Titel 6. Stichtingen
Artikel 2:291 BW
In deze vorm in werking sinds 1 juli 2021, laatst gewijzigd bij Stb. 2020, 507
Behoudens beperkingen volgens de statuten is het bestuur belast met het besturen van de stichting.
Slechts indien dit uit de statuten voortvloeit, is het bestuur bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt. De statuten kunnen deze bevoegdheid aan beperkingen en voorwaarden binden. De uitsluiting, beperkingen en voorwaarden gelden mede voor de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de stichting ter zake van deze handelingen, tenzij de statuten anders bepalen.
Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie.
De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide bestuurder meer dan één stem wordt toegekend. Een bestuurder kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen.
De statuten bevatten voorschriften omtrent de wijze waarop in de uitoefening van de taken en bevoegdheden voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders. De statuten kunnen deze voorschriften bevatten voor het geval van ontstentenis of belet van een of meer bestuurders. In de statuten kan nader worden bepaald wanneer sprake is van belet. Degene die bij ontstentenis of belet van bestuurders ingevolge een statutaire regeling is aangewezen tot het verrichten van bestuursdaden, wordt voor wat deze bestuursdaden betreft met een bestuurder gelijkgesteld.
Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 3. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen, wordt het besluit genomen door het bestuur onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen, tenzij de statuten anders bepalen.
De statuten kunnen bepalen dat aan bestuurders een bezoldiging wordt toegekend.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:291 BW (10)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Conclusies van de A-G (4)
Belanghebbende bij herroeping van beschikking tot wijziging stichtingsdoel (artikel 2:294 BW)
“[…] deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben (zie art. 2:285 lid 3 BW). De doelomschrijving wordt wel gezien als een essentieel onderdeel van de statuten van een stichting, zelfs “[m]et stip op één”. Tenzij de statuten anders bepalen, heeft een stichting slechts één orgaan: het bestuur (zie mede art. 2:291 BW). In de praktijk is dit laatste het normaaltype. Nu in het wettelijke systeem een intern toezichthoudend orgaan ontbreekt, en collegiaal bestuurlijk toezicht - een vorm van intern toezicht - niet altijd mogelijk of afdoende is, vertrouwt de wet het toezicht op het bestuur van een stichting toe aan de rechter (zie bijvoorbeeld art. 2:298 BW).”
r.o. 3.6“[…] opeens anders gericht wordt”. Aangenomen wordt - het strookt met het voorgaande - dat het belang van een stichting met een overwegend doelvermogenkarakter ermee is gediend dat haar vermogen, voor zover aanwezig, op dusdanige wijze wordt aangewend dat haar doel daarmee zo veel mogelijk wordt verwezenlijkt. En dat dit doorwerkt in de opdracht aan haar bestuurders, die zich immers - zie ook art. 2:291 lid 3 BW - bij de vervulling van hun taak hebben te richten naar dat belang: het zo goed en effectief als redelijkerwijze mogelijk aldus aanwenden van de middelen van die stichting. Haar doel, vermogen en belang liggen zo in elkaars logische verlengde, wat tevens raakt aan de eisen van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW die ook voor stichtingen gelden. Dit een en ander onderstreept nog eens - zie ook onder 3.6 hiervoor - dat het bij (wijziging van) het statutaire doel van een stichting gaat om een fundamenteel onderwerp van stichtingenrecht.”
r.o. 3.10 · lid 3“Blanco Fernández is kritisch over deze hofbeschikking en sluit zich aan bij het rechtbankoordeel, omdat het statutaire doel van deze stichting alternatieve bestedingsdoeleinden bevatte en wijziging dus niet noodzakelijk was. Bovendien is in zijn optiek het nieuwe doel niet verwant aan het oude, zodat geen recht wordt gedaan aan het doel dat de oprichter voor ogen had. Van Uchelen-Schipper, Overes, Rensen, Quist én Overes, Van der Ploeg & Van Veen hebben zich aangesloten bij deze kritiek. Zo schreef Quist dat met een ‘losse’ rechterlijke toetsing zonder inachtneming van de wettelijk voorgeschreven terughoudendheid, die moeilijk verenigbaar is met de autonomie van de oprichter van de stichting in kwestie, geen recht wordt gedaan aan “de stichting en daarmee de bescherming van het doelvermogen” zoals bedoeld door de wetgever. In zijn visie: is art. 2:285 lid 1 BW een bepaling die ten doel heeft het stichtingsvermogen te beschermen, net als bijvoorbeeld art. 2:291 lid 2 BW en art. 2:291 lid 3 BW. En: geldt dit eveneens voor art. 2:294 BW, daarbij weer aantekenend - zie ook onder 3.7-3.11 hiervoor - dat het belang van de stichting in directe relatie staat tot haar statutaire doel.”
