Titel 3. Coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen · Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 2:60 BW
In deze vorm in werking sinds 1 januari 1989, laatst gewijzigd bij Stb. 1988, 305
(Bijna) gelijk aan art. 2:96 BWC (Curaçao)
Voor de coöperatie geldt voorts dat, met behoud der vrijheid van uittreding uit de coöperatie, daaraan bij de statuten voorwaarden, in overeenstemming met haar doel en strekking, kunnen worden verbonden. Een voorwaarde welke verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:60 BW (7)
Hoge Raad (3)
Uittreedvergoeding coöperatie vereist statutaire grondslag ex artikel 2:60 BW
“De uittreedvergoeding die partijen zijn overeengekomen is een voorwaarde voor uittreding in de zin van artikel 2:60 BW. Zo’n voorwaarde moet een statutaire grondslag hebben en dat is hier niet het geval. Kubus kan daarom geen aanspraak maken op betaling van de vergoeding. Het hof legt dit oordeel hierna uit. Feiten (…)”
r.o. 3.1“Artikel 2:60 BW bepaalt dat bij de statuten van de coöperatie, met behoud van de vrijheid van uittreding, voorwaarden kunnen worden verbonden aan die uittreding. Die voorwaarden moeten in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden. Dit artikel maakt, dat vloeit ook uit de tekst voort, een begrenzing mogelijk van de vrijheid van vereniging, die ook vrijheid van uittreding inhoudt. Uit het artikel, dat op grond van artikel 2:25 BW van dwingend recht is, volgt dat zo’n begrenzing een statutaire grondslag moet hebben.”
r.o. 3.6“[…] arrest gesuggereerd dat uittreedvoorwaarden ook in een overeenkomst tussen de coöperatie en individuele leden kunnen worden opgenomen. Opneming in zo’n overeenkomst, die anders dan de statuten niet bij meerderheidsbesluit kan worden gewijzigd, kan de kenbaarheid van de voorwaarde en de bepaalbaarheid van de verplichtingen die eruit voortvloeien ook waarborgen. De statutaire grondslag die artikel 2:60 BW vereist voor een voorwaarde voor uittreding, welke grondslag in de door de Hoge Raad besliste zaak aanwezig was, waarborgt echter meer dan kenbaarheid en bepaalbaarheid. Een statutaire grondslag betekent immers ook een inbedding in het rechtspersonenrechtelijk kader, waarin aan naleving of schending van de statuten betekenis toekomt bij onder meer de geldigheid van besluiten, bestuurdersaansprakelijkheid en het enquêterecht. Daarbij komt dat als ook zonder statutaire grondslag voorwaarden aan uittreding zouden kunnen worden verbonden, niet meer duidelijk is of ook daarvoor de vereisten gelden van behoud van de vrijheid van uittreding en overeenstemming met doel en strekking van de coöperatie. Beoordeling door het hof”
r.o. 3.7“Kubus heeft aangevoerd dat in deze zaak geen sprake is van een ledenovereenkomst maar van een franchiseovereenkomst en dat geen sprake is van een uittreedvoorwaarde in de zin van artikel 2:60 BW maar van een vergoeding voor het einde van de franchiserelatie. [verweerder] heeft met gebruikmaking van de franchiserelatie een onderneming kunnen opbouwen en moet daar een vergoeding voor betalen, aldus Kubus.”
