Titel 6. Stichtingen
Artikel 2:295 BW
In deze vorm in werking sinds 1 januari 2002, laatst gewijzigd bij Stb. 2001, 581
Een besluit tot wijziging van de statuten kan te allen tijde op verzoek van de stichting, van een belanghebbende of van het openbaar ministerie door de rechtbank worden vernietigd, indien de wijziging tot gevolg heeft dat de stichting kan worden ontbonden op een grond als bedoeld in de artikelen 21 of 301 lid 1, en die wijziging niet tot omzetting leidt. Overigens zijn artikel 15 leden 3 en 4 en artikel 16 van toepassing.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:295 BW (2)
Conclusies van de A-G (2)
Belanghebbende bij herroeping van beschikking tot wijziging stichtingsdoel (artikel 2:294 BW)
“Uit art. 2:294 lid 1 BW volgt dat het hier gaat om een verzoekschriftprocedure die kan worden ingeleid door “een oprichter, het bestuur of het openbaar ministerie”. Een belanghebbende kan aldus niet een dergelijke procedure entameren, anders dan in het stichtingenrecht wel het geval is in procedures op de voet van bijvoorbeeld art. 2:295, 2:298, 2:299 of 2:301 BW. Dit betekent evenwel niet dat belanghebbenden in een art. 2:294 BW-procedure niet gehoord kunnen worden. In de parlementaire geschiedenis wordt hierover opgemerkt dat de rechter een belanghebbende kan horen en dat een belanghebbende bovendien van de beschikking in hoger beroep of cassatie kan komen. Wat betreft de huidige mogelijkheid om een rechtsmiddel in te stellen tegen een beschikking op grond van art. 2:294 BW geldt een van art. 358 Rv afwijkende lex specialis in art. 996, aanhef en onder d Rv. Dit laatste artikel bepaalt dat in zaken met betrekking tot wijziging van de statuten van een stichting hoger beroep moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van de eindbeschikking.”
r.o. 3.16Belanghebbende bij ontslag stichtingsbestuur en ontbinding stichting; tweekringenleer
“De wet schrijft niet voor wie tot het begrip ‘belanghebbende’ gerekend kunnen worden. Het antwoord op die vraag is overgelaten aan de rechter. Behalve in het stichtingenrecht (zie naast de reeds genoemde bepalingen bijv. ook art. 2:295 BW en 2:301 BW) wordt de belanghebbende ook genoemd in het algemene rechtspersonenrecht van Titel 1 van Boek 2 BW (bijv. art. 2:15 lid 5 BW en art. 2:21 lid 4 BW), in het NV-recht (art. 2:86d lid 4 BW), in het recht over fusie en splitsing (art. 2:323 lid 2 BW en 2:334u lid 2 BW), in het enquêterecht (bijv. art. 2:349a lid 2 BW) en in het jaarrekeningenrecht (bijv. art. 2:448 BW). Ook buiten Boek 2 BW komt het begrip belanghebbende geregeld voor, bijvoorbeeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de Faillissementswet (Fw), in de Handelsregisterwet (Hrw) (oud) en in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).”
r.o. 3.2