← Alle artikelen

Titel 3. Coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen · Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:53 BW

In deze vorm in werking sinds 1 januari 2006, laatst gewijzigd bij Stb. 2005, 525

(Bijna) gelijk aan art. 2:90 BWC (Curaçao)

1

De coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging. Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen.

2

De onderlinge waarborgmaatschappij is een bij notariële akte als onderlinge waarborgmaatschappij opgerichte vereniging. Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen met haar leden verzekeringsovereenkomsten te sluiten, een en ander in het verzekeringsbedrijf dat zij te dien einde ten behoeve van haar leden uitoefent.

3

De statuten van een coöperatie kunnen haar veroorloven overeenkomsten als die welke zij met haar leden sluit, ook met anderen aan te gaan; hetzelfde geldt voor de statuten van een onderlinge waarborgmaatschappij waarbij iedere verplichting van leden of oud-leden om in de tekorten bij te dragen is uitgesloten.

4

Indien een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij de in het vorige lid bedoelde bevoegdheid uitoefent, mag zij dat niet in een zodanige mate doen, dat de overeenkomsten met de leden slechts van ondergeschikte betekenis zijn.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:53 BW (6)

Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.

Conclusies van de A-G (5)

  • Parket bij de Hoge Raad · 1 november 2024

    Uittreedvergoeding coöperatie zonder statutaire grondslag: artikel 2:60 BW

    “Een coöperatie is, naar huidig recht, een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging (art. 2:53 lid 1, eerste zin BW). Aanvankelijk was in de opzet van Boek 2 BW de coöperatie een subvorm van de vereniging (thans geregeld in Titel 2.2 BW). In de vigerende opzet van Boek 2 BW is de coöperatie (thans geregeld in Titel 2.3 BW) een eigen rechtsvorm naast de vereniging. Kenmerkend voor een coöperatie is mede dat tussen het lid en de coöperatie zowel een lidmaatschapsverhouding als een contractuele verhouding bestaat (art. 2:53 lid 1, tweede zin BW). Gesproken wordt wel over een ‘dubbele rechtsband’.”

    r.o. 3.5 · lid 1

    “In het bijzonder de gedachte dat de coöperatieve vrijheid van uittreding haar oorsprong vindt specifiek in (de negatieve zijde van) de grondrechtelijke vrijheid van vereniging is m.i. met de geschiedenis moeilijk te verenigen en ook overigens, substantief, weinig overtuigend. De wetsgeschiedenis rept er bij mijn weten niet over. De coöperatie heeft bovendien niet, doordat zij een als coöperatie opgerichte vereniging is (art. 2:53 lid 1 BW), bij voorbaat noemenswaardig méér met het ‘recht tot vereniging’ van doen dan andere rechtsvormen voor ondernemingen. In art. 8 Gw is zeker niet één-op-één de rechtsvorm in Titel 2.2 BW bedoeld. In de literatuur wordt een uitleg van art. 8 Gw aanvaard die juist is losgekoppeld van die titel. Voor de aan art. 11 lid 1 EVRM ontleende bescherming is dit nog evidenter: die hangt uiteraard niet af van nationale rechtsvormen. Die grondrechten laat ik dus rusten.”

    r.o. 3.13 · lid 1

    “[…] overeenkomsten, openbaar dienen te worden gemaakt. Zie ook onder 3.20 hiervoor. Daarvan gaat, wat betreft de inhoudelijke toelaatbaarheid van dergelijke uittreedvoorwaarden, ook een zekere preventieve en in die zin beschermende werking uit. Dit komt mij wenselijk voor, passend ook bij de portee van art. 2:60 BW. e. Er is tevens een stelselargument voorhanden. Art. 2:34a BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW onderstreept de noodzaak van een statutaire grondslag van uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW, want bepaalt ook voor de coöperatie dat “verbintenissen (…) slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap [kunnen] worden verbonden.”Art. 2:34a BW wordt in de literatuur wat betreft de vereiste statutaire grondslag strikt begrepen, bijvoorbeeld door Rensen.En naar luid van art. 2:27 lid 4, aanhef en onder c BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW houden de statuten van de coöperatie de verplichtingen die de leden tegenover de coöperatie hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd, in.Art. 2:27 lid 4, aanhef en onder c BW wordt in de literatuur wat betreft de vereiste statutaire grondslag eveneens strikt begrepen, bijvoorbeeld […]”

    r.o. 3.30

    ECLI:NL:PHR:2024:1156

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 oktober 2023

    Conclusie: terugbetaling transactiesom coöperatie als uittredingsvoorwaarde zonder statutaire basis (artikel 2:60 BW)