r.o. 3.8Coöperatie: terugbetalingsverplichting transactiesom in huishoudelijk reglement is uittredingsvoorwaarde zonder statutaire basis
“[…] (handels)rente. Het hof heeft daartoe – voor zover in cassatie van belang – als volgt overwogen. De melkveehouders voeren aan dat de bepaling in art. 11 lid 4 Hr (‘de terugbetalingsverplichting’) een statutaire basis mist en om die reden nietig is. Het hof is het daarmee eens. Uit art. 2:27 lid 4, onder c, BW en art. 2:34a BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW in verbinding met art. 2:60 BW volgt dat de uit het lidmaatschap van een coöperatie voortvloeiende verplichtingen en verbintenissen bij of krachtens de statuten aan de leden kunnen worden opgelegd. Deze bepalingen brengen mee dat een statutaire basis is vereist voor de verplichtingen en verbintenissen die aan het lidmaatschap worden gekoppeld. De statuten kunnen weliswaar bepalen dat een orgaan van de coöperatie bij besluit verbintenissen kan opleggen aan de leden of dat een verbintenis nader wordt uitgewerkt in een huishoudelijk reglement, maar de aard van de desbetreffende verbintenis moet steeds uit de statuten kenbaar zijn. Is een besluit van een orgaan van de coöperatie waarbij een verbintenis aan de leden wordt opgelegd niet op de statuten gegrond, dan is het nietig en bindt het de leden niet. De […]”
r.o. 2.4“Onderdeel 1 van het middel richt zich met verschillende klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 7.11-7.13. Onderdeel 1.3 klaagt dat het oordeel van het hof – voor zover dit aldus moet worden gelezen dat art. 11 lid 4 Hr een uittredingsvoorwaarde is waarvoor op grond van art. 2:60 BW een statutaire basis is vereist – getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de klacht is van een uittredingsvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW slechts sprake als aan de leden een verplichting wordt opgelegd die de mogelijkheid voor leden om hun lidmaatschap op te zeggen belemmert, althans valt onder een uittredingsvoorwaarde niet een voorwaarde voor een (definitieve) aanspraak op een eenmalige, additionele ‘aanblijfbonus’. Onderdeel 1.4 klaagt dat, voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Volgens het onderdeel valt niet in te zien dat de eenmalige extra ‘aanblijfbonus’ of het voldoen aan de voor definitieve aanspraak daarop geldende voorwaarde, een uittredingsvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW zou zijn, althans kan hetgeen het hof in dit kader heeft vastgesteld deze conclusie niet dragen. Het onderdeel klaagt dat […]”
r.o. 3.1.1“Art. 2:60 BW bepaalt dat bij de statuten van de coöperatie voorwaarden kunnen worden verbonden aan de uittreding. Die voorwaarden moeten volgens de bepaling in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Ook moet de vrijheid van uittreding daarbij behouden blijven. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden. Aan de eis van art. 2:60 BW dat de uittredingsvoorwaarde is opgenomen in de statuten, is voldaan als uit de statuten voor de leden deze voorwaarde kenbaar is en de aard en omvang van de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor hen bepaalbaar zijn. In dat geval is immers aan het doel en de strekking van die eis voldaan.”
r.o. 3.1.2“Het hof heeft in rov. 7.11-7.13 geconcludeerd dat de statuten van DOC Kaas geen basis bevatten voor terugbetaling van het uitgekeerde deel van de transactiesom, dat sprake is van een met art. 2:60 BW strijdige situatie en dat art. 11 lid 4 Hr een nietige bepaling is. Dit oordeel moet worden bezien in het licht van de – in cassatie niet of tevergeefs (zie hierna in 3.3) bestreden – vaststellingen van het hof dat de transactiesom “te betalen [is] aan de leden van DOC Kaas” (rov. 4.4), dat de transactiesom “een tijdens het fusiebesluit van 21 mei 2015 aan alle leden (…) toegezegde (extra) (financiële) vergoeding” is (rov. 7.14) en dat de aanspraak van de melkveehouders op hun deel van de transactiesom rechtstreeks voortvloeit uit het fusiebesluit van 21 mei 2015 (rov. 7.15). In het oordeel van het hof ligt aldus besloten dat de terugbetalingsverplichting van art. 11 lid 4 Hr afbreuk doet aan de al bij het fusiebesluit aan de leden toegezegde transactiesom en dus aan uittreding een financiële verplichting verbindt, en daarom is aan te merken als een voorwaarde die is verbonden aan de uittreding van een lid zoals bedoeld in art. 2:60 BW. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste […]”
