreden) dat dat voor de overige Hells Angels-charters niet geldt, nu zij niet georganiseerd zijn in formele verenigingen en ook niet samenvallen met de stichtingen (omdat de charters leden hebben, terwijl een stichting een rechtspersoon is die geen leden kent (art. 2:285 BW)), waarmee de vraag overblijft of deze charters wel informele verenigingen zijn. Daarop besteedt het hof in rov. 5.65 (voortbouwend op rov. 5.15) aandacht aan de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad en gaat het hof in rov. 5.66 (in cassatie zonder vrucht bestreden, zie onder 4.28-4.37 hierna) in op diverse aspecten van “de charters”, wat in rov. 5.67 (in cassatie eveneens zonder vrucht bestreden, zie ook onder 4.28-4.37 hierna) uitmondt in de conclusie dat gelet op dit alles “de Nederlandse charters - voor zover zij geen formele verenigingen zijn - als informele verenigingen [zijn] aan te merken” en dus niet vallen onder de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland. Waar het hof daarmee tot uitdrukking brengt dat hoe dan ook álle Nederlandse Hells Angels-charters - dus […]”
r.o. 4.27Maagdenhuis: zelfstandig onderdeel van kerkgenootschap of civiele stichting?
“[…] onderdelen enerzijds en stichtingen naar burgerlijk recht (‘civiele stichtingen’) anderzijds. (rov. 3.3-3.25) - In dat verband stelt het hof voorop dat voor rechtspersonen in de zin van art. 2:2 BW (waaronder zelfstandige onderdelen van een kerkgenootschap) als uitgangspunt geldt dat zij, in tegenstelling tot rechtspersonen als bedoeld in art. 2:3 BW (zoals stichtingen in de zin van art. 2:285 lid 1 BW), niet worden geregeerd door het burgerlijk recht, maar door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. (rov. 3.3) - Het hof overweegt dat wat in een concreet geval behoort tot het statuut van (een zelfstandig onderdeel van) een kerkgenootschap afhangt van de omstandigheden van het geval, en dat, naar tussen partijen niet in geschil is, bij een zelfstandig onderdeel daartoe in elk geval de statuten behoren. (rov. 3.4) - Het hof overweegt dat niet ter discussie staat dat het R.K. Kerkgenootschap een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW is en formuleert als volgt waar deze zaak over gaat: (rov. 3.5) “De in deze zaak te beantwoorden vraag luidt of het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap, waarbij volgens de […]”
r.o. 2.14 · lid 1“In ander verband is het onderscheid tussen een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW en een civiele rechtspersoon als bedoeld in art. 2:3 BW (zoals de stichting, zie ook art. 2:285 lid 1 BW) nog verschillende keren aan de orde geweest. Ik wijs op de volgende passage uit de Nota naar aanleiding van het eindverslag bij het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de bejaardenoorden in verband met directe financiering en beheersing van de kosten, waarin de toenmalige minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur Brinkman opmerkt: “Slechts daar, waar een bejaardenoord een direct onderdeel uitmaakt van een kerkgenootschap, zullen bedoelde democratiseringsregelen niet dwingend van toepassing kunnen zijn. Kerkgenootschappen zijn rechtspersonen met een geheel eigen aard, waarvoor ten dele ook geheel eigen regels gelden. Wordt echter een bejaardenoord in stand gehouden door een stichting - ook al is dat een zogenaamde kerkelijke stichting - dan zijn de daarvoor gestelde regels op dat oord van toepassing. Daarmee acht ik tevens de vraag van de leden van de S.G.P.-fractie beantwoord naar de rechtsgevolgen van interkerkelijke samenwerking, met het […]”
r.o. 3.11 · lid 1“De eerste categorie van criteria van Van Kooten betreft criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of de desbetreffende organisatie rechtspersoonlijkheid bezit. Het gaat dan volgens Van Kooten om het kunnen beschikken over een eigen vermogen, het hebben van een vorm van organisatie en het beschikken over een bepaalde mate van autonomie (onder een eigen naam naar buiten toe optreden). Dat het Maagdenhuis (civiele) rechtspersoonlijkheid bezit, staat als zodanig niet ter discussie tussen partijen in de onderhavige zaak. Wat partijen naar de kern genomen wel verdeeld houdt, is het antwoord op de vraag of deze rechtspersoonlijkheid van het Maagdenhuis kan worden ontleend aan art. 2:2 lid 1 BW (als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap, een kerkelijke rechtspersoon), zoals het Bisdom voorstaat, of aan art. 2:3 BW (als stichting in de zin van art. 2:285 lid 1 BW, een civiele rechtspersoon), zoals het Maagdenhuis c.s. voorstaat (zie ook rov. 3.7 en 3.8 van het arrest). De criteria van de eerste categorie kan ik in deze zaak daarom verder laten rusten.”