    “Na deze eiswijziging luiden de vorderingen van de melkveehouders als volgt: I. een verklaring voor recht dat DOC Kaas niet meer te kwalificeren is als een coöperatieve vereniging als bedoeld in art. 2:53 BW; II. veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van DOC Kaas om tegen behoorlijk bewijs van kwijting de hierna gespecificeerde bedragen te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2016 aan elke afzonderlijke eiser, waarbij: - het sub A vermelde bedrag telkens ziet op het aan de betreffende melkveehouder toekomende melkgeld waarvan de omvang gelijk is aan de door DOC Kaas met het melkgeld verrekende uittredingsvergoeding op de voet van art. 13 Statuten; - het sub B vermelde bedrag telkens ziet op het melkgeld waarvan de omvang gelijk is aan de door DOC Kaas met het melkgeld verrekende, in april/juni 2016 uitgekeerde deel van de transactiesom; - het sub C vermelde bedrag telkens ziet op het prijsverschil van de in december 2016 door elke melkveehouder afzonderlijk geleverde hoeveelheid kilogram melk waarvan de omvang gelijk is aan € 0,01 per kilogram, te vermeerderen met btw; - het sub D vermelde bedrag telkens ziet op de buitengerechtelijke kosten; III. […]”

    r.o. 2.4

    “[…] maken waar de basis voor terugbetaling in haar statuten kan worden gevonden, moet de slotsom luiden dat deze er niet is, dat sprake is van een met art. 2:60 BW strijdige situatie en dat art. 11 lid 4 HR een nietige bepaling is. Het hof spitst dit oordeel wat betreft de wet dus toe op art. 2:60 BW, waar het in rov. 7.11 nog breder verwijst naar “de artikelen 2:27 lid 4 sub c. en 2:34a jo. artikel 2:53a lid 1 jo artikel 2:60 BW”. 3.7.2 Dit betekent vooreerst dat het subonderdeel strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, voor zover het ervan uitgaat dat het hof in rov. 7.13 het honoreren van dat verweer van de betreffende melkveehouders baseert op strijd met een andere wettelijke bepaling dan art. 2:60 BW. En verder dat het subonderdeel ook strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, voor zover het ervan uitgaat dat het hof de in art. 11 lid 4 HR vervatte “terugbetalingsverplichting” niet duidt als de uit het lidmaatschap voortvloeiende verplichting voor een lid van DOC Kaas tot terugbetaling van een extra vergoeding die het gevolg is van de fusie met DMK (het ontvangen deel van de […]”

    r.o. 3.7

    “Een coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging (art. 2:53 lid 1, eerste zin BW). Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen (art. 2:53 lid 1, tweede zin BW). In de systematiek van Boek 2 BW is de coöperatie geen gewone vereniging in de zin van Titel 2, maar een eigenstandige privaatrechtelijke rechtspersoon als geregeld in Titel 3. Wel zijn op de coöperatie bepaalde bepalingen uit die Titel 2 van toepassing, via schakelbepaling (art. 2:53a lid 1 BW). De vrijheid van uittreding wordt voor leden van de gewone vereniging geregeld in art. 2:35 lid 1 sub b en 2:36 BW. De eerste bepaling brengt mee dat het lidmaatschap eindigt door opzegging door het lid. De tweede bepaling bevat nadere regels over opzegging van het lidmaatschap. Deze bepalingen gelden krachtens genoemde schakelbepaling ook voor de coöperatie, met dien verstande dat daarbij art. 2:60 BW in acht moet worden genomen.”