r.o. 3.1.3Uittreedvergoeding coöperatie: kenbaarheid en bepaalbaarheid in statuten (artikel 2:60 BW)
“[…] Het hof heeft beslist dat DOC op grond van art. 13 lid 1 van de statuten aanspraak kan maken op een schadevergoeding van 1,84% van het gemiddeld melkgeld per jaar dat de melkveehouder in de vijf jaren voorafgaand aan de opzegging of, zo van toepassing, een kortere periode heeft ontvangen. 3.3.2 Hiertoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, bij tussenarrest als volgt overwogen. Art. 2:60 BW bepaalt niet op welke wijze in de statuten van de coöperatie een verplichting tot betaling van een vergoeding bij uittreding moet worden vastgelegd. Gelet op art. 2:34a BW in verband met artikel 2:27 lid 4, onder c, BW, geldt voor het opleggen van die verplichting dat deze uit de statuten (voldoende) kenbaar moet zijn. Voor deze kenbaarheid is het van belang dat tenminste de aard van de verplichting wordt vermeld. (rov. 22) De onderhavige schadevergoedingsverplichting is voldoende kenbaar uit de statuten van DOC. Uit art. 13 lid 1 is immers direct duidelijk dat het gaat om een verplichting tot vergoeding van de schade die DOC lijdt ten gevolge van de beëindiging van het lidmaatschap.Dat de grondslagen, op basis waarvan de deskundige de omvang van de schade dient te bepalen, niet […]”
r.o. 3.2“Hiertoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, bij tussenarrest als volgt overwogen. Art. 2:60 BW bepaalt niet op welke wijze in de statuten van de coöperatie een verplichting tot betaling van een vergoeding bij uittreding moet worden vastgelegd. Gelet op art. 2:34a BW in verband met artikel 2:27 lid 4, onder c, BW, geldt voor het opleggen van die verplichting dat deze uit de statuten (voldoende) kenbaar moet zijn. Voor deze kenbaarheid is het van belang dat tenminste de aard van de verplichting wordt vermeld. (rov. 22) De onderhavige schadevergoedingsverplichting is voldoende kenbaar uit de statuten van DOC. Uit art. 13 lid 1 is immers direct duidelijk dat het gaat om een verplichting tot vergoeding van de schade die DOC lijdt ten gevolge van de beëindiging van het lidmaatschap.Dat de grondslagen, op basis waarvan de deskundige de omvang van de schade dient te bepalen, niet in het huishoudelijk reglement van 2007 waren opgenomen, doet aan de kenbaarheid van die verplichting als zodanig niet af. (rov. 23) Deze schadevergoedingsverplichting is ook voldoende bepaalbaar, in de zin dat het de leden voldoende houvast geeft ten aanzien van de omvang van die verplichting. Art. […]”
r.o. 3.3.2“Onderdeel 1 keert zich tegen het hiervoor in 3.3.2 weergegeven oordeel van het hof in rov. 22-27 van zijn tussenarrest dat DOC op grond van art. 13 lid 1 van de statuten aanspraak kan maken op schadevergoeding wegens de uittreding door de melkveehouders, en dat het ontbreken van de in die bepaling genoemde regeling van de grondslagen van die schadevergoeding in het huishoudelijk reglement daaraan niet in de weg staat. Het onderdeel betoogt primair dat het hof heeft miskend dat op grond van art. 2:60 BW een uittredingsvoorwaarde in haar geheel in de statuten moet zijn opgenomen, althans dat zo’n voorwaarde ook wat betreft de grondslagen van een te betalen uittreedvergoeding in de statuten moet zijn opgenomen. In elk geval bestaat volgens het onderdeel onvoldoende grondslag voor zo’n vergoeding als de in de statuten voorgeschreven regeling in het huishoudelijk reglement niet is tot stand gekomen.”
r.o. 4.1.1“Art. 2:60 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij de statuten van de coöperatie voorwaarden kunnen worden verbonden aan de uittreding. Die voorwaarden moeten volgens de bepaling in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Voorts moet de vrijheid van uittreding daarbij behouden blijven. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden.”