r.o. 3.13 · lid 1“[…] van de Hoge Raad inzake de Stichting Sint Laurens Ziekenhuis (hierna: het ziekenhuis) als standaardarrest. In die zaak speelde een vergelijkbare kwalificatievraag als in de onderhavige zaak: kon het ziekenhuis worden aangemerkt als een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW of was het ziekenhuis een stichting als bedoeld in art. 2:3 BW (en, thans, art. 2:285 lid 1 BW)? Het kerkgenootschap betrof, evenals in de onderhavige zaak, het R.K. Kerkgenootschap. De erfgenamen van een zekere [betrokkene 8] - zij had het ziekenhuis na haar overlijden krachtens legaat in 1917 de buitenplaats ‘ [de buitenplaats] ’ te [plaats] nagelaten - stelden zich op het standpunt dat de door het ziekenhuis voorgenomen verkoop van een deel van de buitenplaats in strijd was met de bepalingen van het testament van [betrokkene 8] . In dat kader diende in die zaak de kwalificatievraag te worden beantwoord, waarbij de erfgenamen zich op het standpunt stelden dat het ziekenhuis een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap was, terwijl zowel het ziekenhuis als het R.K. Kerkgenootschap het ziekenhuis niet als zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap […]”
r.o. 3.15 · lid 1Belanghebbende bij ontslag stichtingsbestuur en ontbinding stichting; tweekringenleer
“Aan dit verzoek heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat het bestuur van de Stichting, anders dan [betrokkene 1] in zijn testament heeft bepaald, een (aanzienlijk) groter deel dan een achtste deel van de jaarlijkse opbrengsten van het fonds heeft besteed aan personeels-, huisvestings- en organisatiekosten. Deze kosten worden door de Stichting betaald aan het ANV. Daarmee handelt het bestuur in strijd met de wet en/of de statuten en overtreedt het bestuur het uitkeringsverbod van art. 2:285 lid 3 BW, dan wel pleegt het bestuur van de Stichting wanbeheer, aldus [verzoeker] .”
r.o. 2.2 · lid 3“Deze zaak gaat over een stichting. De stichting is een rechtspersoon waarvoor intern toezicht niet wettelijk is geregeld. De stichting kent geen leden (art. 2:285 lid 1 BW), waardoor, anders dan bijvoorbeeld bij een vereniging of vennootschap, een algemene vergadering ontbreekt. Titel 6 van Boek 2 BW schrijft voor de stichting evenmin een toezichthoudend orgaan voor. De wet gaat ervan uit dat, tenzij de statuten anders bepalen, de stichting slechts het bestuur als orgaan kent. Dat is in de onderhavige zaak het geval. Omdat in het wettelijke systeem een intern toezichthoudend orgaan ontbreekt en collegiaal bestuurlijk toezicht niet altijd mogelijk of afdoende is, vertrouwt de wet het toezicht op het bestuur van een stichting aan de rechtbank toe. Het eerste lid van art. 2:298 BW bepaalt daartoe dat een bestuurder die: a. iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten dan wel zich schuldig maakt aan wanbeheer; of b. niet of niet behoorlijk voldoet aan een door de voorzieningenrechter van de rechtbank gegeven bevel, door de rechtbank kan worden ontslagen. Dit kan geschieden op verzoek van het openbaar ministerie of iedere belanghebbende. Art. 2:299 BW […]”
r.o. 3.1 · lid 1Afsplitsing stichting naar NV: vermogensklem artikel 2:18 lid 6 BW niet omzeild
“[…] redelijkheid tot het besluit had kunnen komen. In die context overweegt de Ondernemingskamer als volgt. Artikel 27h lid 3 Wok bepaalt dat de opbrengst van de speelcasino’s - na aftrek van de prijzen en kosten - ten bate strekt van de schatkist. Anders dan de ondernemingsraad aanvoert, valt niet in te zien waarom deze bepaling niet zou hebben te gelden als lex specialis ten opzichte van artikel 2:285 lid 3 BW. Ook de Beschikking casinospelen 1996 (de vergunning) en de statuten van Holland Casino (…) bepalen dat de netto-opbrengst (na aftrek van een door de minister van Financiën vast te stellen deel dat in de Stichting blijft als eigen vermogen) wordt afgedragen aan de Staat (artikel 17 lid 1 respectievelijk artikel 14). Artikel 16 lid 3 van de statuten bepaalt dat een eventueel liquidatiesaldo toekomt aan de Staat. Wat de zeggenschap betreft, heeft de minister van Financiën sinds de statutenwijziging van 2006 onder meer het recht de commissarissen te benoemen, heeft hij een bezwaarrecht ten aanzien van de benoeming van bestuurders en stelt hij het bezoldigingsbeleid vast, heeft hij een goedkeuringsrecht ten aanzien van in de statuten nader genoemde bestuursbesluiten […]”
r.o. 3.8 · lid 3Omzetting kerkgenootschap in stichting; analoge toepassing artikel 2:18 BW
“Nederlands-Israëlitische Instelling voor Sociale Arbeid (hierna: “NIISA”), heeft de rechtbank Amsterdam verzocht om een machtiging ex art. 2:18 lid 4 BW om zich om te zetten in een stichting (in de zin van art. 2:285 BW), zulks conform de als productie 30 door NIISA overgelegde ontwerpakte van omzetting en statutenwijziging.”
