Titel 6. Stichtingen
Artikel 2:298a BW
In werking getreden op 1 juli 2021 (Stb. 2020, 507)
Een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de stichting en de bestuurder kan door de rechter niet worden uitgesproken.
Het in het voorgaande lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op commissarissen.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:298a BW (2)
Rechtbanken (2)
Kort geding tegen voorgenomen ontslag stichtingsbestuurder door raad van toezicht afgewezen
“Het is aannemelijk, en door [eiseres] in wezen ook niet betwist, dat een procedure op de voet van artikel 2:298 BW dan wel artikel 2:298a BW, met daarin een incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen, al spoedig een aantal maanden in beslag zal nemen. Dat vormt, in de context van de situatie binnen HGH, een aanzienlijke beperking van de vrijheid van de raad van toezicht om te handelen overeenkomstig hetgeen zij noodzakelijk acht. Genoemde terughoudendheid geldt daarom evenzeer in de processuele constellatie die in dit kort geding aan de orde is.”
r.o. 4.5Ontbinding arbeidsovereenkomst statutair bestuurder stichting na ontslag; artikel 2:298a BW en opzegverbod
“Uit de ‘15-april arresten’ (HR 15 april 2005, NJ 2005/484 inzake Unidek en HR 15 april 2005, NJ 2005/483 inzake Bartelink/Ciris) vloeit voort dat het rechtspersoonsrechtelijk ontslag tevens een beëindiging van de arbeidsovereenkomst meebrengt, tenzij een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat of partijen anders zijn overeengekomen. Uit het - met de WBTR ingevoerde - artikel 2:298a BW volgt dat een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de stichting en de bestuurder niet door de rechter kan worden uitgesproken. In de memorie van toelichting bij de WBTR (Kamerstukken II, 2015/16, 34 491, nr. 3 p. 18) wordt met betrekking tot artikel 2:298a BW het volgende vermeld: “Met deze bepaling wordt recht gedaan aan het belang van de rechtspersoon om bestuurd te worden door personen die het vertrouwen genieten van het orgaan dat voor de samenstelling van het bestuur verantwoordelijk is. De regel geldt thans reeds voor de NV (artikel 2:134 lid 3 BW), de BV (artikel 2:244 lid 3 BW), de vereniging (artikel 2:37 lid 6 BW) en de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij (artikelen 2:37 lid 6 en 2:53a lid 1 BW). Omdat het vertrouwen in de bestuurder […]”
r.o. 5.4