    r.o. 3.7.3 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2023:910

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 oktober 2023

    Coöperatie: terugbetaling transactiesom vereist statutaire basis; handelsrente over melkgeld

    “[…] laatste zin: nu DOC Kaas ook op vragen van het hof niet duidelijk heeft gemaakt waar die basis voor terugbetaling in haar statuten kan worden gevonden, moet de slotsom luiden dat deze er niet is en dat art. 11 lid 4 HR een nietige bepaling is (zie ook rov. 5.21, eerste en tweede zin). Het hof relateert het vereiste van zo’n statutaire basis aan het bepaalde in art. 2:27 lid 4 sub c en 2:34a jo. 2:53a lid 1 BW. Wat het hof in algemene zin overweegt over deze bepalingen in rov. 5.21, derde t/m zesde zin, citeerde ik onder 3.3 hiervoor. 4.5.2 Het voorgaande betekent vooreerst dat het subonderdeel strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, voor zover het ervan uitgaat dat het hof in rov. 5.21 die in art. 11 lid 4 HR vervatte “terugbetalingsverplichting” niet duidt als die uit het lidmaatschap voortvloeiende verbintenis om de ontvangen transactiesom terug te betalen indien een lid stopt met het conform de reglementen van en overeenkomsten met de coöperatie leveren van melk aan de coöperatie voor een bepaalde datum, te weten 31 december 2018. Het subonderdeel strandt ook voor zover het die feitelijke grondslag niet ontbeert. Anders dan het […]”

    r.o. 4.5

    “Een coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging (art. 2:53 lid 1, eerste zin BW). Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen (art. 2:53 lid 1, tweede zin BW). In de systematiek van Boek 2 BW is de coöperatie geen gewone vereniging in de zin van Titel 2, maar een eigenstandige privaatrechtelijke rechtspersoon als geregeld in Titel 3. Wel zijn op de coöperatie bepaalde bepalingen uit die Titel 2 van toepassing, via schakelbepaling (art. 2:53a lid 1 BW). Dit geldt voor art. 2:27 lid 4, aanhef en sub c BW: wordt een vereniging opgericht bij notariële akte, dan moeten de daarin vervatte statuten van de vereniging onder meer inhouden de verplichtingen die de leden tegenover de vereniging hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd. Dit geldt ook voor art. 2:34a BW: verbintenissen kunnen slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap worden verbonden.”

    r.o. 4.5.3 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2023:911

  • Parket bij de Hoge Raad · 9 oktober 2020

    Onmiddellijke voorzieningen in enquête bij coöperatie met drie leden en patstelling

    “[…] 2:345 BW. Zie ook onder 3.12 hierna. In art. 2:344 BW is geregeld bij welke rechtspersonen een enquête kan worden verzocht. De meeste enquêteprocedures hebben betrekking op kapitaalvennootschappen (N.V. of B.V.). Een enquête bij een coöperatie, zoals in de onderhavige zaak het geval is, komt relatief weinig voor. Een coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging (art. 2:53 lid 1 BW). Dit geldt ook voor de Coöperatie. Zij heeft drie leden: Aloysius, Mutsaers en De Wijnberg (zie ook onder 1.7 hiervoor). De Coöperatie heeft in haar statuten iedere verplichting van haar leden of oud-leden om in een tekort bij te dragen uitgesloten, hetgeen, zoals wordt verlangd door 2:56 lid 1 BW, aan het slot van haar naam tot uitdrukking wordt gebracht met de letters U.A. (uitsluiting van aansprakelijkheid). De Coöperatie is aangewezen op zelffinanciering, door de leden (zie ook onder 1.7 hiervoor). Op grond van de statuten kunnen aan de leden van een coöperatie heffingen worden opgelegd. De statuten van de Coöperatie bieden daarvoor ook een basis. In zoverre verschilt (een lid van) een coöperatie van (een aandeelhouder van) een N.V. of B.V. Een aandeelhouder van een […]”

    r.o. 3.2 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2020:925

  • Parket bij de Hoge Raad · 13 oktober 2000

    Directeur coöperatie persoonlijk aansprakelijk jegens leden wegens eigen schade (Heino Krause)