r.o. 2.2Conclusie: beklemd vermogen artikel 2:18 lid 6 BW in jaarrekening na omzetting stichting
“De door onderdeel 1 aan de orde gestelde kwestie inzake de omvang van het beklemde vermogen heeft betrekking op de uitleg van art. 2:18 lid 6 BW. Deze bepaling luidt als volgt: 'Na omzetting van een stichting moet uit de statuten blijken dat het vermogen dat zij bij de omzetting heeft en de vruchten daarvan slechts met toestemming van de rechter anders mogen worden besteed dan voor de omzetting was voorgeschreven. Hetzelfde geldt voor de statuten van een rechtspersoon voor zover dit vermogen en deze vruchten daarop krachtens fusie of splitsing zijn overgegaan.' Door deze bepaling hebben de doelomschrijving zoals opgenomen in de statuten van de stichting vóór haar omzetting en het uitkeringsverbod van art. 2:285 lid 3 BW, een zekere nawerking en wordt bewerkstelligd dat het vermogen van de stichting zoals dit op het moment van de omzetting aanwezig is, uitsluitend met rechterlijke toestemming kan worden besteed voor andere dan de oorspronkelijke doeleinden van de stichting vóór haar omzetting.(5) Art. 2:18 lid 6 BW is niet in alle opzichten duidelijk.(6) Wat onder 'vermogen' en onder 'de vruchten daarvan' moet worden verstaan, is niet nader toegelicht.”
r.o. 3.4 · lid 3“[…] het beklemde vermogen. Zo heeft de rechtbank Zwolle het mogelijk geoordeeld dat storting op de aandelen ten laste van het stichtingsvermogen rechtsgeldig kan plaatsvinden, indien de aandelen direct of indirect zijn genomen door een stichting met een zelfde doelstelling als de omgezette stichting.(19) Diezelfde rechtbank heeft in een andere zaak overwogen dat een omzetting die recht doet aan art. 2:285 lid 3 en 2:18 lid 6 BW mogelijk is, waarbij een statutaire reserve kan worden gecreëerd, bestemd voor het doel waarvoor de stichting in het leven is geroepen, aangevuld met de statutaire bepaling dat bij liquidatie het oude stichtingsvermogen zal worden besteed overeenkomstig het oude stichtingsdoel.(20) De uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2004 heeft betrekking op een statutenwijziging in strijd met de beklemmingsregel, waarbij de rechtbank ten overvloede heeft overwogen dat gedaagde een ander en nieuw verzoek kan indienen tot het verkrijgen van toestemming als bedoeld in art. 2:18 lid 6 BW. Zo'n verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen indien er een goede grond is om van de wettelijke beklemmingsregel af te wijken, waarna de rechtbank enige hier verder niet […]”
r.o. 3.12 · leden 2, 3“[…] door middel van een wettelijke (en statutaire) beklemming daarvan, alsmede door het beperken van de besteding van het beklemde vermogen, eerst behoefte zal bestaan zodra de stichting als zodanig heeft opgehouden te bestaan (doordat zij in een andere rechtsvorm is omgezet of haar vermogen naar een andere rechtspersoon onder algemene titel is overgegaan). Dat dit oordeel in strijd is met art. 2:285 lid 3 BW valt niet in te zien. De voortbouwende klachten(51) behoeven bij deze stand van zaken dan ook geen verdere bespreking.(52) Slotsom is dat het onderdeel faalt. (V) Geven de enkelvoudige jaarrekeningen van Optas Pensioenen en Aegon een getrouw beeld?”