r.o. 3.13 · leden 2, 3Stichting: vertegenwoordiging, statutaire machtiging B&W en nietigheid bestuursbesluit
“Art. 2:291 lid 2 BW bepaalt - voor zover hier van belang - dat het bestuur van een stichting slechts bevoegd is te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen indien dit uit de statuten voortvloeit. De statuten kunnen deze bevoegdheid aan beperkingen en voorwaarden binden. Volgens de slotzin van lid 2 gelden deze beperkingen en voorwaarden mede voor de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de stichting.”
r.o. 2.18 · lid 2Interne bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW: geen klachtplicht artikel 6:89 BW, décharge, ernstig verwijt
“[…] reglementen en besluiten van de rechtspersoon. Of korter gezegd: door het rechtspersonenrecht, dat ook eisen stelt aan de taakvervulling door de bestuurder jegens de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:9 BW. Welke taak in generieke zin ziet op het besturen van de rechtspersoon (zie, uitgaande van het bestuur als orgaan, mede art. 2:44 BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:129/239 BW en art. 2:291 BW). Daarbij geldt: “Over de inhoud van de taak van de bestuurder zegt art. 2:9 BW niets. De rechtsplicht om de taak behoorlijk te vervullen zou ook zonder uitdrukkelijke wettelijke bepaling gelden.De norm dat een bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak richt zich primair tot bestuurders. Het is een tot hen gerichte gedragsnorm.(…)Wat behoorlijke taakvervulling is in een concreet geval is niet altijd eenduidig. Veel factoren spelen een rol. Aan het bestuur en bestuurders komt beleidsvrijheid toe. Ontwikkelingen kunnen anders lopen dan gedacht.” 3.27.3 Kroeze schrijft over het besturen van de rechtspersoon onder meer: “Het begrip besturen is niet eenvoudig te omschrijven. Uitwerking van dit begrip in een wettelijke bepaling is […]”
r.o. 3.27“[…] reglementen en besluiten van de rechtspersoon. Of korter gezegd: door het rechtspersonenrecht, dat ook eisen stelt aan de taakvervulling door de bestuurder jegens de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:9 BW. Welke taak in generieke zin ziet op het besturen van de rechtspersoon (zie, uitgaande van het bestuur als orgaan, mede art. 2:44 BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:129/239 BW en art. 2:291 BW). Daarbij geldt: “Over de inhoud van de taak van de bestuurder zegt art. 2:9 BW niets. De rechtsplicht om de taak behoorlijk te vervullen zou ook zonder uitdrukkelijke wettelijke bepaling gelden.De norm dat een bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak richt zich primair tot bestuurders. Het is een tot hen gerichte gedragsnorm.(…)Wat behoorlijke taakvervulling is in een concreet geval is niet altijd eenduidig. Veel factoren spelen een rol. Aan het bestuur en bestuurders komt beleidsvrijheid toe. Ontwikkelingen kunnen anders lopen dan gedacht.””
r.o. 3.27.2Ontslagbesluit bestuurder B.V. zonder raadgevende stem: vernietigbaar, niet nietig
“[…] geworden (‘binnen de vennootschap’). Ik wijs er nog op dat het in nr. 4.34 genoemde wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen een vergelijkbare besluitvormingsregel bevat voor verenigingsvormen (een voorgesteld art. 2:44 lid 4 BW en art. 2:47 lid 5 BW), waar thans nog een vertegenwoordigingsregel geldt (art. 2:47 BW en art. 2:57 lid 4 BW), en voor stichtingen (een voorgesteld art. 2:291 lid 4 BW en art. 2:292a lid 5 BW). - Herziening B.V.-recht. In nr. 4.20 verwees ik naar de per 1 oktober 2012 ingevoerde herziening van Boek 2 BW inzake het B.V.-recht, waarvan het vigerende art. 2:227 lid 7 BW en art. 2:238 lid 2, slotzin BW deel uitmaken. Een kenmerk van deze omvangrijke wetgevingsoperatie is de accentverschuiving van de sanctie van nietigheid (vernietiging) naar de sanctie van aansprakelijkheid, die met name zichtbaar is in het kader van regels van kapitaalbescherming. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in het vervallen van art. 2:204c BW (oud) (‘Nachgründung’), in de wijziging van art. 2:207 BW (oud) (inkoop van eigen aandelen), in het vervallen van art. 2:207c BW (oud) (financiële steunverlening) en in de wijziging van art. 2:216 BW (oud) (uitkeringen aan […]”
r.o. 4.40 · lid 4
Hoven en Ondernemingskamer (1)
Stichting mag liquidatiesaldo niet uitkeren aan leden van enige aangesloten vereniging
“Een stichting heeft een zogenaamd doelvermogen. Dat betekent dat een stichting haar vermogen moet besteden om het in de statuten opgenomen doel te verwezenlijken (artikel 2:285 lid 1 BW). Het statutaire stichtingsdoel stelt dus beperkingen aan de bestedingsvrijheid van de stichting inzake haar vermogen. Daarnaast moet het bestuur van de stichting handelen in het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie (artikel 2:291 lid 3 BW). Dit belang vormt het richtsnoer bij het nemen van een bestuursbesluit (zoals een besluit tot wijziging van de statuten) en wordt sterk ingekleurd door het statutaire doel van de stichting. Het statutaire doel blijft ook na de ontbinding en gedurende de vereffening van het vermogen van de stichting richtinggevend.”