r.o. 4.1.2
Conclusies van de A-G (3)
Uittreedvergoeding coöperatie zonder statutaire grondslag: artikel 2:60 BW
“Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. De uittreedvergoeding die partijen zijn overeengekomen is een voorwaarde voor uittreding in de zin van artikel 2:60 BW. Zo’n voorwaarde moet een statutaire grondslag hebben en dat is hier niet het geval. Kubus kan daarom geen aanspraak maken op betaling van de vergoeding. Het hof legt dit oordeel hierna uit. (…)Juridisch kader: uittreedvoorwaarden moeten statutaire grondslag hebben”
r.o. 3.1“Artikel 2:60 BW bepaalt dat bij de statuten van de coöperatie, met behoud van de vrijheid van uittreding, voorwaarden kunnen worden verbonden aan die uittreding. Die voorwaarden moeten in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden. Dit artikel maakt, dat vloeit ook uit de tekst voort, een begrenzing mogelijk van de vrijheid van vereniging, die ook vrijheid van uittreding inhoudt. Uit het artikel, dat op grond van artikel 2:25 BW van dwingend recht is, volgt dat zo’n begrenzing een statutaire grondslag moet hebben.”
r.o. 3.6“[…] arrest gesuggereerd dat uittreedvoorwaarden ook in een overeenkomst tussen de coöperatie en individuele leden kunnen worden opgenomen. Opneming in zo’n overeenkomst, die anders dan de statuten niet bij meerderheidsbesluit kan worden gewijzigd, kan de kenbaarheid van de voorwaarde en de bepaalbaarheid van de verplichtingen die eruit voortvloeien ook waarborgen. De statutaire grondslag die artikel 2:60 BW vereist voor een voorwaarde voor uittreding, welke grondslag in de door de Hoge Raad besliste zaak aanwezig was, waarborgt echter meer dan kenbaarheid en bepaalbaarheid. Een statutaire grondslag betekent immers ook een inbedding in het rechtspersonenrechtelijk kader, waarin aan naleving of schending van de statuten betekenis toekomt bij onder meer de geldigheid van besluiten, bestuurdersaansprakelijkheid en het enquêterecht. Daarbij komt dat als ook zonder statutaire grondslag voorwaarden aan uittreding zouden kunnen worden verbonden, niet meer duidelijk is of ook daarvoor de vereisten gelden van behoud van de vrijheid van uittreding en overeenstemming met doel en strekking van de coöperatie. Beoordeling door het hof”
r.o. 3.7“Kubus heeft aangevoerd dat in deze zaak geen sprake is van een ledenovereenkomst maar van een franchiseovereenkomst en dat geen sprake is van een uittreedvoorwaarde in de zin van artikel 2:60 BW maar van een vergoeding voor het einde van de franchiserelatie. [verweerder] heeft met gebruikmaking van de franchiserelatie een onderneming kunnen opbouwen en moet daar een vergoeding voor betalen, aldus Kubus.”
r.o. 3.8Conclusie: terugbetaling transactiesom coöperatie als uittredingsvoorwaarde zonder statutaire basis (artikel 2:60 BW)
“Eén van de andere door de melkveehouders aangevoerde verweren is dat de bepaling in artikel 11 lid 4 van het huishoudelijk reglement ('de terugbetalingsverplichting’) een statutaire basis mist en om die reden nietig is. Het hof is het daarmee eens. Uit de artikelen 2:27 lid 4 sub c. en 2:34a jo. artikel 2:53a lid 1 jo artikel 2:60 BW volgt dat de uit het lidmaatschap van een coöperatie voortvloeiende verplichtingen en verbintenissen bij of krachtens de statuten aan de leden kunnen worden opgelegd. Deze bepalingen brengen mee dat een statutaire basis is vereist voor de verplichtingen en verbintenissen die aan het lidmaatschap worden gekoppeld. De statuten kunnen weliswaar bepalen dat een orgaan van de coöperatie bij besluit verbintenissen kan opleggen aan de leden of dat een verbintenis nader wordt uitgewerkt in een huishoudelijk reglement, doch de aard van de treffende verbintenis moet steeds uit de statuten kenbaar zijn. Is een besluit van een orgaan van de coöperatie waarbij een verbintenis aan de leden wordt opgelegd niet op de statuten gegrond, dan is het nietig en bindt het de leden niet. De verbintenis om een van de coöperatie ontvangen bedrag terug te betalen indien een lid […]”
r.o. 7.11“Nu DOC Kaas niet duidelijk heeft kunnen maken waar de basis voor terugbetaling in haar statuten kan worden gevonden, moet de slotsom luiden dat deze er niet is en dat sprake is van een met artikel 2:60 BW strijdige situatie en dat artikel 11 lid 4 HR een nietige bepaling is. Dit wordt niet anders als in aanmerking wordt genomen, zoals DOC Kaas aanvoert, dat artikel 11 HR op basis van unanimiteit en zonder bezwaar van welk lid dan ook tot stand is gekomen. Gevolg is dat DOC Kaas de aan de melkveehouders (met uitzondering de melkveehouder onder nummer 63) uitgekeerde transactiesom niet mocht verrekenen met het nog aan hen verschuldigde bedrag aan melkgeld.”