r.o. 3.37 · lid 3Ontslag en schorsing stichtingsbestuurder wegens betalingen in strijd met statuten
“[…] dat het, gelet op de door partijen overgelegde stukken, met de rechtbank van oordeel is dat, op grond van het door de Officier van Justitie ingediende verzoekschrift met bijlagen, ten tijde van de indiening daarvan voldoende aannemelijk was dat zwaarwegende gronden aanwezig waren om op voorhand aan te nemen dat [verzoeker] handelde, althans had gehandeld, in strijd met het bepaalde in art. 2:285 lid 3 BW en dat ook anderszins sprake was (geweest) van wanbeheer. Naar het oordeel van het hof waren de getroffen maatregelen - schorsing van [verzoeker] als bestuurder en voorlopige benoeming van [betrokkene 2] als nieuw bestuurslid - aangewezen voor de duur van het onderzoek. Dat achteraf is gebleken dat het proces-verbaal van politie van 29 september 2004 enkele onjuiste gegevens bevatte, doet volgens het hof aan het voorgaande niet af. Anders dan het onderdeel aanvoert, meen ik dat het hof de vraag naar de juistheid van de door de rechtbank getroffen voorlopige voorzieningen níet uitsluitend heeft beoordeeld naar de toestand zoals die zich voordeed ten tijde van het indienen van het verzoek. Daartoe kan gewezen worden op het feit dat het hof in r.o. 3.4 expliciet heeft […]”
r.o. 2.10 · lid 3
Hoven en Ondernemingskamer (2)
Stichting mag liquidatiesaldo niet uitkeren aan leden van enige aangesloten vereniging
“Een stichting heeft een zogenaamd doelvermogen. Dat betekent dat een stichting haar vermogen moet besteden om het in de statuten opgenomen doel te verwezenlijken (artikel 2:285 lid 1 BW). Het statutaire stichtingsdoel stelt dus beperkingen aan de bestedingsvrijheid van de stichting inzake haar vermogen. Daarnaast moet het bestuur van de stichting handelen in het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie (artikel 2:291 lid 3 BW). Dit belang vormt het richtsnoer bij het nemen van een bestuursbesluit (zoals een besluit tot wijziging van de statuten) en wordt sterk ingekleurd door het statutaire doel van de stichting. Het statutaire doel blijft ook na de ontbinding en gedurende de vereffening van het vermogen van de stichting richtinggevend.”
r.o. 4.2 · lid 1“De wet kent een uitkeringsverbod voor stichtingen. Artikel 2:285 lid 3 BW luidt: “Het doel van de stichting mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben.””
r.o. 4.3 · lid 3“Het hof volgt de Stichting daar niet in. Weliswaar staat in artikel 12 lid 4 van de statuten dat de leden van de Vereniging saldogerechtigden zijn, maar dat neemt niet weg dat bij de bestemming van het batig saldo ook het uitkeringsverbod in acht moet worden genomen. De opvatting dat de algemene wettelijke bepaling over de vereffening van rechtspersonen, waaronder stichtingen (artikel 2:23b lid 1 BW), voorrang heeft op de specifieke wettelijke bepaling inzake de vereisten voor stichtingen (artikel 2:285 BW) en dat om die reden het uitkeringsverbod niet van toepassing is, vindt geen steun in het recht. Het uitkeringsverbod zou anders eenvoudig omzeild kunnen worden door een statutenwijziging.”
r.o. 4.10Stichting begraafplaats is zelfstandig onderdeel van kerkgenootschap, geen burgerlijke stichting
“Het hof is, op grond van het voorgaande, van oordeel dat de stichting een zelfstandig onderdeel is van het R.K Kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW, en geen burgerlijke stichting in de zin van artikel 2:285 lid 1 BW. De artikelen 2:8 en 2:294 BW, die het bestuur ten grondslag heeft gelegd aan het verzoek tot wijziging van de statuten, zijn daarom niet van toepassing. De rechtbank heeft onder 5.23 daarom terecht geconcludeerd dat het verzoek van het bestuur van de stichting moet worden afgewezen. De grieven falen in zoverre. In haar beslissing heeft de rechtbank vervolgens onder 6.1 de stichting niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is geen grief gericht. Waar het aan de burgerlijke rechter is om te beoordelen of de stichting kan worden beschouwd als een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap (vgl. Hof Amsterdam, 30 juni 2020, GHAMS:2020:1834, (Maagdenhuis) rov. 3.7), moet het ervoor worden gehouden dat de stichting wel ontvankelijk was in haar verzoek. In zoverre kleeft er een gebrek aan de beslissing van de rechtbank. Nu dit geen gevolgen heeft, laat het hof dit verder rusten.”
r.o. 5.14 · lid 1