r.o. 4.2 · lid 3
Rechtbanken (5)
Stichting niet gebonden aan vaststellingsovereenkomst die door raad van toezicht is gesloten
“De rechtbank is van oordeel dat de Raad van Toezicht evenwel niet bevoegd was tot het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, omdat de stichting bij het aangaan van een (vaststellings)overeenkomst vertegenwoordigd dient te worden door het bestuur. Dit volgt uit artikel 6 van de statuten (alsmede uit de artikelen 2:291 en 2:292 van het Burgerlijk Wetboek). De omstandigheid dat de vaststellingsovereenkomst is gesloten met de (voormalige) bestuurder van de stichting, doet daar niet aan af: beoogd werd een overeenkomst tot stand te brengen met een externe partij, dat wil zeggen: [de bestuurder] als natuurlijk persoon en daarmee als zelfstandig drager van rechten en plichten naar burgerlijk recht. De vaststellingsovereenkomst kwalificeert derhalve als externe rechtshandeling. De vraag of de wederpartij - [de bestuurder] - in deze mocht vertrouwen op de bevoegdheid van de Raad van Toezicht is niet relevant: de stichting kan een beroep doen op de onbevoegde vertegenwoordiging, ook als de wederpartij te goeder trouw is.”
r.o. 4.3Ontslag bestuurder administratiekantoor wegens gebrek aan onafhankelijkheid, artikel 2:298 BW
“[…] bestuurders van de STAK per 3 april 2026 (…) (iv) De heer mr. [verweerder 4] per 2 april 2026 zelfstandig bestuurder en tevens voorzitter zal zijn van de STAK en hierbij de verantwoordelijkheden van het voorzitterschap, volgens de statuten van de STAK, aanvaardt. BESLUITEN TOT: 1. benoeming van de heer mr. [verweerder 4] als zelfstandig statutair bestuurder van de STAK, conform artikel 2:291 BW en artikel 3 van de statuten van de STAK, per 2 april 2026; 2. het aanvaarden van het aftreden van de heer [verweerder 1] en de heer [verweerder 2] als statutair bestuurders van de STAK per 3 april 2026 in de zin van artikel 3 lid 6, eerste opsomming van de statuten van de STAK.””
r.o. 2.29“Volgens de bewindvoerders zijn er gronden om over te gaan tot het ontslag van de Stak-bestuurders [verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] . In de eerste plaats hebben zij zichzelf vergoedingen toegekend zonder zich (voldoende) te houden aan artikel 2:291 lid 6 Burgerlijk Wetboek (BW) en de zogenaamde Linders/Hofstee-regels. Hierbij was sprake van persoonlijke belangen die tegenstrijdig (kunnen) zijn met het belang van de Stak en de [bedrijfsnaam 3] . De bestuurders hebben bij de besluitvorming rondom de vergoedingen onvoldoende transparantie betracht. In de tweede plaats zijn bestuursbesluiten en afspraken met verschillende stakeholders onvoldoende vastgelegd. Het door de Stak-bestuurders opgestelde document/dagboek voldoet niet aan het statutaire vereiste dat bestuursbesluiten in notulen van bestuursvergaderingen of in een schriftelijk bestuursbesluit buiten vergadering moeten worden vastgelegd. Daarnaast worden (de vruchtgebruikers van) de certificaathouders van de vorderingen ten onrechte ongelijk behandeld ten opzichte van [persoon 6] , de zuster van erflater. In de derde plaats is sprake van een al jaren bestaande achterstand in de administratie. De jaarrekeningen […]”
r.o. 3.4 · lid 6Ontslag stichtingsbestuurders afgewezen; belanghebbende, tegenstrijdig belang, artikel 2:298 BW
“De rechtbank stelt voorop dat artikel 2:291 lid 3 BW bepaalt dat een bestuurder zich dient te richten naar het belang van de stichting en de met haar verbonden ondernemingen of organisatie. De enkele mogelijkheid van het bestaan van een tegenstrijdig belang is onvoldoende. De vraag of er sprake is van een tegenstrijdig belang kan slechts met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval worden beantwoord. Er zal sprake moeten zijn van omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest op het handelen van de betrokken bestuurder dat deze zich niet in staat had mogen achten het belang van de Stichting met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is. [verzoeker 1] heeft, gelet op het gemotiveerde verweer, onvoldoende concreet onderbouwd dat er sprake is van een tegenstrijdig belang. Hierin ligt dan ook geen grond voor het ontslag van [verweerder 1] . De connectie tussen [verweerder 1] enerzijds en [verweerder 3] en [verweerder 2] anderzijds”