    “[…] voor wie de vennootschap ‘zijn leven’ is), zijn de belangen van de leden van een coöperatieve vereniging in beginsel sterk met de coöperatie verweven, omdat een coöperatieve vereniging, mede vanuit historisch perspectief, in meerdere of mindere mate een verlengstuk is van de bedrijven van haar leden.2 Met hen worden immers overeenkomsten gesloten om in hun stoffelijke belangen te voorzien (art. 2:53 lid 1 BW). Nu is het wel juist dat ook de coöperatieve vereniging is geëvolueerd en thans in verschillende economische gedaanten opereert, waardoor ook de betrokkenheid van de bedrijven van de leden bij de coöperatie sterker varieert dan in het verleden het geval was,3 maar dat neemt niet weg dat in het onderhavige geval het oorspronkelijke model nog steeds opgaat: de leden waren immers verplicht om alle door hen geproduceerde melk aan de coöperatie af te zetten, terwijl zij voor hun bedrijfsresultaten geheel afhankelijk waren van het bedrijfsresultaat van de coöperatie en de coöperatie bovendien aansloot op het eigen bedrijf van de leden waardoor zij een economisch verlengstuk van de bedrijven der leden vormde.4 Het is dan ook begrijpelijk dat het hof deze grote economische […]”

    r.o. 4.4 · lid 1

    ECLI:NL:PHR:2000:AA7491

Rechtbanken (1)

  • Rechtbank Amsterdam · 4 februari 2026

    Nietigheid en vernietigbaarheid statutenwijziging coöperatie: aspirant-lidmaatschap en toezicht ledenraad

    “De vorderingen van [eiseres] richten zich allereerst tegen het bestuursbesluit van 3 november 2021 en het ledenraadbesluit van 9 mei 2022, waarin het moratorium op het kindlidmaatschap is opgeheven en in het huishoudelijk reglement is opgenomen dat elk lid na een lidmaatschap van twintig jaar één nieuw lid mag voordragen. [eiseres] stelt dat deze besluiten nietig zijn omdat deze in strijd zijn met de artikelen 3 en 5 van de statuten van de coöperatie en met artikel 2:53 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarom zijn volgens haar ten onrechte personen als lid van de coöperatie toegelaten die hebben meegestemd in de buitengewone algemene ledenvergadering van 16 mei 2024. Artikel 3 van de statuten”

    r.o. 4.2

    “Artikel 5 van de statuten in de versie van 2011 bepaalde dat leden kunnen zijn natuurlijke personen en rechtspersonen en stelde daaraan een aantal beperkingen. [eiseres] stelt dat het bestuursbesluit en het ledenraadbesluit daarmee in strijd zijn, maar de rechtbank oordeelt anders. Dat artikel verbood het bestuur niet om nadere beperkingen te stellen aan wie lid konden worden van de coöperatie. Dit geldt te meer nu in artikel 6, derde lid, van de statuten was voorzien dat ten aanzien van de beslissing om iemand toe te laten als lid, in het huishoudelijk reglement nadere regels konden worden gesteld. Artikel 2:53 BW”

    r.o. 4.6

    “Als derde grond voor de nietigheid van het bestuursbesluit en het ledenraadbesluit voert [eiseres] aan dat deze in strijd zijn met artikel 2:53, eerste lid, BW. Artikel 2:53, eerste lid, BW bepaalt ten aanzien van coöperaties, voor zover hier van belang, het volgende: “Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen.””

    r.o. 4.7

    “[eiseres] stelt dat uit artikel 2:53, eerste lid, BW volgt dat er tussen de coöperatie en het lid niet alleen een lidmaatschapsverhouding moet bestaan, maar ook een contractuele relatie. Door het bestuursbesluit en het ledenraadbesluit kunnen echter niet-hurende personen lid worden van de coöperatie. Deze niet-hurende leden hebben naast het lidmaatschap niet ook nog een contractuele relatie met de coöperatie. Bovendien is door de grote hoeveelheid niet-hurende leden de zeggenschap komen te liggen bij niet-huurders.”

    r.o. 4.8

    ECLI:NL:RBAMS:2026:1032