r.o. 7.13“Melkveehouder onder nummer 63 aan wie DOC Kaas de uitbetaling van een transactiesom heeft geweigerd, heeft aangevoerd dat ook de bepaling in artikel 11 lid 2 HR een ongeoorloofde uittreedvoorwaarde is in de zin van artikel 2:60 BW en daarom niet aan hem kan worden tegengeworpen. Het hof is het daarmee eens. Uit artikel 2:60 BW volgt onder meer dat een uittreedvoorwaarde in de statuten moet zijn opgenomen. Daaraan is voldaan als de voorwaarde uit de statuten kenbaar is en de aard en de omvang van de daaruit volgende verplichtingen voldoende bepaalbaar zijn. Een voorbeeld van een uittreedvoorwaarde is het betalen van een uittreedvergoeding, maar ook het vervallen van een bestaande aanspraak (bijvoorbeeld een saldo op de ledenrekening) kan een voorwaarde zijn die statutair aan een uittreding wordt verbonden. In dit geval heeft DOC Kaas de uittreedvoorwaarden geregeld in artikel 13 van de statuten. Die bepaling houdt in dat geen uittreedvergoeding is verschuldigd als bij opzegging van het lidmaatschap van de coöperatie tenminste een opzegtermijn van één jaar in acht wordt genomen. Een andere voorwaarde voor uittreding is in de statuten niet te lezen. Het weigeren aan een uittredend […]”
r.o. 7.14“Onderdeel 1 valt uiteen in een inleiding (nr. 1.0) en vier subonderdelen met klachten (nrs. 1.1-1.4). Deze komen neer op het volgende. 3.5.1 Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 7.11-7.13 van het arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dit omdat het hof daarmee heeft miskend dat op grond van art. 2:27 lid 4 sub c en 2:34a jo. 2:53a lid 1 jo. 2:60 BW (i) een statutaire basis alleen is vereist voor het opleggen van (daadwerkelijke) (additionele) ‘verplichtingen’ aan de leden. En/althans (ii) als zodanig niet kan dienen het in isolatie bezien van de terugbetalingsverbintenis die ontstaat als een lid na ontvangst van zijn (voorschot op de) aanblijfbonus toch niet aanblijft. En/althans (iii) geen statutaire basis is vereist voor het vaststellen dan wel nader uitwerken van voorwaarden voor de toekenning van een (eenmalige) (onverplichte) extra aanblijfbonus aan de leden. Ik citeer het vervolg: “De artikelen 2:27 lid 4 sub c. en 2:34a jo. 2:53a lid 1 jo. 2:60 BW beogen de leden te beschermen tegen het opleggen van verplichtingen die een verzwaring van hun lasten meebrengen, waarop de leden - gelet op de statuten - ten tijde van het aangaan van het […]”
r.o. 3.5Statutaire uittreedvergoeding coöperatie: kenbaarheid en bepaalbaarheid onder artikel 2:60 BW
“Onderdeel 1 voert met een aantal varianten in wezen aan dat art. 13 van de statuten niet “art. 2:60 BW-proof” is, omdat daarin de uittreedvoorwaarden niet volledig genoeg uitgewerkt zijn. Tot die bevinding kwam ook rechtbank Assen. Het keert zich met vijf subonderdelen (gevolgd door een louter voortbouwende klacht) tegen met name rov. 17-27 van het tussenarrest: “De (overige)grieven 17. De overige grieven hebben, gezien de daarop gegeven toelichting, de kennelijke strekking het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen. De grieven komen, in de kern genomen, op tegen het oordeel van de rechtbank dat DOC geen verrekenbare tegenvordering op de melkveehouders heeft omdat de aan die tegenvordering ten grondslag gelegde schadevergoedingsverplichting niet volledig en voldoende duidelijk is geregeld in of krachtens de statuten. In de opvatting van DOC voldoet de uittreedregeling neergelegd in artikel 13 van de statuten aan de eisen van artikel 2:60 BW. 18. Tussen partijen is niet in geschil dat de in artikel 13 opgenomen verplichting om op eerste schriftelijke aanmaning van de directie een schadevergoeding aan de coöperatie te betalen, moet worden beschouwd als […]”
r.o. 2.1.1“Subonderdeel 1.1 bevat de rechtsklacht dat een uittreedvoorwaarde volledig in de statuten moet staan, althans de omvang van de uittreedvergoeding, althans de grondslagen van de berekening ervan; althans mogen omvang en grondslagen niet afhankelijk zijn van nadere beslissingen van het bestuur of een door hem aan te wijzen deskundige. Art. 2:60 BW laat geen ruimte voor een statutaire bepaling als art. 13 lid 1 dat de vergoeding op basis van grondslagen uit het huishoudelijk reglement zal worden vastgesteld. Subonderdeel 1.2 behelst de rechtsklacht dat nu deze grondslagenuitwerking in het huishoudelijk reglement ontbreekt, dit niet voldoende is voor een geldige uittreedregeling, althans dit geen aanspraak schept op een uittreedvergoeding, althans dat dit geldt voor art. 13 lid 1 van deze statuten. Subonderdeel 1.3 komt met een rechts-/motiveringsklacht op tegen rov. 24-25 van het tussenarrest: er is pas sprake van voldoende bepaalbaarheid, als uit de statutaire regeling duidelijk genoeg is hoe/op welke grondslagen de omvang van de schadevergoedings-verplichting moet worden berekend en die regeling moet dus ten minste in zoverre nader zijn uitgewerkt. Daarvan alleen een maximum […]”
r.o. 2.1.2“Uw Raad heeft niet eerder uitgemaakt of een uittreedregeling integraal en concreet uitgewerkt in de statuten moet staan of niet. Ik kom tot een ontkennende beantwoording in dit geval. Het lijkt aangewezen daarvoor eerst naar de wetgeschiedenis van art. 2:60 BW en daaraan voorafgaande bepalingen te kijken, de schaarse rechtspraak hierover en de literatuur.”
r.o. 2.1.3“Art. 2:60 BW stelt dus drie eisen aan toegelaten uittreedvoorwaarden: a) de vrijheid van uittreding uit de coöperatie moet in stand blijven, b) zij moeten berusten op de statuten en c) in overeenstemming zijn met doel en strekking van de coöperatie. Eisen a) en c) spelen in deze procedure geen rol (rov. 18 tussenarrest wordt in cassatie niet kenbaar bestreden). Datzelfde geldt voor eventuele mededingingsrechtelijke aspecten van uittreedvoorwaarden. Het gaat om eis b). Een blik in de wetgeschiedenis werpt weinig licht op deze kwestie. parlementaire geschiedenis art. 2:60 BW”
r.o. 2.1.5
Rechtbanken (1)
Onmiddellijke opzegging lidmaatschap coöperatie winkelcentrum; bijdrageplicht via derdenbeding eindigt
“De coöperatie is een bijzondere vorm van een vereniging als bedoeld in Boek 2, Titel 3, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en niet een vereniging in de zin van Boek 5 BW (de vereniging van eigenaars van appartementsrechten) waarvoor een ander wettelijk kader geldt. Partijen zijn het erover eens dat het [gedaagde partij] (op grond van artikel 2:60 BW) vrijstond zijn lidmaatschap van de coöperatie te beëindigen, ondanks artikel 1 sub b van het derdenbeding uit de leveringsakte (zie 3.1), welke bepaling op grond van artikel 2:60 BW in zoverre voor niet geschreven moet worden gehouden.”
r.o. 5.2