r.o. 4.10 · lid 3Afwijzing ontslag bestuurders van twee stichtingen ex artikel 2:298 BW; inzageverzoek afgewezen
“De Vereniging stelt als grondslag voor haar verzoek in de eerste plaats dat [verweerders] de statuten van SBK en SWBR schenden door de statutaire doelstellingen van beide stichtingen niet na te leven en in strijd te handelen met de voorgeschreven invulling van het bestuur. De Vereniging verwijst daarbij naar de statuten van SWBR waarin is bepaald dat bestuurder D, op dit moment [verweerder 2], uiterlijk zes maanden na verkoop van alle recreatiewoningen uit functie zal treden en daarvoor in de plaats een derde bestuurder B in de plaats treedt. Volgens de Vereniging houdt [verweerder 1] de benoeming van een nieuwe bestuurder B in het bestuur van SWBR echter tegen. Ondanks dat alle recreatiewoningen zijn verkocht weigert [verweerder 2] af te treden zodat zij plaats kan maken voor een nieuw te benoemen bestuurder B. Volgens de Vereniging staat daarmee tevens vast dat [verweerder 1] en [verweerder 2] zich niet richten naar het belang van SWBR, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 2:291, derde lid, BW. [verweerders] hebben dit betwist.”
r.o. 5.9“Daarnaast is er volgens de Vereniging sprake van tegenstrijdige belangen, omdat [verweerders] ten aanzien van het resort, voor wat betreft de Bodelaeke-vennootschappen, SWBR en SBK alle macht in handen hebben, terwijl zij ook eigenaar zijn van een aanzienlijk aantal recreatiewoningen op het resort. Volgens de Vereniging nemen [verweerders], ondanks die tegenstrijdige belangen, deel aan de besluitvorming en beraadslaging in al deze rechtspersonen. [verweerders] handelen volgens de Vereniging daarmee in strijd met het bepaalde in artikel 2:291, lid 6 BW, hetgeen grond vormt voor onmiddellijk ontslag als bestuurder. [verweerders] hebben dat betwist en voeren aan dat zij juist hetzelfde belang hebben als de eigenaren van de recreatiewoningen, te weten een mooi resort met een goede bezettingsgraad.”
r.o. 5.18 · lid 6“Van handelen in strijd met artikel 2:291 BW, meer in het bijzonder lid 3 en lid 6, is gelet op het voorgaande niet gebleken. Evenmin is gebleken dat de handelwijze van [verweerders] op dit punt een gewichtige reden in de zin van artikel 2:298, eerste lid, BW oplevert. Het verzoek van de Vereniging om [verweerders] als bestuurders te ontslaan, alsmede de daaropvolgende verzoeken om te bepalen dat tot benoeming van een nieuwe bestuurder van SBK en SWBR dient te worden overgegaan, wordt als ongegrond afgewezen. Het verzoek tot afgifte van stukken gericht tegen de Bodelaeke-vennootschappen”
r.o. 5.27Ontslag en schorsing stichtingsbestuurder STAK wegens taakverwaarlozing ex artikel 2:298 BW
“De rechter moet bij de beoordeling van de in artikel 2:298 BW genoemde ontslaggronden terughoudendheid betrachten. Ontslag is immers een middel dat zwaar ingrijpt in het bestuur van de STAK. Bovendien heeft ontslag verstrekkende gevolgen voor de betreffende bestuurder, mede vanwege het daaraan (in beginsel) gekoppelde bestuursverbod. De in artikel 2:298 lid 1 BW genoemde grond van verwaarlozing van zijn taak moet worden bezien in het perspectief van de uit artikel 2:291 lid 3 BW volgende verplichting van bestuurders om zich te richten naar het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie. De taakverwaarlozing moet voldoende ernstig zijn om het ontslag te rechtvaardigen. Het verzoek tot ontslag van [naam 1]”
r.o. 4.14 · lid 3