Titel 6. Stichtingen
Artikel 2:297 BW
In deze vorm in werking sinds 1 januari 2002, laatst gewijzigd bij Stb. 2001, 584
Het openbaar ministerie bij de rechtbank is, bij ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder trouw worden nageleefd, dan wel het bestuur naar behoren wordt gevoerd, bevoegd aan het bestuur inlichtingen te verzoeken.
Bij niet- of niet-behoorlijke voldoening aan het verzoek kan de voorzieningenrechter van de rechtbank, desverzocht, bevelen dat aan het openbaar ministerie de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de stichting voor raadpleging beschikbaar worden gesteld en de waarden der stichting worden getoond. Tegen de beschikking van de voorzieningenrechter staat geen hoger beroep of cassatie open.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:297 BW (4)
Conclusies van de A-G (2)
Bevoegdheden van door rechter benoemde tijdelijk bestuurder van stichting; benoeming en ontslag bestuurders
“[…] vraag of een krachtens art. 2:298 lid 2 BW benoemde tijdelijk bestuurder beperktere bevoegdheden heeft dan een permanent bestuurder van een stichting wordt voor zover ik kan overzien noch in de literatuur noch in de jurisprudentie besproken. Voor de beantwoording van deze vraag kan aansluiting worden gezocht bij het enquêterecht. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de regeling van art. 2:297 en 2:298 BW (art. 2.4.10 en 2.4.11 Ontw.) volgens de wetgever tot hetzelfde doel leidt als de regeling van het enquêterecht. In de parlementaire geschiedenis wordt het volgende opgemerkt: " Toepasselijkverklaring van de titel inzake het enquêterecht past niet goed bij de stichting die geen aandeelhouders of leden kent. In de artikelen 2.4.10 en 2.4.11 van het ontwerp is reeds een regeling opgenomen die wel bij de structuur der stichting past en die tot hetzelfde doel leidt." (9) Uw Raad is reeds in HR 10 november 2006, NJ 2007, 45 uitgegaan van analogische toepassing van de regeling van het enquêterecht op art. 2:298 BW: "3.6.2 Het ontslag van bestuurders doet een nieuwe rechtstoestand ontstaan welke in beginsel eerst met het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak een aanvang […]”
r.o. 3.4Ontslag stichtingsbestuurders wegens wanbeheer; belanghebbende en uitvoerbaarheid bij voorraad (artikel 2:298 BW)
“[…] 1] als belanghebbend kan worden aangemerkt. Aangevoerd wordt verder dat er geen grond bestaat om, naar analogie van de regeling van het enquêterecht (art. 2:344-359 BW), de kring van belanghebbenden in de zin van art. 2:298 BW uit te breiden tot voormalig bestuurders van de stichting omdat: (1) iedereen het openbaar ministerie kan verzoeken een onderzoek in te stellen als bedoeld in art. 2:297 BW; (2) het enquêterecht een dergelijke mogelijkheid tot een verzoek aan het openbaar ministerie niet kent; (3) het enquêterecht van toepassing is op stichtingen met volledige rechtsbevoegdheid die een onderneming in stand houden waarvoor ingevolge de Wet op de Ondernemingsraad een ondernemingsraad moet worden ingesteld. Gelet op dit stelsel van de wet zou moeten worden aangenomen dat ten aanzien van stichtingen waarop het enquêterecht niet van toepassing is (zoals de onderhavige Stichting) de kring van belanghebbenden die zich op de voet van art. 2:298 BW rechtstreeks tot de rechter kunnen wenden niet zo ruim is dat daartoe ook behoren voormalige bestuursleden die geen direct belang stellen en zo nodig bewijzen. Voorzover het slot van r.o. 8 een zelfstandig dragende grond inhoudt […]”
r.o. 3.3
Rechtbanken (2)
Ontslag bestuurder administratiekantoor wegens gebrek aan onafhankelijkheid, artikel 2:298 BW
“Vervolgens moet worden beoordeeld of er gronden bestaan voor ontslag van [verweerder 4] . Uit artikel 2:298 lid 1 BW volgt dat de rechtbank een bestuurder op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie kan ontslaan wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen, wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld of wegens het niet of niet behoorlijk voldoen aan een door de voorzieningenrechter van de rechtbank ingevolge artikel 2:297 BW gegeven bevel.”
r.o. 4.12Belanghebbende bij ontslag en benoeming stichtingsbestuurders; verzoekers niet-ontvankelijk
Een stichting en drie erfgenamen van een overleden persoon verzochten om ontslag van de bestuurders van een andere stichting en benoeming van nieuwe bestuurders op grond van artikel 2:298 en 2:299 BW. De rechtbank oordeelt dat zij geen belanghebbenden zijn. Een statutaire doelstelling, erfgenaamschap zonder aangetoonde schade voor de nalatenschap, voormalig bewindvoerderschap en een emotioneel belang volstaan niet. Het Openbaar Ministerie is de toezichthouder op stichtingen. De verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard.